De Taalgids. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Eerste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1859.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 167]

Opmerkingen en aanteekeningen van den hoogleeraar J. H. van der Palm over de Nederlandsche taal,

Uit zijne werken verzameld

door

 

Mr. J. PAN.

[p. 168]

Nam mihi videtur M. Tullius, cum se totum ad imitationem Graecorum contulisset, effinxisse vim Demosthenis, copiam Platonis, jucunditatem Isocratis. Nec vero quod in quoque optimum fuit, studio consecutus est tantum, sed plurimas, vel potius omnes ex se ipso virtutes extulit immortalis ingenii beatissima ubertate. - Cum interim haec omnia, quae vix singula quisquam intentissima cura consequi posset, fluunt illaborata, et illa, qua nihil pulcrius auditu est, oratio prae se fert tamen felicissimam facilitatem. Quare non immerito ab hominibus aetatis suae regnare in judiciis dictus est: apud posteros vero id consecutus, ut Cicero jam non hominis nomen, sed eloquentiae habeatur. Hunc igitur spectemus: hoc propositum nobis sit exemplum: ille se profecisse sciat, cui Cicero valde placebit.

 

Quinotil., Inst. Orat. X. l.

[p. 169]

Op de uitnoodiging der redactie om eene bijdrage voor het woordenboek der Nederlandsche taal te geven, vestigden wij onze keuze op Van der Palms werken, aan wien wij gedurende eene lange reeks van jaren zoo vele genoegelijke en nuttige uren verschuldigd zijn, en die in den ouderdom ons nog als een getrouw vriend ter zijde staat. Na het volbrengen dezer taak, kwam bij ons de gedachte op, om de verstrooide opmerkingen over de taal uit dit werk af te zonderen, en aan de Taalgids af te staan.

Van der Palm was, zoo als zijn levensbeschrijver aanmerkt (bl. 88), geen linguist; maar hij neemt toch als prozaschrijver den eersten rang in, en zijn fijn taalgevoel blinkt overal door. Hierom hebben zijne opmerkingen over de taal, zijne vermelding van woorden en spreekwijzen een groot gezag, en dit geeft daaraan zekeren ijk en eene gangbare waarde.

Al is er later over deze en gene punten een nieuw licht verspreid; het blijft altijd belangrijk, zijn gevoelen te kennen. Wij namen dus zelfs kleine en schijnbaar min beduidende opmerkingen en mede enkele woorden op, maar onthielden ons meestal van bepalingen, die met taalstudie in geen onmiddelijk verband stonden; want een redekunstig woordenboek lag buiten ons bestek. Nu en dan veroorloofden wij ons eenig gering bijvoegsel, eene bedenking of twijfeling; breedere ontwikkelingkwam hier niet te pas. Men heeft wel eens beweerd, dat Van der Palm vele Germanismen zoude hebben begaan, maar deze beschuldiging niet gestaafd. Bij de beoefening

[p. 170]

zijner schriften, merkten wij maar zeer weinige op, die hier, benevens enkele Latinismen en Gallicismen, ter waarschuwing zijn aangewezen. Wij zijn niet blind voor de gebreken, die hier en daar zijne werken aankleven, maar men moet hem, even als elken schrijver en kunstenaar, naar zijne beste gewrochten beoordeelen. Deze zullen, zoo lang Nederlands taal- en letterkunde in eere wordt gehouden, de toetssteen van de echte welsprekendheid en van den zuiveren smaak blijven, en het nageslacht zal het oordeel der tijdgenooten bevestigen. De herhaalde uitgaven zijner werken getuigen ook van voortdurende belangstelling, die nog zeer bevorderd zoude worden door eene afzonderlijke uitgave der voorlezing van den Hoogleeraar Van Assen over V.D. Palm, in de Nieuwe werken der Leidsche Maatschappij opgenomen, welke eene voortreffelijke inleiding tot de schriften van den grooten man bevat.

 

Hoorn, April 1859.

Verkortingen.

Leerr.Leerredenen, 3 Deelen. D. 1 van den vierden, en D. 2 en
3 van den derden druk.
1. VIt.Zestallen. Tien deelen. Eerste druk.
1. Xt.Tientallen. Elf deelen. Eerste druk.
Sal.Salomo. Tweede druk.
3 Leerr.Drie leerredenen. 1843.
Redv.Redevoering. en Verhand. Eerste druk. 5 deelen.
Gedenks.Gedenkschrift. Eerste druk.
Hooft.Uitlegkundig Woordenboek op Hooft, uitgegeven door het Instituut.
Bijbel v. d. J.Bijbel v. d. Jeugd. Eerste druk.

[p. 171]

Aangeven.

‘Al wat waarlijk bevallig is, en door den liefelijken toon, dien het aangeeft, een snaar des gevoels harmoniesch trillen doet.’ Redv. 3, 159. Vgl. Redv. 3, 211. Opheffen, Hd. angeben, Fr. donner le ton.

Aanmatiging.

‘Het eigen karakter der onbescheidenheid; evenzoo matiging der bescheidenheid’. Redv. 3, 206.

Aannemelijk.

‘- even gelijk wij ook, volgens ons spraakgebruik, iets aannemelijk noemen, dat wij voor geloofwaardig houden.’ Leerr. 2, 200.

Aanschennen.

‘- door de tong der trotsheid aangeschonnen.’ Sal. 3, 83, d. i. aangerand. Het w. komt bij Hooft voor als ‘tot annval nopen.’ Dus ook Bild. op Huyghens 2, 331. Prof. Clarisse schijnt dit w. af te keuren, z. het Taalk. Mag. van Dr. De Jager 4, 245. Bild. gebruikt het in den Perzius 52:

 
God omhoog in 't aanzicht aan te schennen,
 
Bleef overig.

Vgl. Weil. v. schennen.

Aanstellen.

‘ - een onderzoek,’ Sal. 8, 268. Deze spreekwijze heeft, even als het thans zoo gebruikelijke instellen, veel van

[p. 172]

een Germanisme. Z. echter Hooft. Onze Statenoverzetting heeft ook dit woord meermalen, b. v. Ps. 50, 23, Spreuk. 26, 24. Vgl. de Lat. Verscheidenh. van Dr. De Jager, 166.

Aanstalte.

‘ - aanstalten treffen.’ 10 Xt. 38. Germanisme. Het w. is door Prof. Siegenbeek in zijne Lijst maar flaauw verdedigd.

Aanwandelen.

Bekruipen, zacht, van lieverlede naderen. B. v. ‘den liefelijken slaap zich van lieverlede te voelen aanwandelen.’ Sal. 6, 9 en 306. Vgl. 1, 209; Redv. 4, 83 ‘van waar is den Galiléer die kennis aangewandeld?’ 6 Xt. 82.

Prof. Siegenbeek veroordeelt het in zijne Lijst, en wil het alleen in de beteekenis eener zachte beweging gebruikt hebben.

Achterklapper.

‘Volgens den aard en de naive uitdrukking van het Nederlandsche woord, iemand, die achter den rug eens anderen van hem klapt, en vertelt hetgeen beter gezwegen was.’ Sal. 1, 341. Dus ook Weil. Van ouds zeide men achterhoon, volgens Bild. op Huyg. 1, 23.

Adderenbeet. Sal. 5, 187? Luitenspeler. Redv. 1, 7. Daarentegen dichterstijl. Redv. 2, 80.

Ademen.

‘De reine en gezonde landlucht, die in dit gezegend oord ademt.’ Redv. 1, Voorr. 2.

‘Waarheid ademen. In het Hebr. waarheid blazen.’ Zoo geheel van de waarheid doordrongen zijn, dat zij ons even natuurlijk en eigen is geworden als de ademtogt, dien wij uitblazen, dat wij ze, als het ware, uitademen.’ Sal. 2, 242.

Alkove.

‘Alcove, sofa (soffa), saffraan, chemise, (kamies, kamisool) w.w. van Arabischen oorsprong door de kruisvaarders uit het Oosten, of door de Mooren uit Spanje tot ons gebragt.’ Sal. 4, 89.

[p. 173]

Arglistig.

‘Beteekent in onze taal listig en boosaardig tevens.’V. d. P. op Genesis 3, 1. Kiliaan ‘dolus malus.’ Dus ook Weil. Synon. 1, 171 en Bruining Synon. 1, 51.

Asch.

‘De vonk lag thans bedolven onder de asch der Farisesche beuzelarij.’ 3 Leerred. 18. Vgl. Redv. 1, 323.

In het meervoudig gebruikt. Z. Redv. 1, 250. Ook bijTollens en bij Bogaers in zijn Metalen kruis.

 
Wij blazen niet met euvlen moed In oude veten nieuwen gloed, Terwijl se dooven in haar asschen.

Baatzucht.

‘Eigenbelang moet niet in baatzucht ontaarden; en deze heeft dan plaats, wanneer het bejagen van voordeel of winst de grootste drijfveer van onzen handel is. - Hebzucht is nog erger, wanneer men begeert, wat buiten het bereik is.’ Sal. 8, 26. Vgl. 4, 126. Z. ook Weil. Synon. 1, 188. Inhaligheid is nog slechter, zie in v.

Balling.

Dit w. wordt door V. d. P. meermalen gebruikt van iets dat ontbreekt, bijv. ‘Beminnelijke nederigheid, waar ge ook balling wezen moogt!’ Sal. 1, 284. ‘Waar nijd, tweedragt en alle booze driften balling waren.’ Leerr. 1, 264. Redv. 3, 288.

Barnen.

‘ - barnende en lommerlooze woestijnen.’ Leerr. 2, 276. D. i. brandende. Ook bij Hooft en bij vroegere dichters, z. Ypeij Aanm. Statenoverz. 20. Het w. is verouderd, doch door Bild. nog gebezigd, z. de Proeve over Bild. van Dr. De Jager, 202, en zijne Werkw. van herhal, en during, 175.

Bedrijf.

‘Man van bedrijf.’? Meer gewoon is: bedrijvig man.

‘Zonde van nalatigheid en bedrijf.’ Z. zonde.

Behelpen.

[p. 174]

‘De echte goedhartigheid behelpt zich, om anderen te helpen.’ Sal. 7, 338.

Bestemmen.

Het woord bestemd wordt door V. d. P. dikwijls voor bepaald gebruikt, ‘bestemde denkbeelden.’ Redv. 1, 206. ‘Bestemde waarde.’ Redv. 2, 155. ‘Den algemeenen toon bestemmen.’ Dus ook ‘korter noch bestemder uitdrukken.’ 2 VIt. 168. ‘Onbestemde denkbeelden.’ 5 Xt. 267.

Het w. is thans algemeen in gebruik, maar als Germanisme teregt door Dr. Nassau afgekeurd in het Magaz. v. Taalk. 6, 105. Vgl. Dr. De Jager in zijne Proeve over Bild. 95.

Betrachten.

Doen, behartigen. ‘Deugden van onthouding en van betrachting.’ Redv. 4, 95. ‘Eene waarheid meer der betrachting dan der bespiegeling.’ Leerr. 1, 255.

‘Dit woord heeft buiten twijfel ook in onze taal de beteekenis van waarnemen, gadeslaan, zoowel als van overdenken en beoefenen.’ V. D. P. op Job 7, 20. Vgl. Hooft, de Handleid. van Dr. De Jager v. en zijne Lat. Verscheid. 186. Bilderdijk gebruikt het ook meermalen in de eerstgemelde beteekenis, z. de Proeve van Dr. De Jager 205; Weil. houdt 't voor verouderd (?) en Prof. Siegenbeek veroordeelt het in zijne Lijst v., zoo ook Dr. Nassau in 't N. N. Taalm. 1, 99.

Bies.

‘Het hoofd laten hangen als een bies.’ Leerr. 1, 126, Spreekwijze vermoedelijk ontleend uit Jesaja 58, 5.

‘Spreekwoorden moeten nooit woordelijk worden uitgelegd; b. v. het onze: ‘pak uwe biezen.’ V. d. P. op Psalm 11, 1.

Gelijksoortig is: zijne matten oprollen, verhuizen, weggaan.

Bijstaan.

Helpen, verdedigen. ‘De gelijkenis schijnt uit den krijg ontleend te zijn, van den wapendrager of wapenbroeder, die in het heetst des gevechts niet wijkt van de zijde zijns medgezels, maar met hem of voor hem strijdt.’ Leerr. 2 , 274.

[p. 175]

Bijval.

‘Bijval geven.’ Redv. 1, Voorr. 27.

Dr. Nassau keurde dit w. in zijn geestig vertoog in de Gids van 1840 en later in zijne Taalmijmeringen ten hoogste af. Het wordt door Prof. Siegenbeek in de Lijst v. en ook door Weil in de Synon. 1, 364 aangenomen, die het van sterker beteekenis acht dan goedkeuring. Nog onlangs is dit w. verdedigd door Dr. De Jager in zijne Lat. Verscheid. 371.

Blanketsel.

‘In alle talen is bedrog de figuurlijke beteekenis van het woord blanketsel, vermits men door hetzelve niet alleen gebreken, poogt te bedekken, maar ook schoonheden en bevalligheden aan te nemen, die men weet niet te bezitten.’ Sal. 2, 376.

Bres.

‘Zich vooriemand in de bres stellen. Spreekwijze uit het Hebreeuwsch genomen. Zij is uit den krijg ontleend, daar hij, die in eene bestormde vesting, waar reeds bres is, in die bres zich vooraan stelt, het gevaar van allen op zich neemt.’ V. d. P.op Psalm 106, 23. Even zoo Weil. V.

Carricatuur. Contrast.

Hiervoor is in onze taal geen woord. Sal. 2, 172.

Daarstellen.

V. d. P. noemt het op Numeri 24, 23 ‘een woord niet van den besten stempel.’ Evenwel komt het meermalen bij hem voor, b. v. Redv. 2, 105; 3, 121; 4, 50, 190; Gedenks. 165. Dit w. is door Dr. Nassau afgekeurd in 't Magaz. v. N. Taalk. 5, 267; 6, 107, alsmede door Prof. Siegenbeek, die het des noods alleen wil bezigen van voorwerpen, welke voor het oog ten toon zijn gesteld. Weil. is er ook niet mede ingenomen, z. Synon. 1, 351. Tegen een ander heeft echter de taalkundige Oudemans eenige bedinkingen ingebragt in het Magaz. van Ned. Taalk. 1, 307.

Daar te boven.

V. d. P. keurt af: ‘het doorweven zijner rede met de-

[p. 176]

welke's, daar te bovens en gezochte taalkundige naauwkeurigheden, die de gewone beschaafde zamenspreking niet gedoogt.’ Z. Redv. 4, 103.

Daar te boven is eigenlijk daar en boven, nu verouderd volgens Bild. Verhand. 347. Vgl. de Lijst van Prof. Siegenbeek v.

Deel.

‘Geheel of ten grooten deele.’ Redv. 5, 304 en 324. Meer gewoon schijnt grootendeels.

Deugd.

V. d. P. keurt te onregt het meervoudige van dit w. af, bewerende, dat men dan even goed godvruchten, vroomheden zeggen kan, z. Sal. 3, 68. Het meervoudige is ook door hem nu en dan gebruikt, b. v. Leerr. 2, 20; Sal. 6, 421. Redv. 4, 94. Het wordt van goede hoedanigheden gezegd, even als het enkelvoudige deugd. B. v. ‘de deugd van 't leder, d. i. de sterkte.

Deugniet.

‘Eigenaardig woord in onze taal, om een mensch af te teekenen, die, met verloochening van alle beginsels, zich in het kwade toegeeft, van wien men niets goeds te wachten heeft.’ Sal. 4, 383.

Dewelke.

‘Velen zijn er, die naauwkeuriger dan anderen meenen te spreken, als zij, voor het betrekkelijk voornaamwoord, nooit die, maar altijd dewelke gebruiken. Dit mishaagt mij grootelijks. Want vooreerst is dewelke voor een betrekkelijk voornaamwoord veel te lang, en deszelfs herhaling brengt in den stijl matheid, koude en stijfheid, zoodat het spaarzaam en alleen duidelijkheidshalve mag gebezigd worden. En ten anderen miskent en verwaarloost men aldus eene eigenaardigheid onzer Nederduitsche taal, die zij ook met andere talen gemeen heeft, volgens welke men het aanwijzend voornaamwoord in de plaats van het betrekkelijke gebruiken mag.’ Sal. 5, 273. Vgl. Redv. 4, 103 en Bild. Verscheid. 3, 92.

[p. 177]

Digtheid.

‘Door het woord digtheid verstaan wij in onze taal verzwegenheid, geheimhouding, waarom men ook van iemand, die zwijgen kan, zegt: hij is zoo digt als een pot; en daarentegen van een geheim, hetwelk openbaar wordt, dat het uitlekt.’ Sal. 4, 88. Reeds bij de Oude schrijvers vindt men het openbaar worden van een geheim met het lekken uit een geborsten pot of vat vergeleken. Fraai is de plaats van Terentius door V. d. P. in zijnen Sal. 1,115 aangehaald uit den Eunuch. 1, 2, 25, waar de slaaf zeer aardig zegt, dat hij alleen ware geheimen zal zwijgen.

 
Quae vera audivi, taceo et contineo optime:
 
Sin falsum aut vanum, aut fictum est, continuo palam est:
 
Plenus rimarum sum, hac atque illac perfluo.

Vgl. De Adagia van Erasmus en anderen, p. 577, ed. fo.

Doek.

Voor zeil. Sal. 6, 351. Het w. is eigenlijk meer bij dichters in gebruik. Z. Huydec. Proeve 2, 209. In proza zegt men zeildoek.

Dolen.

Dit w. komt bij V. d. P. dikwijls voor in de beteekenis van zich ergens in verdiepen, mijmeren. B. v. ‘dolen in de geheimenissen van Gods raad.’ ‘Dolen in zijne angst.’ 2 Xt. 22. Misschien ontleende hij het uit de Statenoverzetting. Z. b. v. Spreuk. 5, 19, 20; 20, 1, en de kantteek. ald.

Dood.

‘Dood en leven hebben in 't Hebreeuwsch, ook in andere talen, zeer verschillende beteekenissen. Behalve hunne eigene, hebben zij die van geluk en ongeluk. Men bezigt ze bovendien in een overdragtigen zin, om deugd en ondeugd aan te duiden, als het leven of de dood onzer redelijke natuur.’ Sal. 5, 391. Vgl. leven.

‘Wij kunnen de spreekwijzen, dood zijn en weder levendig worden, verloren zijn en gevonden worden, - verklaren in eenen zin, dien het gewone spraakgebruik wettigt, waarin wij van

[p. 178]

iemand, op wien wij betrekking hadden, die ons verlaten had, en wien wij niet meer gehoopt hadden ooit weder te zien, zeggen: dat hij dood voor ons was, dat wij hem verloren hadden.’ 5 Vlt. 193.

Doodstroom.

Als zelfstandig naamwoord: ‘de doodstroom der vervelende eentoonigheid.’ Redv. 5, 308. Mr. V. Lennep in zijn Zeemans-woordenboek geeft eene naauwkeurige bepaling: ‘Doodstroom, z. n. m. (veroud.). Afwezigheid van den stroom: waardoor men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe maan, als het water minst wast: ook tusschen ebbe en vloed. Z. doodtij. Spreekwijze: 't Is er D - (er is geen handel, geen beweging, er valt niets voor).’

Doorslippen.

- ‘doorslippen van het anker der hoop.’ Sal. 2, 434. Onjuist. De zeelieden zeggen, dat het anker doorgaat of doorkrabt. Als men het anker, met of zonder kabel prijs geeft, laat men het slippen. Zulks stemt ook overeen met het gewone taalgebruik. Iets te laten glippen of slippen beteekent: iets te laten varen, er van afzien.

Dorst.

‘Wij bezigen ook de woorden honger en dorst in een overdragtigen zin voor vurige en sterke begeerte; doch wij voegen er dan een woord ter bepaling bij, waardoor de overdragtige beteekenis terstond in het oog valt. Wij spreken van geldhonger, ambtshonger, gouddorst, dorsten naar bloed, naar eer, enz.’ Sal. 1, 21.

Duizend.

‘één uit duizend,’ Job 33, 23. Ald. V. d. P. ‘D. i. in den Oosterschen stijl, een allervoortreffelijkst wezen. Z. Pred. 7, 28.’

Hiervan is misschien onze spreekwijze ‘een uit duizend’ afkomstig. Hetzelfde wordt in het Latijn door het tegenovergestelde unus e paucis uitgedrukt, terwijl unus de multis eene ongunstige beteekenis heeft.

Eenheid.

[p. 179]

‘Dit woord, bij onze oude schrijvers en bij Kiliaan onbekend, wordt in de rekenkunde gebezigd, om de waarde van het eenvoudigste der getallen, waaruit alle anderen zijn zamengesteld, uit te drukken. - Niet minder eigenaardig nogtans, en meer algemeen nog aangenomen is de overdragtige beteekenis van het woord eenheid, om de zamenvoeging van vele verschillende deelen aan te duiden, waardoor zij met elkander één geheel uitmaken.’ Redv. 5, 297. Vgl. Bruin. Synon. 1, 439.

Eenstemmigheid.

‘Eenstemmigheid is onder het denkbeeld van eenheid begrepen, niet eentoonigheid.’ Redv. 5, 298.

Eenvoudig.

Eenvoudig noemt men, waaraan niets te veel is, niets, dat tot hetzelve niet behoort; hetgeen men vervolgens, sprekende van den stijl, van dichterlijke of redekunstige voortbrengselen, bijkans uitsluitend toepast op onthouding van overtollige sieraden of weidschen pronk van bloemen of beelden.’ Redv. 4, 95.

Eenvoudig schoon.

‘Lofspraak door niets anders te overtreffen.’ Redv. 4, 97.

Eenvoudig. (dood-)

‘ - kan men bezigen van het gemeene, het alledaagsche, of 'tgeen daar nog beneden is.’ Redv. 4, 97.

Eenvoudigheid.

‘Het valt gemakkelijker dit woord te spellen, dan het ware denkbeeld te ontwikkelen, dat door hetzelve wordt uitgedrukt. Het geeft eigenlijk eene hoedanigheid te kennen, die tot den ganschen mensch, in al zijn handel en wandel, betrekking heeft; in zijn uiterlijk voorkomen, in zijn spreken en doen, in zijn huiselijk en openbaar leven. - Jammer derhalve, dat men dit woord in zoo vele oneigenaardige en strijdige beteekenissen gebruikt, dat het menigmaal twijfelachtig is, of door hetzelve iets loffelijks dan berispelijks wordt te kennen gegeven; en of de eenvoudigheid onder de volkomenheden, dan of zij onder de gebreken moet geteld worden.’ Redv. 4, 91.

[p. 180]

Eeren.

‘ - overeenkomstig ons oud Nederlandsch spreekwoord: met wien men verkeert, met dien wordt men geëerd.’ Sal. 5, 237.

Einde.

‘Want voorwaar er komt een einde.’ Spreuk. 23, 18. Ald. V. d. P. ‘Dit is hier hetzelfde als: het einde zal den last dragen. Dus behoeft ge den boozen niet te benijden.’

Erkentenis.

Voor herkenning, - ‘ter beschouwing en ter erkentenis aanbiedt.’ Redv. 2, 306. Vgl. Dr. De Jager Archief 2, 401, Bruin.. Synon. 1, 259 en Weil. Synon. 2, 157.

Eten.

‘Zoo zullen ze eten de vrucht van hunnen weg, en verzadigd worden van hunne raadslagen.’ Spreuk. 1, 31. Ald. V. d. P. ‘ - wij spreken ook van datgene op te moeten eten, waarvan men de nadeelige gevolgen ondervindt.’

Is dit juist? - Bekend is verder de spreekwijze ‘eene beleediging te moeten opeten’ d. i. verkroppen, verduwen. In de gemeenzame taal zegt men hier voor ook opslikken. Bij Hooft vindt men: ‘zijn hart eeten,’ d. i. ten hoogste onvergenoegd zijn.

Familie.

Geslacht, huisgezin. Wel en wettig in onze taal opgenomen. Sal. 2, 173, ook bij Weil. en Bild. v.

Fleur.

‘Gelijk eene gezonde vrucht aan het ligchaam, frissche sappen, bloei, fleur en leven geeft. Leerr. 1, 274. ‘fleur en tier zijn verdwenen.’ Sal. 6, 420.

‘Fleur, dat mede bloei beteekent, wordt meestal oneigenlijk gebruikt voor jeugdigen welstand, vrolijkheid en opgeruimdheid.’ Weil. Synon. 2, 175. Vgl. Bruin. Synon. 1, 423. Ook bij Hooft.

Hiervan fleurig. Redv. 3, 191.

Fluisteren.

‘De fluistering van den oorblazer en opstoker.’ Sal. 5, 281.

[p. 181]

Het Latijn heeft: aure susurrare. Zeer fraai drukt zich onze dichter Van Lennep uit in zijn verhaal: de moeder en de magistraat. Inleid. 9: ‘als eenmaal ook in hare ooren de stem der verzoeking zich fluisterend mogt doen verstaan.’

Fraai.

‘ - met kennis der fraaije wereld en hare zeden.’ Gedenks. 66. Dit schijnt een Gallicisme, beau monde. Liever ‘beschaafde wereld.’ ‘Fraaije geesten,’ Sal. 2, 189. Evenwel is de uitdrukking ‘fraaije letteren’ bij ons aangenomen, en komt bij V. d. P. meermalen voor, b. v. Redv. 4, 170. Elders onderscheidt hij de letterkunde in geleerde en fraaije, die hare vakken dicht- en redekunst heeft. Z. Redv. 4, 153.

Gaan.

‘Het gaat er overheen.’ Z. overheen.

‘Gaande en staande, gezegd van afnemende zwakke gezondheid.’ V. d. P. op Zachar. 14, 12.

Gaar.

‘het woord gaar, hetwelk inzonderheid gebezigd wordt van die gelukkige gevatheid, om zich in alle voorkomende aangelegenheden er door te redden.’ Sal. 3, 334. Vgl. rijp

Gedijen.

‘Spreekwoord: onregtvaardig goed gedijt niet.’ Sal. 8, 31.

Geheugen.

‘De vatbaarheid der ziel, waardoor men zich het vroeger opgemerkte, overdachte, of het gehoorde en gelezene, weder met zekere helderheid voor den geest kan brengen.’ Sal. 9, 6.

Gehoorsmaak.

‘Als de sprenkels van het fijnste zout onzen gehoorsmaak prikkelen.’ Sal. 4, 353.

Gek.

‘Er zijn zotten van allerlei soort, maar geene erger of dwazer dan twistgierige zotten. Het is daarom, dat in de taal onzer gemeenzame verkeering een ruziemaker, als bij uitsluiting of bij uitnemendheid, een gek genoemd wordt;

[p. 182]

terwijl wij het bijvoegelijk naamwoord narrig bezigen, om iemand van slecht humeur of bitse redenen uit te duiden.’ Sal. 5, 264. Vgl. narrig.

Geld.

‘ - geld hebben en rijk zijn, gelijkbeduidende spreekwijzen.’ Sal. 5, 131. Vgl. hebben.

Gelooven.

‘Iets op de getuigenis van anderen evenzeer voor waarachtig houden, als of wij het met onze eigene oogen gezien hadden.’ Sal. 3, 177. Leerr. 3, 293.

Vgl. Weil. Synon. 1, 85. Bruining Synon. 1, 235.

Geluk.

‘Om het denkbeeld van geluk aan te duiden, gebruiken wij in onze taal eene menigte van woorden, die elk eene bijzondere beteekenis hebben, maar die daardoor ook elk een afzonderlijk en meer bepaald bestanddeel (ingredient, als ik het dus noemen mag) des waren geluks te kennen geven. Het woord geluk stelt ons iemand voor den geest, wien zijne voornemens gelukt zijn, die in zijne wenschen geslaagd is.’ Sal. 2, 272.

Zie verder genoegen, heil, zalig. Vgl. Bruin. Synon. 2, 281 volg.

Gemak.

‘Iemand op zijn gemak zetten, iemand aangename dingen voorpraten, waarbij hij zich veilig en gelukkig waant te zijn; aan elk datgene te zeggen, wat hem meest behaagt en streelt.’ V. d. P. op Ezechiel 13, 18.

Genie.

‘Er is eene begaafdheid van den menschelijken geest, waarvoor nog in geene taal eene gepaste benaming is uitgevonden. Vindingrijk, oorspronkelijk vernuft noemen wij het, en drukken daardoor ten minste iets uit, terwijl het daarvoor gebruikelijk uitheemsch woord genie niets meer dan een klank behelst.’ Redv. 3, 55.

Vgl. Bild. v. genie en vernuft.

Geniezucht.

[p. 183]

‘Het zijn de middelbare verstanden, wier koelheid de hitte tempert, waardoor onbeperkte geniezucht alles zou dreigen te verschroeijen.’ Redv. 3, 149.

Genieten.

‘Ook in onze en andere talen is de figuurlijke zegswijze (overnoeming), waardoor de oorzaak in de plaats van het uitwerksel gesteld wordt, gebruikelijk, en zeggen wij van iemand, dat hij zijnen arbeid geniet, daardoor verstaande de vrucht van zijnen arbeid.’ Sal. 1, 134. Vgl. leven.

Genoegen.

‘Soort van geluk. Bij dit woord denkt men aan iemand, die genoeg heeft, en in redelijkheid niet meer heeft te begeeren.’ Sal. 2, 272. Vgl. geluk.

Geschiktheid.

‘Eene hebbelijkheid, om zich behoorlijk en met betamelijkheid naar zijne omstandigheden te voegen, bijkans in dien zin, waarin wij geschikt en zedig menigmaal te gelijk noemen.’ Sal. 1, 275.

Geven.

‘Men zegt, dat een boom rijkelijk geeft, d. i. rijkelijk vruchten draagt.’ Sal. 1, 192.

Gevoelkunde.

‘Aesthetica beteekent eigenlijk gevoelkunde. Latere wijsgeeren gebruiken deze benaming, om daarmede die wetenschap aan te duiden, waardoor men het schoone in deszelfs onderscheidene trappen in werken van vernuft en smaak leert onderscheiden en beoordeelen.’ Sal. 2, 177.

Gezondheid.

‘Die gesteldheid des ligchaams, wanneer het alle zijne natuurlijke werkzaamheden geregeld en onbelemmerd kan verrigten. Op gelijke wijze noemt men ook de geregelde en onbelemmerde werking der verstandelijke vermogens gezondheid des verstands.’ Redv. 3, 177.

Dus ook Huydec. Proeve 3, 329.

Gierigheid.

‘Het woord gierigheid wordt thans in een veel enger en

[p. 184]

bekrompener beduidenis gebezigd, dan het voormaals had; men verstaat er thans meestal door vrekheid, opeenstapeling van geld of schatten, zonder eenig genot of gebruik van dezelve te hebben. Doch de ware beteekenis des woords is veel uitgestrekter, en in den tijd, toen onze gewone overzetting vervaardigd werd, bezigde men het, om allerlei onmatige geldzucht aan te duiden, zoowel om daarmede pracht of weelde en overdaad bot te vieren, als om zich in schraapzucht toe te geven, of in bezit zonder genot zich te verheugen.’ Sal. 4, 126.

Vgl. YpeijTaalk. aanm. 29. Bruin. Synon. 1, 103 volg.

Glad.

‘Wij zouden in onze taal van gladde en effen vrolijkheid, zoo wel als van ruwen en scherpen kommer kunnen spreken.’ Sal. 1, 5.

Glorie.

‘En rondom hem was een luistervolle glans.’ Ezech. 1, 27. Ald. V. P. D. ‘Men moet dit verstaan, rondom zijn hoofd. Een glorie zegt men thans, een nimbus noemden het de Latijnen.’ Men zegt ook stralenkrans.

Goed.

‘Zich aan eenige weinige geregten te goed doen.’ Redv. 3, 130.

‘Hij is geen goed man.’ Z. kleinigheid.

‘In de Zwitsersche gebergten heeft men goed matig te zijn.’ Sal. 3, 320. Vgl. 7, 279. Gallicisme. On a bon d'étre sobre.

Graad.

Sommige familien schijnen door den naauwsten band aan elkander verknocht; anderen, gelijk men het wel eens noemt, een graad verder dan vreemd te wezen.’ Sal. 2, 47.

Graven.

‘En gij graaft tegen uwen vriend.’ Job 6, 27. Ald.V. d. P. ‘graven en grieven zijn ook in onze taal woorden van dezelfde afstamming.’

Grijzigheid.

Voor grijsheid. Leerr. 1, 80. V. d. P. ontleende zeker

[p. 185]

onwillekeurig dit w. uit de Statenoverzetting. Z. b. v Spreuk. 16, 31; 20, 29 en elders.

Groeijen.

‘Groeijen in eens anders leed.’ Sal. 5, 45. D. i. zich daarover verheugen. Vgl. Hooft, v. groeijing.

Haarfijn.

‘Haarfijn uitpluizen.’ Sal. 8, 268.

Men zegt ook wel haarklein, maar zeker minder juist.

Hak.

‘Tot hoe lang wankelt gij met verdeelde zinnen?’ 1Kon. 18, 21. V. d. P. ald. ‘In het Hebreeuwsch staat: hinkt gij op twee takken; welke beteekenis van het gevogelte ontleend schijnt, van den eenen tak op den anderen springende. Een gelijksoortig spreekwoord hebben wij: van den hak op den tak springen; waarin hak misschien wel kreupel- of hakhout, en tak voor hooger geboomte moet genomen worden.’

Wij stemmen toe, dat het spreekwoord van de vogels is ontleend, maar betwijfelen, of hak wel kreupel- of hakhout kan beteekenen, evenmin als tak op zich zelf het opgaand geboomte. Veeleer denken wij bij hak aan houweel of bijl, maar ook dan blijft de spreekwijze duister. Duidelijk echter is het, dat er gezinspeeld wordt op een wispelturig of ongestadig mensch. Schoon Tuinman dit spreekwoord niet heeft, verklaart hij het echter zeer goed 1, 370. ‘Hij springt van den os op den ezel. Dit zegt men van iemand, die op eene schielijke wijze van het een op het ander overgaat, gelijk de ekster van den eenen tak op den anderen huppelt. - Wij gebruiken het van ongestadigheid.’

Haastig.

‘Haastige menschen zijn geen verraders.’ Sal. 3, 193.

Hand.

‘Met hand en tand vasthouden. Ons spreekwoord komt in beteekenis met het Hebreeuwsch overeen, hetwelk ontleend is van het gedierte, dat met tand en klaauw zijne prooi vasthoudt.’ V. d. P. op Job 13, 14.

[p. 186]

Hand.

‘Beijver u zoo veel gij kunt.’ Spreuk. 6, 3. Ald. V. d. P. ‘Het schijnt, dat het Hebreeuwsche woord hetzelfde beteekent, als 't geen wij noemen handen en voeten roeren.’

‘Van hand tot hand blijft de booze niet ongestraft.’ Spreuk. 11, 21. Ald. V. d. P. ‘van hand tot hand beteekent in het tweede en derde geslacht, bijkans gelijk wij zeggen in de tweede en derde hand.’ Dit is door hem breeder ontwikkeld in zijnen Salomo 1, 417. ‘De spreekwijze hand aan hand wordt door onze overzetters in hunne zoogenoemde kantteekeningen zeer juist en voldoende verklaard, daar zij zeggen: dat is: van hand tot hand niet alleen van zijn eigen persoon, maar ook in zijne nakomelingen. Wij zeggen in de taal der gewone zamenleving, dat het goed van de eene hand in de andere, of in de tweede, derde, vierde hand komt, wanneer het niet slechts door verkoop, maar ook door erfenis van den een op den ander overgaat. Bij de Persianen wordt zelfs de spreekwijze van hand tot hand bijzonder van erfopvolging gebezigd.’

Wij voegen hierbij, dat men bij den handel ook spreekt van de eerste en tweede hand. De eerste hand is dan de zeehandelaar. Ook zegt men van eene nieuwstijding of gerucht, van een geschrift, ‘dat het van hand tot hand gaat,’ d. i. in omloop komt en verspreid wordt.

Hand over hand.

‘Met stillen gestadigen voortgang.’ Sal. 2, 421.

Hand. (vóór de hand) voorhands.’

‘De Hebreeuwen gebruiken de spreekwijze voor iemands aangezigt, of in iemands tegenwoordigheid in denzelfden zin als wij de woorden voor de hand of voorhands, d. i. in den beginne of voor het eerst.’ Sal. 3, 146.

Handen.

‘Ik wasch mijne handen in onschuld.’ Psalm 26, 6. Ald. V. d. P. ‘Dat dit eene zeer oude symbolische handeling was, blijkt uit Deuteron. 21, 6.’ Men vergel. ald. de kantteek.

[p. 187]

Deze zinnebeeldige handeling was ook bij andere volken in gebruik, zoo als uit de daad van Pilatus bij Matthaeus 27, 24 blijkt, op welke plaats De Groot dit in het breede heeft bewezen. In onze taal is deze spreekwijze overgenomen. Zijne handen van iets afwasschen beteekent, zich van iets afmaken of onttrekken, het laten varen, er verder geen deel aan nemen.

Hart.

‘Het hart is, volgens ons spraakgebruik, de zetel van het gevoelvermogen, van onze neigingen, gezindheden, begeerten. Als zoodanig onderscheiden wij het van het denkvermogen, en spreken van verstand en hart, wel niet als tegenstrijdige, maar nogtans als verschillende voorwerpen.’ Sal. 8, 161. Dus ook Weil. Synon. 1, 77.

Van den wijzen, openhartigen man zegt V. d. P.: ‘Hetgeen in zijn hart is, ligt daar niet als in een ondoorgrondelijken put; neen! hij brengt het zelf naar boven, zoodat, gelijk het gemeenzaam spreekwoord zegt, zijn hart op zijn tong schijnt te wezen.’ Sal. 6, 243.

‘Wij gebruiken ook menigmaal het woord hart, om dit zelfde denkbeeld van een hoogen trap van volkomenheid of echtheid aan den dag te leggen, wanneer wij van een door en door goed of braaf mensch zeggen: hij is goed, hij is braaf tot in zijn hart.’ Sal. 1, 67.

‘Spreekt naar het hart van Jerusalem.’ Jesaja 40, 2. Ald. V. d. P. ‘Ook wij zeggen: naar iemands hart spreken, voor: te zeggen, wat hem behaagt en hij gaarne hoort; doch deze spreekwijs is bij ons waarschijnlijk uit den bijbelstijl in de gewone taal overgegaan. Men vergel. Genes. 34, 3.’

Men leest aldaar in de Statenoverzetting ‘en spraek na het herte van de jonge dochter.’ De naive kantteekening luidt aldus: ‘Dat is, dat haar aangenaam en behaaglyk mocht wezen, om haar te vreden te stellen en te vertroosten, dewijl zij buiten twijfel over die onverwagte daat zeer ontstelt was. Zie dergelijke manier van spreken onder 50, 1. Richt. 19, 3. Jesaj. 40, 2 en Hoz 2: 13.’

[p. 188]

Hebben.

‘De weldadigheid des geringen moet zich met wenscher vergenoegen, hetgeen bijkans overeenkomt met ons spreekwoord: die niet heeft, geeft nogtans een zucht.’ Sal. 6, 171.

‘Geld hebben.’ Z. geld.

Hebben enbezitten verschillen anders. Z. Weil., Synon. 1, 359.

Hebzucht. Z. Baatzucht.

Heil.

‘Het woord heil, dat wel hetzelfde zal zijn als heel, geheel, schildert voor onze verbeelding het ongekrenkte, het ongestoorde van den waren gelukstaat.’ Sal. 2, 272. Vgl. geluk.

Even zoo Bild. v. heil en op Huyg. 2, 58. Z. ook Bruin. Synon. 1, 384. Weil. verschilt eenigzins in zijne Synon. 2, 241.

Hemelsch.

‘Wij noemen niet slechts in den gemeenzamen, maar ook in den deftigen stijl menigmaal iets hemelsch bij wijze van vergrooting, om daarmede iets zeer genoegelijks aan te duiden; en bij ons niet alleen, maar in bijkans alle talen is dezelfde spreekmanier aangenomen, die men naar den aard der zaak, waarvan gesproken wordt, flaauwer of sterker verklaren moet.’ Sal. 2, 432.

Prof. Heringa veroordeelt het gebruik van dit woord te streng in het Archief voor Ned. Taalk., 1, 14. Op gelijke wijze zoude men ook de woorden zalig, gelukzalig moeten afkeuren, die toch algemeen in omloop zijn. Vgl. zalig.

Hoed.

‘Om alles onder een hoed te vangen.’ Redv. 5, 323. D. i. om alles in eens zamen te vatten. Het schijnt beneden den deftigen stijl. V. d. P. noemt het zelf eene gemeenzame uitdrukking.

Van iemand, die bevreesd is en in het naauw zit, zegt men: ‘hij is onder een hoed te vangen.’

[p. 189]

Honigzeem.

‘De zuivere niet uitgeperste, maar uit de graten gelekte honig. Eigenlijk eene zamenvoeging van twee gelijkluidende woorden, want zeem beteekent ook honig. Van hier zeemleder, voor zacht leder, eigenlijk honigleder.’ Sal. 7, 374; 8, 171. Het w. komt ook in de Statenoverzetting voor, z. de Handl. van Dr. De Jager v. Vlg. V. Lelyveld op de Proeve van Huydecoper, 2, 201.

Hooren.

Voor behooren ‘indien hij wist hoe het hoorde.’ Redv. 3, 130. Vgl. Hooft, v.

Het w. is in de zamenleving zeer gebruikelijk.

Hoop.

‘Wanneer ik het denkbeeld, 'twelk in het woord hoop ligt opgesloten, zorgvuldig ontwikkele, en op het gewone spraakgebruik toepasse, dan komt het mij voor tweeledig te zijn, en ik meen eene tweeledige hoop te ontdekken: de eene, wanneer wij, in lijden en ongeval, ons opbeuren met de gedachte, dat het haast zal eindigen, en plaats maken voor wenschelijker omstandigheden: de andere, wanneer wij, ook buiten ongeluk of rampen, het bezit van zeker begeerlijk goed, met meerderen of minderen grond, ons beloven. In het laatste geval verschilt hopen en wenschen daarin, dat tot het eerste een zekere grond van verwachting vereischt wordt, die echter grooter, kleiner of geheel ingebeeld zijn kan, zonder dat daarom het denkbeeld van hoop verloren gaat. Bij voorbeeld, ik kan wenschen naar rijkdom, doch zonder eenig vooruitzigt, om ooit tot bezit er van te geraken; dit is en blijft een loutere wensch; maar ik heb rijke bloedverwanten, wier natuurlijke erfgenaam ik zijn moet; of ik heb zaken ondernomen, waarvan ik mij grove winsten voorspel, nu wordt mijn wensch dadelijke hoop, en blijft hoop, al was de grond van mijne verwachting zoo gering en beuzelachtig, dat een klein aandeel in eene geldloterij er het eenige wezen van uitmaakte.’ Sal. 1, 221.

Vgl. Weil, Synon. 2, 259.

[p. 190]

Indrinken.

‘De teugen der geleerdheid al loopende indrinken gelijk de hond uit den Nijl.’ Redv. 5, 240. Op eene andere plaats leest men met bijvoeging van het voegwoord als: ‘toejuichingen gretiglijk door de ooren als ingedronken.’ Sal. 5, 315. Teregt, want deze uitdrukking behoort aan de dichters. Zie de Proeve van Huydecoper 2, 176 volg. en 2, 292 volgg. Men vindt die reeds in het boek van Job 15, 16; 34, 7, en elders. Bekend is de verheven plaats van Horatius, Carm. 2, 13:

 
Pugnas et exactos tyrannos
 
Densum humeris bibit aure vulgus.

door Bilderdijk, met behoud van het woord, overgebragt, Krekelz. 1, 131:

 
En het drinkt met volle togen,
 
Oor en borst en vlammende oogen,
 
Stroomen van geheiligd vier.

Inhaligheid.

‘Verregaande hebzucht, die zich noch aan betamelijkheid, noch aan billijkheid, noch aan algemeene achting bekreunt.’ Sal. 5, 61. Vgl. baatzucht.

Kalmte.

‘Keer weder, ô mijn ziel, tot uwe ruste.’ Psalm 116, 7. Ald. V. d. P. ‘Wij zouden zeggen, tot uwe kalmte, waardoor een staat van aangename gerustheid, gelijk door het Hebreeuwsche woord te dezer plaatse, wordt uitgedrukt.’ Ook elders gebruikt V. d. P. dit woord: ‘gelijk twee tegengestelde krachten in de stoffelijke wereld de kalmte des evenwigts veroorzaken.’ Redv. 3, 107. ‘Ook de gezondheid des ligchaams is een staat van kalmte.’ Redv. 3, 198.

Fraai is door Weil. over dit woord gehandeld in de Synon. 1, 212.

Kam.

‘Hierom worden alle haastige lieden, gelijk men zegt, over eenen kam geschoren. Eene spreekwijs van de weverijen ontleend, even eng of ruim van schering.’ Sal. 7, 43.

[p. 191]

Kapittel.

‘Wel en wettig in onze taal opgenomen.’ Sal. 2, 172. Vgl. Bild. v.

Karakter.

‘Onder de woorden en spreekwijzen, die, te voren onbekend, dagelijks in gebruik raken, verschijnen en verdwijnen, en die wij meestal van onze naburen overnemen, behoort ook thans de uitdrukking, karakter te bezitten, karakter te vertoonen, een man van karakter te zijn; men bedoelt door dezelve, een vast karakter te bezitten, zich niet door elken geringen tegenstand van zijne gevoelens of voornemens te laten afbrengen.’ Sal. 3, 3. Vgl. 5, 173, en eene breede ontwikkeling Sal. 2, 130. V. d. P. bedoelt hier de Franschen, die zeggen: montrer, avoir du caractère. De Dictionnaire de l'Académie verklaart dit: avoir, montrer de la force d'âme, de la fermeté.’

Kasteel.

‘Kasteelen in de lucht bouwen. Spreekwoord, om de dwaasheid van hem aan te duiden, die gewoon is, zich met begoochelende hersenschimmen te verlustigen, en een gedroomd geluk zich te verwezentlijken.’ Sal. 2, 9.

Keeren.

‘Gemeenzaam spreekwoord in onze taal: beter half gekeerd dan heel gedwaald.’ Sal. 7, 303.

Kinderlijk.

‘De Mozaïsche gedenkstukken, die voor mij wel kinderlijk dat is, eenvoudig, treffend en bekoorlijk, maar geenszins kinderachtig zijn.’ Sal. 4, 211.

Dus ook Weil.Synon. 2, 306.

Kleinigheid.

‘In alle talen gebruikt men de figuur der verkleining (Litotes), waardoor men het mindere zegt, om het meerdere aan te duiden. Men gebruikt ze daar, waar men in hare bedoeling niet kan mistasten, en ze heeft dan eene bijzondere gevoelige en scherpe uitdrukking. Ook in onzen stijl heeft het somtijds meer kracht, van iemand te zeggen: hij is geen

[p. 192]

goed man, dan hem regtstreeks een deugniet te heeten.’ Sal. 4, 280. Vgl. Sal. 6, 29.

‘Wij noemen somtijds iets niet slecht, hetwelk wij voor uitstekend goed houden, en spreken van geene kleinigheid, wanneer wij eene zaak van groot gewigt bedoelen.’ Sal. 5, 253.

Het woord best wordt ook eveneens gebezigd, om het tegendeel aan te duiden. B. v. hij is geen beste, voor: hij is een slecht mensch. Van een zieke zegt men: hij is in geen besten toestand, voor, zeer ongunstig. In Gelderland en elders spreekt men van een heel beetje, voor: reeds veel, eenigen tijd. B. v. een heel beetje over twaalf beduidt, dat het reeds lang over twaalf ure is. Zie 't Taalk. Mag. van Dr. De Jager, 2, 417.

Kloekzinnigheid.

‘Een eenigzins verouderd woord, is hetzelfde als wij thans zouden zeggen: schranderheid, beleid, doorzigt in de zaken des gemeenen levens.’ Sal. 8, 261.

Koken.

‘Oudtijds was het woord koken onderscheiden van zoden, en beteekende ook bakken, zoo als uit koeken, koekjes blijken kan.’ V. d. P. op 2 Chron. 35, 13.

Vgl. Bild. op Huyg. 1, 40, en over het dichterlijk gebruik van dit w. de Proeve van Huydec. 2, 467.

Kommer.

V. d. P. beschrijft de verwelking eener plant door de beet van een worm en voegt er bij: ‘zoodanig is de natuur des kommers, van hetgeen wij verborgen verdriet of hartzeer noemen.’ Sal. 2, 313.

Koop.

‘Die als aanbrenger rondgaat, openbaart geheimen." Spreuk. 11, 13. Ald. V. d. P.: ‘Het Hebreeuwsche woord beteekent eigenlijk: met zijne waren rond en te koop loopen. Men moet er hier voornamelijk een nieuwsverteller, een stadskronijk door verstaan, van wien wij ook zeggen, dat hij allerlei nieuws te koop draagt.’ Elders, Sal. 247,

[p. 193]

‘een rondwandelende kronijk van allerlei nieuwigheden, inzonderheid van kwaad en ergerlijk nieuws.’

Kool.

‘Hij gluipt met zijn oog, is rusteloos met zijn voet, en wrijft met de vingers.’ Spreuk. 6, 13. Ald. V. d. P. ‘de rustelooze beweging der voeten, het zitten op heete kolen, zoo als wij zouden zeggen.’

Kop.

‘Gij hebt den mensch ons op den kop doen rijden’ Psalm 66, 12, Ald. V. d. P., ‘onze gemeenzame spreekwijze: iemand op het hoofd (op den kop) zitten, is misschien de beste uitlegging van dit gezegde.’

Korzelig.

‘Dit w. schijnt van steenkorrels of steengruis zijnen oorsprong te hebben. Anders ook kregelig.’ Sal. 6, 142.

Kracht.

‘Dit woord beteekent veel; eigenlijk sterkte, maar ook bloei, gezondheid, vaag des levens,’ Sal. 6, 428.

Krankzinnig.

‘In tegenovergestelden zin noemen wij iemand, wiens begrippen en oordeelvellingen geheel verward, ongeregeld en buitensporig zijn, krankzinnig, in welke benaming echter het woord krank den hoogsten, althans een zeer hoogen trap van ongesteldheid der redelijke vermogens te kennen geeft.’ Redv. 3, 177.

Evenzoo Weil. Synon. 2, 133: ‘krankzinnig en zinneloos duiden het geheel gemis van verstand en zinnen aan.’ Later echter schijnt hij aan het eerste woord eene minder sterke beteekenis toe te kennen. Bruin. Synon. 2, 148 neemt het in de eerste sterkere beteekenis. Wij gelooven teregt.

Krenken.

‘Ons Nederduitsch woord krenken beteekent hetzelfde als krank maken, niet slechts in den zin van verzwakken, maar ook van al het lijden, de smart en het verdriet, die met den ziekenstaat verbonden zijn,’ Sal. 2, 430.

[p. 194]

Weil. Synon. 1, 274, ‘krenken geeft nevens de beleediging het smartelijk gevoel te kennen, hetwelk zij voortbrengt.’ Vgl. Bruin. Synon. 2, 88.

Kruipen.

‘ - wiens bloed met tragen gang door de aderen kruipt.’ Sal. 7, 126.

Bekend is ons gemeenzaam spreekwoord: het bloed kruipt, waar het niet gaan kan.

Kuipen.

‘De waarheid, dat iemand, die met slinksche streken omgaat, hoe listig hij ook zijne zaken weet te besteken, echter dikwijls op de grievendste wijze wordt te leur gesteld; deze waarheid kan op menigvuldige wijzen goed uitgedrukt en krachtig voorgesteld worden; maar zou deze voorstelling, door het gebruik van woorden, wier eigenlijke, zoo wel als overdragtige zin elkander juist beantwoordt, niet in bevalligheid en schoonheid winnen, wanneer men b. v. zeide: de grootste meester in het kuipen ziet menigmaal zijn werk in duigen vallen?’ Sal. 1, 5.

Kunstelen.

V. d. P. keurt dit w. als Germanisme af in zijnen Sal. 5, 44. ‘Zoo gebruiken wij ook al het woord kunstelen, hetwelk naar zijnen vorm, of een frequentativum van het werkwoord kunsten, of van het naamwoord kunstel zoude moeten afgeleid worden. Maar noch het een noch het ander bestaat in onze taal.’

Dr. De Jager veroordeelde het w. als een Germanisme in zijne Proeve der werkw. v. herhal. en d. 43, doch kwam later hiervan terug, en erkent, dat het w. in de laatste jaren bij ons in zwang is geraakt in de beteekenis van onnoodige, beuzelachtige of valsche kunst aanbrengen; hij beroept zich op het gezag van Wiselius en van Bilderdijk, bij wien ongekunsteld en onverkunsteld voorkomt. Z. zijne Proeve over den invloed van Bilderdijk 129.

Kwaad.

‘ - gemeenzaam spreekwoord: het kwaad loont zijn

[p. 195]

meester.’ Sal. 7, 333. Vgl. Sal. 5, 396. ‘Door eene wijze schikking der natuur is het alzoo verordend, dat ieder kwaad zijnen meester straft.’

De kantteek. op den Statenbijbel heeft: ‘Gelijck men gemeenlick seyt, onrecht slaet sijn eygen meester, volgens de aanwijzing van Dr. De Jager in zijne Lat. Verscheid. 419. Vgl. Werk.

Kwast.

‘Het oud Hollandsch spreekwoord zegt: voor een harden kwast voegt een scherpe beitel, - zachte geneesmiddelen doen niets dan het kwaad verergeren.’ Sal. 6, 147.

Onze kantteekenaars hebben hiervan deze variant: ‘Men seyt gemeynlick, harde slagen leeren wel, ende tot een harden noest moet men een scherpen beytel gebruycken.’ Volgens de aanwijzing van Dr. De Jager in zijne Lat. Verscheid. 420.

Laatdunkendheid.

‘Het is het beeld der grofste zelfmiskenning, of liever de dwaze partijdige zelfbeoordeeling; het is de bewustheid van gebreken en onvolkomenheden te verdooven en te verdrukken door buitensporige hoogschatting van eigen verdiensten.’ Redv. 4, 170.

Nagenoeg aldus Weiland Synon. 2, 149 en Bruin. Synon. 1, 218. Vgl. de Proeve van Huydec. 2, 531.

Leppen.

‘Voor gelaafd worden staat in het oorspronkelijke: met kleine teugen drinken, leppen, gelijk wanneer men iets regt genoegelijk smaken wil.’ V. d. P. op Jesaja 66, 11.

Letter.

‘Het spreekwoord, dat men somtijds van bespiegelende voorstellingen gebruikt, laat zich ook op zedelijke berispingswaardige daden toepassen, dat er geen ketter is zonder letter.’ Sal. 4, 123.

Letterkunde.

Dit woord drukt een zeer onbepaald denkbeeld uit. Er is

[p. 196]

eene geleerde en eene fraaije letterkunde. Deze heeft weder hare onderscheidene vakken, dicht- en redekunst. De eerste heeft hare verschillende dichtsoorten, de andere omvat den ganschen prozastijl. Zoo wel de redenaar als elk bevallig schrijver moet voor beoefenaar der redekunst gehouden worden, want de welsprekendheid, in haren ganschen omvang genomen, is aan allen gemeen. Zie Redv. 4, 153.

Leven.

‘Het woord leven heeft, behalve deszelfs eigene, ook nog de overdragtelijke beteekenis van vreugde, heil en geluk. Wij zeggen van iemand, die van verdriet ontheven, of tot zeker merkelijk geluk is gekomen: nu zal hij beginnen te leven.’ Sal. 1, 134. Z. ook dood en genieten.

Levensweg.

‘Elk mensch bewandelt van zijne wieg af tot aan zijn graf een zekeren weg. Die weg is zijn levensloop. - Ziedaar de Bijbelsche voorstelling zoo natuurlijk en schoon, dat ze in bijkans alle talen en bij alle volken is overgenomen.’ Sal. 6,380.

Lommer.

Dit w. beteekent de schaduw der boombladeren, z. Kiliaan. Plaatsen uit Vondel gaf Kluit in de aanteek. op de Geslachtlijst van Hoogstraten in v. Later wordt het dikwijls verkeerdelijk voor de bladen zelve genomen, ook nu en dan door V. d. P. Zie b. v. 3 VI t. 11, ‘boom met breede takken en schaduwrijke lommer.’ Sal. 1, 94, ‘onder deze lommer.’ Eene andere plaats uit den Bijb. v. d. J. 1, 120 is door den Heer Oudemans aangewezen in het Magaz. v. Nederl. Taalk. 2, 230 1). Men zoude dan met hetzelfde regt onder het zonlicht kunnen zeggen. Juister spreekt V. d. P. Leerr. 2, 276 van lommerlooze woestijnen.

[p. 197]

Luchtvormig.

‘Luchtvormige gedaante.’ Bijb. v. d. J. 1, 20. Dit wordt door den Heer Oudemans afgekeurd, omdat aan luchtsoorten geene gedaante kan worden toegekend. Z. Magaz, v. Nederl. Taalk. 2, 69. Wij gelooven, dat deze aanmerking in het algemeen juist is, en beter het woord nevelachtig ware gebezigd. Eene gedaante, welke geene bepaalde of scherpe omtrekken bezit, maar die telkens vervloeijen of veranderen, gelijk de gedaante der wolken en nevels. Zulke zijn de luchtgeesten van Ossian. Vermoedelijk bedoelde V. d. P. zoodanig eene, en welligt dacht hij aan de geestverschijning van Elifaz bij Job 4, 15.

Lui en lekker.

‘De vadsige ledigganger is zelden matig; lui en lekker zijn twee woorden, die wij in onzen gemeenzamen spreektrant dikwijls bijeenvoegen; en inderdaad dezelfde loomheid van aard, die aan de ledigheid voedsel geeft, schijnt ook den buitensporigen smaak voor grove zinnelijke genietingen mede te brengen.’ Sal. 2, 369.

Maat.

‘Het (de Hebreeuwsche maat Epha) komt mij voor, somtijds als een algemeen (generiek) woord gebezigd te zijn, even gelijk wij ons woord maat gebruiken, om allerlei soort van groote en kleine maten aan te duiden. Een maat koren en een maat meelbloem bevat niet dezelfde hoeveelheid.’ Sal. 4, 278.

Mantel.

‘Liefde bedekt alle misdrijven.’ Spreuk. 10, 12. V. d. P. ald.: ‘De Hebreeuwsche uitdrukking zegt een kleed er over heen spreiden, hetgeen wij noemen: met den mantel der liefde bedekken.’ Evenzoo Sal. 1, 99. Kan de daad van Noachs zonen, Gen. 9, 23, ook aanleiding tot deze spreekwijze gegeven hebben?

Menschenkennis.

‘De kennis van de verschillende karakters dergenen met wie wij omgaan, of in eenige verbindtenis staan, is hetgeen

[p. 198]

wij in den waren zin des woords menschenkennis noemen. Men moet dezelve niet verwarren met algemeene menschkunde, die de wijsgeer zich in zijn boekvertrek kan eigen maken.’ Sal. 2, 133.

Menschelijkheid.

V. d. P. Leerr. 3, 26 stelt dit w. gelijk met menschlievendheid. Onjuist gebruikt hij het hier en daar voor het collective menschheid, b. v. 4 VIt. 221: ‘de groote belangen der menschelijkheid.’ Sal. l, 145: ‘jaarboeken der menschelijkheid.’

Middelmatig.

‘Men kan het woord middelmatig in twee verschillende beteekenissen gebruiken, de eene bij uitstek gunstig, de andere bij uitnemenheid ongunstig. Bij de eerste denken wij aan die gulden middelmaat, die alle schadelijke uitersten, ter eene of ter andere zijde voorzigtig ontwijkt. Volgens de andere beteekenis verstaat men er een zonderling iets door, moeijelijk te beschrijven, dat noch goed noch slecht is, dat ook eenigermate gelijkt naar hetgeen noch koud noch heet, maar, flaauw en laauw, en niet verre af is van walging te veroorzaken.’ Redv. 3, 141 volg.

Naberouw.

‘Zulk berouw, dat niet eerder komt, dan wanneer de gevolgen van het bedreven kwaad niet meer af te wenden en onherstelbaar zijn, noemen wij in onze taal, die zoo rijk is aan kiesche uitdrukkingen van onderscheiden aan elkander verwante denkbeelden, naberouw.’ Sal. 8, 180. Dus ook Weil. Synon. 2, 465.

Narrig.

‘Iemand van slecht humeur en bitse redenen.’ Sal. 5, 264. Vgl. gek.

Narrig zegt men thans voor arrig (d. i. gramstorig), hetgeen niet meer verstaanbaar zoude zijn.’ Bilderd. Verhand. bl. 208. Vgl.Weil. v. Arre.

Natuur.

‘Natuur, in dien zin, waarin wij dat woord gebruiken,

[p. 199]

om aan te duiden hetgeen kunsteloos, ongemaakt en onopgesmukt is; eenvoudige ware natuur was het kenmerk van alle zijne woorden en handelingen.’ Leerr. l, 18.

Nederdrukken.

‘Wij gebruiken nederdrukken en opbeuren niet slechts van ligchamelijke voorwerpen, maar vooral ook van eene treurige of blijmoedige geestgesteldheid. Verdriet en droefheid noemen wij druk; dus is het in bijkans alle talen gelegen: inderdaad in alles, wat de natuur der menschelijke gewaarwordingen betreft, kan het taaleigen der volken aan geene groote verscheidenheid onderworpen zijn.’ Sal. 2, 310.

Nijd.

‘Nijd is niets anders dan verdriet over het geluk van een ander.’ Sal. 3, 293.

Dus ook Weil. Synon. 1, 109.

Onbezorgdheid.

‘Er zijn geen twee woorden in klank en afleiding aan elkander verwant, wier beteekenis zoo hemelsbreed verschillend is, als onbezorgdheid en zorgeloosheid.’ 7 Xt. 271.

Onlust.

‘Elke stand heeft zijne genoegens en onlusten.’ Redv. 4, 370. Bekend is de formule in de oude koopcontracten ‘met lusten en lasten.’ Vroeger gebruikte men meer dan thans het enkelvoudige onlust. Men vindt het b. v. bij Hooft en Cats. Z. zijne novelle Onlust midden in de lust. Weil. merkt ook aan, dat het bijna niet meer anders dan in het meervoud wordt gebezigd, z. Synon. 1, 309.

Ontginning.

‘In onze anders zoo rijke taal ontbreekt ons een woord, om het Latijnsche novellatio, het Fransche defrichement uit te drukken. Ontginning is daarvoor wel goed en eigenaardig, maar niet genoeg van algemeen gebruik, noch in die beteekenis aan een ieder bekend. Uit dit alles blijkt, dat de zaak zelve, het tot cultuur brengen van woeste gronden, in ons land later in zwang geraakt is, en ook nu alle aanmoediging en ondersteuning noodig heeft.’ Sal. 7, 38.

[p. 200]

Dit schreef V. d. P. omstreeks 1814. Nu zoude hij het niet meer doen , daar het woord en de zaak van algemeene bekendheid en gebruik zijn.

Ontstaan.

‘Of wanneer hem dit ontstaat.’ 5 Xt. 251. Zie Hooft, Weiland. Bilderdijk op Hooft bl. 251 wil onstaan schrijven, ter onderscheiding van ontstaan in den zin van worden, maar vgl. de Proeve op Bild. van Dr. De Jager 210, en meerdere voorbeelden uit oude schrijvers bij Dr. Bisschop in het N. Archief van Dr. De Jager l, 195.

Ontvouwen.

Van de zon: ‘maar oefent slechts deszelfs ingeschapen kracht uit op andere voorwerpen, of ontvouwt ze onder verschillende omstandigheden.’ 1 Xt. 116.

Weiland beweert, dat dit w. niet voor ontwikkelen kan gebruikt worden, z. zijne Synon. 3, 11.

Oog.

‘Kom, laat ons elkander in het aangezigt zien.’ 2 Koning. 14, 8. V. d. P. aldaar: ‘eene uitdaging, om een oorlogskans met elkander te wagen; wij zouden zeggen: laat ons elkander onder de oogen zien.’

Oogappel.

‘Ook in andere talen is het gebruikelijk, iets, hetwelk overdierbaar is, en welks bezit men met de meeste zorgvuldigheid gadeslaat en bewaart, zijn oogappel te noemen.’ Sal. 8, 237. Dus ook op Spreuk. 7, 2.

V. d. Palm had hier zeker voor den geest het Latijnsche oculum esse alicui, in oculis esse, in oculis ferre, gestare.

Bij de oude Schrijvers komt de spreekwijze, iemand meer dan zijne oogen te beminnen, dikwijls voor. Men zie de Adagia van Erasmus en anderen p. 48 der uitgave van Wechel 1643. Vgl. Doering op Catullus 3, 5 en vele anderen. Het bevreemdt ons, dat V. d. P. behalve in de gemelde aanteek. op Spreuk. 7, 2, nergens hierover iets heeft. Immers vinden wij deze spreekwijze al in het lied van Mo-

[p. 201]

zes Deuteron. 32, 10: ‘Hij bewaerde hem als sijnen oogenappel.’ De kantteek. heeft daar: ‘Als de menschen hunnen oogappel, die zeer teder is, naerstig plegen te bewaren. Z. Ps. 17. 8; Zach., 2, 8. Vergel. Spreuk. 7, 2.’

Opvoeren.

Wanneer zijn opregte dienaar in ouderdom, gelijk Elifaz zegt, ten grave komt, gelijk de rijpe korenschoof in des landmans schuur wordt opgevoerd.’ Sal. 1, 218.

V. d. P. breidt hier eenigzins uit het gezegde van Elifaz bij Job 5, 26, met behoud van het eigenaardige woord opvoeren (waarover z. de kantteek. ald.), dat hij echter in zijne overzetting niet heeft. Andermaal zinspeelde hij op die plaats van Job in de Redv. 4, 325: ‘- en die niet van ons worden weggenomen, dan toen zij als rijpe garven in de voorraadschuur der eeuwigheid werden opgevoerd.’ Vgl. Redv. 1, 271.

Over.

‘Over vier dagen was ik vastende.’ Handel. 10, 30. Evenzoo de Statenoverzetting, in welke het ook elders voorkomt. Het werd vroeger van den voorleden tijd gebezigd, volgens Bilderd. in zijne Spraakleer 247: ‘Over had oudtijds de beteekenis van voor, en werd daarmede verwisseld.’ Ypeij in zijne Aanmerk. 75 en Dr. De Jager in zijne Handleid. 83 hebben zich over deze beteekenis niet uitgelaten. De Hr. Oudemans verklaart hieruit teregt de woorden overgrootvader en overgrootmoeder, z. Mag. V. Nederl. Taalk. 1, 112. Vgl. Bruin. Synon. 1, 26. In onze spreektaal, vooral in Noordholland, wordt over dus veel gebruikt, welligt minder elders, z. Dr. Nassau in het gemeld Magazijn, 1, 75.

Overheen.

‘Het middendenkbeeld is dat van buitensporigheid, of hetgeen wij in den gemeenzamen toon der zamenleving gewoon zijn te zeggen, dat het er over heen gaat, dat alle maat te buiten gaat.’ Sal. 2, 3.

‘In de gemeenzame taal zeggen wij somtijds: het gaat er over heen, om den hoogsten trap van verkeerdheid of

[p. 202]

boosheid, die niet langer te dulden is, aan te duiden.’ Sal. 7, 229.

Deze spreekwijze is welligt ontleend van een glas of voorwerp, geschikt om vocht te bevatten. Hiermede schijnt in verband te staan ons spreekwoord: de laatste druppel doet den emmer overloopen.

Overwegen.

‘Indien iemand zich ergert aan het woord wegen, toegepast op een voetspoor, dat eigenlijk niet vatbaar is, om gewogen te worden, die bedenke, dat er in alle talen vele overdragtige spreekwijzen zijn, die door menigvuldig gebruik het burgerregt van eigenlijke verkregen hebben, zoodat daarin het teeken met de beteekende zaak in elkander reeds als versmolten zijn. Hebben wij niet in onze taal een sprekend voorbeeld van hetzelfde, dat wij hier aantreffen? Want wat is overwegen anders dan herhaaldelijk wegen, wegen en nogmaals wegen? men behoeft den klemtoon slechts te veranderen en dien op over te plaatsen, om het terstond te gevoelen; en wien zou het ergeren, wanneer men las: overweeg, welk spoor gij te kiezen hebt.’ Sal. 8, 166. Vgl. Weil. Synon. l, 300.

Overwinnen.

‘Gelijk wij in onze dagelijksche taal, wanneer wij iets, na strijd en moeite, zijn te boven gekomen, zeggen: dat wij het overwonnen hebben.’ 5 VIt., 24.

Pak.

Van de pligtsbetrachting: ‘maar hij, die het deed en er zich niet aan onttrok, al zeeg hij somtijds ademloos bij de pakken neder.’ 6 Xt. 188.

Deze spreekwijze is ook in de gemeenzame taal zeer gebruikelijk. Men zegt: bij de pakken nederzitten, van iemand, die uit moedeloosheid zijne zaken verwaarloost. De uitdrukking is vermoedelijk van lastdieren ontleend.

Redenares.

Sal. 8, 45. Uitvinderes, ald. 261. Leerares, l Timoth. 2, 12. Dwingelandes, Leerr. 2, 39. In de vertaling van

[p. 203]

het O. T. bezigt V. d. P. meermalen dezen uitgang, maar bleef zich hieren niet gelijk. Zoo heeft hij Ezech. 23, 45 overspeelster en bloedvergieteresse; Jesaja 57, 3 wichelaresse; Jeremia 46, 77 en 48, 19 inwoneresse. Daarentegen 1 Sam. 8, 13 reukbereidster; Ezech. 16, 38 bloedvergietster. Prof. Siegenbeek keurde in zijne Lijst v. aanleggeres, dezen uitgang, zoo het schijnt, af, en verkiest aanlegster, even als verkoopster, uitdraagster. Evenwel is zangeres, dichteres, lezeres bij ons aangenomen, en bij V. d. P. voorhande, b. v. 2 Chron. 35, 25; Nehem. 7, 67 en elders in zijne werken. Het w. gedaagdesse wordt door Prof. Siegenb. mede afgekeurd als niet aan beide geslachten eigen, zoo als andere, b. v. beschuldigde. De oude uitgang was se of ssche, welke laatste in onzen Statenbijbel dikwijls voorkomt, alsmede bij Hooft en Vondel. Z. de Handleid. van Dr. De Jager, v Apothekeresse, aan wien wij de aanwijzing der plaatsen uit het O. T., door ons in de vertaling van V. d. P. nageslagen, verschuldigd zijn. Onlangs heeft dezelfde taalgeleerde weder over dese vorming gehandeld in zijne Latere Verscheid. 219. In Friesland hoort men nog Apothekersche.

Reuk.

‘Wij zeggen van iemand, die niet veel achting heeft bij anderen: hij is in een kwaden reuk; terwijl men iemands karakter een blaam aan te dichten, noemen kan: hem in een kwaden reukte brengen.’ Sal. 2, 377. Vgl. stinken.

Rijp.

‘Het woord rijpheid wordt van de oorspronkelijke beteekenis overgebragt tot rijpheid der kennis en der ervaring, tot rijpheid van raad en van uitvoering, en eindelijk tot den gunstigen uitslag, die doorgaans de pogingen van welberaden menschen kenmerkt. Een goed staatsdienaar moet een man van rijpen rade zijn, wiens doorzigt hem nimmer verlegen laat. Wij gebruiken ook het woord rijp in dezen zelfden zin, gelijk uit de straks aangehaalde spreekwijzen kan blijken.’ Sal. 3, 333, Vgl. gaar.

[p. 204]

Rillen.

‘Van koude rillen.’ Sal. 4, 349. ‘Het rilt ons door de aderen.’ Leerr. 3, 162. Vgl. 2, 236.

Rillen wordt eigenlijk van de koorts gezegd. Z. Bilderd. v. ree, rede. Rede beteekende koorts. Volgens Weil. Synon. l, 388 drukt het w. een trillen of ligtelijk beven uit door vermindering van dierlijke warmte, en het wordt, even als sidderen, van levende en gevoelige wezens uitsluitend gebruikt.

Roede.

‘In den zin van stok, gelijk men b. v. zegt eene meetroede, waarvan ook roede, voor eene zekere maat gebezigd, zijne beteekenis ontleent.’ Sal. 7, 384.

Roer.

‘Die de wereld in roer hebben gezet.’ Handel. 17, 6. Meer gebruikelijk is in rep en roer, zoo als men vindt in de Leerr. 2, 202.

Rust.

‘Rust beteekent allerlei voorspoed, inzonderheid na doorgestane smart en kommer.’ V. d. P. op Ruth l, 9.

‘Tuchtig uwen zoon, zoo zal hij u ruste geven.’ Spreuk. 29, 17. Ald. V. d. P. ‘Rust is hier het tegengestelde van de zorg en bekommernis, die men lijdt van ontaarde kinderen; rust bekleedt dikwijls de plaats van het zoetste levensgenot.’

Fraai heeft V. d. P. over dit w. het volgende Sal. 4, 50. ‘Er is geen schat zoo groot als rust, en er is geen woord zoo uitgestrekt van beteekenis, als het woord rust. De aangename gewaarwording, die wij gevoelen, als wij een vermoeijenden arbeid hebben afgedaan, en de lang gerekte spieren en vezels zich langzamerhand ontspannen, noemen wij rust. Den slaap, die door geene angstige droomen is gestoord, waaruit wij verkwikt, vrolijk en frisch ontwaken, noemen wij rust. Als wij door vrees en zorgen gekweld waren, en de oorzaak onzer bekommernissen is opgehouden, dan zeggen wij, dat wij tot rust geraken. Als twist en

[p. 205]

vijandschap onze dagen verbitterd heeft, en wij zien de fakkel der tweedragt eindelijk uitgedoofd, dan noemen wij de zoete herstelde eendragt rust. Als onze driften sluimeren en wij tevreden zijn met ons lot, dan noemen wij deze onuitsprekelijke, zalige kalmte des gemoeds rust.’

Rustig.

‘Dit woord heeft, behalve de gewone beteekenis van onbeschroomd en welbesloten, die van gerust en ongestoord.’ Sal. 1, 76.

Schadevreugd.

‘De rede, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is, omdat wij bij de uiteenzetting dezer zamenstelling, niet zeggen kunnen, vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom is ook het thans gebruikelijke leedvermaak af te keuren. De billijke klagt over Germanismen in onzen hedendaagschen stijl zoude onbillijk zijn, indien wij alleen de goede voorbeelden onzer naburen, en niet voornamelijk de slechte volgden.’ Sal. 5, 44.

Schande.

‘Schande, die men lijdt, of die men anderen doet ondergaan. De eerste of lijdelijke beteekenis schijnt aan het woord schande meer bijzonder eigen.’ Sal. l, 266. Vgl. versmading.

Slecht.

‘Bij onze Overzetters beteekende dit woord eenvoudig, onnoozel, dat met den aard des woords veel meer overeenkomt dan de latere beteekenis. Slecht beteekent effen; slechten is, met den grond gelijk maken; een geschil beslechten, is hetzelve vereffenen. De zeelieden spreken van slecht water, en noemen eene kalme zee een slechte zee; en eindelijk ons spreekwoord: slecht en regt geeft ook niet anders te kennen dan eenvoudig en opregt. Doch het woord slecht, in den zin van eenvoudig, onnoozel gebezigd, heeft eene gunstiger of ongunstiger beduidenis. Het kan eene goede hoedanigheid zijn;

[p. 206]

het of staat tegen over slim en doortrapt, of tegen schrander en bedachtzaam. In zijne ongunstige beduidenis beteekent het wat wij nog heden ten dage een slechthoofd noemen.’ Sal. 3, 172. Dus ook op Psalm 116, 6, en op Spreuk. l, 22.

Vgl. Hooft. Over dit w. hebben wijders uitvoerig gehandeld Ypeij Taalk. aanm. 96, Dr. De Jager in zijne Proeve over de werkw. van herh. 196 volg. en in zijne Handl. 97. Vgl. zijne Latere Verscheid. 351.

Slinksch.

‘Slinksche wegen in te slaan beduidt ook bij ons, zich van bedrog en valschheid te bedienen, om tot zijn oogmerk te geraken.’ Sal. 6, 2.

Somtijds.

‘Dit woord beteekent ook bijgeval, misschien.’ V. d. P. op Matth. 4, 6.

Volgens Bruin. Synon. 2, 194, heeft het ook de beteekenis van op eenigen tijd, zonder eenig tijdstip te bepalen, en veel overeenkomst met nu en dan.

Spel.

‘ - niet, dat heersch- en staatszucht hier geen schoon spel vonden….’

Gallicisme, avoir beau jeu.

Spelen.

‘Kwaad doen is voor den dwazen spel.’ Spreuk. 10, 23. Ald. V. d. P. ‘Deze spreuk schijnt te handelen over de kracht der gewoonte, waardoor men iets, gelijk wij zeggen, al spelende doet, zonder er over te denken, zonder er zich over te bekommeren.’

Eene breedere verklaring vindt men Sal. l, 184, ‘iets zonder merkbare inspanning met zekere gemakkelijkheid en alsof het eene uitspanning ware, verrigten, juist gelijk wij gewoon zijn met zulke dingen om te gaan, die eene dagelijksche gewoonte ons ligt gemaakt heeft, zoodat wij ze al spelende, of gelijk wij ook zeggen, al slapende en droomende kunnen uitvoeren.

[p. 207]

Stinken.

‘Stinken van kwalijk geplaatste hoogheid. Eene bekende uitdrukking in onze moedertaal geeft ons van dien onaangenamen indruk een zeer levendig denkbeeld, door denzelven te vergelijken met de gewaarwording van een onaangenamen en walgelijken reuk, waarvan wij ons, zoo ver wij kunnen, verwijderen, daar wij gewoon zijn van een trotschen te zeggen: hij stinkt van hoogmoed.’ Sal. 1, 271. Vgl. reuk.

Men zegh ook, zich stinkend maken, welke spreekwijze ook in onze Bijbeloverzetting meermalen voorkomt. B. v. Genes. 34, 30, alwaar andere plaatsen in de kantteekening worden aangehaald.

Strijken.

‘Wij gebruiken het woord strijken in den zin van vleijen, gelijk uit pluimstrijken blijken kan; maar inzonderheid geven wij deze beteekenis aan het woord strooken, dat met streelen overeenkomt.’ Sal. 3, 355.

Het Latijnsche mulcere, demulcere heeft dezelfde beteekenis.

Terugwerking.

‘Het nieuw uitgevonden zachtere woord terugwerking kan de ijsselijkheid der rampen niet verbloemen, die met de zaak daardoor uitgedrukt gepaard gaan.’ Redv. 4, 227.

Tienheid.

Het meervoudige tienheden, even als honderdheden, duizendheden, afgekeurd door V. d. P. Z. Redv. 5, 297.

Toeverzigt.

‘Het volkomenste toeverzigt heeft de plaats des argwaans ingenomen.’ Leerr. 3, 296.

Verkeerdelijk voor vertrouwen. Het w. is als Germanisme afgekeurd door Prof. Siegenbeek v. Vgl. Dr. De Jager in zijne Proeve over Bilderd. 110, en den Heer Oudemans in het Magaz. v. Ned. Taalk. 2, 236.

Twist.

‘Men gunne mij het woord twist in het vrouwelijk geslacht te bezigen, gelijk de analogie vordert. Het is zeer

[p. 208]

ongemakkelijk, dat het gebruik sommige woorden van dezen uitgang mannelijk heeft gemaakt, b. v. dienst, en dus ook Godsdienst; de buiging van den tweeden naamval wordt daardoor bijkans onmogelijk.’ Sal. 5, 3. Dit schreef V. D. Palm in 1811 (D. 4 der eerste uitgave). Het is bekend, dat Bilderdijk later (1818) in zijne Verhandeling over de geslachten bl. 88 aantoonde, dat de woorden op st uitgaande vrouwelijk zijn, en dat Prof. Siegenbeek in zijne Taalkundige bedenkingen, (Haarl. 1827) bl. 24 volg., zich hiermede heeft vereenigd 1). Naderhand is het woord nog wel eens ter spraak gekomen.

Uitbeelding.

‘In zijne ziel alleen kon de gedachte die kleur en uitbeelding ontvangen.’ Redv. 3, 79.

Germanisme, ook veroordeeld door den Heer Oudemans, Taalk. Magaz. 2, 242, die nog wel eene andere plaats aanhaalt. Evenwel zegt men afbeelden, verbeelden.

Uitgezochtheid.

‘Keus en uitgezochtheid.’ [van woorden] Redv. 3, 131.

Vermoedelijk is dit woord van het Latijnsche exquisitus ontleend, dat zoo dikwijls bij Cicero voorkomt.

Uitoefenen.

‘Wraak uitoefenen.’ Bijb. v. d. J. l, 158. Dit w. wordt in bescherming genomen door den Heer Oudemans in 't Magaz. v. Nederl. taalk. l, 239, maar is vroeger veroordeeld door Prof. Siegenbeek in zijne Lijst v.

Uitsporen.

‘Hij zelf zoekt ze gretig op en spoort ze vlijtig uit.’ Sal.

[p. 209]

8, 55. Redv. 2, 281. Het schijnt een Germanisme. Uitsporig vindt men in de Leerr. 1, 277, dat ook bij Weil. voorkomt.

Uitsteken.

‘Goede wijn zegt het oude spreekwoord heeft geen uitgestoken krans noodig.’ Redv. 4, 67.

V. d. P. had hier zeker het Latijnsche spreekwoord voor den geest ‘vino vendibili suspensa hedera nihil opus.’

Uitvisschen.

‘Zoekende iets uit zijne mond op te speuren.’ Lucas 11, 54. V. d. P. ald. ‘Het woord is van de jagt ontleend; wij zouden in zulken zin zeggen: uit te visschen.’

Het Latijn heeft expiscari, zoo als mede door V. D. P. is opgemerkt, Sal. 6, 237. Weil. in zijne Synon. 3, 207 zegt: ‘het woord duidt aan, dat men daarbij op eene slinksche wijze te werk gaat.’

Uitzamelen.

‘Zij zullen uit zijn Koningrijk uitzamelen alle ergernissen.’ Matth. 13, 41, d. i. uitwerpen. Wij hebben dit w. elders niet gevonden. Onze overzetting heeft aldaar, volgens den grondtekst, vergaderen, en vs. 30 en 48 uitwerpen, afzonderen, alwaar V. d. P. heeft uitzoeken, vergaderen.

Vatten.

‘In een rotsigen grond heeft hij gevat’ Job 8, 17, van eene plant. V. d. P. ald. ‘Het Hebr. woord komt hier volkomen overeen met ons taalgebruik, waarin vatten ook gebezigd wordt van gewassen, die wortelen schieten.’

Verdorren.

‘Verdord van takken, verwelkt van bladen.’ Redv. 2, 240.

Het woord verwelkt schijnt hier minder juist en eigenaardig gebezigd. Wij meenen, dat het w. verdorren van bladen gebruikelijk is; het komt b. v. dus voor in de Sterrenhemel van V. Alphen:

''t Verdorde blaadje schuifelt niet.'

Planten en bloemen verwelken, verleppen, verflensen. Juister drukt V. d. P. zich uit in Sal. 2 , 312.

[p. 210]

‘Zie deze edele plant, hare bloesems verwelken, hare bladen hangen slap en krachteloos neder,’ en Leerr. 2, 105 heeft hij ‘onverwelkbare planten.’

Vgl. Weil. Synon. 3, 255.

Verscheidenheid.

‘Daardoor wordt niet enkel veelheid of meerderheid der deelen door mij bedoeld, maar ook een soortelijk verschil tusschen dezelve; of minste zulke eene zamenvoeging der eenerlei gedeelten, waardoor verschil in den vorm wordt te weeg gebragt.’ Redv. 5, 298.

Vgl. de fraaije omschrijving bij Weil. Synon. l, 155 en 3, 30. Zie mede Bruin. Synon. l, 433.

Verschieten.

‘De verschoten en verkleurde haren, als waren zij door sneeuwvlokken verzilverd.’ Sal. 6, 422.

Het komt ons eenigzins twijfelachtig voor, of verschieten van het hoofdhaar kan gezegd worden. Weiland kent wel aan het woord bepaaldelijk het begrip van verbleeken toe, z. Synon. 3, 238, en beweert, dat verkleuren alleen beteekent eene andere kleur aannemen; maar wij kunnen hem niet toegeven, dat verschieten alleen van het verbleeken van stoffen wordt gezegd, en niet van het menschelijk gelaat, waarvoor verkleuren zoude moeten gebruikt worden, zoowel in den zin van verbleeken als van blozen. Immers het gebruik bewijst het tegendeel. Men zegt: hij verbleekte van schrik, niet hij verkleurde. Ook hoort men daarvoor, hij verschoot van kleur. Hij verkleurde is niet aangenomen; wel: hij kleurde op dat zeggen, of hij kreeg een kleur.

Verslinden.

‘Menschenkind, eet hetgeen gij vindt, eet deze rol.’ - Ezech. 3, 1. V. d. P. ald. ‘Wat eeten of opeeten van het boek in zinnebeeldige taal te kennen geeft, is niet moeijelijk na te gaan. Hier inzonderheid beteekent het, den zin daarvan zich geheel eigen maken, 'tgeen de Latijnen zeiden: in succum et sanguinem convertere. Elders

[p. 211]

beteekent 't, gretig verslinden, met graagte lezen, en het gelezene behouden. Z. de aanteek. op Jerem. 3, 1.’ Op deze plaats zegt V. d. P. ‘Ook wij gebruiken het woord verslinden (devoréren) in dergelijken zin, ook van boeken, die men leest.’

Het Latijn heeft mede devorare libros, b. v. Cicero, ad Atticum 7, 3. Elders, de Finib. B. et M. 3, 2, zeer aardig, heluari libris. Het gretig luisteren naar iemands woorden wordt door Plautus in de Aulularia 3, 6, 1, ook eten genoemd.

'Nimium lubenter edi sermonem tuum.'

Bij welke plaats sommige uitleggers ook naar het O. T. verwijzen.

Versmading.

‘Dit wordt, zoo wel in den lijdelijken als in den dadelijken zin, gebezigd, daar de lijdelijke beteekenis aan het woord schande meer eigen schijnt te wezen.’ Sal. l, 266.

Verstellen.

‘Geheel versteld en verbasterd.’ Sal. 7, 304 en 9 Xt. 219.

D. i. veranderd, vermomd. Z. Weil. en de Taalk. Handl. van Dr. De Jager 123.

Verstolen.

‘De jonge maagd haar huis verlatende, om haren minnaar een verstolen woord toe te spreken.’ V. d. P. op het Hoogl. 2, 15. Verstolen blik, Redv. 2, 65 en 87.

Dit w., door sommigen voor een groven Germanisme verklaard , is door Prof. Siegenb. v. goedgekeurd, en door Bilderdijk meermalen gebruikt, z. de Proeve van Dr. De Jager 122.

Verwaten.

‘ - en trok de verwatene schijndeugd dit schouders voor u op.’ Redv. 2, 136.

Volgens Bruin. Synon. l, 219 vereenigt de w. de beteekenissen van trotsch en vermetel. De eerste beteekenis is vervloekt. z. over dit w. de Proeve over Bild. van Dr. De Jager 219.

[p. 212]

Verzadigen.

‘Dit woord heeft (even als het Latijnsche pasci) de dubbele beteekenis van: zich verlustigen, behagen scheppen, en zich te voeden, zich zat te eten.’ V. d. P. op Spreuk. 14, 14. Vgl. Sal. 3, 163.

Verzorgen.

‘Dit w. wordt door V. d. P. wel eens gebruikt voor bezorgen, b. v. Redv. l, 209. Op Levitic. 5, 15. Dus ook Redv. 4, 51.

Het komt ons bedenkelijk voor. Verzorgen duidt immers aan, zijne zorgen aan iets wijden, en bezorgen beteekent, iemand iets geven, iets doen toekomen, in 't bezit van iets stellen?

Vlugten.

‘Om ze te vlugten voor het aangezigt der Midianieten.’ Rigt. 6, 11. V. d. P. ald. ‘het woord vlugten in eene werkelijke, niet in eene lijdelijke beteekenis, gelijk wij van gevlugte goederen spreken. Het was niet noodig, hiervoor bergen in de plaats te zetten, daar het Hebreeuwsche en het Nederduitsche taaleigen hier volmaakt overeenkomen.’

Onze Statenoverz. heeft hetzelfde w. Vgl. Dr. De Jager in zijne Proeve van werkw. v. herh. 246, en in zijne Handleid. v.

Voorgaan.

‘Voorgaan, beteekent in het Hebr., even als in het Nederduitsch, zoowel vooruitgaan als te boven gaan.’ V. d. P. op Spreuk. 18, 12.

Vrede.

‘Een staat van liefderijke eensgezindheid, verwijderd van twist en vijandschap.’ Sal. 2, 273.

‘Alles wat wij op aarde voor wenschelijk houden, zijn wij gewoon onder het woord vrede te bevatten.’ 10 VIt. 58.

Van de bevrijding van zorgen of van de heugelijke omkeering van ons lot schrijft V. d. P. in 't 2 VIt. 228, ‘die streelende gewaarwording van kalmte en rust kunnen wij met geen beter naam dan dien van vrede benoemen.’

[p. 213]

Vriendenmaal.

‘Een gul en eenvoudig vriendenmaal, hetwelk, naar ons Hollandsch spreekwoord, haast bereidis.’ Sal. 7, 170.

Vrucht.

‘Het is ook in onzen Westerschen stijl gebruikelijk, dat wij den loop, de belangrijke uitwerkselen eener zaak vruchten noemen.’ Leerr. 1, 261.

Waarheid.

‘Wij kunnen van waarheid spreken in tweeërlei zin; of, voor zoover zij als een voorwerp onzer erkentenis, tegen dwaling en leugen; of, voor zoo ver zij in de beteekenis van wezenlijkheid, tegen bedrog en schijn is tegenovergesteld.’ Drie Leerr. 16.

Weinig.

‘Met weinige - ophelderen.’ l VIt. 91.

Latinisme, teregt veroordeeld door Prof. Siegenbeek v. Vgl. zien.

Wereld.

‘Dan zal het bed te kort zijn, om zich uit te strekken.’ Jcsaj. 28 , 20. V. d. P. ald. ‘Dit schijnt een spreekwoordelijk gezegde, om aan te duiden: alles zal te eng en te bang zijn! Wat wij zeggen: de wereld is hem te naauw, zei men in het Hebr. het bed is hem te kort, om zich uit te strekken, enz., eene zeer eigenaardige spreekwijs.’

Werk.

‘Het is eene algemeen aangenomen waarheid, dat het werk zijnen meester loont, en een ieder vergelding ontvangt voor hetgeen hij verrigt heeft.’ Sal. 2, 215. Vgl. kwaad.

Wijsheid, z. zoon.

Wind.

‘Wan niet met alle winden.’ Spreuk. van Sirach 5, 21. V. d. P. ald. ‘wij zeggen: waai niet met alle winden.’ Deze spreekwijze vindt men reeds in de kantteekk. op den Statenbijbel, z. de Latere Verscheid. van Dr. De Jager 419. Onze dichter Van Lennep heeft ze ook niet vergeten bij de rijke verzameling van spreekwijzen aan het w. wind ont-

[p. 214]

leend, in zijn Zeemanswoordeboek, 264, alwaar hij het verklaart ‘hij praat ieder naar den mond.’ In gelijken zin schreef reeds Tuinman over dit spreekwoord bl. 10: ‘D. i. 't is een weerhaan, een ongestadig mensch. - Van zulk een zegt men ook: hij hangt de huik na den wind.’

Woorden.

Mirjam en Aäron hadden woorden met Mozes.’ Numeri 12, 1. Ald. V. d. P. ‘Anderen, spraken met of tegen Mozes. Het Hebr. spreken wordt ook van twisten gebezigd, en is dit niet ons woorden hebben?’

Wraak.

‘Daar is een stem des bloeds van uwen broeder, 't welk tot mij roept van den aardbodem.’ Genes. 4, 10. Ald. V. d. P. ‘Eene figuurlijke en dichterlijke wijze van voorstellen, ook bij ons niet ongebruikelijk, wanneer wij van iets zeggen, dat het om wraak schreeuwt.’

Wrak.

‘De romp van een schip zonder mast of tuig.’ V. d. P. op Joël 1, 7.

Deze bepaling is onvolledig. Beter is die, welke door den Luitenant ter Zee T. Pan is gegeven in zijne aanmerk, op V. Lenneps Zeemans-woordeboek (Recensent, Dec. 1857): ‘Een wrak is een schip op een rif, bank of op de kust gestrand en bestookt door wind en golven, of reddeloos omdrijvende. Het kan dus met of zonder masten zijn. Als het eindelijk uiteengeslagen wordt, dan noemt men de stukken, die in zee omdrijven, wrakhout.’

Zalig.

‘Wanneer wij wezenlijk geluk en daarbij het hoogste geluk willen aanduiden, - dan gebruiken wij het woord zalig.’ 10 VIt. 71.

‘Wat het woord zalig oorspronkelijk beteekene, - ik vermoede, dat het denkbeeld van gezellige vreugde in hetzelve is opgesloten. Ten Kate [II. 533] denkt er anders over, die dit woord liever van ziel schijnt te willen afleiden.’ Sal. 2, 272.

[p. 215]

Bild. v. zalf verschilt. Fraai is door Weiland over dit woord gehandeld in zijne Synon. 2, 204. Bekend is de zamenstelling gelukzalig.

Zee.

‘Gansche zeeën van tranen en van bloed.’ Leerr. 3, 278. ‘eene onzekere zee van lotgevallen.’ 7 VIt. 141. ‘de wisselvallige zee dezer wereld.’ Leerr. 2, 217. ‘zee van twijfeling en tegenspraak.’ Drie Leerr. 17.

Elders gebruikt V. d. P. het woord Oceaan. ‘Deze aarde is een druppel in den Oceaan der Werelden.’ 5 VIt. 67. ‘Wereldmonarchij, in een oceaan van bloed en tranen verzonk zij.’ Redv. 2, 271.

Weil. Synon. 2, 413 keurt deze hyperbole niet af, en vermeldt, behalve zee van bloed en tranen, nog zee van vuur, van zorgen en wederwaardigheden. Hij oordeelt, dat zee tot den gemeenzamen en oceaan tot den deftigen stijl behoort. Vgl. de Proeve van Huydec. l, 115, die vele voorbeelden uit Vondel aanhaalt, en zie mede V. Lelyveld ald.

Zegen.

Het algemeene denkbeeld in dit w. opgesloten, is, dat het geluk van God afkomstig is, zelfs de goede uitslag onzer pogingen en beleid. Het wordt niet gebezigd van al wat met eer en deugd strijdig is. Het verijdelen, mislukken van ons verlangen en begeerten noemt men soms ook een zegen. Men spreekt van verborgen zegen. Dit alles en nog meer vindt men ontwikkeld in Sal. 4, 257 volg. De plaats was te uitgebreid, om hier over te nemen, maar wij bevelen de lezing daarvan dringend aan, als een meesterstuk van taalkundige ontleding; als een der juweelen, die den Salomo versieren.

Weiland bespreekt dit w. in zijne Synon. 3, 373, en vermoedt, op voorgang van Adelung v. sege en signum, dat het w. uit het Latijnsche signum in het Duitsch is overgebragt bij de invoering van de Christelijke godsdienst. Ten Kate 2, 554, en Bild. v. houden zegen en zege voor een.

[p. 216]

Zien.

‘Van wien wij straks nader zullen zien.’ 2 VIt. 88. Sal. l, 122, d. i. spreken, handelen. Latinisme: De quo mox videbimus. Vgl. weinig.

Zieners.

‘De Profeten gaven voor, klaarder en meer te zien, waarom zij zieners en hunne voorzeggingen gezigten genoemd worden.’ V. d. P. op Micha 3, 6.

Zoon.

‘Kinderen der wijsheid, is eene geheel Oostersche uitdrukking; en echter, wij ook, wij hebben haar overgenomen, en bezigen ze dagelijks, als wij spreken van wijsheidszonen. De beminnaars, de aanhangers, de betrachters der wijsheid verstaan wij er door; echte zonen der wijsheid noemen wij hen dikwijls, die haar beeld dragen, gelijk een kind het beeld zijns vaders.’ 6 VIt. 4.

Zout.

‘De eigenschappen van het zout zijn voornamelijk twee: de eerste, dat het door zijne prikkeling de spijze smakelijk maakt, - de andere, dat het dezelve voor bederf bewaart. Door deze twee hoedanigheden is zout een zinnebeeld geworden, om hetgeen voortreffelijk en onontbeerlijk is, aan te duiden. Op het spreken toegepast, wordt er aangenaamheid, bevalligheid, gepastheid door te kennen gegeven. - Ook wij noemen onbehoorlijke, laffe taal ongezouten.’ 11 Xt. 138.

Zwak.

‘Ieder vindt zijn hoofdgebrek geringer en minder hatelijk dan dat van anderen, - hij noemt dit zijn zwak, en daar toch ieder gezegd wordt zijn zwak te hebben, getroost hij zich deze kleine vlek, die een schoon gelaat niet altijd ontsiert.’ Sal. 4, 189.

Men zegt in onze gemeenzame taal zwak op of voor iets hebben, in de beteekenis van op iets zeer gesteld te zijn , om het te bezitten, te bewaren.