|
|
|
| |
Over de uitdrukkingen ter goeder trouw, ter goeder
ure, ten mijnen huize, ter dezer plaatse.
Antwoord op vraag 4: ‘Zijn de uitdrukkingen ter goeder
trouw, ter goeder ure, ten mijnen huize, ter dezer plaatse goed te
keuren?’
| | | |
Deze uitdrukkingen zijn overig gebleven uit eene vroegere periode
der taal. In het mnl. toch regeerden de praeposities zoowel den dativus als den
accusativus. Van daar de dativus in deze uitdrukkingen (zie Dr.
Brill, Syntaxis, p. 86). Ook de sterke dativus
in het 1e, 2e en 4e voorbeeld dagteekent van
vroeger. Thans volgen de qualitatieve adjectieven alleen de zwakke buiging,
vroeger echter de sterke (zie
Brill, p. 208).
Uur is zoowel vrouwelijk als onzijdig
(Brill, p. 154).
In de twee laatste voorbeelden zijn mijn en deze
bijvoegelijke voornaamwoorden, die als zoodanig de buiging van 't adjectivum
aannemen (Brill, p. 213, 2).
De e achter ure, huize, plaatse is het teeken van den
sterken dativus (zie
Brill, p. 159).
De vraag of deze uitdrukkingen goed te keuren zijn, moet toestemmend
beantwoord worden.
De tegenwoordige taal bevat nog vele zegswijzen, die herinneren aan
eene vroegere periode der taal, toen deze veel rijker aan vormen was, dan
tegenwoordig het geval is.
E.
‘Zijn de uitdrukkingen ter goeder trouw, ter goeder ure,
ten mijnen huize, ter dezer plaatse, goed te keuren?’
Om dit te beslissen moeten drie zaken herinnerd worden.
1o. Sommige voorzetsels regeren nog in enkele uitdrukkingen den
derden naamval. 2o. Ter en ten zijn zamengestelde
woorden en bestaan uit te en der en te en den.
3o. De bijvoeg. naamw. werden vroeger ook sterk verbogen. Het zal
voldoende zijn deze stellingen kortelijk toe te lichten.
1o. Men vergelijke de uitdrukkingen: inderdaad, metter
woon, in den gebede, om den broode, in gebreke, in gemoede, met dien verstande,
op den huize enz., die wij schrijven en spreken, en die zoovele
uitzonderingen zijn op den misschien wat willekeurig gestelden regel ‘de
voorzetsels regeren den
| | | |
vierden naamval.’ Het voorzetsel
te regeert ook veelal den derden.
2o. Na de onderdrukking der toonlooze e van
te, smolt de d van het lidwoord met de overgebleven t
zamen en zoo ontstonden ten en ter. De weglating van deze
e heeft dikwijls plaats, b. v. t'huis, voor te huis, thans
of thands voor te hand; zoo ook ten voor te den
(mann. of onz. enk. 3e nv.), en ter voor te der (vr.
enk. 3e nv.). Het zoude toch eene schromelijke dwaling wezen, het
woord te voor verbuigbaar te houden.
3o. Het is niet mogelijk uit den tegenwoordigen toestand
onzer taal iets stelligs aangaande de sterke verbuiging te leeren. Door
verschillende oorzaken zijn de sterke en zwakke vormen verward en enkele zelfs
buiten gebruik geraakt.
Als voorbeeld van sterke verbuiging der bijvoeg, naamw. diene die
van het bez. voornw. mijn, waaruit opgemaakt kan worden, dat de sterke
verbuiging van het bijvoeg. naamw. hierop zal komen te staan:
Mannelijk Enkelvoud. | Vrouwelijk Enkelvoud. | Onzijdig Enkelvoud. | Alle
drie de gesl. Meervoud |
| 1. goed. | 1.
goede. | goed. | goede. |
| 2. goeds. | 2.
goeder. | goeds. | goeder. |
| 3. goeden. | 3.
goeder. | goeden. | goeden. |
| 4. goeden. | 4.
goede. | goed. | goede. |
Ten opzigte van het zelfst. naamw. moet worden opgemerkt, dat wij in
de opgegeven voorbeelden tweederlei e's hebben; de e van
huize staat niet geljik met die van plaatse en van ure. De
eerste, nl. die van huize is een naamvalsuitgang, d. i. het teeken van
den derden naamval. De e van ure
1) en
plaatse, ook wel de vrouwelijke e genoemd, gebruikt men even als
bij veel andere vrouwelijke zelfst. naamw. of bij mannelijke van de zwakke
verbuiging in alle naamvallen, b. v. de ure is gekomen, hij verwacht die ure met
| | | |
smart. Het plegtige dezer ure. Heere, gedenk mijner. Looft den
Heere enz.
Toetsen wij nu de opgegevene uitdrukkingen aan de herinnerde
waarheden, dan bevinden wij: ter goeder trouw en ter goeder ure
zijn bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit het voorzetsel te en de
woorden de goede trouw en de goede ure (vr. enk. 3e
nv. met een' sterken vorm van het bijv. naamw.). Het komt ons voor, dat op deze
twee uitdrukkingen geene aanmerkingen te maken zijn. Men laat ook wel het
lidwoord weg en schrijft te goeder trouw, te goeder ure. Deze
schrijfwijze verdient o. i. geene afkeuring, integendeel! De sterke vormen van
het bijv. nw. worden bij voorkeur gebruikt, wanneer er geen bepalend woord
vooraf gaat, en volgens dezen regel zou te goeder trouwbeter zijn dan
ter goeder trouw. Anders is het gelegen met de derde en vierde
uitdrukking. Ten mijnen huize is te den mijnen huize en ter
dezer plaatse = te der dezer plaatse. Wij zouden geneigd zijn deze
uitdrukkingen onvooorwaardelijk af te keuren, omdat het mijne huis, en
de deze plaats onbestaanbaar zijn met een gezond begrip van lidwoorden.
Het lidwoord, dat den bepaalden zin van het zelfst. naamw. moet aanduiden,
wordt overtollig, zoodra een ander bepalend woord voor het zelfst. nw.
geplaatst wordt. (Zie over het lidw. Nieuw Nederl. Taalm. I, jaarg. blz. 27 en
volgg.).
Het woord mijn bewijst hier tweederlei dienst: het vermeldt,
dat er sprake is van een bepaald individu, een van alle andere onderscheiden
huis, en dat dit huis van den spreker is. De eerste functie maakt het lidwoord
geheel overtollig. Indien wij dus aannemen, dat het mijn huis en de
deze plaats niet bestaan kunnen, dan is het ook ongerijmd ze met een
voorzetsel, welk ook, tot eene bijwoordelijke uitdr. te vereenigen, en daarom
zouden wij meenen, dat er zonder eenigen twijfel geschreven moest worden te
mijnen huize en te dezer plaatse. - Doch wij mogen niet onvermeld
laten, dat deze uitspraak geheel in strijd is met die van een hooggeacht
taalkundige, Dr.
Brill. In de spraakleer voor In-
| | | |
richtingen van hooger onderwijs wordt aangevoerd, dat men oudtijds zeide de
deze (zie 2de druk, blz. 224). Het komt ons voor, dat men dit
nog wel zegt, doch dan treedt het woord deze als zelfstandig voornaamw.
op, en dus bewijst het niets voor dit geval. Het is echter moeijelijk aan te
nemen, wat verder wordt gezegd ‘en nog tegenwoordig zegt men de
deze in bijwoordelijke uitdrukkingen, ten dezen aanzien, dat is
te den dezen aanzien, ter dezer ure, dat is te der dezer
ure.’ Later blz. 237 wordt geleerd, dat men ten en ter
gebruikt, ‘waar het artikel overtollig zou kunnen schijnen;’
terwijl in de Hollandsche spraakleer van 1846, blz. 256 wordt gezegd ‘in
zulke zegswijzen treft men niet zelden een pleonastisch gebruik van het
lidwoord aan, als: ter naauwer nood, ten eenen male, ter zee nevens
te land of te water.’ Onze slotsom is dus: ter goeder
ure en ter goeder trouw zijn goed te keuren, ten mijnen huize
en ter dezer plaatse niet, maar moeten aldus verbeterd worden te
mijnen huize, te dezer plaatse..
D.
|
1)Het woord uur wordt op tweederlei
wijze verbogen: het is zoowel vrouwelijk als onzijdig.
|
|