Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1846


auteur: [tijdschrift] Surinaamsche almanak


bron: Surinaamsche Almanak voor het Jaar 1846. Departement Paramaribo der Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, z.p. 1845


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 167]

Publicatie,

houdende afkondiging van 's Konings Besluit van 14 Mei, 1845, No. 43, waarbij, in verband tot de administrative afscheiding der Kolonie Suriname van de overige Nederlandsche Westindische Bezittingen, het Reglement op het Beleid der Regering van eerstgemelde Kolonie wordt aangevuld en gewijzigd.

IN NAAM DES KONINGS.

DE GOUVERNEUR DER KOLONIE SURINAME.

 

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, Salut! doet te weten:

 

Naardemaal het den Koning behaagd heeft, bij Besluit van 14 Mei, 1845, No. 43, in verband tot de administrative afscheiding der Kolonie Suriname van de overige Nederlandsche Westindische Bezittingen, het Reglement op het Beleid der Regering in eerstgemelde Kolonie, gearresteerd bij Hoogstdeszelfs Besluit van 9 Augustus, 1832, No. 89, aan te vullen en te wijzigen. En alzoo Zijne Excellentie de Minister van Koloniën, onder toezending van dat Besluit, bij Missive van 13 Junij, jl., No. 19/89, heeft bevolen het noodige te verrigten tot het in werking brengen van dat Besluit;

[p. 168]

Heeft goedgevonden en verstaan:

1o.Hetzelve Besluit te brengen ter kennis van het algemeen; zijnde van den navolgenden inhoud:

 

Wij WILLEM II, bij de Gratie Gods Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz. enz. enz.

 

Gelet op Ons Besluit van den 9den April, 1845, No. 8, waarbij is opgeheven het ten jare 1828 ingestelde Gouvernement-Generaal over 's Rijks Westindische Bezittingen, en het daarmede in verband staande Algemeen Regerings-Reglement voor dezelve.

Overwegende, dat het Regerings-Reglement der Kolonie Suriname, gearresteerd bij het Koninklijk Besluit van den 9den Augustus, 1832, No. 89, alsnu eenige aanvulling en wijziging behoeft, ook door andere omstandigheden geboden.

Op de rapporten van Onzen Minister van Koloniën, van den 2den April, jl., Litt. B., No. 15; van den 28sten April, jl., No. 6, en van den 13den dezer, No. 10, Litt. B.

Den Raad van State gehoord (advijzen van den 15den April, jl., No. 3, en van den 5den dezer, No. 6).

Hebben besloten en besluiten:

Artikel 1.

In den eersten Titel van het Reglement op het Beleid der Regering in de Kolonie Suriname, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van den 9den Augustus, 1832,

[p. 169]

No. 89, worden ingelascht de volgende bepalingen met alteratie en ampliatie van hetgene thans daarin voorkomt.

§. 1. Het hoogste gezag in de Kolonie Suriname wordt, Onzentwege, uitgeoefend door eenen Gouverneur, op wien toepasselijk zijn al de plaatselijke voorschriften en bepalingen, in het Algemeen Reglement van 1832, opzigtelijk den Gouverneur-Generaal der Nederlandsche Westindische Bezittingen, vervat, geene uitgezonderd.

§. 2. De Gouverneur legt, alvorens in functie te treden, in Onze handen, of wel, in eene volle Vergadering van den Kolonialen Raad, wanneer Wij het dienstig mogten oordeelen daartoe speciale magtiging te verleenen, gelijk mede in het geval, voorzien bij Art. 17 van het Regerings-Reglement, den navolgenden eed af:

‘Ik zweer, dat ik, ter bekoming der waardigheid van Gouverneur van Suriname, aan niemand, wie hij ook zij, eenige geschenken gegeven of beloften gedaan heb, noch zulks doen zal.

Dat ik in de uitoefening van die waardigheid en als Opperbevelhebber over de Land- en Zeemagt en de Schutterij, en het mij toevertrouwde Gouvernement, aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden gehouw en getrouw zal zijn.

Dat ik de hooge souvereine regten des Konings en de waardigheid van het Rijk zal handhaven en bevestigen, dat ik het welzijn, den bloei en de welvaart der Kolonie zal voorstaan en behartigen, zonder

[p. 170]

aanzien van persoon; dat ik, in de uitoefening mijner ambtspligten, zoomin aan bedreigingen als beloften, door wien ook gedaan, zal gehoor geven; dat ik het Reglement op het Beleid der Regering en de verdere algemeene of bijzondere instructiën of bevelen, mij door of van wege den Koning gegeven, zal nakomen, en voorts alles doen, wat een goed en getrouw Gouverneur en Opperbevelhebber schuldig is en behoort te doen.’

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!

§. 3. De Leden van den Kolonialen Raad leggen in handen van den Gouverneur den volgenden eed af:

‘Ik zweer, dat ik aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden gehouw en getrouw zal zijn; dat ik, in het geven van mijnen raad, zal in het oog houden de handhaving der hooge en souvereine regten des Konings en de bevordering van het welzijn en den bloei der Kolonie, zonder aanzien van persoon; dat ik, in de uitoefening mijner pligten, zoomin aan bedreigingen als aan beloften, door wien ook gedaan, zal gehoor geven; dat ik het Reglement op het Beleid der Regering en de verdere algemeene of bijzondere instructiën of bevelen, door of van wege den Koning gegeven, met alle getrouwheid zal nakomen; dat ik den Gouverneur met ijver en trouw zal helpen beramen en uitvoeren, al wat tot 's Konings dienst nuttig kan worden geacht, en dat ik alles doen zal, wat een goed en getrouw Lid van den Raad schuldig is en behoort te doen.’

[p. 171]

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!

§. 4. De Heemraden zweren bovendien, dat zij, als belast met de handhaving van rust en orde in de Districten zich daarvan met ijver en onpartijdigheid zullen kwijten, en dat zij, geroepen om, in de gevallen, voorzien bij Art. 47 van het Regerings-Reglement, als gedelegeerde Regters werkzaam te zijn, goedregt zullen spreken, zonder aanzien van personen.

§. 5. De Gouverneur mag geene administratiën of commissiën waarnemen, of aandeelen in reederijen van schepen van of op Suriname hebben. Hij mag geen' handel drijven.

§. 6. De Gouverneur doet alle Ambtenaren, alvorens in functie te treden, behalve den eed van trouw en dien tot hunne bediening staande, afleggen den eed van zuivering, en, voor zooveel zulks door hem noodig geoordeeld wordt, dien van geheimhouding.

§. 7. Alle openvallende ambten, waaromtrent geene andere bepalingen zijn gemaakt, worden op de daartoe staande traktementen en emolumenten door den Gouverneur onder Onze nadere goedkeuring vervuld. De Gouverneur geeft van zoodanige voorziening kennis aan het Ministerie van Koloniën, onverminderd de inzending van jaarlijksche Mutatie-Staten, zoo van de Ambtenaren als van de Officieren der Schutterij.

§. 8. De Gouverneur verleent, wanneer zulks zonder nadeel voor de dienst kan geschieden, voor eenen bepaalden tijd verlof aan Civile en Militaire Ambtenaren, om zich naar Europa of elders te begeven. Hij

[p. 172]

maakt de noodige schikkingen voor de tijdelijke waarneming der bedieningen gedurende die afwezigheid.

§. 9. Wanneer de Gouverneur, krachtens Art. 67 van het Regerings-Reglement, personen gevaarlijk voor de openbare rust en veiligheid, of wier verblijf in Suriname door hem gevaarlijk wordt geoordeeld, van dáár mogt doen vertrekken, zal hij van het genomen besluit en de beweegredenen daartoe dadelijk kennis geven aan het Ministerie van Koloniën.

§. 10. De Gouverneur mag geene gronden uitgeven, noch eenigen vasten eigendom, aan de Kolonie behoorende, verkoopen of vervreemden. De verzoeken, daartoe aan hem gedaan, zal hij, met zijne consideratiën, aan het Ministerie van Koloniën opzenden, intusschen zorgende, dat niemand, onder welk voorwendsel ook, den verzochten grond aanvaarde, zoo lang door Ons deswege niet zal zijn beslist.

§. 11. Consuls, of Agenten van vreemde Mogendheden, zullen in Suriname niet worden toegelaten, zonder Onze uitdrukkelijke toestemming.

§. 12. Kleine Keuren en Verordeningen van eenvoudige Policie kunnen door den Gouverneur vastgesteld en bij Notificatie aan de ingezetenen bekend gemaakt worden, zonder de verpligting, om dezelve aan Onze goedkeuring te onderwerpen, mits de daarbij uitgesprokene poenaliteiten of straffen niet te boven gaan eene geldboete van Acht Gulden en eene gevangenisstraf van acht dagen.

§. 13. Wanneer de Gouverneur Wettelijke Bepalin-

[p. 173]

gen uitvaardigt en daarvan openbare afkondiging doet, zonder inwachting van Onze goedkeuring, zoo zal die afkondiging het bewijs zijn, dat hij de bepaling heeft uitgevaardigd in een dringend geval, en zullen die bepalingen kracht van Wet hebben, totdat Onze afkeuring officiëel in de Kolonie bekend zal zijn geworden, en de intrekking dien ten gevolge heeft plaats gehad.

§. 14. Van het verhandelde in elke Zitting van den Kolonialen Raad, alsmede van de handelingen van den Gouverneur afzonderlijk, worden dagelijks Aanteekeningen gehouden, die elke drie maanden kopijelijk aan het Ministerie van Koloniën zullen worden opgezonden, vergezeld van een kort register op dezelve, en van al de bijlagen, welker kennis nuttig en belangrijk kan zijn.

Van alle belangrijke gebeurtenissen en handelingen, betreffende de inwendige regering of de buitenlandsche betrekkingen, zal, tusschentijds, met den meesten spoed, aan het Ministerie van Koloniën worden kennis gegeven.

De overzending der stukken zal steeds gepaard gaan met een beredeneerd verslag, zoo van de omstandigheden, als van de beoordeeling van den Kolonialen Raad, ten einde Ons in staat te stellen, om den stand van zaken met juistheid te beoordeelen en, waar zulks noodig is, met volledige kennis te beslissen.

Art. 2.

In den tweeden Titel van het voormeld Regerings-Reglement worden ingelascht de navolgende bepa-

[p. 174]

lingen, met alteratie en ampliatie van hetgene thans daarin voorkomt, en zulks met inhaesie van de Instructie voor het Geregtshof in Suriname, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van den 26sten Februarij, 1833, No. 104.

§. 1. De President, de Leden en de Griffiers van het Geregtshof van Suriname zullen den graad van Doctor in de beide Regten moeten bezitten. Het getal der Leden, en de wijze, waarop, bij wettige verhindering van een' of meer hunner, zal worden gehandeld, wordt bij afzonderlijke Bepalingen door Ons geregeld.

§. 2. De Commissie van Kleine Zaken, bedoeld bij Art. 26 van het Regerings-Reglement, zal een afzonderlijk ligchaam zijn, voorgezeten door eenen vasten president, die Doctor in de beide Regten zal moeten zijn.

Het getal der ongegraduëerde Assessoren, die met hem de Commissie zullen uitmaken, en de vereischten, die zij zullen moeten bezitten, zijn het onderwerp van afzonderlijke Bepalingen.

§. 3. De Ambtenaren van het Publiek Ministerie zullen nimmer persoonlijk tot de betaling der kosten van een door hen in hunne kwaliteit gevoerd Regtsgeding worden verwezen.

De kosten van het geding zullen, wanneer het Openbaar Ministerie in het ongelijk wordt gesteld, ten laste van den Lande gebragt worden.

§. 4. Het Geregtshof mag geen vonnis geven in Civile Zaken, waarin de Staat, de Kolonie, de open-

[p. 175]

bare Stichtingen, de openbare orde, minderjarigen, afwezigen of onder Kuratele gestelden zijn betrokken, ten zij het Publick Ministerie in deszelfs conclusiën zij gehoord, op poene van nietigheid.

§. 5. De Regts-Kollegiën zullen in alle Civile Zaken partijen voor zich of voor Commissarissen moeten doen compareren, om dezelve, zoo mogelijk, tot het aangaan van minnelijke schikkingen te bewegen.

Indien eene minnelijke schikking tot stand komt, wordt, wanneer partijen zulks verlangen, een procesverbaal opgemaakt, en geteekend door partijen of derzelver tot dat einde bijzonderlijk gemagtigden, waarin de verbindtenissen, die partijen ten gevolge dier schikking op zich nemen, worden uitgedrukt.

De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executorialen vorm.

§. 6. Alle provisionele of interlocutoire sententiën zullen hare executie hebben, zonder dat daarin eenige provocatie of hooger beroep zal worden toegelaten, ten zij dezelve ten definitive waren irreparabel, hetwelk ter beslissing van den Regter staan zal. Ten aanzien van preparatoire vonnissen zal in geen geval beroep worden ingesteld, dan gelijktijdig met het beroep van het eindvonnis.

§. 7. Niemand mag wegens misdrijven in Regten betrokken worden, dan uit kracht der bestaande of nog verder in te voeren Wetten en Reglementen, en op de wijze, daarbij vastgesteld.

§. 8. Alle compositiën of zoogenaamde afmakingen

[p. 176]

onder de hand, al ware het ook ten verzoeke of met bewilliging van partijen, zijn ongeoorloofd.

§. 9. De Gouverneur oefent uit het regt van gratie, zoowel in burgerlijke als in militaire strafzaken.

§. 10. Geene doodvonnissen, daaronder begrepen die door de Krijgsraden der Zee- en Landmagt geslagen, mogen ten uitvoer gebragt worden, zonder vooraf bekomen verlof van den Gouverneur.

§. 11. Het verlof tot uitvoering zal onverwijld worden verleend, ten zij de Gouverneur, op verzoek van den veroordeelde, of wel ambtshalve vermeenen mogt, opschorting der Regtspleging te moeten bevelen.

§. 12. Wanneer de Regter zich de kennisneming toeëigent van zaken, die ter beslissing van het administratief gezag behooren te blijven, of wanneer daarvoor andere zeer gewigtige redenen van staatkundig of algemeen maatschappelijk belang bestaan, is de Gouverneur bevoegd, om de uitvoering der sententie of den loop van het Regtsgeding te schorsen. Hij zal daarvan dadelijk kennis geven aan het Ministerie van Koloniën, en daarop Onze beslissing inwachten. Deze niet ontvangen zijnde binnen het jaar na de dagteekening van het besluit van den Gouverneur, zal het Regtsgeding worden voortgezet.

§. 13. Tegen den President, een der Leden of den Griffier van het Geregtshof mag geene Criminele Aktie worden geïnstituëerd, zonder vooraf verkregene magtiging van den Gouverneur. Hetzelfde geldt ten aanzien van de Commissie voor Kleine Zaken.

[p. 177]

§. 14. Wanneer een dezer Ambtenaren veroordeeld wordt tot de straf van gevangenis, hoe kort die ook zijn moge, zal hij daardoor van zelven van zijn ambt vervallen zijn.

§. 15. Het Geregtshof van Suriname zal regtspreken in zaken van strandvonderijen, ook over prijzen en buiten, in welke het Gouvernement aanlegger of verweerder mogt zijn.

§. 16. De President van het Hof is verpligt te assisteren bij de vertrouwelijke conferentiën, waartoe de Gouverneur hem zal roepen, en om daarin te dienen van zijne consideratiën en advijs over de behandelde onderwerpen.

§. 17. De Regterlijke Kollegiën en Ambtenaren zullen zich voor het overige gedragen naar de bijzondere Reglementen, voor de Kolonie vastgesteld, en naar zoodanige Instructiën, als voor dezelve zijn of zullen worden gearresteerd.

Art. 3.

In den derden Titel van het Regerings-Reglement der Kolonie Suriname worden de Art. 44, 45 en 46 vervangen door de navolgende bepalingen:

§. 1. In de Districten buiten Paramaribo voert de Gouverneur het beheer, door tusschenkomst en met de medewerking van Heemraden.

§. 2. Het Heemraadschap wordt in den regel in elk District waargenomen door een der zes Leden van den Kolonialen Raad, uit de ingezetenen gekozen.

[p. 178]

§. 3. De Heemraadschappen worden door den Gouverneur onder deze zes Raden verdeeld, zoo als hij meest oorbaar acht in het belang van dienst.

§. 4. De Gouverneur is bevoegd, de Heemraden, ter zake van pligtverzuim of verkeerde gedragingen in die betrekking, als zoodanig te schorsen; zullende zij, gedurende die schorsing, geene zitting hebben in den Kolonialen Raad.

De Gouverneur zal het aldus vacant komende Heemraadschap, onder den titel van buitengewoon Heemraad, aan eenen anderen ingezetene, geen Lid van den Kolonialen Raad zijnde, opdragen; alles in afwachting van Onze nadere goedkeuring.

§. 5. De buitengewone Heemraden zijn bevoegd tot het verrigten van al datgene, wat bij het Regerings-Reglement en bij de bijzondere Instructiën aan de gewone Heemraden is opgedragen.

Art. 4.

In den vijfden Titel van het Regerings-Reglement der Kolonie Suriname worden, met alteratie en ampliatie van hetgene thans daarin voorkomt, de volgende bepalingen ingelascht:

§. 1. Ingeval van vijandelijken aanval, en in tijden van oorlog, regelt de Gouverneur alles, wat strekken kan tot afbreuk van den vijand, tot verdediging der Kolonie en tot bescherming van der ingezetenen personen en goederen.

Hij neemt daaromtrent den raad in der Zee- en

[p. 179]

Land-Officieren, en geeft de noodige bevelen, onder zijne persoonlijke verantwoordelijkheid, en overeenkomstig de Instructiën, hem door Ons of Onzentwege te geven.

§. 2. Zonder Onze voorafgaande magtiging, zal in Suriname geen papieren geld, onder welke benaming ook, worden uitgegeven.

§. 3. Alles, wat de behandeling en de manumissie der Slaven aangaat, is of wordt bij afzonderlijke Reglementen geregeld.

§. 4. De Gouverneur zal met zorg de hand doen houden aan de bepalingen, omtrent het houden van de Registers van den Burgerlijken Stand.

§. 5. De instandhouding en kleeding van Schutterij en Landstorm, als dienende om de rust te bewaren en de veiligheid der Kolonie te verzekeren, worden, op den voet van de reeds bestaande of nader te ontwerpen Reglementen, bijzonder den Gouverneur aanbevolen; zullende daarbij van het beginsel worden uitgegaan, dat zij, die, uit hoofde van jaren, ziekte of andere omstandigheden, vrijgesteld worden, eene contributie zullen betalen, waaruit, zooveel mogelijk, de kosten van de Gewapende Burgermagt zullen gevonden worden.

§. 6. In zeer dringende gevallen, wanneer er geen tijd is, om, op een voorstel tot buitengewone maatregelen, Onze goedkeuring af te wachten, kan de Gouverneur, den Kolonialen Raad gehoord hebbende, op zijne verantwoordelijkheid, zoodanige voorzieningen ne-

[p. 180]

men, als de omstandigheden en het welzijn der Kolonie zullen vorderen, onder gehoudenis, om, bij de eerste gelegenheid, daarvan een beredeneerd verslag te zenden aan het Departement van Koloniën, opdat deswege door Ons worde beslist.

Onze Minister van Koloniën is belast met de uitvoering dezes, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State, tot informatie.

 

Amsterdam, den 14den Mei, 1845.

 

(Get.) WILLEM.

 

De Minister van Koloniën,

 

(Get.) J.C. BAUD.

 

Accordeert met deszelfs origineel,

 

De fungerende Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Koloniën,

 

(Get.) CORNETS de GROOT.

 

Voor eensluidend afschrift,

 

De fungerende Secretaris-Generaal,

 

(Get.) CORNETS de GROOT.

 

2o.Te bepalen, dat Art. 2 van opgemeld Koninklijk Besluit, behelzende aanvulling en wijziging van den tweeden Titel van het
[p. 181]
Reglement op het Beleid van de Regering voornoemd, voorloopig buiten werking zal blijven, totdat de Regts-Kollegiën in overeenstemming daarmede zullen zijn georganiseerd, en verder de noodige voorzieningen zullen zijn daargesteld, tot verzekering van de uitvoering dier bepalingen.

En zal deze op de gebruikelijke wijze worden afgekondigd en in het Gouvernements-Blad geïnsereerd.

 

Paramaribo, den 29sten October, 1845.

 

R.F. van RADERS.

Ter Ordonnantie van den Gouverneur van Suriname,

De Gouvernements-Secretaris,
G.S. de VEER.

 

Gepubliceerd aan Paramaribo den 30sten daaraanvolgende.

 

De Gouvernements-Secretaris,
G.S. de VEER.