|
|
|
| |
Over categorische en verkorte concessieve bijzinnen.
Antwoord op vraag 7: ‘Zinnen als deze: Dit werk ofschoon
niet vrij van gebreken, verdient toch aanbeveling; dit kind, hoewel niet vlug
van begrip, moogt gij niet verwaarloozen, zag ik onlangs tot de
hypothetische gebracht. Mij dunkt het zijn categorische hoofdzinnen, met
verkorte concessieve bijzinnen. Welk gevoelen is het ware?
Er is een zeer eenvoudig middel om te onderscheiden of een zin
hypothetisch is of niet. Men late den bijzin weg, en, behoudt de hoofdzin dan
zijne volle kracht, zoo hangt het daarin gestelde van geene voorwaarde af en de
zin is
| | | |
niet hypothetisch, maar categorisch. Passen wij deze
handelwijze op de bedoelde zinnen toe, dan bevinden wij, dat de beide
hoofdzinnen geene verandering ondergaan: Dit werk verdient aanbeveling. Dit
kind moogt gij niet verwaarloozen. Zij zijn dus categorisch. - Hypothetisch
zouden zij wezen, als er b. v. stond: 1. Indien dat werk vrij van gebreken
is, verdient het aanbeveling; 2. Zoo dat kind niet vlug van begrip is,
moet gij er nog meer moeite aan besteden dan aan een ander. - Laten wij in
den eersten zin den bijzin, die nu wel eene voorwaarde bevat, weg, dan wordt de
waarde van het gestelde in den hoofdzin geheel anders: Dit werk verdient
aanbeveling. Het onderwerp, dit werk en het predicaat aanbeveling
verdienen, worden als bij elkander behoorende voorgesteld en daarmede gaat
men te ver, want eerst moet blijken, dat er voldaan is aan de voorwaarde, en
dat het werk vrij van gebreken is. In den tweeden zin wordt het besteden
van meer moeite afhankelijk gesteld van het niet vlug van begrip
zijn. Omdat nu de beide zinnen die in de vraag zijn aangehaald, hiermede
volstrekt geene overeenkomst hebben, zoo gelooven wij, dat se geheel ten
onregte tot de hypothetische zijn gebragt, want dat het werk aanbeveling
verdient en dat gij het kind niet moogt verwaarloozen, is van geene
voorwaarde hoegenaamd afhankelijk.
Met deze beschouwing komt overeen die van Prof.
T. Roorda. In de deelen der rede en de
redeontleding wordt geleerd, dat hypothetische zinnen zijn
onderstellende, waarin iets gezegd of voorgesteld wordt als plaats
hebbend in een als mogelijk gesteld of ondersteld geval. (Zie
‘Over de deelen der rede’ enz, 2de druk, bl. 13). - Ook
Dr.
L.A. te Winkel leert, dat in een zin de
verbinding of scheiding van onderwerp en gezegde voorwaardelijk of
onvoorwaardelijk plaats heeft en dat deze in het eerste geval hypothetisch
wordt genoemd. (Zie ‘de logische Analyse’ enz., blz. 68, 69, 129)
en Dr.
W.G. Brill: ‘De bijwoordelijke zinnen
van de vierde soort zijn te onderscheiden in hypothetische zinnen, die eene
veronderstelling te kennen geven en met den hoofdzin
| | | |
verbonden worden door middel der voorwaardelijke voegwoorden:
als, wanneer, zoo, indien, of, in geval (dat), bijaldien, ten zij,
ten ware, mits.’ (Zie ‘Leer van den Volzin,’ blz. 253).
Wij zouden ook hebben kunnen volstaan met ons op de beteekenis der woorden
hypothese, onderstelling, voorwaarde te beroepen.
Nu is aangetoond, dat de twee bedoelde zinnen niet hypothetisch
zijn moet de vraag worden beantwoord, of zij al dan niet tot de
concessieve behooren. Dit werk verdient aanbeveling is een
bevestigende, assertorische en categorische zin, behalve dat het aanbeveling
verdient, wordt nog in een elliptischen bijzin vermeld, dat het werk niet vrij
van gebreken is. De bijzin is ook assertorisch en categorisch, want het
‘niet vrij van gebreken zijn,’ wordt onvoorwaardelijk aan het
subject verbonden, daarom is de zin categorisch, en het wordt voorgesteld als
overeenkomende met de werkelijkheid, daarom is hij assertorisch. Brengt men nu
de beide zinnen met elkander in verband, dan schijnt het gestelde in den
eersten met het gestelde in den tweeden te strijden, doch het eene sluit het
andere niet uit, of het werk schoon gebreken heeft, het verdient toch
aanbeveling.
Het zal dadelijk in het oog vallen hoe zulk een zin van een
hypothetischen verschilt, want op deze wijze wordt de onvoorwaardelijke
verbinding van ond. en gez. zoo sterk mogelijk uitgedrukt. Dit wordt duidelijk
als men hem laat voorafgaan door een hyp. en een eenvoudig cat. - B. v. Als
het mooi weder is, ga ik wandelen (hyp.). Ik ga wandelen (cat.).
Ofschoon het hard waait, ga ik wandelen. De bijzin dient dus ook om den
hoorder te voorkomen. De spreker weet, dat hem de eene of andere omstandigheid
bekend is, waardoor de onvoorwaardelijke verbinding bij hem niet boven alle
bedenking kan wezen, en op die omstandigheid wordt in den bijzin gedoeld. Men
noemt zulke bijzinnen concessieve. Deze naam is zeker voor zulke bijzinnen niet
zeer gepast en wij bedienen er ons van, zooals de heer
Roorda zegt, ‘bij gebrek aan betere
benaming.’ (Deelen der rede,
| | | |
2de dr., blz. 26),
meer gepast is hij voor zinnen als: Al zweert hij er op - ik geloof
hem toch niet. Men neemt iets aan, geeft iets toe, laat iets in het
midden, zoo als hier ‘dat hij er op zweren zal,’ het beweerde, dat
men hem niet gelooft, blijft gelijk het is. Men vindt den naam concessieven
volzin ook in de beide andere werken, die boven zijn aangehaald.
Er zijn ook concessieve onderstellingen, over welke wij later
een enkel woord willen in het midden brengen, maar zij verschillen zeer van de
opgegeven bijzinnen.
D.
|
|
|