[p. 287]

Het onherroepelijk einde
Arie Pos

Inleiding

‘Wie een boek begint, legt zich met de eerste regel vast voor het gehele boek’ schreef Menno ter Braak in Politicus zonder partij. Een schrijver ontneemt zich met elke volgende zin, elk hoofdstuk, mogelijkheden voor de ontwikkeling van zijn boek. Hij legt zich naarmate hij vordert met elke keuze die hij doet meer beperkingen op. Dat geldt zowel voor de schrijver die keurig van de eerste naar de laatste bladzijde schrijft, als voor de schrijver die fragmentarisch en minder ordelijk werkt. Hij stelt zich in dienst van de realisatie van een ontwikkeling die hem verplicht telkens één mogelijkheid te kiezen waar er zich meer aandienen. Welke keuze de juiste is, is niet bij voorbaat bekend. De schrijver kan slagvaardig kiezen als de ontwikkeling hem helder voor ogen staat, maar succes is hem daarbij niet verzekerd. Het verhaal schrijft zich deels zelf en de schrijver gaat waar de woorden gaan. Soms moet hij teleurgesteld constateren dat hij zich essentiële mogelijkheden heeft ontnomen. Hij maakte verkeerde keuzes omdat hij geen overzicht had over het scala aan mogelijkheden of hij realiseerde zich de verstrekkende gevolgen van zijn keuzes niet. Hij kan zich erbij neerleggen en redden wat er nog te redden valt of hij kan opnieuw beginnen, zich langs een andere route door de mogelijkheden heen werken en beter opletten dat hij niet over zijn woorden struikelt.

In zijn verhaal ‘De doodsstrijd van de dwaze oude, in het schrijven verliefde’ verbeeldde Slauerhoff de worsteling van de schrijver met het verhaal als het gevecht met een twaalfarmige demon, die het verhaalverloop naar zijn hand zet door de schrijver te dwingen te schrijven wat hij wil. De dwaze oude gaat ten onder aan zijn verzet tegen de demon. Een dergelijke dicterende demon komt vaker in Slauerhoffs werk voor. In Het verboden rijk weet de marconist zich maar ternauwernood aan de hem belagende geest van de al eeuwen eerder overleden Portugese dichter Camoës te ontworstelen en in veel gedichten treden er goedaardiger dicterende demonen op: de lang overleden dichters aan wie Slauerhoff zich verwant voelde. Ze vormen Slauerhoffs persoonlijke variant op de aloude inspiratiebron: de Muze.

Slauerhoff zal zich in zijn schrijversleven voldoende hebben gerealiseerd dat de schrijver het niet alleen van de bereidheid van de Muze moet hebben. Het in eind 1985 verschenen Het China van Slauerhoff1 is voor het eerst iets van zijn ‘work in progress’ te zien. Het boek bevat alle documenten uit zijn nalatenschap die betrekking hebben op de romans Het verboden rijk en Het leven op aarde. Slauerhoff maakte schema's, uittreksels uit lectuur waarmee hij zich documenteerde, opzetten en voorlopige versies. Hij plande een trilogie maar kwam niet verder dan twee delen. Het was hard werken, vondsten doen en verwerpen. Een deel van dit proces is door W. Blok

[p. 288]

en K. Lekkerkerker openbaar gemaakt. Ze maakten nauwkeurige transcripties van de handschriften en gingen in hun commentaar uitvoerig in op de bronnen die Slauerhoff gebruikte en op de voortgang van het schrijfproces. De documenten verdeelden ze in vier groepen. De A-groep bevat twee teksten die als verre voorstudies van de Chinese romans zijn te beschouwen. De B-groep bestaat uit aantekeningen over de opzet van de romans en uittreksels uit zijn lectuur. In de C-groep werden acht voorontwerpen van fragmenten uit Het leven op aarde bijeengebracht en de D-groep bevat overgebleven fragmenten, waarvan er vijf door Blok en Lekkerkerker ‘voorontwerpen voor deel III’ worden genoemd. Hun argumenten om die vijf documenten deze status te geven zijn niet erg overtuigend. Hieronder wil ik een poging ondernemen aan te tonen dat de documenten geen voorontwerpen voor deel III zijn maar overblijfselen uit het moeizame proces van de voltooiing van Het leven op aarde.

Een stukje tekstgeschiedenis

Getuige de schema's die Slauerhoff in verschillende stadia van de voorbereiding van zijn romans maakte en bijwerkte, had hij zich voorgesteld een trilogie te schrijven. Naarmate hij met het werk vorderde week hij in meerdere of mindere mate af van zijn schema's en legde hij zich meer beperkingen op. Een weg terug was er niet meer toen de romans als feuilleton in Forum verschenen, Het verboden rijk in de eerste jaargang (1931-1932) en Het leven op aarde in de derde (1934). Kort nadat de feuilletons afliepen verschenen de romans in boekvorm bij de uitgever van Forum, Nijgh & van Ditmar. Deze maakte voor de boekdruk gebruik van het nog eens gecorrigeerde zetsel voor het tijdschrift. Dat Slauerhoff bij de voltooiing van Het leven op aarde onder druk moest werken, wordt bewezen door het feit dat het slot in augustus 1934 nog steeds niet aan de uitgever was toegezonden, terwijl de roman al vanaf januari in Forum verscheen. Dit blijkt uit een brief die Menno ter Braak op 29 augustus 1934 schreef aan E. du Perron, die op dat moment bij Slauerhoff in Tanger logeerde. In juli was al begonnen met de voorbereiding van de boekuitgave. Het slot van het feuilleton stond in oktober in Forum en in november was het boek te koop. Over de complicaties bij het schrijven van het slot vertelde Slauerhoff in juni 1934 aan zijn vriend F.C. Terborgh. ‘Voor de passage van de oliebroncatastrophe had hij uitvoerige aantekeningen gemaakt aan de hand van technische lectuur. Hij had gehoopt er een hoofdstuk mee te vullen, maar bij de uitwerking schrompelde alles tot enkele pagina's ineen en er moest naar nieuwe stof worden gezocht om het gewenste volume te bereiken’ schreef Terborgh in zijn Slauerhoff. Herinneringen en brieven (19742, p. 25-26). Het in korte tijd geschreven slot besloeg zestig pagina's van Forum en werd in één aflevering gepubliceerd omdat de redactie het feuilleton wilde hebben afgesloten voordat het boek op de markt kwam. De andere afleveringen hadden elk gemiddeld zestien pagina's opgeëist. Slauerhoff was er kennelijk in geslaagd ondanks de zware tijdsdruk ruim het vereiste volume te produceren.

De laatste dagen van oktober en de eerste dagen van november 1934 logeerde

[p. 289]

Slauerhoff bij Terborgh in Madrid. Deze schreef: ‘Dat hij in de zomer nog over het zwoegen aan “Het Leven op Aarde” had gezucht, was hij schijnbaar vergeten. Hij had nieuwe ideeën voor een omvangrijk prozawerk. “Het Verboden Rijk” en “Het Leven op Aarde” beschouwde hij als de beide eerste delen van een trilogie. Voor een derde deel, dat een synthese had moeten brengen, waren er wel vage plannen, maar hij achtte zich voor de uitwerking ervan nog niet rijp. Veel waarde hechtte hij aan de eindepisode van “Het Leven op Aarde”, die Du Perron's goedkeuring niet had kunnen vinden, maar die hem blijkbaar na aan 't hart lag. In die richting zullen vermoedelijk wel zijn gedachten over het nog ongeschreven derde deel zijn gegaan’ (o.c. p. 36). Deze dertien jaar later opgeschreven herinnering2 is de enige aanwijzing dat Slauerhoff na de voltooiing van Het leven op aarde nog plannen had voor een vervolg. Blok en Lekkerkerker schrijven over Terborghs opmerking: ‘Dat deze ideeën geheel nieuw waren, is onjuist. Zoals uit de documenten B-I en B-II blijkt, bestonden de plannen voor een trilogie van het begin af aan. Wel heeft Slauerhoff in de loop der tussenliggende jaren de stof over de drie delen anders gerangschikt, en wellicht zijn ook de accenten daardoor anders komen te liggen. In grote lijnen is hij echter aan zijn oorspronkelijke opzet trouw gebleven’ (BL 283). Hun correctie duidt erop dat ze er zonder meer van uitgaan dat Terborgh het over dezelfde plannen heeft als zij. Dit is eigenlijk niet goed voorstelbaar. Het derde deel dat Slauerhoff in zijn schema's B-I en B-II voor ogen had, verwerkte hij voor een belangrijk deel al in de ‘Epiloog’ van Het leven op aarde die in oktober 1934 in Forum verscheen. Daarmee had hij zich veel mogelijkheden voor het nog te schrijven derde deel ontnomen. Dat hij alleen nog maar ‘vage plannen’ voor het vervolg had, is moeilijk te rijmen met de bestaande schema's en met de documenten die door Blok en Lekkerkerker voorontwerpen worden genoemd. Over de datering van deze schema's en voorontwerpen blijken ze niet meer te kunnen zeggen dan ‘dat ze geschreven moeten zijn tussen 1929 [...] en 1934, toen Het leven op aarde verscheen’ (BL 283). Er is dus geen enkel ‘hard’ gegeven over de pogingen tot uitwerking van de plannen waarvoor Slauerhoff zich in het najaar van 1934 nog niet rijp voelde. Desalniettemin menen Blok en Lekkerkerker van vijf van de acht fragmenten uit de D-groep te kunnen zeggen, dat ze ‘zeker wèl voorontwerpen voor deel III’ (BL 283) zijn.

Een formeel argument

Tegen het toekennen van de status van voorontwerp voor deel III aan de vijf overgebleven fragmenten pleit allereerst een formeel argument. Slauerhoff begon Het verboden rijk met een ‘Proloog’. Het vervolg op deze roman, Het leven op aarde, besloot hij met een ‘Epiloog’. Daarmee rondde hij compositorisch de twee delen af tot een tweeluik, waaraan een derde deel afbreuk zou doen. Slauerhoff zette zich dus met de betiteling ‘Epiloog’ schaakmat. Ook in het verhaalverloop vormt de ‘Epiloog’ een duidelijke afsluiting. Cameron maakte in Het leven op aarde de reis die hij zich aan het eind van Het verboden rijk voornam te maken3:

[p. 290]

Ik zou eerst de plaats opzoeken die ik het meeste had geschuwd, omdat die zóó wreed is voor berooiden en zwakken dat men de menschen er rustig op straat laat sterven. Eerst naar Sjanghai. Van daaruit, loodrecht van de kust af, door de vlakten, tot waar de bergen oprijzen uit de verte van de wazige rijstvelden, waar de papavervelden als roode meren tusschen liggen.
Als het geluk op aarde nog ergens te vinden was, dan moest het daar zijn, bij de oudste wijsheid, de verhevenste natuur en het zuiverste genot. In het heden gelukzalig, door de vele litteekens uit het verleden gepantserd, zou ik zonder vrees alle schimmen en demonen kunnen ontmoeten, zonder in hen op te gaan, hun gastvrijheid bieden zonder zelf een haar, een cel te veranderen.

VW V, p. 251-2

Aan het eind van Het leven op aarde berust Cameron erin dat hij ‘het Land der Sneeuw’ niet zal binnengaan:

Ik had den zin, grootendeels ondanks mijzelf, door mijn lotgevallen, volbracht, mij bevrijd uit de samenzwering van afstamming en belagende geesten en verwekt tot de smalle rest van een eigen bestaan. Ik hoefde mij niet voortijdig te verwoesten. [...] ik [zal] ten slotte niet alleen Tai Hai en Tsjong King maar ook het westelijk paradijs vergeten, [er zal] niet eens rouw overblijven dat ik geen anderen zin dan mijzelf vond voor mijn leven op aarde.
Ik hoop alleen dat ik zal overgaan, niet zittend in een zaal of op den rand van een ravijn, turend naar een verren bergtop onder beweginglooze wolken, zooals de murwe wijzen, maar onderweg, op mars door de bergen of drijvend op een rivier. Misschien zal ik dan toch in de vaart het land van Wan Tsjen bereiken om daar den strijd voort te zetten van hem die niet kan sterven noch deelen het kommer- en vormloos bestaan van de ware onsterfelijken.

VW VI, p. 223-4

Wat zou de lezer hiema nog moeten verwachten?

Argumenten ontleend aan de documenten

De andere argumenten tegen de status van voorontwerp voor deel III ontleen ik aan een aantal documenten uit Het China van Slauerhoff. De documenten waarom het gaat zal ik hieronder eerst kort introduceren. Voorzover nodig voorzie ik ze tussen vierkante haken van een nadere karakterisering. Het zijn de volgende:

C-VII‘Hoofdstuk V’ en ‘Epiloog’ [met Gandhara-episode]
C-VIII‘Na de brand’
D-IV[de kloosters]
D-V[bij de monniken]
D-VI‘Kaap Adamastor Camões’
D-VII[aardbeving]
D-VIII‘Hoofdstuk XIII Tempelwachteres en godin’

Document C-VII is de ‘doorslag van de kopij die aanvankelijk bestemd was voor de uitgever ten behoeve van de publikatie in Forum, oktober 1934’ (BL 224). De tekst ervan is vrijwel gelijk aan de boektekst en correspondeert

[p. 291]

met het gedeelte vanaf hoofdstuk XII tot het slot. Kort voordat de tekst in Forum verscheen, schrapte Slauerhoff een deel. Dit fragment, waarin Cameron in een Griekse enclave genaamd Gandhâra terechtkomt, wordt door Blok en Lekkerkerker als een voorontwerp voor deel III gezien. CVIII is een voorontwerp voor de ‘Epiloog’ en behandelt het begin van de tocht die Cameron na de verwoesting van Tsjong King onderneemt. De korte tekst D-IV beschrijft twee kloosters en in D-V verblijft een man, vermoedelijk Cameron, in een paviljoen bij twee monniken. In D-VI reist Camoës per boot terug naar Portugal. Op deze tocht heeft hij in een ‘storm aan de Kaap’ (BL 300) een ontmoeting met de door Zeus in een rots veranderde reus Adamastor. Document D-VII is een korte notitie waarin iemand die vroeger Camoës was bij een paviljoen in de bergen een aardbeving meemaakt die de hem omringende wereld verwoest. Document D-VIII tenslotte beschrijft het verblijf van Cameron bij een tempelwachteres. Kort nadat hij haar heeft verlaten wordt de wereld verwoest door een vulkanische uitbarsting en blijft Cameron alleen over met een godin.

Op grond van letterlijke overeenkomsten met de boektekst valt document D-IV af als voorontwerp voor deel III. De kloosters waarover in dit document geschreven wordt, komen in het kort terug in de ‘Epiloog’ als Wan Tsjen Cameron op een bergtop een blik gunt in het Land der Sneeuw. De boektekst luidt:

Wan Tsjen laat mij van verre verschillende kloosters zien, diep in de vlakte, door duizenden bonzen bewoond, nu eens samenstroomend in de gebedshallen, dan weer verdwijnend in de omliggende cellen, dagen achtereen hymnen herhalend, ritueel oefeningen makend, altijd doende de demonen in bedwang te houden, oogenschijnlijk lui levend, in werkelijkheid geen seconde in het verdedigingswerk van hun land verflauwend.
Daarna brengt hij mij bij de kleine hooggelegene, waar een tien- of twaalftal heremieten onbevreesd samen zijn, onkwetsbaar, al hun tijd aan hoogere meditaties wijdend, alleen, meteen den telegraafdienst der gedachtenoverbrenging verzorgend. Zij leven onbekleed, onderhouden de warmte niet door oefeningen maar door de wrijving van gedachten. Hun gebeden zijn kort en ijl en klaar als klokken boven bergbeken geluid, als bevelen doorgegeven van dichtbije goden.

VW VI, p. 220-1

De relevante passages uit het document zijn4:

Er ligt een klooster in de Kun Lun bergen. waar de lucht rein is als de adem van de Boeddha. de bergen hard zijn en gegrond als de spreuken van Lao Tse. Het is niet groot het is open naar alle zijden - er wonen twaalf bonzen in rijzige gedaanten stoere kerels [...]

De gebeden zijn er kort en krachtig en ijl en klaar als klokken die even worden geluid door een frissche windstoot - als bevelen die door god zijn gegeven en door zijn dienaren worden uitgesproken steeds bezield door de goddelijke adem.

Er ligt een ander klooster in de laagvlakte. tusschen sappige rijstvelden. [...] Dat klooster wordt bewoond door drieduizend gele monniken [...]

BL 288-290

[p. 292]

In beide teksten zien we de tegenstelling van hoog- tegenover laaggelegen klooster(s); de woordelijke overeenkomsten zijn daarbij frappant. De tekstverzorgers wijzen niet op deze parallellen, terwijl ze wel schrijven dat Slauerhoff het fragment over de gebeden in de marge van drie blauwe verticale potloodstrepen voorzag (BL 288 noot 3). Kennelijk vond hij die regels van belang of goed geformuleerd en nam hij ze daarom over in zijn ‘Epiloog’. Blok en Lekkerkerker schreven over dit document: ‘Vooral omdat er verband lijkt te bestaan tussen dit document en document D-V, is het waarschijnlijk dat we te maken hebben met een voorontwerp voor het derde deel van de trilogie’ (BL 291).

Document D-V kan echter eveneens op grond van letterlijke overeenkomsten met de boektekst van de lijst van voorontwerpen voor deel drie worden afgevoerd. Cameron wordt in dit fragment door twee monniken meegevoerd naar hun tempel, die hij na een nacht vol verschrikkelijke dromen weer verlaat. De tekst lijkt weer een bouwsteen uit de ‘Epiloog’ te zijn. Hij past daarin op het punt dat Cameron gevallen is en Wan Tsjen verdwenen (VW VI 212). Op die plaats volgt in het boek de episode van geluk met de naamloze vrouw in het ‘westelijk paradijs’. Die periode eindigt doordat Camerons onvrede het paradijs verstoort. Op een nacht wordt hij daar overspoeld door zijn vroegere ellende. Deze passage is vrij letterlijk in document D-V terug te vinden. In de ‘Epiloog’ staat:

En op een nacht keert al het wee waaraan ik mij hier ontkomen waande. Ik verweerde mij samen met haar en den rook tegen den slaap, die toch over mij kwam als een plotseling stijgende vloed, zwaar dreunend en fijn sissend. De branding der droomen wentelt mij om en om als een schelp van het zachte strand meegesleurd naar het ziedende midden van een cycloon, waar de grootste schepen in planken en splinters worden uiteengerukt. Maar de schelp dwarrelend in den storm kan niet breken en zinkt eindelijk na geluwd geweld langzaam naar de diepere lagen.

VW VI, p. 218

In het document staat:

Hij voelt al het wee waaraan hij zich ontkomen waande met een golf weerkeeren alle aardsche ellende wreedheid verdeeldheid tegenstrijdigheid is in deze goden belichaamd. [...]
Vannacht zal het leger der droomen weer op hem afkomen. Hij worstelt urenlang wentelt zich wondt zich dan als een plotseling stijgende vloed overdondert hem de slaap en de branding der droomen wentelt zich over hem heen als over een schelp die van het veilige strand wordt meegesleurd naar het kokende midden van een cycloon waar ook de grootste schepen de strijd tegen de draaikolken verliezen.
De strijd der schepen duurt kort. als hun hout en romp is uiteengerukt zijn ze weergekeerd.
De kleine schelp kan niet breken en blijft even oud als hij al was in de [xxx] en al t geruisch dat hij in zijn binnenste heeft moet hij teruggeven

BL 295-296

[p. 293]

Het ligt voor de hand dat Slauerhoff de episode bij de monniken heeft vervangen door de scène in het westelijk paradijs. De editeurs noemen deze mogelijkheid niet, terwijl ze wel de aandacht vestigen op de verwantschap van de beeldspraak over de schelp met de boven geciteerde passage over de schelp uit het boek (BL 296).

Een complex van thematische verbanden

Behalve overeenkomsten naar de letter, zoals de voorgaande twee fragmenten vertoonden, zijn er overeenkomsten naar de geest te vinden tussen de boektekst van de ‘Epiloog’ en documenten die door Blok en Lekkerkerker als voorontwerpen voor deel drie worden beschouwd. Waarom Slauerhoff de Gandhâra-scène op het laatste moment schrapte uit de ‘Epiloog’ is niet bekend. Wellicht gebeurde dat omdat het fragment te weinig bijdroeg aan de ontwikkeling van het verhaal. Het voegt zeer weinig toe als we het vergelijken met de episode in het westelijk paradijs die er kort aan voorafgaat. Cameron was in dat paradijs gelukkig met een vrouw die ‘meer dan alle vorigen’ (VW VI 213) was. Zijn geluk wordt echter door twee zaken verstoord, ‘de bergen aan den overkant’ die hem blijven aantrekken en de klokjes van ‘het paviljoen van de samenkomst’ (VW VI 217), en hij verlaat haar. Kort daarop raakt hij met een bootje verzeild in Gandhâra, waar hij ‘het geluk op aarde’ (BL 245) beleeft met een vrouw, bij wie ‘het anders [was] dan bij alle vorigen’ (BL 245). Deze keer verstoren geen zaken buiten hem het geluk maar is het zijn eigen wezen, ‘te veel een schepping geworden van verschrikkingen vervuld’ (BL 246), dat hem onvoldaan het idyllische leven doet verlaten om verder te zoeken naar het Land der Sneeuw. Het kan in de ontwikkeling van Camerons bewustzijn een belangrijke stap zijn geweest, maar de inkleding ervan voegt weinig toe aan het verhaalverloop. Evenals in het westelijk paradijs houdt Cameron het in dit iets westelijker gelegen paradijs niet uit. Slauerhoff schrapte de episode en verwijderde daarmee een inconsistentie, die hij had geschapen door Cameron kort voor zijn vertrek uit Gandhâra een kind te laten verwekken bij zijn geliefde Rhodocleia. Dit gegeven is moeilijk te rijmen met de overpeinzingen van Cameron over zijn onthechtheid aan het slot van de ‘Epiloog’. Die ‘Epiloog’ trekt conclusies die voorbij het punt liggen waar de Gandhâra-episode past in Camerons ontwikkeling. Het lijkt daarom onaannemelijk dat dit fragment voor deel drie werd gereserveerd, zoals Blok en Lekkerkerker veronderstellen (BL 135).

Naast het Gandhâra-fragment vertoont ook document D-VIII overeenkomsten met de scène in het westelijk paradijs. Slauerhoff noemde dit document ‘Hoofdstuk XIII Tempelwachteres en godin’ en gezien een aantal terugverwijzingen in de tekst moet er inderdaad een aanzienlijk deel aan vooraf zijn gegaan. Er lijkt gerefereerd te worden aan de Gandhâra-episode en dit brengt Blok en Lekkerkerker ertoe te schrijven: ‘Ons vermoeden dat de Gandhâra-episode in haar geheel een plaats is toegedacht in deel III, wordt intussen bevestigd. Het is immers niet aannemelijk dat een herinnering als in de tweede zin van dit fragment is verwoord, zou moeten terugverwijzen naar een passage in het voorafgaande romandeel. Die passage moet niet

[p. 294]

zo erg ver vóór het onderhavige fragment zijn gedacht’ (BL 314). Kort daarvoor schreven ze al: ‘Dat boven dit fragment Hoofdstuk XIII staat, wijst er andermaal op dat Slauerhoff meer aan deel III heeft gewerkt dan uit de overgebleven documenten blijkt’ (BL 313). Beide argumenten overtuigen niet erg. De band tussen de twee fragmenten ligt niet in de ontwikkeling van het verhaalverloop maar in thematische en letterlijke overeenkomsten. Evenals in de ‘Epiloog’ komt Cameron in document D-VIII terecht bij een tempelwachteres, die hem onderdak verschaft en in liefde dient. Hoewel zij hem met haar liefkozingen probeert te bewegen tot blijven, verlaat hij haar omdat de bergtop hem blijft aantrekken. Zoals Rhodocleia en de vrouw in het westelijk paradijs heeft ook deze vrouw een meerwaarde boven ‘aardse’ vrouwen: ‘zij gaf mij iets wat ik te voren nooit had ondervonden: ik was geen oogenblik. geen seconde. en geen onderdeel van een seconde, alleen’ (BL 309). Dit lijkt verdacht veel op ‘Bij haar voelde ik mij voor 't eerst niet alleen blijven’ (BL 245) uit het Gandhâra-fragment. Opmerkelijk genoeg zette Slauerhoff bij het citaat uit D-VIII in de kantlijn met rood potlood enkele haken en de naam ‘Gandara’ (BL 309 noot 6). In de ‘Epiloog’ wordt de vrouw als volgt beschreven: ‘Zij was meer dan alle vorigen. Een naam had zij niet, maar een gebaar, een woord drukte meer uit dan een geestrijk gesprek, dan het liefdewerk van een ganschen nacht met vroegere vrouwen’ (VW VI 213). De tempelwachteres uit D-VIII is in staat zich in vroegere geliefden, waaronder Diana en Pilar, te veranderen. De vrouw in het westelijk paradijs ‘neemt de gedaante aan van iederen droom, zoodat [Cameron] de onbeweeglijke ligging van het westelijke paradijs verdragen kan’ (VW VI 217). De overeenkomsten naar letter en geest spreken voor zich. Document D-VIII lijkt gerekend te moeten worden tot de voorstadia van de ‘Epiloog’.

Deze veronderstelling wordt nog eens bevestigd door een parallel tussen het paviljoen uit de ‘Epiloog’ en het ‘kleine klooster’ uit D-VIII. Van het eerste wordt gezegd: ‘Het paviljoen van de samenkomst lag aan den uitersten rand, hing bijna over het ravijn. Een zoo bevallig gebouw kon de laagvlakte nooit doen verrijzen, alleen hier, waar in de ijle lucht de bergen naar alle zijden, behalve één, bevallige lijnen voordoen. Het dak is rood en verguld, de spreuken zijn geen vermaningen uit de wijzen, maar dartele regels uit de drank- en minneliederen van de dichters’ (VW VI 217). In de tekst van document D-VIII blijft er na de vulkanische uitbarsting van de Tai Shan slechts één bouwsel over: ‘Op de rand blijft alleen over een klein klooster. Daarin5 de Beatitude regel’ (BL 65 en 317). Hierna volgt een gedicht dat bedoeld was als slottekst. Ik neem aan dat Slauerhoff dit gedicht aanduidde met ‘de Beatitude regel’. Uit de schema's blijkt dat Cameron aan het eind van zijn omzwervingen een staat van evenwicht en gelukzaligheid zou bereiken. Slauerhoff noemde deze toestand ‘Beatitude’. De beide tempels zijn dus met spreuken versierd en gesitueerd op een bergrand. In document D-VII komt nog eens een dergelijk paviljoen voor. Het is ‘het paviljoen der zeven duizend zaligheden’, dat staat ‘aan de rand van de afgrond’, ‘op de hoogste berg’ (BL 306). Vanaf die berg ziet Cameron/Camoës, opnieuw samengevallen, ‘roode papavertuinen en groene rijstvelden’ (BL 306), zoals hij zich dat aan het slot van Het verboden rijk had voorgesteld. Als hij naar

[p. 295]

het paviljoen loopt gebeurt het volgende: ‘De berg schokt. de huizen vallen voorover - de laatste levenden rennen door de instortende straten de aardbeving is gekomen. een vloedgolf trekt het land in, lucht zee en aarde wreken zich’ (BL 306). De overeenkomst naar de geest met het slot van het tempelwachteres-fragment is duidelijk. Ditmaal geen vulkanische uitbarsting maar een aardbeving die de omringende wereld in puin legt en Cameron als enige overlevende bij een paviljoen laat achterblijven. Slauerhoff schreef kennelijk twee verschillende versies van wat hem aanvankelijk als afsluiting voor ogen stond. In zijn ‘Epiloog’ lijkt hij zich van beide mogelijkheden te distantiëren: ‘Ik hoop alleen dat ik zal overgaan, niet zittend in een zaal of op den rand van een ravijn, turend naar een verren bergtop onder beweginglooze wolken, zooals de murwe wijzen’ (VW VI 224).

Overgebleven fragmenten

Er zijn nog twee documenten die niet werden behandeld tot zover. Deze zijn beide niet in Het leven op aarde in te passen. Het eerste, getiteld ‘Na de brand’ (document C-VII), werd door de ‘Epiloog’ vervangen en overbodig gemaakt. Het beschrijft de overpeinzingen van Cameron, die zich na de verwoesting van Tsjong King naar de Dapsang begeeft. Het fragment moet geruime tijd voor de ‘Epiloog’ zijn geschreven en heeft een veel breedvoeriger opzet dan het sluitstuk van de roman, waarin Slauerhoff maar enkele tientallen regels uit dit fragment verwerkte. Als Slauerhoff aanvankelijk van plan was Het leven op aarde af te sluiten met de olieramp bij Tsjong King, zoals het citaat van Terborgh over de problemen met deze episode kan doen vermoeden, dan zou deze tekst waarschijnlijk de opening van het derde deel zijn geweest, zoals ook Blok en Lekkerkerker veronderstellen (BL 135).

Het laatste fragment, aangeduid als ‘Kaap Adamastor Camões’ (document D-VI), behandelt een episode uit het leven van Camoës, die Slauerhoff al in het eerste overgeleverde schema had opgenomen. Ook andere documenten (bijvoorbeeld D-VII) wijzen erop dat hij plannen had de Portugese dichter weer in zijn verhaal op te voeren. In het plan voor het derde deel dat door de ‘Epiloog’ werd achterhaald, zou dit fragment moeten worden gesitueerd tussen de verwoesting van Tsjong King en het bereiken van de Beatitude, waarmee Slauerhoff in zijn oorspronkelijke opzet het derde deel wilde besluiten.

Conclusie

Welke consequenties hebben nu de voorgaande overwegingen voor de beantwoording van de vraag of er voorontwerpen zijn overgeleverd voor het derde deel, dat Slauerhoff na de voltooiing van Het leven op aarde voor ogen had? In de eerste plaats laten ze zien dat Blok en Lekkerkerker te voortvarend zijn omgesprongen met de documenten. Bij gebrek aan voldoende gegevens lieten ze de wens de vader van de gedachte worden en bestempelden ze, voorbijziend aan letterlijke overeenkomsten en the-

[p. 296]

matische verbanden met fragmenten uit de ‘Epiloog’ van Het leven op aarde, een aantal teksten als voorontwerpen voor deel III. Daarbij gaven ze zich weinig rekenschap van Slauerhoffs werkwijze en de factoren die daarop van invloed waren. Ze stelden zich niet de vraag waar Slauerhoff in korte tijd het materiaal voor zijn ‘Epiloog’ vandaan haalde en ze stelden zijn worsteling met de dicterende demon voor als een betrekkelijk vruchtbare en harmonieuze samenwerking. In werkelijkheid had Slauerhoff heel wat meer moeite om zijn verhaal naar zijn zin op papier te krijgen. In plaats van de keurig achter elkaar gelegde reeks bouwsteentjes die Blok en Lekkerkerker presenteren, adapteerde en corrigeerde hij passages, herschreef hij fragmenten en verwerkte hij ideeën uit eerdere versies in latere. De demon dicteerde soms kant en klare verhaaldelen maar keek grijnzend toe als er pogingen werden ondernomen om ze in het geheel dat Slauerhoff voor ogen stond in te passen.

Ten tweede vergroot het voorgaande het zicht op de ordening van de documenten. Slauerhoff had het plan een trilogie te schrijven en maakte daar schema's voor. Hij voltooide het eerste deel redelijk volgens plan en werkte verder. Het vervolg vorderde aanvankelijk goed, maar leverde toen het einde naderde steeds meer problemen op. Hij had inmiddels al vrij veel voorbereidend werk voor het geplande derde deel gedaan en besloot onder de druk van de tijd het volumeprobleem, waarmee hij bij de afronding van deel twee had te kampen, op te lossen door een slot te destilleren uit zijn voorbereidende aantekeningen. Hij schreef de ‘Epiloog’ en verwerkte daarin in zeer gecomprimeerde vorm een groot deel van zijn ideeën voor het derde deel. Na deze operatie bleven de plannen en ontwerpen over die hij niet in de ‘Epiloog’ had kwijt gekund. Getuige de schema's en ontwerpen in eerdere stadia had hij Camoës nog willen laten terugkomen. Hij speelde met de gedachte de opbloei van een mengcultuur met Chinese, Russische, Griekse, Byzantijnse en Portugese elementen te beschrijven. Deze gedachte werkte hij niet verder uit. Ze is terug te vinden in de schema's en aantekeningen die in de B-groep werden verzameld. Wellicht zouden de Portugese enclave Macao en de Griekse enclave Gandhâra in dit verband een rol moeten gaan spelen. Hij had een natuurramp de wereld willen laten verwoesten. Met de ‘Epiloog’ ontnam hij zich de mogelijkheden om deze plannen volgens de bestaande schema's te ontwikkelen. Of hij het derde deel zou hebben kunnen schrijven zonder op de ‘Epiloog’ zowel als compositorisch element als naar de inhoud terug te komen, blijft onbekend. Behalve de na dertien jaar opgetekende herinneringen van Terborgh is er geen enkel document overgeleverd dat op van na de voltooiing van de ‘Epiloog’ daterende activiteiten in die richting wijst. Uitgaande van de ordening van de bouwstenen voor het derde deel, zoals Slauerhoff dat voordat hij de ‘Epiloog’ schreef voor ogen had, zou de verhouding van de documenten die ik eerder in de ordening van Blok en Lekkerkerker introduceerde als volgt kunnen worden geschematiseerd:

[p. 297]



illustratie

Waar document D-VI precies was gedacht is niet duidelijk. De verticale ordening doet geen recht aan de tijdsorde waarin de stukken werden geschreven. De horizontale verbanden doen geen recht aan de mate en soort van de bewerking die de documenten ondergingen toen ze in C-VII werden opgenomen. Of we D-VII moeten opvatten als een alternatief dat staat naast of achterhaald is door het verder uitgewerkte document D-VIII is onzeker. Alleen document D-VI is geheel onverwerkt uit de voorontwerpen voor het ‘oude deel drie’ overgebleven. Geen enkel ander document lijkt aanspraak te kunnen maken op de benaming ‘voorontwerp voor deel III’ als we daarbij, zoals Blok en Lekkerkerker, doelen op het deel dat op de ‘Epiloog’ zou moeten volgen. De uitgebreide toelichtingen en commentaren van de editeurs van Het China van Slauerhoff blijven onverminderd van waarde. Zij handelen echter niet over het deel dat Slauerhoff nog na de ‘Epiloog’ zou schrijven, maar over het deel drie dat hem voor ogen zweefde voordat hij aan de ‘Epiloog’ begon.

Het zou zeer ironisch zijn geweest als de door het onvolmaakte geobsedeerde Slauerhoff ooit wél het eind van het lied gevonden zou hebben of uiteindelijk de strijd met de demon zou hebben gewonnen. De strijd om een zingeving van het aardse bestaan die hij wilde beschrijven in een trilogie was nog niet uitgestreden toen Slauerhoff overleed. Van de overwinningen die inmiddels in tijdschrift en boek de pers hadden gehaald, zouden wellicht een aantal in het verdere verloop van de strijd slechts schijnoverwinningen gebleken kunnen zijn. Het einde was echter onherroepelijk. Eens geschreven bleef geschreven.