De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 116]

Eenige woorden over het gebruik van d'.

door

H.M. Labberté.

 

Wij hebben een' taalleeraar, die wil, dat men niet, zoo als Weiland leert, de eer, de oorlog, maar d' eer, d' oorlog schrijve, dat men d' gebruike, zoo het volgend naamwoord met eene vokaal aanvangt. Zijne gronden daarvoor heeft hij medegedeeld in het Mag. van Taalk., waarbij hij de uitnoodiging heeft gevoegd, hem, ingeval hij mogt dwalen, daarvan te willen overtuigen. Geen onzer taalkundigen heeft zijne pen aan de wederlegging of bevestiging der gronden, door Dr. Nassau openbaar gemaakt, geleend. Ook wij willen noch het een noch het ander doen, maar meenen de gronden te mogen mededeelen, die ons Weiland niet ten eenen male in het ongelijk deden stellen, waar hij een spaarzaam gebruik van d' aanbeveelt; doch wij geven, in plaats van die te formuleren, wat wij te dezen aanzien opgeteekend hebben.

Bij Bilderdijk (Verh. o. d. Gesl. der Nederd. Naamw.), vonden wij dat de Ouden de, zelfs voor een woord, dat met eene konzonant begint, zoo kort uitspraken, dat de e van de niet of naauw hoorbaar was; dat zij de hemel, de duif, de lepel, de tafel, enz. zouden uitgesproken hebben, als stond er dhemel, duif, dlepel, dtafel. Dit moge door dengenen ingeroepen worden, die d' Bierkrans, d' Vrouwe Jacoba, en dergelijke opschriften, gelijk er soms boven koffijhuizen of op de schepen worden aangetroffen, voor echt hollandsch mogt

[p. 117]

willen doen doorgaan; maar onwillekeurig verrijst, dunkt ons, bij ieder, die niet alles dadelijk voor goede munt aanneemt, de vraag: op wat grond weet Bilderdijk, hetgene hij daar schrijft? Hij zegt ons niet, waaraan hij deze zijne kennis ontleent; wij gelooven echter, niet ver van de waarheid te zijn, zoo wij stellen, dat hij die verkregen heeft door het lidwoord in dbroot, dwoort, dwout voor de aan te zien. Dat hij dit doet, getuigt het art. woord in zijne Verkl. Geslachtl. der Nederd. Naamw., waar hij opgeeft, dat dit woord oudtijds vrouwelijk is gebezigd, en waaruit hij ook het vrouwelijke geslacht van antwoord, dat nog bij onze Bijbelvertalers voorkomt, afleidt. Doch woord, brood en woud zijn van ouds onzijdig geweest en d, hiervoor gebruikt, is niet anders dan t (van het), voor de b, l en w wel eens tot d geassimileerd want ook vindt men twoort, tbroot, twout, tlam; terwijl onze Ouden op deze woordjes niet die, maar dat, als enkelv. betrekkel. voornaamw., laten volgen, tenzij ze meervoudig zijn. Wat antwoord, daarentegen, betreft, is het volstrekt niet als eene zamenstelling van ant en het genoemde woord te beschouwen: antwoord (o. hl. antworde) is een zelfstandig naamwoord, dat afkomt van de aanvoegende wijze van den betrekkelijk tegenw. tijd van het ongelijkvloeijend werkw. antwerden, antward, antworde, antworden, en daarom - gelijk wij later gelegenheid zullen hebben aan te toonen - vrouwelijk; doch de verwarring van zijn laatste bestanddeel met het besproken woord deed het in later' tijd het geslacht van dit zelfstandig naamwoord aannemen, waarin het nu alleen voorkomt. Blijkbaar is het dat Bilderdijk niet altijd naauwkeurig opmerkte; de Roman van Limborch, welk geschrift hij bij de bepaling van het aloude geslacht der naamwoorden dikwijls aanhaalt, levert daarvan een allerovertuigendst voorbeeld in triere, dat hij aanziet voor eene beurs; terwijl de dichter van de stad Trier sprak, eene zonderlinge woordverklaring, die nog onverklaarbaarder is, daar, gelijk hier van Trier gesproken wordt, waarheen Heinrich (?) van Limborch toog, zoo ook de vaart naar Athene beschreven wordt.

[p. 118]

Wij meenen nu te hebben aangetoond, dat de grond, waarop Bilderdijk de uitspraak van de, voor eene konzonant, vaststelde, onverdedigbaar is; thans moeten wij doen opmerken, dat diezelfde Ouden ook niet dtafel, dcamer, dzomer, enz. schreven, gelijk men anders zou verwacht hebben, maar de tafel, de camer, de zomer, enz. Zelfs is d voor een woord, dat met een' klinker aanvangt, b. v. dapostel, dere, darc, enz. niet eenig en doorgaande te noemen; hiervoor vonden wij ook meer dan eens de apostel, de ere, de arc, enz.; terwijl diegenen hunner, die nog minder de schreven, bij voorkeur die apostel, die ere, die arc bezigden. Hieruit kunnen wij nog leeren, dat het zoogenoemd bepalend lidwoord de uit het aanwijzend voornaamwoord die oorspronkelijk is, of wil men, dat beide een zelfden oorsprong hebben en alleen verschillen in de functie, die zij in de rede hebben ingenomen.

't Verwondert ons wel, dat Huydecoper, die grondige beoefenaar onzer middelnederl. litteratuur, hierover het stilzwijgen bewaart; doch waarschijnlijk kwam het in zijn' tijd bij niemand op, d' als een taalvereischte, als eene taalwet in te voeren; maar men beschouwde het als eene vrijheid, die niet alleen den dichteren, maar ook den prozaschrijvers gegund was; zie de citatiën in het Mag. van Taalk. door Dr. Nassau. Ja, eene vrijheid is het, of wilt ge een' vorm, die evenzeer als de oorlog, de aak, op het voorbeeld van achtbare schrijveren kan wijzen. Zou Huydecoper er ook niet zoo over gedacht hebben? Schreef hij doorgaans de: ook begreep hij, niet tegen de taal te zondigen, met een en andermaal d' te schrijven; want diezelfde Ouden hadden het, van welke hij getuigen moest, zijne kennis van taal en taalvormen niet weinig verrijkt te hebben.

Toen Weiland optrad en een spaarzaam gebruik van d' en 't aanbeval, die hij tot de dichterlijke vrijheden rekende, was het te verwachten dat men zich aan den eenen vorm - de en het - hield, met verzaking van den anderen. Dr. Nassau heeft ontegenzeggelijk door zijn geschrijf tot een beter inzigt van die vrijheden bijgedragen en ons aangetoond,

[p. 119]

dat het voorgeslacht haar niet den dichteren alleen toestond; doch de geschriften van hunne voorgangers, op wier voorbeeld zijne gevierde schrijvers d' en 't bezigden, toonen dat men zich nu niet van deze taalvrijheid behoeft te bedienen om, gelijk Dr. Nassau wilde, niet meer de en het te schrijven. Een historisch taalkundig onderzoek leert, meenen wij, dat de eerstgenoemde schrijfwijze van b. v. de apostel, de ere, de arc volstrekt niet nieuw te noemen is, reeds voorkomt in geschriften, die meer dan een derde gedeelte onzer Christelijke jaartelling oud zijn; maar ook dat dapostel, dere, darc, in 't algemeen de plaatsing der d voor het volgend naamwoord, hetwelk met eene vokaal aanvangt, evenzeer te wettigen is! Poogde Dr. Nassau nu voor te komen, dat men die vrijheid binnen zulke enge grenzen beperkte dat zij ophield het te zijn: wij zijn van oordeel, dat hij in zijn volste regt is; doch meenen, dat, zoo hij de oogen, de aken, de emmer, de appel, enz. als taalstrijdig beschouwt, van hem in gevoelen te moeten verschillen, omdat wij daardoor tot een ander uiterste zouden vervallen dan hij aan Weiland toeschreef. Wilde men nog die taalvrijheden in overeenstemming brengen met den stijl: wij zouden, even als Weiland, een spaarzaam gebruik van d' en 't in den ernstigen en deftigen stijl aanbevelen; doch oordeelen, dat die beperking zich niet verder mag uitstrekken, dat men overigens van den eenen of anderen vorm kan gebruik maken; omdat zij beide wettig zijn bevonden; terwijl wij, evenzeer als Dr. Nassau, zouden meenen, d' en 't niet enkel als eene dichterlijke vrijheid te mogen beschouwen, hoedanige b. v. d' voor den is. Gelijk maat en rijm d' en 't niet altijd behoeven; zoo behoeven wij ook in proza niet altijd van deze vormen ons te bedienen. Gebruiken wij ze een en andermaal: wij hebben daartoe het regt. Bilderdijk begreep dit ook; en hoezeer hij in proza minder d' en 't bezigde, vinden wij het toch ook in zijne Spraakleer en Geschiedenis des Vaderlands; doch geen uitsluitend gebruik van beide, zoo als wij bij Dr. Nassau aantreffen! Wij zien niet in, dat dit kan geschieden, zon-

[p. 120]

der de vrijheid, die de taal hier verleent, tot een beider vormen des zoogenoemden bepalenden lidwoords te beperken.