|
|
|
| |
Over enkele verschillen tussen Mnl en Ndl*
Fred Weerman
‘Hoe meer we onze oude teksten bestudeeren, hoe meer we er taalverschijnselen in ontdekken, die, zoo zonderling ze ook bij een eerste kennismaking mochten voorkomen, later, bij het vinden van een reeks van bewijsplaatsen, tot de onloochenbare feiten blijken te behooren.’
W.L. van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche grammatica’, TNTL 3, 1883, p. 290.
Wil het moderne Nederlands al slecht gehoorzamen aan recente taalkundige theorieën, de, met name traditionele, historisch taalkundige literatuur wekt gemakkelijk de indruk dat het met het Nederlands van enige eeuwen terug nog erger gesteld was. Voor een belangrijk deel ten onrechte. Zo kan verdedigd worden dat aan de Middelnederlandse zin, net zoals aan de moderne Nederlandse, een basisstructuur ten grondslag ligt, die sterk vereenvoudigd weergegeven kan worden d.m.v. (1):
| | | |
| (1) |
[s'...INFL...Subjects-NP...Objects-NP...V] |
Indien INFL de waarde < + tense > aanneemt, dan kan in die positie òf een finiet voegwoord (bijv. dat) òf de verplaatste persoonsvorm verschijnen. In het eerste geval wordt afgeleid wat traditioneel de bijzinsvolgorde heet en in het tweede geval de vraagzinsvolgorde. Vindt in het tweede geval bovendien de verplaatsing plaats van een constituent (bijvoorbeeld de subjects-NP) naar onmiddellijk links van INFL, dan wordt de zgn. hoofdzinsvolgorde afgeleid1. Al deze veronderstellingen zijn ook verdedigd voor het moderne Nederlands.
Niettemin zijn er natuurlijk in het oog lopende verschillen. Hieronder zullen een paar tamelijk curieuze Middelnederlandse syntactische verschijnselen ter discussie staan, die zich niet voordoen in het moderne Nederlands. De verschillen, zo zal ik suggereren, zijn terug te voeren tot één verschil. Daarbij zal aangesloten worden bij de discussie over de VP in het Nederlands.
| |
1. Clitisch gedrag van pronomina
Kijken we eerst naar de positie die Middelnederlandse objectsclitica (of eigenlijk: niet-subjectsclitica) innemen. Een beeld van die clitica voor wat betreft de derde persoon kan men zich vormen aan de hand van schema (2). De romeinse cijfers duiden op de naamval, rechts van ‘/’ staat een clitic, links ervan een volledig pronomen.
| (2) |
|
mannelijk |
vrouwelijk |
onzijdig |
meervoud |
| |
II |
sijns/-s |
haer/-er |
sijns/-s |
haer/-er |
| |
III |
hem/-en |
haer/-er |
hem |
hem, hen/-en |
| |
IV |
hem/-en |
haer/-se |
het/-t |
hem, hen/-se, -si |
Is de volgorde volgens (1) INFL - Subjects-NP - Objects-NP, deze, nu, wordt verplicht doorbroken door de objectsclitica:
| (3)a |
datten God niet en spaert |
(A 163)2 |
| b |
datse onse here troest |
(K 114) |
| c |
en ware datsi die moeder wacht |
(K 160) |
| d |
teerst datten die joncfrouwe siet |
(O 42) |
| |
| (4)a |
nu moetene onse vrouwe bewaren |
(O 41) |
| b |
soe troestse de hope vander goetheit gods |
(A 150) |
| c |
wilsi die moeder oec verteeren |
(K 160) |
| d |
nu heeften vrouwe Venus opghenomen |
(S 17) |
In al deze gevallen staat het object niet rechts, maar links van het subject, en onmiddellijk rechts van resp. het voegwoord en de persoonsvorm. De contrastieve distributie die in (3) en (4) is waar te nemen tussen voegwoord en voor-opgeplaatste persoonsvorm, is een van de argumenten om te veronderstellen dat ze dezelfde positie innemen. De generalisatie lijkt aldus te zijn dat het objectsclitic zich fonologisch vasthecht aan INFL, volgens (5):
| (5) |
[s'...INFL + objectsclitic Subjects-NP...] |
| | | |
Daarbij moeten twee kanttekeningen worden gemaakt. In de eerste plaats kunnen we op de clitic-positie in (5) niet alleen objectsclitica, maar ook volledige pronomina aan treffen:
| (6)a |
dat hem en groet volc na volgde |
(G 212) |
| b |
so ghaf hem Levi ene grote maeltyt |
(G 216) |
| |
| (7)a |
dat di die vremde troesten |
(A 163) |
| b |
so sal di dyn vader gheven dinen loen |
(G 216) |
Het verschil is dat de volledige pronomina ook op andere plaatsen (in de ‘normale’ objectspositie, in een voorzetselconstituent,...) kunnen verschijnen, terwijl de clitica gebonden zijn aan de speciale positie in (5). Kennelijk kunnen ook deze volledige pronomina (d.w.z. deze als volledige pronomina gespelde pronomina) clitisch gedrag vertonen.
In de tweede plaats is er een schijnbaar tegenvoorbeeld tegen de observatie dat in (5) het objectsclitic voorafgaat aan het subject. Het gaat om zinnen als (8):
| (8)a |
soe darict u vertellen wel |
(K 14) |
| b |
ende hangewine bider kele |
(K 158) |
| c |
dat icse daer niet en mochte laten |
(IV 183) |
| d |
dat hine horde nomen Gode |
(K 182) |
In al deze gevallen volgt het objectsclitic een subjectspronomen of -clitic. We moeten concluderen dat ook deze subjecten zich vasthechten aan INFL. Iets dergelijks wordt ook verdedigd voor modern Nederlandse subjectspronomina. Dat laatste is dus geen verschil met het moderne Nederlands, netzomin als (1) verschilt. Het verschil zit'm er ook niet in dat objectspronomina in het moderne Nederlands geen clitisch gedrag vertonen. Door velen is verdedigd dat in het moderne Nederlands objectsclitica een andere positie innemen dan ‘normale’ objects-NP's. Het verschil is dat in het moderne Nederlands die clitica blijven steken tot onmiddellijk rechts van het subject (zie (9)), terwijl ze in het Middelnederlands het subject passeren en juist links ervan verschijnen.
| (9) |
dat Klaas 't 'm waarschijnlijk nooit gezegd heeft |
Merk op dat het verschil alleen zichtbaar kan worden in bijzinnen, en in hoofdzinnen waarin de subjects-NP niet verplaatst is naar links van INFL. In geval van de (frequente) volgorde subjects-NP - INFL - objectsclitic is het verschil, althans wat betreft de volgorde, geneutraliseerd.
Wat kan nu de verklaring zijn voor dit verschil? Waarom is de landingspositie van clitica in het Middelnederlands anders dan in het moderne Nederlands? Laten we eerst stil staan bij de vraag hoe het mogelijk is dat een element dat een objectsfunctie heeft in een andere positie dan die van ‘normale’ objecten, nl. links van het subject terecht komt. Kent het Middelnederlands een zgn. ‘scrambling’-regel die objectsclitica naar INFL verplaatst? Iets dergelijks suggereert Haegeman (1984) voor het West-Vlaams waar zich een paar soortgelijke verschijnselen lijken voor te doen. De verschillen zijn echter evident: gaat het in het West-Vlaams om slechts twee objectsclitica die zich niet-systematisch onderscheiden van de andere clitica, in het Middelnederlands lijkt het om een pro- | | | | duktief en systematisch verschijnsel te gaan. Een scrambling-regel doet daaraan geen recht.
Een betere mogelijkheid voor een verklaring bieden de analyses van clisisverschijnselen zoals die in recent generatief werk te vinden zijn (vgl. Borer (1984) voor een overzicht). Op basis van de laatst genoemde publicatie kunnen we veronderstellen, zonder verder op details in te gaan, dat een redelijke theorie over objectsclitica aan het volgende voldoet:
| (10)a |
een clitic absorbeert de casus die V toekent |
| b |
een clitic staat in een niet-argumentpositie |
| c |
een clitic c-commandeert de ‘normale’ objectspositie binnen de minimale maximale projectie waarin beide zich bevinden |
(10c) impliceert dat een objectsclitic de maximale projectie waartoe hij behoort niet kan verlaten. In Berendsen (1983) wordt op basis van soortgelijke veronderstellingen beargumenteerd dat objectsclitica in het moderne Nederlands in de linker periferie van de V-projectie terecht moeten komen. En gegeven een structuur als (11)3,
| (11) |
[s'...INFL Subjects-NP [vmax...Objects-NP V]] |
impliceert dat een positie rechts van de subjects-NP.
De volgende stap ligt nu voor de hand: ook in het Middelnederlands verschijnen de objectsclitica in de linker periferie van de V-projectie; objectsclitica kunnen hier echter het subject passeren omdat dat zelf deel uitmaakt van de V-projectie. Kan (1) m.a.w. voor het moderne Nederlands nader gekarakteriseerd worden als (11), voor het Middelnederlands is dat (12):
| (12) |
[s'...INFL [vmax Subjects-NP...Objects-NP V]] |
Dat het objectsclitic zich syntactisch vasthecht aan de V-projectie, hoeft uiteraard niet in de weg te staan dat het fonologisch gezien juist aan de linkerkant een gastheer zoekt. Dat laatste lijkt een tamelijk algemene regel in het Middelnederlands te zijn. Een parallelle situatie doet zich voor bij het negatie-partikel ne/en (vgl. bijv. (8c)): ook dat hecht zich syntactisch aan de zich er rechts van bevindende persoonsvorm, terwijl het zich vaak fonologisch richt naar links (men zie De Haan en Weerman (1984)).
Tot slot twee opmerkingen. In de eerste plaats zij er op gewezen dat de volgorde van de clitica in (8) nu automatisch volgt: het subjectsclitic wordt (net zoals in het moderne Nederlands) syntactisch vastgehecht aan INFL en gaat dus vooraf aan de objectsclitica. In de tweede plaats, een toets voor de analyse zou zijn als ook de quasi-objecten die in het moderne Nederlands ook rechts van het subject terecht komen (vgl. (13a)), in het Middelnederlands links ervan staan. Die voorspelling komt inderdaad uit (vgl. (13b)).
| (13)a |
dat Piet er mij vaak over heeft gesproken |
|
| b |
datter Ferguut niet af en weet |
(St 224) |
| |
| | | |
2. Vn-raising
Het is sinds Evers (1975) genoegzaam bekend dat in het moderne Nederlands complementszinnen òf in extrapositie moeten verschijnen òf dat de V van de complementszin in V-raising moet, waardoor de zinsstructuur van de complementszin verdwijnt. Of het een of het ander (of zelfs beide) mogelijk is, hangt af van de matrix-V. Is de matrix-V bijv. een van de werkwoorden horen, zien, laten, vinden of voelen, dan is V-raising verplicht:
| (14)a |
[s' |
...dat wij [s' hem Piet een boek geven] zien]. |
| b |
* |
...dat wij zien hem Piet een boek geven |
| c |
|
...dat wij hem Piet een boek zien geven |
Recentelijk is de verplichte V-raising bij deze werkwoorden wel in verband gebracht met het feit dat het subject van de ingebedde zin toegankelijk moet zijn voor de casus van het matrixwerkwoord (resp. hem en zien in (14)) (vgl. bijv. Hoekstra (1984)). Laten we dit, opnieuw zonder in details te treden, accepteren. Gaat het in het (standaard) moderne Nederlands uitsluitend om de V van de complementszin, uit een overzicht van Den Besten en Edmondson (1981) blijkt dat soms ook tezamen met V een of meer complementen van V in raising gaan. Dat geldt voor het Züritüütsch en het West-Vlaams. In dat geval zijn er naast (14c) ook varianten mogelijk waarin direct object + V, en een waarin indirect + direct object + V verplaatst zijn. Kennelijk kan resp. Vo, V1 en V2 (ofwel Vn) geraised worden. Merk op dat het subject van de complementszin moet blijven staan.
Het Middelnederlands kent, en niet alleen in de zuidelijke dialecten, ook zo'n regel Vn-raising. De volgende voorbeelden kunnen dat illustreren.
| (15)a |
alse hi den wolf siet comen |
(G 200) |
| b |
ghi hat gelaten uwen wijn ontvoeren |
(IV 194) |
| c |
dat ic hem sach een deel becoopen sine diefte |
(Ko 161) |
| d |
soedat men haer sach wel twee schuyten vol dooden nae haer scepen voeren |
(Ko 161) |
| e |
die met penitentien werdt van sinen sunden bekirt |
(G 214) |
| f |
maer dat ghijt woudt in groeten hebben |
(Ka 323) |
| g |
ghi soutten hebben doot ghesteken |
(S 59) |
Dat na Vn-raising de complementszin als zin niet langer bestaat, kan o.a. blijken uit het feit dat de objectsclitica die functioneel gezien behoren tot de complementszin, verschijnen bij de INFL van de matrix-zin (vgl. bijv. f en g).
Een verschil nu tussen het Middelnederlands enerzijds en bijv. het moderne West-Vlaams anderzijds, is, dat in het Middelnederlands óók het subject mee geraised kan worden:
| (16)a |
op wien dat tu siest den gheest comen |
(B 46) |
| b |
(desen rouwe ende desen noot), dien men daer sach den lande driven |
(VII 1077) |
| c |
nadat ict horde den Walsce bedieden |
(III 593) |
| d |
alse sijt sage ere andre dagen |
(VII 1077) |
| e |
datmen liete dat metsen staen |
(IV 196) |
Dat er inderdaad sprake is van raising kan blijken uit de verschijnselen die wij- | | | | zen op een éénzinsstructuur: men zie bijv. opnieuw de positie van de objectsclitica -t in c en d.
Hoewel het hoe en waarom van de regel Vn-raising vooralsnog een mysterie blijft, kan hier net zoals in de vorige paragraaf de conclusie worden getrokken dat in het Middelnederlands het subject deel uitmaakt van de V-projectie en zodoende door Vn-raising meegenomen kan worden. Dit in tegenstelling tot bijv. in het West-Vlaams.
| |
3. Slot
De hierboven besproken verschijnselen suggereren dat in de geschiedenis van het Nederlands basisstructuur (12) is veranderd in (11). Er is een grens ontstaan tussen subject enerzijds en objecten anderzijds. In de noordelijke Nederlanden heeft bovendien nog weer later de n van Vn-raising de vaste waarde 0 gekregen. Wat hier verder van zij is uiteraard een kwestie van nader onderzoek. Verwacht mag worden dat een grammatica met (11) i.p.v. (12) voor een belangrijk deel een zelfde output heeft, zoals bijv. bleek in par. 1. Alleen dan kan immers een verandering mogelijk zijn. Anderzijds mag ook verwacht worden dat de verandering van (12) naar (11) drastischere gevolgen heeft dan hier is gebleken. Zo ligt het voor de hand om het verschijnsel dat in het moderne Nederlands ‘normale’ objecten eventueel van plaats kunnen wisselen, maar absoluut niet over het subject kunnen worden verplaatst, terwijl die mogelijkheid in het Middelnederlands wèl bestaat, aan het verschil te relateren. Ook kan men vermoeden dat het feit dat in de verschillende soorten onpersoonlijke constructies in het Middelnederlands, het dummy-subject het hoegenaamd altijd achterwege kan blijven, ook te maken heeft met de oppositie (11)-(12). Misschien is die oppositie een van de oorzaken waardoor Middelnederlandse taaiverschijnselen ons ‘zoo zonderling’ (zie het motto) voorkomen.
| |
| | | |
Bibliografie
| Berendsen, E. (1983), ‘Objectsclitica in het Nederlands’, Ntg 76-3, 209-224. |
| Besten, H. den & J. Edmondson (1981), ‘The Verbal Complex in Continental West Germanic’, GAGL 19, 11-61. |
| Borer, H. (1984), Parametric Syntax; Case Studies in Semitic and Romance Languages, Dordrecht. |
| Evers, A. (1975), The Transformational Cycle in Dutch and German, IULC. |
| Haan, G. de en F. Weerman (1984), ‘Taaltypologie, taalverandering en mogelijke grammatica's; het Middelnederlandse en’, TNTL. 100, p. 161-190. |
| Haegeman, L. (1984), ‘INFL, COMP and Nominative Case Assignment in Flemish Infinitivals’, lezing TIN-dag. |
| Hoekstra, T. (1984), Transitivity; Grammatical Relations in Government-Binding Theory, Dordrecht. |
| Weerman, F. (1983), Bouman revisited; V2-verschijnselen in een moderne historische taalkunde, doct. scrip. Utrecht. |
|
*Ik dank Evert van den Berg, Ger de Haan, Jan Odijk, Henk Schultink en Wim Zonneveld voor hun commentaar op een eerdere versie. Dit onderzoek werd gesteund door de Stichting Taalwetenschap, die wordt gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor zuiverwetenschappelijk onderzoek (ZWO, projectnr. 17-23-21).
1Voor details en bijzonderheden zie men verder Weerman (1983). Daar wordt ook enige motivatie gegeven voor de tamelijk zorgeloze houding die ik hieronder aanneem ten aanzien van mogelijke temporele en locale variaties, zoals daar eveneens wordt uitgelegd hoe de opmerkingen over ‘mogelijk Middelnederlands’ opgevat dienen te worden.
2De codes achter de Middelnederlandse voorbeeldzinnen dienen als volgt te worden gelezen: de letter geeft de publicatie aan, het getal de bladzijde daaruit waar de voorbeeldzin is aan te treffen. Daarbij geldt: A = E. Allard (1937), Een grammaticaal onderzoek van het proza van Hadewych, Nijmegen; K = C. van de Ketterij (1976), Middelnederlandse teksten ter grammaticale interpretatie, Groningen; O = Overdiep (1946), Vormleer van het Middelnederlandsch der XIIIde eeuw, Antwerpen; S = G. Stellinga (1955), De abele spelen; zinsvormen en zinsfuncties, Groningen; G = Jac. van Ginneken c.s. (1938), De taalschat van het Limburgse leven van Jezus, Maastricht; St = F. Stoett (1923), Middelnederlandsche spraakkunst; syntaxis, Den Haag; Ko = L. Koelmans (1965), ‘Iets over de woordorde bij samengestelde predikaten in het Nederlands’ Ntg 58, p. 156-65; Ka = M. van der Kallen (1938), Een grammaticaal en rythmisch onderzoek van Hadewychs poëzie, Den Haag; B = E. van den Berg (1983), Middelnederlandse versbouw en syntaxis, Utrecht; De romeinse cijfers duiden op een deel uit het Middelnederlandsch Woordenboek, de cijfers daarbij geven de kolom aan.
3De vraag of de Subjects-NP tezamen met V max wordt gedomineerd door een knoop die weer een zuster is van INFL, laat ik hier verder buiten beschouwing.
|
|