|
|
|
| |
| | | |
In margine
Een merkwaardige vossesnor
De interessante studie van F. Lulofs1 heeft aangetoond welke gevolgen de vermenging van elementen uit verscheidene handschriften in een kritische editie voor de interpretatie van Willems gedicht Van den vos Reinaerde kan hebben. Nu gebleken is, dat handschrift A2 de oorspronkelijke opzet het best weerspiegelt, zou het geen overbodige luxe zijn een nieuwe uitgave, uitsluitend naar hs. A geörienteerd, in overweging te nemen3. Als we de tekst van hs. A evenwel centraal stellen, dan worden we met een aantal details gekonfronteerd, die bij een kritische editie makkelijk als korrupt van de hand konden worden gewezen, maar die op zichzelf, onafhankelijk van de andere redakties wel een zinvolle lezing opleveren, misschien zelfs een betere lezing dan in de overige handschriften. Eén zo'n detail willen we hier nader bespreken.
Als Reinaert afscheid neemt van vrouw en kinderen om met Grimbeert naar het hof te trekken, beveelt hij Hermeline de zorg voor zijn kinderen, maar vooral voor zijn (oudste?) zoon Reynaerdijn aan. In de bronnen vinden we deze passage als volgt:
A Voer alle dandre beuelic hu
Hem staen wel de gaerdeline
Ic hope dat hi mi slachten sal+
F Vor alle dander beuelic v
Minen ion gen sone reynaerdijn
Hem staen die rode granekijn
So om sun mulekijn oueral
Ic hope hi na mi slachten sal+
| | | |
B Ic beueel v die kijnde mijn
Ende bouen al so beueel ic v
Mynen ioncsten soen reynaerdijn
Hem staen so wel sijn granekijn
Ic hoop hi my wel sclachten sal+
L Hermelina meos commendo modo tibi natos
Vt pascas foueas hos dape mente bona
Et reynardinus cuius lanugo nitescit
Assuescit patris actibus illi reor4+
In de Lübeckse uitgave van de Reynke de vos uit het jaar 1498 vinden we:
Bouen alle dynck bevele ik yw
Mynen yungesten sonen reynardyn
Em staen sync granken alzo fyn
Ik hope dat he na my slachten schal5
Overal, behalve in handschrift A vinden we dus granekijn of een variant daarvan. Het is interessant even na te gaan wat de tekstuitgevers en kommentatoren met het vreemde woord gaerdeline uit hs. A hebben gedaan. Bekijken we ze even in chronologische volgorde.
In 1834, een dertigtal jaar na de ontdekking en een minder geslaagde eerste uitgave van hs. A door F.D. Gräter, bezorgde J. Grimm de eerste betrouwbare editie. We lezen in de tekst: ‘hem staen wel die gaerdeline / in sine mûlkine over al’ en in de kommentaar: ‘gaerdeline, barthürchen; wörtlich rüthlein, von gaerde (virga); sie sehen aus wie spitzen oder striche. Im Reinke: granken, und hemach 2992 granen.’6 Vooral uit de laatste bemerking is evident, dat Grimm zijn interpretatie van gaerdeline van het woord granken in de mnd. tekst afhankelijk maakt, want ook met de beste wil van de wereld kan roede als metafoor voor baardhaar wel niemand overtuigen.
Eveneens in 1834 bezorgde J.F. Willems naast een vertaling ook een uitgave van het hs. A ‘met wat spelling-varianten en enige tekstkritiek’7. We vinden er de
| | | | bewuste regels A 1412-1413 als ‘hem staen wel die granekine / an zine muulkine overal’, waarbij Willems dus gaerdeline uit A verwerpt en vervangt door granekine uit het hem intussen bekende hs. B8, een ander voorzetsel kiest dan in A en B, en het vreemde woord eynde uit B ten voordele van muulkine uit A weglaat. Zijn vertaling is ondubbelzinnig: ‘'t stekelhaar staat reeds zo schoon aan zijn jonge baard te prijken’.
Vervolgen we de geschiedenis van de vossesnor verder, dan belanden we via de Duitse vertaling van A.F.H. Geyder van 1844, die in navolging van Grimm en Willems Barthärehen vertaalt9, bij de editie van W.J.A. Jonckbloet uit 1856. Hij is de tweede, die het woord gaerdeline, dat hij in zijn tekstuitgave opneemt, kritisch onderzoekt: ‘Ik mistrouw dat woord: gaerde beteekent een rijs, een takje, maar wordt, zoover ik weet, nooit voor baardhaar, knevelbaard aangetroffen. Daarvoor is zeer gewoon granen, het Franse guernon... Moet nu vs. 1416 niet gelezen worden granekijn, of granelijn?’10. Jonckbloets interpretatie van het vreemde woord gaendeline stond dus blijkbaar ook al op voorhand vast en toen het woordenboek niet opleverde wat hij wilde vinden, moest het woord maar als een verschrijving aangezien worden. Naar het voorbeeld van Willems liet Jorckbloet deze gaerdeline dan an Reinaerdijns muiltje staan.
E. Martin11 geeft in zijn kritische editie dezelfde tekst als Jonckbloet en denkt in zijn kommentaar over de betekenis na. Evenals in het glossarium verwerpt hij in zijn ‘Anmerkungen’ het woord gaerdeline: ‘“Gertchen, Rüthchen” würden eine bildliche Ausdrucksweise ergeben, die sich sonst nicht belegen lässt.’ Ook hier weer staat de interpretatie op voorhand vast, want vóór de geciteerde bemerking konstateerde Martin met een beroep op het Mnl. Wb. dat gaerdeline in gaerneline, verkleinwoord bij granen veranderd diende te worden. Hij rondt dit af met de mededeling dat hs. B granekine heeft, waardoor de vicieuze cirkel weer gesloten wordt. In een artikel in de eerste aflevering van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde sloot J. Verdam zich ten overvloede aan bij deze interpretatie, die hij door het artikel gaerneline in het Mnl. Wb. zelf beïnvloed had12.
Met een verwijzing naar Verdam schrijft W.L. van Helten in zijn uitgave van 1887: ‘Hem staen wel die graneline / An zinen muulkine overal’, terwijl in de editie van F. Buitenrust Hettema en J.W. Muller ‘de gaerneline / In zine muulkine’ ondergebracht worden, een vos met haar op zijn tanden dus! In de aantekeningen citeren de auteurs de overwegingen van Martin13.
| | | |
Nadat de ontdekking van hs. F in 1907 de positie van granekine nog was komen versterken, schreef Muller in zijn editie van 1914: ‘Hem staen soo wel die granekine / Om sijn muulkijn over al’, waarvoor hij zich in zijn Critische Commentaar beriep op de handschriften F en B. Gaerdeline uit A verwierp hij omdat het ‘een zoowel in grondwoord als in uitgang bedorven lezing’ is14, waarbij hij over het hoofd zag dat het diminutiefsuffix-lijn ook in voghelijn (A 2591, F 2554) voorkomt.
En zo bleven de snorharen van Reinaerts zoon zowel in de vorm granekijn15 als gaerdelijn16 in onze tekstuitgaven en in de jongere vertalingen bewaard, zonder dat er ooit ernstig naar een verklaring voor gaerdeline is gezocht. Moeten we ons echter niet afvragen of die baardharen wel een zinvolle lezing opleveren? Het antropomorfisme in Van den vos Reinaerde gaat oi. niet zo ver, dat de voor volwassen wordende jonge mannen typische baardgroei ook op de vos overgedragen zou kunnen worden, trouwens, vossen hebben hun snorharen vanaf de geboorte. Roepen we ons de situatie nog even voor ogen: de vos verlaat zijn gezin en laat zijn kinderen over aan de hoede van zijn vrouw. In het geval dat hij niet terugkeert, zal het heil van de hele familie afhangen van iemand, die de vader kan vervangen, die m.a.w. in het levensonderhoud van moeder en kinderen zal kunnen voorzien: Reinaerts (oudste?) zoon. Als we nu nog denken aan het voorzetsel in van A 1413 ‘In zine muulkine’, ligt het dan niet voor de hand eerder aan tanden dan aan baardharen te denken? Alleen met zijn tanden zal de jonge vos voor zijn moeder en voor de rest van de vossefamilie kunnen opkomen. Het woord granekijn en zijn varianten in de handschriften F en B en in Reynke de vos en lanugo in Reynardus Vulpes van Balduinus Iuvenis moeten de kommentatoren voor deze interpretatie blind gemaakt hebben, want in het Mnl. Wb. vinden we een lemma gaert met de betekenis ‘prikkel, puntig voorwerp’17, een woord met een zeer abstrakte gebruikssfeer, zoals de voorbeelden (‘Waer es, doot, dine victorie; waer es, doot, diin gaert?’, ‘Hets di swaer stunen jegen den gaert’, enz.) laten zien. Is het verkleinwoord van dit gaert niet een uitstekende metafoor voor de tanden van een jong roofdier? Al is voor gaert naar mijn weten nergens de betekenis tand voorhanden, voor het Latijnse equivalent aculeus, dat we in het Glossarium
| | | |
Harlemense aantreffen, is dat, zij het dan slechts een enkele keer, wel het geval18.
Uitgaand van gaerdeline als verkleinwoord van gaert ‘puntig voorwerp, tand’, kunnen we ons het ontstaan van granekijn in de andere tak van de tekstoverlevering makkelijker voorstellen, dan in de omgekeerde richting zoals A. Van Loey het wilde verklaren19. Het metaforisch gebruik van gaert moet op zichzelf al ongewoon geweest zijn, als daar nog een afkorting voor a(e)r bij kwam, die ook als ra(e) gelezen kon worden en het toch ook al niet zo gewone suffix-lijn door -kijn werd vervangen, dan ontstond daaruit het woord gradekijn, dat in deze kontekst nonsens is, maar dat door aanpassing van slechts één letter een nieuwe zin kon krijgen. Het woord muulkine in de volgende regel zal deze associatie in de hand gewerkt hebben en het voorzetsel in kon makkelijk door om vervangen worden.
Met de interpretatie van gaerdeline als tandjes zijn we bovendien nog in heel goed gezelschap, want J.W. Von Goethe schreef in zijn Reineke Fuchs van 1793, bijna tien jaar voordat hs. A aan de verborgenheid van de Comburgse bibliotheek werd ontrukt:
Reineke sagte darnach: ‘Frau Ermelyn, nehmet der Kinder
(Ich empfehl' es Euch) wahr, vor allen anderen des jüngsten,
Reinharts; es stehn ihm die Zähne so artig ums Mäulchen, ich hoff' er
Wird der leibhaftige Vater;...20
Van Goethe zelf stamt deze versie echter niet, want hij is op dit punt heel duidelijk afhankelijk van de ruim 40 jaar oudere Hoogduitse prozavertaling van Reynke de vos door J. Chr. Gottsched, bij wie we lezen:
‘Frau Ermeline, sprach Reineke, ich befehle euch meine Kinder, dass ihr derselben wohl wahrnehmet: vor allen Dingen aber befehle ich euch meinen jüngsten Sohn, Reinhardchen. Seine Zähne stehen ihm überal so artig um das Mäulchen; dass ich hoffe, er werde mir ähnlich sehen.’21
Over de bronnen die hij op zijn beurt voor zijn vertaling heeft gebruikt, vermeldt Gottsched een en ander in zijn inleiding. De boven geciteerde Lübeckse druk van 1498 heeft hij pas na de publikatie van zijn Reinke, der Fuchs onder ogen gehad. Zijn direkte voorbeeld was de uitgave van dezelfde tekst door Fr. A. Hackmann Reineke Fuchs mit dem Koker, verschenen te Wolfenbüttel in 171122. B.
| | | | Derendorf stelde vast, dat het woord Zähne in het citaat door Gottsched foutief is vertaald: de Hackmann-tekst, die wij niet konden bereiken, spreekt op die plaats dus ook van baardharen23. Ook de andere bronnen, die blijkens de studie van juffrouw Derendorf Gottscheds vertaling hebben beïnvloed, vertonen zonder uitzondering het woord granken of een variant daarvan. Dat Gottsched het Comburgse handschrift gekend zou hebben, mogen we wel uitsluiten, omdat hij het anders in zijn uitvoerige bronvermelding zeker opgenomen zou hebben.
Waar komen dan die Zähne bij Gottsched vandaan? De woordenboeken, die hij bij het vertalen gebruikt heeft, kunnen hem dat woord niet ingegeven hebben: J.L. Frisch' Teutsch-Lateinisches Wörter-Buch liet hem helemaal in de steek en bij Kiliaan had hij de verklaring ‘baardhaar’ kunnen vinden. Ook met zijn kennis van het Nederlands, waarop Gottsched zich in zijn inleiding beroept, is het probleem niet opgelost, want het woord granen moet - inzoverre het nog in gebruik was - toch ‘baardhaar’ betekend hebben. Er blijft dus eigenlijk slechts één verklaring over, namelijk deze Zähne onder te brengen in de kategorie vertaalfouten, die G. Östlund in haar studie over Gottscheds vertaling van Reynke de vos als freie Übersetzungen karakterizeert en waarvan ze zegt: ‘In dieser Gruppe werden auch solche freie Übersetzungen zu finden sein, die nicht auf direkte Unkenntnis des mnd. Wortes zurückzuführen sind, sondern die Gottsched nach meiner Meinung, oft unter Einwirkung des Kontextes, bewusst oder unbewusst vorgenommen hat. Diese Auffassung wird dadurch bekräftigt, dass dieselben Wörter an anderen Stellen im Text korrekt wiedergegeben worden sind.’24 Gottscheds intuïtie liet hem dus een fout herstellen die een afschrijver een paar eeuwen tevoren had gemaakt...
Marburg, augustus 1981
a. berteloot
|
1F. LULOFS, Nu gaet reynaerde al huten spele, Amsterdam, 1975.
2Aanduiding van de handschriften en citaten naar W. GS. HELLINGA, Van den vos Reynaerde, I. Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500. Zwolle, 1952.
3Een uitgave van hs. A met een parallelle Duitse vertaling wordt voorbereid door schrijver in samenwerking met H.-L. WORM.
4‘Hermeline, u vertrouw ik nu mijn kinderen toe, opdat ge ze voedt en ze met spijs, uit de goedheid van uw hart, verkwikt. En Reinaerdijn, wiens snorhaartjes beginnen te glanzen, die zal zich, denk ik, de daden van zijn vader aanwennen;...’ (R.B.C. HUYGENS, Reynardus Vulpes. De Latijnse Reinaert-vertaling van Balduinus Iuvenis. Critisch uitgegeven en vertaald. Zwolle, 1968, blz. 83).
5Reynke de vos. Lübeck, 1498. Nachdruck, Hamburg, 1976, f. lvii v o.
6J. GRIMM, Reinhart Fuchs. Berlin, 1834, blz. 163 & 275, vs. 1416.
7Reinaert de vos. Naar de oudste berijming uit de twaalfde eeuw en opnieuw in 1834 berijmd door J.F. WILLEMS. Ingeleid door W. GS. HELLINGA. Den Haag, 1974. Citaat uit de inleiding van Hellinga, blz. 8. Verdere citaten blz. 96-97.
8J. DESCHAMPS, Middelnederlandse Handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. Leiden, 1972 2, blz. 82.
9A.F. GEYDER, Reinhart Fuchs, aus dem Mittelniederländischen erstmals in das Hochdeutsche übersetzt. Breslau, 1844, blz. 38.
10W.J.A. JONCKBLOET, Vanden vos Reynaerde. Groningen, 1856, blz. 53 & 143.
11E. MARTIN, Reinaert. Willems Gedicht Van den vos Reinaerde und die Fortsetzung Reinaerts historie. Paderborn, 1874, blz. 43 & 368, vs. 1410.
12J. VERDAM, Reinaerdiana in TNTL 1 (1881), blz. 16.
13W.L. VAN HELTEN, Van den vos Reynaerde, Groningen, 1887, blz. 42; F. BUITENRUST HETTEMA en J.W. MULLER, Van den vos Reynaerde, opnieuw naar het Comburgse handschrift uitgegeven met inleiding, aanteekeningen en woordenlijst. Zwolle, 1903, I, blz. 40 en II, blz. 42-43.
14J.W. MULLER, Van den vos Reinaerde naar de thans bekende handschriften en bewerkingen critisch uitgegeven met een inleiding. Gent/Utrecht, 1914, blz. 49, vs. 1406-1407; J.W. MULLER, Critische Commentaar op Van den vos Reinaerde. Utrecht, 1917, blz. 240.
15D.C. TINBERGEN en L.M. VAN DIS, Van den vos Reinaerde. Groningen, 1972 20, blz. 128, vs. 1412.
16P. DE KEYSER, Van den vos Reynaerde. Antwerpen, 1965 5, blz. 52, vs. 1413.
17E. VERWIJS en J.
VERDAM, Middelnederlandsch Woordenboek. 's-Gravenhage, 1885-1952, II, 892-893.
18O. PRINZ, Mittellateinisches Wörterbuch bis zum ausgehenden 13. Jahrhundert. München, 1967, I, blz. 141.
19A. VAN LOEY, Tekstcommentaar bij Huygens en Reinaert I in Miscellanea J. GESSLER II (1948), 1218-1223.
20J.W. VON GOETHE, Reineke Fuchs. Dritter Gesang, 244-247. ( Goethes Werke. Hamburg, 1962 6, II, blz. 312).
21J. CHR. GOTTSCHED, Reineke, der Fuchs. Erstes Buch, 16. Hauptstück, 25-29 ( Ausgewählte Werke. Berlin, 1968, IV, blz. 152).
22J. BIRKE in Nachwort des Herausgebers, ibidem, blz. 473-474. Het tweede werk dat in de titel genoemd wordt is Der Köker., een mnd. verzameling van spreekwoorden en levenswijsheden van de hand van HERMANN BOTE.
23B. DERENDORF, Der Wolfenbütteler Druck des Reinke de vos aus dem Jahre 1711 als Vorlage zu GOTTSCHEDs Bearbeitung. Wissenschaftliche Hausarbeit, Münster, 1977, blz. 97.
24G. ÖSTLUND, GOTTSCHEDs Übersetzung des Reinke de vos in Niederdeutsche Mitteilungen 16/18 (1960/2), blz. 176.
|
|