|
|
|
| |
| | | |
| |
Opmerkingen en aanteekeningen van den hoogleeraar J. H. van
der Palm over de Nederlandsche taal,
Uit zijne werken verzameld
door
Mr. J. PAN.
| | | |
Nam mihi videtur M. Tullius, cum se totum ad imitationem Graecorum
contulisset, effinxisse vim Demosthenis, copiam Platonis, jucunditatem
Isocratis. Nec vero quod in quoque optimum fuit, studio consecutus est tantum,
sed plurimas, vel potius omnes ex se ipso virtutes extulit immortalis ingenii
beatissima ubertate. - Cum interim haec omnia, quae vix singula quisquam
intentissima cura consequi posset, fluunt illaborata, et illa, qua nihil
pulcrius auditu est, oratio prae se fert tamen felicissimam facilitatem. Quare
non immerito ab hominibus aetatis suae regnare in judiciis dictus est: apud
posteros vero id consecutus, ut Cicero jam non hominis nomen, sed eloquentiae
habeatur. Hunc igitur spectemus: hoc propositum nobis sit exemplum: ille se
profecisse sciat, cui Cicero valde placebit.
Quinotil., Inst. Orat. X. l.
| | | |
Op de uitnoodiging der redactie om eene bijdrage voor het
woordenboek der Nederlandsche taal te geven, vestigden wij onze keuze op
Van der Palms werken, aan wien wij gedurende
eene lange reeks van jaren zoo vele genoegelijke en nuttige uren verschuldigd
zijn, en die in den ouderdom ons nog als een getrouw vriend ter zijde staat. Na
het volbrengen dezer taak, kwam bij ons de gedachte op, om de verstrooide
opmerkingen over de taal uit dit werk af te zonderen, en aan de Taalgids
af te staan.
Van der Palm was, zoo als zijn
levensbeschrijver aanmerkt (bl. 88), geen linguist; maar hij neemt toch als
prozaschrijver den eersten rang in, en zijn fijn taalgevoel blinkt overal door.
Hierom hebben zijne opmerkingen over de taal, zijne vermelding van woorden en
spreekwijzen een groot gezag, en dit geeft daaraan zekeren ijk en eene gangbare
waarde.
Al is er later over deze en gene punten een nieuw licht verspreid;
het blijft altijd belangrijk, zijn gevoelen te kennen. Wij namen dus zelfs
kleine en schijnbaar min beduidende opmerkingen en mede enkele woorden op, maar
onthielden ons meestal van bepalingen, die met taalstudie in geen onmiddelijk
verband stonden; want een redekunstig woordenboek lag buiten ons bestek. Nu en
dan veroorloofden wij ons eenig gering bijvoegsel, eene bedenking of
twijfeling; breedere ontwikkelingkwam hier niet te pas. Men heeft wel eens
beweerd, dat
Van der Palm vele Germanismen zoude hebben
begaan, maar deze beschuldiging niet gestaafd. Bij de beoefening
| | | |
zijner schriften, merkten wij maar zeer weinige op, die hier, benevens
enkele Latinismen en Gallicismen, ter waarschuwing zijn aangewezen. Wij zijn
niet blind voor de gebreken, die hier en daar zijne werken aankleven, maar men
moet hem, even als elken schrijver en kunstenaar, naar zijne beste gewrochten
beoordeelen. Deze zullen, zoo lang Nederlands taal- en letterkunde in eere
wordt gehouden, de toetssteen van de echte welsprekendheid en van den zuiveren
smaak blijven, en het nageslacht zal het oordeel der tijdgenooten bevestigen.
De herhaalde uitgaven zijner werken getuigen ook van voortdurende
belangstelling, die nog zeer bevorderd zoude worden door eene afzonderlijke
uitgave der voorlezing van den Hoogleeraar
Van Assen over
V.D. Palm, in de Nieuwe werken der Leidsche
Maatschappij opgenomen, welke eene voortreffelijke inleiding tot de schriften
van den grooten man bevat.
Hoorn, April 1859.
| |
Verkortingen.
| Leerr. | Leerredenen, 3 Deelen. D. 1 van
den vierden, en D. 2 en 3 van den derden druk. |
| 1.
VIt. | Zestallen. Tien deelen. Eerste druk. |
| 1.
Xt. | Tientallen. Elf deelen. Eerste
druk. |
| Sal. | Salomo. Tweede
druk. |
| 3 Leerr. | Drie leerredenen.
1843. |
| Redv. | Redevoering. en Verhand. Eerste
druk. 5 deelen. |
| Gedenks. | Gedenkschrift. Eerste
druk. |
| Hooft. | Uitlegkundig Woordenboek op
Hooft, uitgegeven door het
Instituut. |
| Bijbel v. d. J. | Bijbel v. d. Jeugd.
Eerste druk. |
| |
| | | |
Aangeven.
‘Al wat waarlijk bevallig is, en door den liefelijken toon,
dien het aangeeft, een snaar des gevoels harmoniesch trillen doet.’
Redv. 3, 159. Vgl. Redv. 3, 211. Opheffen, Hd. angeben,
Fr. donner le ton.
Aanmatiging.
‘Het eigen karakter der onbescheidenheid; evenzoo matiging der
bescheidenheid’. Redv. 3, 206.
Aannemelijk.
‘- even gelijk wij ook, volgens ons spraakgebruik, iets
aannemelijk noemen, dat wij voor geloofwaardig houden.’ Leerr. 2,
200.
Aanschennen.
‘- door de tong der trotsheid aangeschonnen.’
Sal. 3, 83, d. i. aangerand. Het w. komt bij
Hooft voor als ‘tot annval nopen.’
Dus ook
Bild. op
Huyghens 2, 331. Prof.
Clarisse schijnt dit w. af te keuren, z. het
Taalk. Mag. van Dr.
De Jager 4, 245.
Bild. gebruikt het in den Perzius
52:
God omhoog in 't aanzicht aan te schennen,
Vgl.
Weil. v. schennen.
Aanstellen.
‘ - een onderzoek,’ Sal. 8, 268. Deze spreekwijze
heeft, even als het thans zoo gebruikelijke instellen, veel van
| | | |
een Germanisme. Z. echter
Hooft. Onze Statenoverzetting heeft ook dit
woord meermalen, b. v. Ps. 50, 23, Spreuk. 26, 24. Vgl. de
Lat. Verscheidenh. van Dr.
De Jager, 166.
Aanstalte.
‘ - aanstalten treffen.’ 10 Xt. 38. Germanisme. Het w.
is door Prof.
Siegenbeek in zijne Lijst maar flaauw
verdedigd.
Aanwandelen.
Bekruipen, zacht, van lieverlede naderen. B. v. ‘den
liefelijken slaap zich van lieverlede te voelen aanwandelen.’ Sal.
6, 9 en 306. Vgl. 1, 209; Redv. 4, 83 ‘van waar is den
Galiléer die kennis aangewandeld?’ 6 Xt. 82.
Prof.
Siegenbeek veroordeelt het in zijne
Lijst, en wil het alleen in de beteekenis eener zachte beweging gebruikt
hebben.
Achterklapper.
‘Volgens den aard en de naive uitdrukking van het
Nederlandsche woord, iemand, die achter den rug eens anderen van hem klapt, en
vertelt hetgeen beter gezwegen was.’ Sal. 1, 341. Dus ook
Weil. Van ouds zeide men achterhoon, volgens
Bild. op
Huyg. 1, 23.
Adderenbeet. Sal. 5, 187? Luitenspeler. Redv.
1, 7. Daarentegen dichterstijl. Redv. 2, 80.
Ademen.
‘De reine en gezonde landlucht, die in dit gezegend oord
ademt.’ Redv. 1, Voorr. 2.
‘Waarheid ademen. In het Hebr. waarheid blazen.’ Zoo
geheel van de waarheid doordrongen zijn, dat zij ons even natuurlijk en eigen
is geworden als de ademtogt, dien wij uitblazen, dat wij ze, als het ware,
uitademen.’ Sal. 2, 242.
Alkove.
‘Alcove, sofa (soffa), saffraan, chemise, (kamies,
kamisool) w.w. van Arabischen oorsprong door de kruisvaarders uit het Oosten,
of door de Mooren uit Spanje tot ons gebragt.’ Sal. 4, 89.
| | | |
Arglistig.
‘Beteekent in onze taal listig en boosaardig
tevens.’V. d. P. op Genesis 3, 1.
Kiliaan ‘dolus malus.’ Dus ook
Weil. Synon. 1, 171 en
Bruining Synon. 1, 51.
Asch.
‘De vonk lag thans bedolven onder de asch der Farisesche
beuzelarij.’ 3 Leerred. 18. Vgl. Redv. 1, 323.
In het meervoudig gebruikt. Z. Redv. 1, 250. Ook
bijTollens en bij
Bogaers in zijn Metalen kruis.
Wij blazen niet met euvlen moed In oude veten nieuwen gloed,
Terwijl se dooven in haar asschen.
Baatzucht.
‘Eigenbelang moet niet in baatzucht ontaarden; en deze heeft
dan plaats, wanneer het bejagen van voordeel of winst de grootste drijfveer van
onzen handel is. - Hebzucht is nog erger, wanneer men begeert, wat buiten het
bereik is.’ Sal. 8, 26. Vgl. 4, 126. Z. ook
Weil. Synon. 1, 188. Inhaligheid is nog
slechter, zie in v.
Balling.
Dit w. wordt door
V. d. P. meermalen gebruikt van iets dat
ontbreekt, bijv. ‘Beminnelijke nederigheid, waar ge ook balling wezen
moogt!’ Sal. 1, 284. ‘Waar nijd, tweedragt en alle booze
driften balling waren.’ Leerr. 1, 264. Redv. 3, 288.
Barnen.
‘ - barnende en lommerlooze woestijnen.’ Leerr.
2, 276. D. i. brandende. Ook bij
Hooft en bij vroegere dichters, z.
Ypeij Aanm. Statenoverz. 20. Het w. is
verouderd, doch door
Bild. nog gebezigd, z. de Proeve over
Bild. van Dr.
De Jager, 202, en zijne Werkw. van herhal,
en during, 175.
Bedrijf.
‘Man van bedrijf.’? Meer gewoon is: bedrijvig man.
‘Zonde van nalatigheid en bedrijf.’ Z. zonde.
Behelpen.
| | | |
‘De echte goedhartigheid behelpt zich, om anderen te
helpen.’ Sal. 7, 338.
Bestemmen.
Het woord bestemd wordt door
V. d. P. dikwijls voor bepaald gebruikt,
‘bestemde denkbeelden.’ Redv. 1, 206. ‘Bestemde
waarde.’ Redv. 2, 155. ‘Den algemeenen toon
bestemmen.’ Dus ook ‘korter noch bestemder uitdrukken.’ 2
VIt. 168. ‘Onbestemde denkbeelden.’ 5 Xt. 267.
Het w. is thans algemeen in gebruik, maar als Germanisme teregt door
Dr.
Nassau afgekeurd in het Magaz. v. Taalk.
6, 105. Vgl. Dr.
De Jager in zijne Proeve over Bild.
95.
Betrachten.
Doen, behartigen. ‘Deugden van onthouding en van
betrachting.’ Redv. 4, 95. ‘Eene waarheid meer der
betrachting dan der bespiegeling.’ Leerr. 1, 255.
‘Dit woord heeft buiten twijfel ook in onze taal de beteekenis
van waarnemen, gadeslaan, zoowel als van overdenken en beoefenen.’ V. D.
P. op Job 7, 20. Vgl.
Hooft, de Handleid. van Dr.
De Jager v. en zijne Lat. Verscheid.
186.
Bilderdijk gebruikt het ook meermalen in de
eerstgemelde beteekenis, z. de Proeve van Dr.
De Jager 205;
Weil. houdt 't voor verouderd (?) en Prof.
Siegenbeek veroordeelt het in zijne
Lijst v., zoo ook Dr.
Nassau in 't N. N. Taalm. 1, 99.
Bies.
‘Het hoofd laten hangen als een bies.’ Leerr. 1,
126, Spreekwijze vermoedelijk ontleend uit Jesaja 58,
5.
‘Spreekwoorden moeten nooit woordelijk worden uitgelegd; b. v.
het onze: ‘pak uwe biezen.’ V. d. P. op
Psalm 11, 1.
Gelijksoortig is: zijne matten oprollen, verhuizen, weggaan.
Bijstaan.
Helpen, verdedigen. ‘De gelijkenis schijnt uit den krijg
ontleend te zijn, van den wapendrager of wapenbroeder, die in het heetst des
gevechts niet wijkt van de zijde zijns medgezels, maar met hem of voor hem
strijdt.’ Leerr. 2 , 274.
| | | |
Bijval.
‘Bijval geven.’ Redv. 1, Voorr. 27.
Dr.
Nassau keurde dit w. in zijn geestig vertoog in
de Gids van 1840 en later in zijne Taalmijmeringen ten hoogste
af. Het wordt door Prof.
Siegenbeek in de Lijst v. en ook door
Weil in de Synon. 1, 364 aangenomen, die
het van sterker beteekenis acht dan goedkeuring. Nog onlangs is dit w.
verdedigd door Dr.
De Jager in zijne Lat. Verscheid.
371.
Blanketsel.
‘In alle talen is bedrog de figuurlijke beteekenis van het
woord blanketsel, vermits men door hetzelve niet alleen gebreken, poogt te
bedekken, maar ook schoonheden en bevalligheden aan te nemen, die men weet niet
te bezitten.’ Sal. 2, 376.
Bres.
‘Zich vooriemand in de bres stellen. Spreekwijze uit het
Hebreeuwsch genomen. Zij is uit den krijg ontleend, daar hij, die in eene
bestormde vesting, waar reeds bres is, in die bres zich vooraan stelt, het
gevaar van allen op zich neemt.’
V. d. P.op Psalm 106, 23.
Even zoo
Weil. V.
Carricatuur. Contrast.
Hiervoor is in onze taal geen woord. Sal. 2, 172.
Daarstellen.
V. d. P. noemt het op Numeri 24,
23 ‘een woord niet van den besten stempel.’ Evenwel komt
het meermalen bij hem voor, b. v. Redv. 2, 105; 3, 121; 4, 50, 190;
Gedenks. 165. Dit w. is door Dr.
Nassau afgekeurd in 't Magaz. v. N.
Taalk. 5, 267; 6, 107, alsmede door Prof.
Siegenbeek, die het des noods alleen wil
bezigen van voorwerpen, welke voor het oog ten toon zijn gesteld.
Weil. is er ook niet mede ingenomen, z.
Synon. 1, 351. Tegen een ander heeft echter de taalkundige
Oudemans eenige bedinkingen ingebragt in het
Magaz. van Ned. Taalk. 1, 307.
Daar te boven.
V. d. P. keurt af: ‘het doorweven zijner
rede met de-
| | | |
welke's, daar te bovens en gezochte taalkundige
naauwkeurigheden, die de gewone beschaafde zamenspreking niet gedoogt.’
Z. Redv. 4, 103.
Daar te boven is eigenlijk daar en boven, nu verouderd volgens
Bild. Verhand. 347. Vgl. de Lijst
van Prof.
Siegenbeek v.
Deel.
‘Geheel of ten grooten deele.’ Redv. 5, 304 en
324. Meer gewoon schijnt grootendeels.
Deugd.
V. d. P. keurt te onregt het meervoudige van
dit w. af, bewerende, dat men dan even goed godvruchten, vroomheden zeggen kan,
z. Sal. 3, 68. Het meervoudige is ook door hem nu en dan gebruikt, b. v.
Leerr. 2, 20; Sal. 6, 421. Redv. 4, 94. Het wordt van
goede hoedanigheden gezegd, even als het enkelvoudige deugd. B. v. ‘de
deugd van 't leder, d. i. de sterkte.
Deugniet.
‘Eigenaardig woord in onze taal, om een mensch af te teekenen,
die, met verloochening van alle beginsels, zich in het kwade toegeeft, van wien
men niets goeds te wachten heeft.’ Sal. 4, 383.
Dewelke.
‘Velen zijn er, die naauwkeuriger dan anderen meenen te
spreken, als zij, voor het betrekkelijk voornaamwoord, nooit die, maar altijd
dewelke gebruiken. Dit mishaagt mij grootelijks. Want vooreerst is dewelke voor
een betrekkelijk voornaamwoord veel te lang, en deszelfs herhaling brengt in
den stijl matheid, koude en stijfheid, zoodat het spaarzaam en alleen
duidelijkheidshalve mag gebezigd worden. En ten anderen miskent en verwaarloost
men aldus eene eigenaardigheid onzer Nederduitsche taal, die zij ook met andere
talen gemeen heeft, volgens welke men het aanwijzend voornaamwoord in de plaats
van het betrekkelijke gebruiken mag.’ Sal. 5, 273. Vgl.
Redv. 4, 103 en
Bild. Verscheid. 3, 92.
| | | |
Digtheid.
‘Door het woord digtheid verstaan wij in onze taal
verzwegenheid, geheimhouding, waarom men ook van iemand, die zwijgen kan, zegt:
hij is zoo digt als een pot; en daarentegen van een geheim, hetwelk
openbaar wordt, dat het uitlekt.’ Sal. 4, 88. Reeds bij de
Oude schrijvers vindt men het openbaar worden van een geheim met het lekken uit
een geborsten pot of vat vergeleken. Fraai is de plaats van
Terentius door
V. d. P. in zijnen Sal. 1,115 aangehaald
uit den Eunuch. 1, 2, 25, waar de slaaf zeer aardig zegt, dat hij alleen
ware geheimen zal zwijgen.
Quae vera audivi, taceo et contineo optime:
Sin falsum aut vanum, aut fictum est, continuo palam
est:
Plenus rimarum sum, hac atque illac perfluo.
Vgl. De Adagia van
Erasmus en anderen, p. 577, ed. fo.
Doek.
Voor zeil. Sal. 6, 351. Het w. is eigenlijk meer bij dichters
in gebruik. Z.
Huydec. Proeve 2, 209. In proza zegt men
zeildoek.
Dolen.
Dit w. komt bij
V. d. P. dikwijls voor in de beteekenis van
zich ergens in verdiepen, mijmeren. B. v. ‘dolen in de geheimenissen van
Gods raad.’ ‘Dolen in zijne angst.’ 2 Xt. 22. Misschien
ontleende hij het uit de Statenoverzetting. Z. b. v. Spreuk. 5,
19, 20; 20, 1, en de kantteek. ald.
Dood.
‘Dood en leven hebben in 't Hebreeuwsch, ook in andere talen,
zeer verschillende beteekenissen. Behalve hunne eigene, hebben zij die van
geluk en ongeluk. Men bezigt ze bovendien in een overdragtigen zin, om deugd en
ondeugd aan te duiden, als het leven of de dood onzer redelijke natuur.’
Sal. 5, 391. Vgl. leven.
‘Wij kunnen de spreekwijzen, dood zijn en weder levendig
worden, verloren zijn en gevonden worden, - verklaren in eenen zin, dien
het gewone spraakgebruik wettigt, waarin wij van
| | | |
iemand, op wien
wij betrekking hadden, die ons verlaten had, en wien wij niet meer gehoopt
hadden ooit weder te zien, zeggen: dat hij dood voor ons was, dat wij hem
verloren hadden.’ 5 Vlt. 193.
Doodstroom.
Als zelfstandig naamwoord: ‘de doodstroom der vervelende
eentoonigheid.’ Redv. 5, 308. Mr.
V. Lennep in zijn Zeemans-woordenboek geeft
eene naauwkeurige bepaling: ‘Doodstroom, z. n. m. (veroud.). Afwezigheid
van den stroom: waardoor men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe
maan, als het water minst wast: ook tusschen ebbe en vloed. Z. doodtij.
Spreekwijze: 't Is er D - (er is geen handel, geen beweging, er valt
niets voor).’
Doorslippen.
- ‘doorslippen van het anker der hoop.’ Sal. 2,
434. Onjuist. De zeelieden zeggen, dat het anker doorgaat of doorkrabt. Als men
het anker, met of zonder kabel prijs geeft, laat men het slippen. Zulks stemt
ook overeen met het gewone taalgebruik. Iets te laten glippen of slippen
beteekent: iets te laten varen, er van afzien.
Dorst.
‘Wij bezigen ook de woorden honger en dorst in een
overdragtigen zin voor vurige en sterke begeerte; doch wij voegen er dan een
woord ter bepaling bij, waardoor de overdragtige beteekenis terstond in het oog
valt. Wij spreken van geldhonger, ambtshonger, gouddorst, dorsten naar bloed,
naar eer, enz.’ Sal. 1, 21.
Duizend.
‘één uit duizend,’ Job 33,
23. Ald.
V. d. P. ‘D. i. in den Oosterschen stijl,
een allervoortreffelijkst wezen. Z. Pred. 7,
28.’
Hiervan is misschien onze spreekwijze ‘een uit duizend’
afkomstig. Hetzelfde wordt in het Latijn door het tegenovergestelde unus e
paucis uitgedrukt, terwijl unus de multis eene ongunstige beteekenis
heeft.
Eenheid.
| | | |
‘Dit woord, bij onze oude schrijvers en bij
Kiliaan onbekend, wordt in de rekenkunde
gebezigd, om de waarde van het eenvoudigste der getallen, waaruit alle anderen
zijn zamengesteld, uit te drukken. - Niet minder eigenaardig nogtans, en meer
algemeen nog aangenomen is de overdragtige beteekenis van het woord eenheid, om
de zamenvoeging van vele verschillende deelen aan te duiden, waardoor zij met
elkander één geheel uitmaken.’ Redv. 5, 297. Vgl.
Bruin. Synon. 1, 439.
Eenstemmigheid.
‘Eenstemmigheid is onder het denkbeeld van eenheid
begrepen, niet eentoonigheid.’ Redv. 5, 298.
Eenvoudig.
‘Eenvoudig noemt men, waaraan niets te veel is, niets,
dat tot hetzelve niet behoort; hetgeen men vervolgens, sprekende van den stijl,
van dichterlijke of redekunstige voortbrengselen, bijkans uitsluitend toepast
op onthouding van overtollige sieraden of weidschen pronk van bloemen of
beelden.’ Redv. 4, 95.
Eenvoudig schoon.
‘Lofspraak door niets anders te overtreffen.’
Redv. 4, 97.
Eenvoudig. (dood-)
‘ - kan men bezigen van het gemeene, het alledaagsche, of
'tgeen daar nog beneden is.’ Redv. 4, 97.
Eenvoudigheid.
‘Het valt gemakkelijker dit woord te spellen, dan het ware
denkbeeld te ontwikkelen, dat door hetzelve wordt uitgedrukt. Het geeft
eigenlijk eene hoedanigheid te kennen, die tot den ganschen mensch, in al zijn
handel en wandel, betrekking heeft; in zijn uiterlijk voorkomen, in zijn
spreken en doen, in zijn huiselijk en openbaar leven. - Jammer derhalve, dat
men dit woord in zoo vele oneigenaardige en strijdige beteekenissen gebruikt,
dat het menigmaal twijfelachtig is, of door hetzelve iets loffelijks dan
berispelijks wordt te kennen gegeven; en of de eenvoudigheid onder de
volkomenheden, dan of zij onder de gebreken moet geteld worden.’
Redv. 4, 91.
| | | |
Eeren.
‘ - overeenkomstig ons oud Nederlandsch spreekwoord: met wien
men verkeert, met dien wordt men geëerd.’ Sal. 5, 237.
Einde.
‘Want voorwaar er komt een einde.’ Spreuk.
23, 18. Ald.
V. d. P. ‘Dit is hier hetzelfde als:
het einde zal den last dragen. Dus behoeft ge den boozen niet te
benijden.’
Erkentenis.
Voor herkenning, - ‘ter beschouwing en ter erkentenis
aanbiedt.’ Redv. 2, 306. Vgl. Dr.
De Jager Archief 2, 401,
Bruin.. Synon. 1, 259 en
Weil. Synon. 2, 157.
Eten.
‘Zoo zullen ze eten de vrucht van hunnen weg, en verzadigd
worden van hunne raadslagen.’ Spreuk. 1, 31. Ald.
V. d. P. ‘ - wij spreken ook van datgene
op te moeten eten, waarvan men de nadeelige gevolgen ondervindt.’
Is dit juist? - Bekend is verder de spreekwijze ‘eene
beleediging te moeten opeten’ d. i. verkroppen, verduwen. In de
gemeenzame taal zegt men hier voor ook opslikken. Bij
Hooft vindt men: ‘zijn hart eeten,’
d. i. ten hoogste onvergenoegd zijn.
Familie.
Geslacht, huisgezin. Wel en wettig in onze taal opgenomen.
Sal. 2, 173, ook bij
Weil. en
Bild. v.
Fleur.
‘Gelijk eene gezonde vrucht aan het ligchaam, frissche sappen,
bloei, fleur en leven geeft. Leerr. 1, 274. ‘fleur en tier zijn
verdwenen.’ Sal. 6, 420.
‘Fleur, dat mede bloei beteekent, wordt meestal oneigenlijk
gebruikt voor jeugdigen welstand, vrolijkheid en opgeruimdheid.’
Weil. Synon. 2, 175. Vgl.
Bruin. Synon. 1, 423. Ook bij
Hooft.
Hiervan fleurig. Redv. 3, 191.
Fluisteren.
‘De fluistering van den oorblazer en opstoker.’
Sal. 5, 281.
| | | |
Het Latijn heeft: aure susurrare. Zeer fraai drukt zich onze dichter
Van Lennep uit in zijn verhaal: de moeder en de
magistraat. Inleid. 9: ‘als eenmaal ook in hare ooren de stem der
verzoeking zich fluisterend mogt doen verstaan.’
Fraai.
‘ - met kennis der fraaije wereld en hare zeden.’
Gedenks. 66. Dit schijnt een Gallicisme, beau monde. Liever
‘beschaafde wereld.’ ‘Fraaije geesten,’ Sal. 2,
189. Evenwel is de uitdrukking ‘fraaije letteren’ bij ons
aangenomen, en komt bij
V. d. P. meermalen voor, b. v. Redv. 4,
170. Elders onderscheidt hij de letterkunde in geleerde en fraaije, die hare
vakken dicht- en redekunst heeft. Z. Redv. 4, 153.
Gaan.
‘Het gaat er overheen.’ Z. overheen.
‘Gaande en staande, gezegd van afnemende zwakke
gezondheid.’
V. d. P. op Zachar. 14, 12.
Gaar.
‘het woord gaar, hetwelk inzonderheid gebezigd wordt
van die gelukkige gevatheid, om zich in alle voorkomende aangelegenheden er
door te redden.’ Sal. 3, 334. Vgl. rijp
Gedijen.
‘Spreekwoord: onregtvaardig goed gedijt niet.’
Sal. 8, 31.
Geheugen.
‘De vatbaarheid der ziel, waardoor men zich het vroeger
opgemerkte, overdachte, of het gehoorde en gelezene, weder met zekere
helderheid voor den geest kan brengen.’ Sal. 9, 6.
Gehoorsmaak.
‘Als de sprenkels van het fijnste zout onzen gehoorsmaak
prikkelen.’ Sal. 4, 353.
Gek.
‘Er zijn zotten van allerlei soort, maar geene erger of dwazer
dan twistgierige zotten. Het is daarom, dat in de taal onzer gemeenzame
verkeering een ruziemaker, als bij uitsluiting of bij uitnemendheid, een gek
genoemd wordt;
| | | |
terwijl wij het bijvoegelijk naamwoord narrig
bezigen, om iemand van slecht humeur of bitse redenen uit te duiden.’
Sal. 5, 264. Vgl. narrig.
Geld.
‘ - geld hebben en rijk zijn, gelijkbeduidende
spreekwijzen.’ Sal. 5, 131. Vgl. hebben.
Gelooven.
‘Iets op de getuigenis van anderen evenzeer voor waarachtig
houden, als of wij het met onze eigene oogen gezien hadden.’ Sal.
3, 177. Leerr. 3, 293.
Vgl.
Weil. Synon. 1, 85.
Bruining Synon. 1, 235.
Geluk.
‘Om het denkbeeld van geluk aan te duiden, gebruiken wij in
onze taal eene menigte van woorden, die elk eene bijzondere beteekenis hebben,
maar die daardoor ook elk een afzonderlijk en meer bepaald bestanddeel
(ingredient, als ik het dus noemen mag) des waren geluks te kennen geven. Het
woord geluk stelt ons iemand voor den geest, wien zijne voornemens gelukt zijn,
die in zijne wenschen geslaagd is.’ Sal. 2, 272.
Zie verder genoegen, heil, zalig. Vgl.
Bruin. Synon. 2, 281 volg.
Gemak.
‘Iemand op zijn gemak zetten, iemand aangename dingen
voorpraten, waarbij hij zich veilig en gelukkig waant te zijn; aan elk datgene
te zeggen, wat hem meest behaagt en streelt.’
V. d. P. op Ezechiel 13,
18.
Genie.
‘Er is eene begaafdheid van den menschelijken geest, waarvoor
nog in geene taal eene gepaste benaming is uitgevonden. Vindingrijk,
oorspronkelijk vernuft noemen wij het, en drukken daardoor ten minste iets uit,
terwijl het daarvoor gebruikelijk uitheemsch woord genie niets meer dan een
klank behelst.’ Redv. 3, 55.
Vgl.
Bild. v. genie en vernuft.
Geniezucht.
| | | |
‘Het zijn de middelbare verstanden, wier koelheid de hitte
tempert, waardoor onbeperkte geniezucht alles zou dreigen te
verschroeijen.’ Redv. 3, 149.
Genieten.
‘Ook in onze en andere talen is de figuurlijke zegswijze
(overnoeming), waardoor de oorzaak in de plaats van het uitwerksel gesteld
wordt, gebruikelijk, en zeggen wij van iemand, dat hij zijnen arbeid geniet,
daardoor verstaande de vrucht van zijnen arbeid.’ Sal. 1, 134.
Vgl. leven.
Genoegen.
‘Soort van geluk. Bij dit woord denkt men aan iemand, die
genoeg heeft, en in redelijkheid niet meer heeft te begeeren.’
Sal. 2, 272. Vgl. geluk.
Geschiktheid.
‘Eene hebbelijkheid, om zich behoorlijk en met betamelijkheid
naar zijne omstandigheden te voegen, bijkans in dien zin, waarin wij geschikt
en zedig menigmaal te gelijk noemen.’ Sal. 1, 275.
Geven.
‘Men zegt, dat een boom rijkelijk geeft, d. i. rijkelijk
vruchten draagt.’ Sal. 1, 192.
Gevoelkunde.
‘Aesthetica beteekent eigenlijk gevoelkunde. Latere wijsgeeren
gebruiken deze benaming, om daarmede die wetenschap aan te duiden, waardoor men
het schoone in deszelfs onderscheidene trappen in werken van vernuft en smaak
leert onderscheiden en beoordeelen.’ Sal. 2, 177.
Gezondheid.
‘Die gesteldheid des ligchaams, wanneer het alle zijne
natuurlijke werkzaamheden geregeld en onbelemmerd kan verrigten. Op gelijke
wijze noemt men ook de geregelde en onbelemmerde werking der verstandelijke
vermogens gezondheid des verstands.’ Redv. 3, 177.
Dus ook
Huydec. Proeve 3, 329.
Gierigheid.
‘Het woord gierigheid wordt thans in een veel enger en
| | | |
bekrompener beduidenis gebezigd, dan het voormaals had; men
verstaat er thans meestal door vrekheid, opeenstapeling van geld of schatten,
zonder eenig genot of gebruik van dezelve te hebben. Doch de ware beteekenis
des woords is veel uitgestrekter, en in den tijd, toen onze gewone overzetting
vervaardigd werd, bezigde men het, om allerlei onmatige geldzucht aan te
duiden, zoowel om daarmede pracht of weelde en overdaad bot te vieren, als om
zich in schraapzucht toe te geven, of in bezit zonder genot zich te
verheugen.’ Sal. 4, 126.
Vgl.
YpeijTaalk. aanm. 29.
Bruin. Synon. 1, 103 volg.
Glad.
‘Wij zouden in onze taal van gladde en effen vrolijkheid, zoo
wel als van ruwen en scherpen kommer kunnen spreken.’ Sal. 1,
5.
Glorie.
‘En rondom hem was een luistervolle glans.’
Ezech. 1, 27. Ald.
V. P. D. ‘Men moet dit verstaan, rondom
zijn hoofd. Een glorie zegt men thans, een nimbus noemden het de
Latijnen.’ Men zegt ook stralenkrans.
Goed.
‘Zich aan eenige weinige geregten te goed doen.’
Redv. 3, 130.
‘Hij is geen goed man.’ Z. kleinigheid.
‘In de Zwitsersche gebergten heeft men goed matig te
zijn.’ Sal. 3, 320. Vgl. 7, 279. Gallicisme. On a bon
d'étre sobre.
Graad.
Sommige familien schijnen door den naauwsten band aan elkander
verknocht; anderen, gelijk men het wel eens noemt, een graad verder dan vreemd
te wezen.’ Sal. 2, 47.
Graven.
‘En gij graaft tegen uwen vriend.’ Job 6,
27. Ald.V. d. P. ‘graven en grieven zijn
ook in onze taal woorden van dezelfde afstamming.’
Grijzigheid.
Voor grijsheid. Leerr. 1, 80.
V. d. P. ontleende zeker
| | | |
onwillekeurig dit w. uit de Statenoverzetting. Z. b. v
Spreuk. 16, 31; 20, 29 en elders.
Groeijen.
‘Groeijen in eens anders leed.’ Sal. 5, 45. D. i.
zich daarover verheugen. Vgl.
Hooft, v. groeijing.
Haarfijn.
‘Haarfijn uitpluizen.’ Sal. 8, 268.
Men zegt ook wel haarklein, maar zeker minder juist.
Hak.
‘Tot hoe lang wankelt gij met verdeelde zinnen?’
1Kon. 18, 21.
V. d. P. ald. ‘In het Hebreeuwsch staat:
hinkt gij op twee takken; welke beteekenis van het gevogelte ontleend schijnt,
van den eenen tak op den anderen springende. Een gelijksoortig spreekwoord
hebben wij: van den hak op den tak springen; waarin hak misschien wel kreupel-
of hakhout, en tak voor hooger geboomte moet genomen worden.’
Wij stemmen toe, dat het spreekwoord van de vogels is ontleend, maar
betwijfelen, of hak wel kreupel- of hakhout kan beteekenen, evenmin als tak op
zich zelf het opgaand geboomte. Veeleer denken wij bij hak aan houweel of bijl,
maar ook dan blijft de spreekwijze duister. Duidelijk echter is het, dat er
gezinspeeld wordt op een wispelturig of ongestadig mensch. Schoon
Tuinman dit spreekwoord niet heeft, verklaart
hij het echter zeer goed 1, 370. ‘Hij springt van den os op den ezel. Dit
zegt men van iemand, die op eene schielijke wijze van het een op het ander
overgaat, gelijk de ekster van den eenen tak op den anderen huppelt. - Wij
gebruiken het van ongestadigheid.’
Haastig.
‘Haastige menschen zijn geen verraders.’ Sal. 3,
193.
Hand.
‘Met hand en tand vasthouden. Ons spreekwoord komt in
beteekenis met het Hebreeuwsch overeen, hetwelk ontleend is van het gedierte,
dat met tand en klaauw zijne prooi vasthoudt.’
V. d. P. op Job 13,
14.
| | | |
Hand.
‘Beijver u zoo veel gij kunt.’ Spreuk. 6,
3. Ald.
V. d. P. ‘Het schijnt, dat het
Hebreeuwsche woord hetzelfde beteekent, als 't geen wij noemen handen en voeten
roeren.’
‘Van hand tot hand blijft de booze niet ongestraft.’
Spreuk. 11, 21. Ald.
V. d. P. ‘van hand tot hand beteekent in
het tweede en derde geslacht, bijkans gelijk wij zeggen in de tweede en derde
hand.’ Dit is door hem breeder ontwikkeld in zijnen Salomo 1, 417.
‘De spreekwijze hand aan hand wordt door onze overzetters in hunne
zoogenoemde kantteekeningen zeer juist en voldoende verklaard, daar zij zeggen:
dat is: van hand tot hand niet alleen van zijn eigen persoon, maar ook in zijne
nakomelingen. Wij zeggen in de taal der gewone zamenleving, dat het goed van de
eene hand in de andere, of in de tweede, derde, vierde hand komt, wanneer het
niet slechts door verkoop, maar ook door erfenis van den een op den ander
overgaat. Bij de Persianen wordt zelfs de spreekwijze van hand tot hand
bijzonder van erfopvolging gebezigd.’
Wij voegen hierbij, dat men bij den handel ook spreekt van de eerste
en tweede hand. De eerste hand is dan de zeehandelaar. Ook zegt men van eene
nieuwstijding of gerucht, van een geschrift, ‘dat het van hand tot hand
gaat,’ d. i. in omloop komt en verspreid wordt.
Hand over hand.
‘Met stillen gestadigen voortgang.’ Sal. 2,
421.
Hand. (vóór de hand) voorhands.’
‘De Hebreeuwen gebruiken de spreekwijze voor iemands
aangezigt, of in iemands tegenwoordigheid in denzelfden zin als wij de woorden
voor de hand of voorhands, d. i. in den beginne of voor het eerst.’
Sal. 3, 146.
Handen.
‘Ik wasch mijne handen in onschuld.’ Psalm
26, 6. Ald.
V. d. P. ‘Dat dit eene zeer oude
symbolische handeling was, blijkt uit Deuteron. 21,
6.’ Men vergel. ald. de kantteek.
| | | |
Deze zinnebeeldige handeling was ook bij andere volken in gebruik,
zoo als uit de daad van
Pilatus bij Matthaeus 27, 24
blijkt, op welke plaats
De Groot dit in het breede heeft bewezen. In
onze taal is deze spreekwijze overgenomen. Zijne handen van iets afwasschen
beteekent, zich van iets afmaken of onttrekken, het laten varen, er verder geen
deel aan nemen.
Hart.
‘Het hart is, volgens ons spraakgebruik, de zetel van het
gevoelvermogen, van onze neigingen, gezindheden, begeerten. Als zoodanig
onderscheiden wij het van het denkvermogen, en spreken van verstand en hart,
wel niet als tegenstrijdige, maar nogtans als verschillende voorwerpen.’
Sal. 8, 161. Dus ook
Weil. Synon. 1, 77.
Van den wijzen, openhartigen man zegt
V. d. P.: ‘Hetgeen in zijn hart is, ligt
daar niet als in een ondoorgrondelijken put; neen! hij brengt het zelf naar
boven, zoodat, gelijk het gemeenzaam spreekwoord zegt, zijn hart op zijn tong
schijnt te wezen.’ Sal. 6, 243.
‘Wij gebruiken ook menigmaal het woord hart, om dit zelfde
denkbeeld van een hoogen trap van volkomenheid of echtheid aan den dag te
leggen, wanneer wij van een door en door goed of braaf mensch zeggen: hij is
goed, hij is braaf tot in zijn hart.’ Sal. 1, 67.
‘Spreekt naar het hart van Jerusalem.’
Jesaja 40, 2. Ald.
V. d. P. ‘Ook wij zeggen: naar iemands
hart spreken, voor: te zeggen, wat hem behaagt en hij gaarne hoort; doch deze
spreekwijs is bij ons waarschijnlijk uit den bijbelstijl in de gewone taal
overgegaan. Men vergel. Genes. 34, 3.’
Men leest aldaar in de Statenoverzetting ‘en spraek na het
herte van de jonge dochter.’ De naive kantteekening luidt aldus:
‘Dat is, dat haar aangenaam en behaaglyk mocht wezen, om haar te vreden
te stellen en te vertroosten, dewijl zij buiten twijfel over die onverwagte
daat zeer ontstelt was. Zie dergelijke manier van spreken onder 50, 1.
Richt. 19, 3. Jesaj. 40, 2 en Hoz 2:
13.’
| | | |
Hebben.
‘De weldadigheid des geringen moet zich met wenscher
vergenoegen, hetgeen bijkans overeenkomt met ons spreekwoord: die niet heeft,
geeft nogtans een zucht.’ Sal. 6, 171.
‘Geld hebben.’ Z. geld.
Hebben enbezitten verschillen anders. Z.
Weil., Synon. 1, 359.
Hebzucht. Z. Baatzucht.
Heil.
‘Het woord heil, dat wel hetzelfde zal zijn als heel,
geheel, schildert voor onze verbeelding het ongekrenkte, het ongestoorde van
den waren gelukstaat.’ Sal. 2, 272. Vgl. geluk.
Even zoo
Bild. v. heil en op
Huyg. 2, 58. Z. ook
Bruin. Synon. 1, 384.
Weil. verschilt eenigzins in zijne
Synon. 2, 241.
Hemelsch.
‘Wij noemen niet slechts in den gemeenzamen, maar ook in den
deftigen stijl menigmaal iets hemelsch bij wijze van vergrooting, om daarmede
iets zeer genoegelijks aan te duiden; en bij ons niet alleen, maar in bijkans
alle talen is dezelfde spreekmanier aangenomen, die men naar den aard der zaak,
waarvan gesproken wordt, flaauwer of sterker verklaren moet.’ Sal.
2, 432.
Prof.
Heringa veroordeelt het gebruik van dit woord
te streng in het Archief voor Ned. Taalk., 1, 14. Op gelijke wijze zoude
men ook de woorden zalig, gelukzalig moeten afkeuren, die toch algemeen in
omloop zijn. Vgl. zalig.
Hoed.
‘Om alles onder een hoed te vangen.’ Redv. 5,
323. D. i. om alles in eens zamen te vatten. Het schijnt beneden den deftigen
stijl.
V. d. P. noemt het zelf eene gemeenzame
uitdrukking.
Van iemand, die bevreesd is en in het naauw zit, zegt men:
‘hij is onder een hoed te vangen.’
| | | |
Honigzeem.
‘De zuivere niet uitgeperste, maar uit de graten gelekte
honig. Eigenlijk eene zamenvoeging van twee gelijkluidende woorden, want zeem
beteekent ook honig. Van hier zeemleder, voor zacht leder, eigenlijk
honigleder.’ Sal. 7, 374; 8, 171. Het w. komt ook in de
Statenoverzetting voor, z. de Handl. van Dr.
De Jager v. Vlg.
V. Lelyveld op de Proeve van
Huydecoper, 2, 201.
Hooren.
Voor behooren ‘indien hij wist hoe het hoorde.’
Redv. 3, 130. Vgl.
Hooft, v.
Het w. is in de zamenleving zeer gebruikelijk.
Hoop.
‘Wanneer ik het denkbeeld, 'twelk in het woord hoop ligt
opgesloten, zorgvuldig ontwikkele, en op het gewone spraakgebruik toepasse, dan
komt het mij voor tweeledig te zijn, en ik meen eene tweeledige hoop te
ontdekken: de eene, wanneer wij, in lijden en ongeval, ons opbeuren met de
gedachte, dat het haast zal eindigen, en plaats maken voor wenschelijker
omstandigheden: de andere, wanneer wij, ook buiten ongeluk of rampen, het bezit
van zeker begeerlijk goed, met meerderen of minderen grond, ons beloven. In het
laatste geval verschilt hopen en wenschen daarin, dat tot het eerste een zekere
grond van verwachting vereischt wordt, die echter grooter, kleiner of geheel
ingebeeld zijn kan, zonder dat daarom het denkbeeld van hoop verloren gaat. Bij
voorbeeld, ik kan wenschen naar rijkdom, doch zonder eenig vooruitzigt, om ooit
tot bezit er van te geraken; dit is en blijft een loutere wensch; maar ik heb
rijke bloedverwanten, wier natuurlijke erfgenaam ik zijn moet; of ik heb zaken
ondernomen, waarvan ik mij grove winsten voorspel, nu wordt mijn wensch
dadelijke hoop, en blijft hoop, al was de grond van mijne verwachting
zoo gering en beuzelachtig, dat een klein aandeel in eene geldloterij er het
eenige wezen van uitmaakte.’ Sal. 1, 221.
Vgl.
Weil, Synon. 2, 259.
| | | |
Indrinken.
‘De teugen der geleerdheid al loopende indrinken gelijk de
hond uit den Nijl.’ Redv. 5, 240. Op eene andere plaats leest men
met bijvoeging van het voegwoord als: ‘toejuichingen gretiglijk door de
ooren als ingedronken.’ Sal. 5, 315. Teregt, want deze uitdrukking
behoort aan de dichters. Zie de Proeve van
Huydecoper 2, 176 volg. en 2, 292 volgg. Men
vindt die reeds in het boek van Job 15, 16; 34, 7, en
elders. Bekend is de verheven plaats van
Horatius, Carm. 2, 13:
Pugnas et exactos tyrannos
Densum humeris bibit aure vulgus.
door
Bilderdijk, met behoud van het woord,
overgebragt, Krekelz. 1, 131:
En het drinkt met volle togen,
Oor en borst en vlammende oogen,
Stroomen van geheiligd vier.
Inhaligheid.
‘Verregaande hebzucht, die zich noch aan betamelijkheid, noch
aan billijkheid, noch aan algemeene achting bekreunt.’ Sal. 5, 61.
Vgl. baatzucht.
Kalmte.
‘Keer weder, ô mijn ziel, tot uwe ruste.’
Psalm 116, 7. Ald.
V. d. P. ‘Wij zouden zeggen, tot uwe
kalmte, waardoor een staat van aangename gerustheid, gelijk door het
Hebreeuwsche woord te dezer plaatse, wordt uitgedrukt.’ Ook elders
gebruikt V. d. P. dit woord: ‘gelijk twee tegengestelde krachten
in de stoffelijke wereld de kalmte des evenwigts veroorzaken.’
Redv. 3, 107. ‘Ook de gezondheid des ligchaams is een staat van
kalmte.’ Redv. 3, 198.
Fraai is door
Weil. over dit woord gehandeld in de
Synon. 1, 212.
Kam.
‘Hierom worden alle haastige lieden, gelijk men zegt, over
eenen kam geschoren. Eene spreekwijs van de weverijen ontleend, even eng of
ruim van schering.’ Sal. 7, 43.
| | | |
Kapittel.
‘Wel en wettig in onze taal opgenomen.’ Sal. 2,
172. Vgl.
Bild. v.
Karakter.
‘Onder de woorden en spreekwijzen, die, te voren onbekend,
dagelijks in gebruik raken, verschijnen en verdwijnen, en die wij meestal van
onze naburen overnemen, behoort ook thans de uitdrukking, karakter te bezitten,
karakter te vertoonen, een man van karakter te zijn; men bedoelt door dezelve,
een vast karakter te bezitten, zich niet door elken geringen tegenstand van
zijne gevoelens of voornemens te laten afbrengen.’ Sal. 3, 3. Vgl.
5, 173, en eene breede ontwikkeling Sal. 2, 130.
V. d. P. bedoelt hier de Franschen, die zeggen:
montrer, avoir du caractère. De Dictionnaire de l'Académie
verklaart dit: avoir, montrer de la force d'âme, de la
fermeté.’
Kasteel.
‘Kasteelen in de lucht bouwen. Spreekwoord, om de dwaasheid
van hem aan te duiden, die gewoon is, zich met begoochelende hersenschimmen te
verlustigen, en een gedroomd geluk zich te verwezentlijken.’ Sal.
2, 9.
Keeren.
‘Gemeenzaam spreekwoord in onze taal: beter half gekeerd dan
heel gedwaald.’ Sal. 7, 303.
Kinderlijk.
‘De Mozaïsche gedenkstukken, die voor mij wel kinderlijk
dat is, eenvoudig, treffend en bekoorlijk, maar geenszins kinderachtig
zijn.’ Sal. 4, 211.
Dus ook
Weil.Synon. 2, 306.
Kleinigheid.
‘In alle talen gebruikt men de figuur der verkleining
(Litotes), waardoor men het mindere zegt, om het meerdere aan te duiden.
Men gebruikt ze daar, waar men in hare bedoeling niet kan mistasten, en ze
heeft dan eene bijzondere gevoelige en scherpe uitdrukking. Ook in onzen stijl
heeft het somtijds meer kracht, van iemand te zeggen: hij is geen
| | | |
goed man, dan hem regtstreeks een deugniet te heeten.’
Sal. 4, 280. Vgl. Sal. 6, 29.
‘Wij noemen somtijds iets niet slecht, hetwelk wij voor
uitstekend goed houden, en spreken van geene kleinigheid, wanneer wij eene zaak
van groot gewigt bedoelen.’ Sal. 5, 253.
Het woord best wordt ook eveneens gebezigd, om het tegendeel aan te
duiden. B. v. hij is geen beste, voor: hij is een slecht mensch. Van een zieke
zegt men: hij is in geen besten toestand, voor, zeer ongunstig. In Gelderland
en elders spreekt men van een heel beetje, voor: reeds veel, eenigen
tijd. B. v. een heel beetje over twaalf beduidt, dat het reeds lang over
twaalf ure is. Zie 't Taalk. Mag. van Dr.
De Jager, 2, 417.
Kloekzinnigheid.
‘Een eenigzins verouderd woord, is hetzelfde als wij thans
zouden zeggen: schranderheid, beleid, doorzigt in de zaken des gemeenen
levens.’ Sal. 8, 261.
Koken.
‘Oudtijds was het woord koken onderscheiden van zoden, en
beteekende ook bakken, zoo als uit koeken, koekjes blijken kan.’
V. d. P. op 2 Chron. 35,
13.
Vgl.
Bild. op
Huyg. 1, 40, en over het dichterlijk gebruik
van dit w. de Proeve van
Huydec. 2, 467.
Kommer.
V. d. P. beschrijft de verwelking eener plant
door de beet van een worm en voegt er bij: ‘zoodanig is de natuur des
kommers, van hetgeen wij verborgen verdriet of hartzeer noemen.’
Sal. 2, 313.
Koop.
‘Die als aanbrenger rondgaat, openbaart geheimen."
Spreuk. 11, 13. Ald.
V. d. P.: ‘Het Hebreeuwsche woord
beteekent eigenlijk: met zijne waren rond en te koop loopen. Men moet er hier
voornamelijk een nieuwsverteller, een stadskronijk door verstaan, van wien wij
ook zeggen, dat hij allerlei nieuws te koop draagt.’ Elders, Sal.
247,
| | | |
‘een rondwandelende kronijk van allerlei nieuwigheden,
inzonderheid van kwaad en ergerlijk nieuws.’
Kool.
‘Hij gluipt met zijn oog, is rusteloos met zijn voet, en
wrijft met de vingers.’ Spreuk. 6, 13. Ald.
V. d. P. ‘de rustelooze beweging der
voeten, het zitten op heete kolen, zoo als wij zouden zeggen.’
Kop.
‘Gij hebt den mensch ons op den kop doen rijden’
Psalm 66, 12, Ald.
V. d. P., ‘onze gemeenzame spreekwijze:
iemand op het hoofd (op den kop) zitten, is misschien de beste uitlegging van
dit gezegde.’
Korzelig.
‘Dit w. schijnt van steenkorrels of steengruis zijnen
oorsprong te hebben. Anders ook kregelig.’ Sal. 6, 142.
Kracht.
‘Dit woord beteekent veel; eigenlijk sterkte, maar ook
bloei, gezondheid, vaag des levens,’ Sal. 6, 428.
Krankzinnig.
‘In tegenovergestelden zin noemen wij iemand, wiens begrippen
en oordeelvellingen geheel verward, ongeregeld en buitensporig zijn,
krankzinnig, in welke benaming echter het woord krank den hoogsten, althans een
zeer hoogen trap van ongesteldheid der redelijke vermogens te kennen
geeft.’ Redv. 3, 177.
Evenzoo
Weil. Synon. 2, 133: ‘krankzinnig
en zinneloos duiden het geheel gemis van verstand en zinnen aan.’ Later
echter schijnt hij aan het eerste woord eene minder sterke beteekenis toe te
kennen.
Bruin. Synon. 2, 148 neemt het in de
eerste sterkere beteekenis. Wij gelooven teregt.
Krenken.
‘Ons Nederduitsch woord krenken beteekent hetzelfde als krank
maken, niet slechts in den zin van verzwakken, maar ook van al het lijden, de
smart en het verdriet, die met den ziekenstaat verbonden zijn,’
Sal. 2, 430.
| | | |
Weil. Synon. 1, 274, ‘krenken
geeft nevens de beleediging het smartelijk gevoel te kennen, hetwelk zij
voortbrengt.’ Vgl.
Bruin. Synon. 2, 88.
Kruipen.
‘ - wiens bloed met tragen gang door de aderen kruipt.’
Sal. 7, 126.
Bekend is ons gemeenzaam spreekwoord: het bloed kruipt, waar het
niet gaan kan.
Kuipen.
‘De waarheid, dat iemand, die met slinksche streken omgaat,
hoe listig hij ook zijne zaken weet te besteken, echter dikwijls op de
grievendste wijze wordt te leur gesteld; deze waarheid kan op menigvuldige
wijzen goed uitgedrukt en krachtig voorgesteld worden; maar zou deze
voorstelling, door het gebruik van woorden, wier eigenlijke, zoo wel als
overdragtige zin elkander juist beantwoordt, niet in bevalligheid en schoonheid
winnen, wanneer men b. v. zeide: de grootste meester in het kuipen ziet
menigmaal zijn werk in duigen vallen?’ Sal. 1, 5.
Kunstelen.
V. d. P. keurt dit w. als Germanisme af in
zijnen Sal. 5, 44. ‘Zoo gebruiken wij ook al het woord kunstelen,
hetwelk naar zijnen vorm, of een frequentativum van het werkwoord kunsten, of
van het naamwoord kunstel zoude moeten afgeleid worden. Maar noch het een noch
het ander bestaat in onze taal.’
Dr.
De Jager veroordeelde het w. als een Germanisme
in zijne Proeve der werkw. v. herhal. en d. 43, doch kwam later hiervan
terug, en erkent, dat het w. in de laatste jaren bij ons in zwang is geraakt in
de beteekenis van onnoodige, beuzelachtige of valsche kunst aanbrengen; hij
beroept zich op het gezag van
Wiselius en van
Bilderdijk, bij wien ongekunsteld en
onverkunsteld voorkomt. Z. zijne Proeve over den invloed van
Bilderdijk 129.
Kwaad.
‘ - gemeenzaam spreekwoord: het kwaad loont zijn
| | | |
meester.’ Sal. 7, 333. Vgl. Sal. 5, 396.
‘Door eene wijze schikking der natuur is het alzoo verordend, dat ieder
kwaad zijnen meester straft.’
De kantteek. op den Statenbijbel heeft: ‘Gelijck men
gemeenlick seyt, onrecht slaet sijn eygen meester, volgens de aanwijzing van
Dr.
De Jager in zijne Lat. Verscheid. 419.
Vgl. Werk.
Kwast.
‘Het oud Hollandsch spreekwoord zegt: voor een harden kwast
voegt een scherpe beitel, - zachte geneesmiddelen doen niets dan het kwaad
verergeren.’ Sal. 6, 147.
Onze kantteekenaars hebben hiervan deze variant: ‘Men seyt
gemeynlick, harde slagen leeren wel, ende tot een harden noest moet men een
scherpen beytel gebruycken.’ Volgens de aanwijzing van Dr.
De Jager in zijne Lat. Verscheid.
420.
Laatdunkendheid.
‘Het is het beeld der grofste zelfmiskenning, of liever de
dwaze partijdige zelfbeoordeeling; het is de bewustheid van gebreken en
onvolkomenheden te verdooven en te verdrukken door buitensporige hoogschatting
van eigen verdiensten.’ Redv. 4, 170.
Nagenoeg aldus
Weiland Synon. 2, 149 en
Bruin. Synon. 1, 218. Vgl. de
Proeve van
Huydec. 2, 531.
Leppen.
‘Voor gelaafd worden staat in het oorspronkelijke: met kleine
teugen drinken, leppen, gelijk wanneer men iets regt genoegelijk smaken
wil.’
V. d. P. op Jesaja 66,
11.
Letter.
‘Het spreekwoord, dat men somtijds van bespiegelende
voorstellingen gebruikt, laat zich ook op zedelijke berispingswaardige daden
toepassen, dat er geen ketter is zonder letter.’ Sal. 4, 123.
Letterkunde.
Dit woord drukt een zeer onbepaald denkbeeld uit. Er is
| | | |
eene geleerde en eene fraaije letterkunde. Deze heeft weder hare
onderscheidene vakken, dicht- en redekunst. De eerste heeft hare verschillende
dichtsoorten, de andere omvat den ganschen prozastijl. Zoo wel de redenaar als
elk bevallig schrijver moet voor beoefenaar der redekunst gehouden worden, want
de welsprekendheid, in haren ganschen omvang genomen, is aan allen gemeen. Zie
Redv. 4, 153.
Leven.
‘Het woord leven heeft, behalve deszelfs eigene, ook nog de
overdragtelijke beteekenis van vreugde, heil en geluk. Wij zeggen van iemand,
die van verdriet ontheven, of tot zeker merkelijk geluk is gekomen: nu zal hij
beginnen te leven.’ Sal. 1, 134. Z. ook dood en genieten.
Levensweg.
‘Elk mensch bewandelt van zijne wieg af tot aan zijn graf een
zekeren weg. Die weg is zijn levensloop. - Ziedaar de Bijbelsche voorstelling
zoo natuurlijk en schoon, dat ze in bijkans alle talen en bij alle volken is
overgenomen.’ Sal. 6,380.
Lommer.
Dit w. beteekent de schaduw der boombladeren, z.
Kiliaan. Plaatsen uit
Vondel gaf
Kluit in de aanteek. op de Geslachtlijst
van
Hoogstraten in v. Later wordt het dikwijls
verkeerdelijk voor de bladen zelve genomen, ook nu en dan door
V. d. P. Zie b. v. 3 VI t. 11, ‘boom met
breede takken en schaduwrijke lommer.’ Sal. 1, 94, ‘onder
deze lommer.’ Eene andere plaats uit den Bijb. v. d. J. 1, 120 is
door den Heer
Oudemans aangewezen in het Magaz. v. Nederl.
Taalk. 2, 230
1). Men zoude dan met
hetzelfde regt onder het zonlicht kunnen zeggen. Juister spreekt
V. d. P. Leerr. 2, 276 van lommerlooze
woestijnen.
| | | |
Luchtvormig.
‘Luchtvormige gedaante.’ Bijb. v. d. J. 1, 20.
Dit wordt door den Heer
Oudemans afgekeurd, omdat aan luchtsoorten
geene gedaante kan worden toegekend. Z. Magaz, v. Nederl. Taalk. 2, 69.
Wij gelooven, dat deze aanmerking in het algemeen juist is, en beter het woord
nevelachtig ware gebezigd. Eene gedaante, welke geene bepaalde of scherpe
omtrekken bezit, maar die telkens vervloeijen of veranderen, gelijk de gedaante
der wolken en nevels. Zulke zijn de luchtgeesten van Ossian.
Vermoedelijk bedoelde
V. d. P. zoodanig eene, en welligt dacht hij
aan de geestverschijning van Elifaz bij Job 4,
15.
Lui en lekker.
‘De vadsige ledigganger is zelden matig; lui en lekker
zijn twee woorden, die wij in onzen gemeenzamen spreektrant dikwijls
bijeenvoegen; en inderdaad dezelfde loomheid van aard, die aan de ledigheid
voedsel geeft, schijnt ook den buitensporigen smaak voor grove zinnelijke
genietingen mede te brengen.’ Sal. 2, 369.
Maat.
‘Het (de Hebreeuwsche maat Epha) komt mij voor,
somtijds als een algemeen (generiek) woord gebezigd te zijn, even gelijk wij
ons woord maat gebruiken, om allerlei soort van groote en kleine maten aan te
duiden. Een maat koren en een maat meelbloem bevat niet dezelfde
hoeveelheid.’ Sal. 4, 278.
Mantel.
‘Liefde bedekt alle misdrijven.’ Spreuk.
10, 12.
V. d. P. ald.: ‘De Hebreeuwsche
uitdrukking zegt een kleed er over heen spreiden, hetgeen wij noemen: met den
mantel der liefde bedekken.’ Evenzoo Sal. 1, 99. Kan de daad van
Noachs zonen, Gen. 9, 23, ook aanleiding tot deze
spreekwijze gegeven hebben?
Menschenkennis.
‘De kennis van de verschillende karakters dergenen met wie wij
omgaan, of in eenige verbindtenis staan, is hetgeen
| | | |
wij in den
waren zin des woords menschenkennis noemen. Men moet dezelve niet verwarren met
algemeene menschkunde, die de wijsgeer zich in zijn boekvertrek kan eigen
maken.’ Sal. 2, 133.
Menschelijkheid.
V. d. P. Leerr. 3, 26 stelt dit w.
gelijk met menschlievendheid. Onjuist gebruikt hij het hier en daar voor
het collective menschheid, b. v. 4 VIt. 221: ‘de groote belangen der
menschelijkheid.’ Sal. l, 145: ‘jaarboeken der
menschelijkheid.’
Middelmatig.
‘Men kan het woord middelmatig in twee verschillende
beteekenissen gebruiken, de eene bij uitstek gunstig, de andere bij
uitnemenheid ongunstig. Bij de eerste denken wij aan die gulden middelmaat, die
alle schadelijke uitersten, ter eene of ter andere zijde voorzigtig ontwijkt.
Volgens de andere beteekenis verstaat men er een zonderling iets door,
moeijelijk te beschrijven, dat noch goed noch slecht is, dat ook eenigermate
gelijkt naar hetgeen noch koud noch heet, maar, flaauw en laauw, en niet verre
af is van walging te veroorzaken.’ Redv. 3, 141 volg.
Naberouw.
‘Zulk berouw, dat niet eerder komt, dan wanneer de gevolgen
van het bedreven kwaad niet meer af te wenden en onherstelbaar zijn, noemen wij
in onze taal, die zoo rijk is aan kiesche uitdrukkingen van onderscheiden aan
elkander verwante denkbeelden, naberouw.’ Sal. 8, 180. Dus ook
Weil. Synon. 2, 465.
Narrig.
‘Iemand van slecht humeur en bitse redenen.’ Sal.
5, 264. Vgl. gek.
‘Narrig zegt men thans voor arrig (d. i.
gramstorig), hetgeen niet meer verstaanbaar zoude zijn.’
Bilderd. Verhand. bl. 208.
Vgl.Weil. v. Arre.
Natuur.
‘Natuur, in dien zin, waarin wij dat woord gebruiken,
| | | |
om aan te duiden hetgeen kunsteloos, ongemaakt en onopgesmukt is;
eenvoudige ware natuur was het kenmerk van alle zijne woorden en
handelingen.’ Leerr. l, 18.
Nederdrukken.
‘Wij gebruiken nederdrukken en opbeuren niet slechts van
ligchamelijke voorwerpen, maar vooral ook van eene treurige of blijmoedige
geestgesteldheid. Verdriet en droefheid noemen wij druk; dus is het in bijkans
alle talen gelegen: inderdaad in alles, wat de natuur der menschelijke
gewaarwordingen betreft, kan het taaleigen der volken aan geene groote
verscheidenheid onderworpen zijn.’ Sal. 2, 310.
Nijd.
‘Nijd is niets anders dan verdriet over het geluk van een
ander.’ Sal. 3, 293.
Dus ook
Weil. Synon. 1, 109.
Onbezorgdheid.
‘Er zijn geen twee woorden in klank en afleiding aan elkander
verwant, wier beteekenis zoo hemelsbreed verschillend is, als onbezorgdheid en
zorgeloosheid.’ 7 Xt. 271.
Onlust.
‘Elke stand heeft zijne genoegens en onlusten.’
Redv. 4, 370. Bekend is de formule in de oude koopcontracten ‘met
lusten en lasten.’ Vroeger gebruikte men meer dan thans het enkelvoudige
onlust. Men vindt het b. v. bij
Hooft en
Cats. Z. zijne novelle Onlust midden in de
lust.
Weil. merkt ook aan, dat het bijna niet meer
anders dan in het meervoud wordt gebezigd, z. Synon. 1, 309.
Ontginning.
‘In onze anders zoo rijke taal ontbreekt ons een woord, om het
Latijnsche novellatio, het Fransche defrichement uit te drukken.
Ontginning is daarvoor wel goed en eigenaardig, maar niet genoeg van algemeen
gebruik, noch in die beteekenis aan een ieder bekend. Uit dit alles blijkt, dat
de zaak zelve, het tot cultuur brengen van woeste gronden, in ons land later in
zwang geraakt is, en ook nu alle aanmoediging en ondersteuning noodig
heeft.’ Sal. 7, 38.
| | | |
Dit schreef
V. d. P. omstreeks 1814. Nu zoude hij het niet
meer doen , daar het woord en de zaak van algemeene bekendheid en gebruik
zijn.
Ontstaan.
‘Of wanneer hem dit ontstaat.’ 5 Xt. 251. Zie
Hooft,
Weiland.
Bilderdijk op
Hooft bl. 251 wil onstaan schrijven, ter
onderscheiding van ontstaan in den zin van worden, maar vgl. de
Proeve op
Bild. van Dr.
De Jager 210, en meerdere voorbeelden uit oude
schrijvers bij Dr.
Bisschop in het N. Archief van Dr.
De Jager l, 195.
Ontvouwen.
Van de zon: ‘maar oefent slechts deszelfs ingeschapen kracht
uit op andere voorwerpen, of ontvouwt ze onder verschillende
omstandigheden.’ 1 Xt. 116.
Weiland beweert, dat dit w. niet voor
ontwikkelen kan gebruikt worden, z. zijne Synon. 3, 11.
Oog.
‘Kom, laat ons elkander in het aangezigt zien.’ 2
Koning. 14, 8. V. d. P. aldaar: ‘eene uitdaging,
om een oorlogskans met elkander te wagen; wij zouden zeggen: laat ons elkander
onder de oogen zien.’
Oogappel.
‘Ook in andere talen is het gebruikelijk, iets, hetwelk
overdierbaar is, en welks bezit men met de meeste zorgvuldigheid gadeslaat en
bewaart, zijn oogappel te noemen.’ Sal. 8, 237. Dus ook op
Spreuk. 7, 2.
V. d. Palm had hier zeker voor den geest het Latijnsche
oculum esse alicui, in oculis esse, in oculis ferre, gestare.
Bij de oude Schrijvers komt de spreekwijze, iemand meer dan zijne
oogen te beminnen, dikwijls voor. Men zie de Adagia van
Erasmus en anderen p. 48 der uitgave van
Wechel 1643. Vgl.
Doering op
Catullus 3, 5 en vele anderen. Het bevreemdt ons,
dat
V. d. P. behalve in de gemelde aanteek. op
Spreuk. 7, 2, nergens hierover iets heeft. Immers vinden
wij deze spreekwijze al in het lied van
Mo-
| | | |
zes Deuteron. 32,
10: ‘Hij bewaerde hem als sijnen oogenappel.’ De kantteek.
heeft daar: ‘Als de menschen hunnen oogappel, die zeer teder is, naerstig
plegen te bewaren. Z. Ps. 17. 8; Zach., 2, 8. Vergel. Spreuk. 7,
2.’
Opvoeren.
Wanneer zijn opregte dienaar in ouderdom, gelijk
Elifaz zegt, ten grave komt, gelijk de rijpe
korenschoof in des landmans schuur wordt opgevoerd.’ Sal. 1,
218.
V. d. P. breidt hier eenigzins uit het gezegde
van Elifaz bij Job 5, 26, met
behoud van het eigenaardige woord opvoeren (waarover z. de kantteek. ald.), dat
hij echter in zijne overzetting niet heeft. Andermaal zinspeelde hij op die
plaats van Job in de Redv. 4, 325: ‘- en die niet
van ons worden weggenomen, dan toen zij als rijpe garven in de voorraadschuur
der eeuwigheid werden opgevoerd.’ Vgl. Redv. 1, 271.
Over.
‘Over vier dagen was ik vastende.’ Handel.
10, 30. Evenzoo de Statenoverzetting, in welke het ook elders voorkomt.
Het werd vroeger van den voorleden tijd gebezigd, volgens
Bilderd. in zijne Spraakleer 247:
‘Over had oudtijds de beteekenis van voor, en werd daarmede
verwisseld.’
Ypeij in zijne Aanmerk. 75 en Dr.
De Jager in zijne Handleid. 83 hebben
zich over deze beteekenis niet uitgelaten. De Hr.
Oudemans verklaart hieruit teregt de woorden
overgrootvader en overgrootmoeder, z. Mag. V. Nederl. Taalk. 1, 112.
Vgl.
Bruin. Synon. 1, 26. In onze spreektaal,
vooral in Noordholland, wordt over dus veel gebruikt, welligt minder elders, z.
Dr.
Nassau in het gemeld Magazijn, 1,
75.
Overheen.
‘Het middendenkbeeld is dat van buitensporigheid, of hetgeen
wij in den gemeenzamen toon der zamenleving gewoon zijn te zeggen, dat het er
over heen gaat, dat alle maat te buiten gaat.’ Sal. 2, 3.
‘In de gemeenzame taal zeggen wij somtijds: het gaat er over
heen, om den hoogsten trap van verkeerdheid of
| | | |
boosheid, die niet
langer te dulden is, aan te duiden.’ Sal. 7, 229.
Deze spreekwijze is welligt ontleend van een glas of voorwerp,
geschikt om vocht te bevatten. Hiermede schijnt in verband te staan ons
spreekwoord: de laatste druppel doet den emmer overloopen.
Overwegen.
‘Indien iemand zich ergert aan het woord wegen, toegepast op
een voetspoor, dat eigenlijk niet vatbaar is, om gewogen te worden, die
bedenke, dat er in alle talen vele overdragtige spreekwijzen zijn, die door
menigvuldig gebruik het burgerregt van eigenlijke verkregen hebben, zoodat
daarin het teeken met de beteekende zaak in elkander reeds als versmolten zijn.
Hebben wij niet in onze taal een sprekend voorbeeld van hetzelfde, dat wij hier
aantreffen? Want wat is overwegen anders dan herhaaldelijk wegen, wegen en
nogmaals wegen? men behoeft den klemtoon slechts te veranderen en dien op over
te plaatsen, om het terstond te gevoelen; en wien zou het ergeren, wanneer men
las: overweeg, welk spoor gij te kiezen hebt.’ Sal. 8, 166. Vgl.
Weil. Synon. l, 300.
Overwinnen.
‘Gelijk wij in onze dagelijksche taal, wanneer wij iets, na
strijd en moeite, zijn te boven gekomen, zeggen: dat wij het overwonnen
hebben.’ 5 VIt., 24.
Pak.
Van de pligtsbetrachting: ‘maar hij, die het deed en er zich
niet aan onttrok, al zeeg hij somtijds ademloos bij de pakken neder.’ 6
Xt. 188.
Deze spreekwijze is ook in de gemeenzame taal zeer gebruikelijk. Men
zegt: bij de pakken nederzitten, van iemand, die uit moedeloosheid zijne zaken
verwaarloost. De uitdrukking is vermoedelijk van lastdieren ontleend.
Redenares.
Sal. 8, 45. Uitvinderes, ald. 261. Leerares, l
Timoth. 2, 12. Dwingelandes, Leerr. 2, 39. In de
vertaling van
| | | |
het O. T. bezigt
V. d. P. meermalen dezen uitgang, maar bleef
zich hieren niet gelijk. Zoo heeft hij Ezech. 23, 45
overspeelster en bloedvergieteresse; Jesaja 57, 3
wichelaresse; Jeremia 46, 77 en 48, 19 inwoneresse.
Daarentegen 1 Sam. 8, 13 reukbereidster;
Ezech. 16, 38 bloedvergietster. Prof.
Siegenbeek keurde in zijne Lijst v.
aanleggeres, dezen uitgang, zoo het schijnt, af, en verkiest aanlegster, even
als verkoopster, uitdraagster. Evenwel is zangeres, dichteres, lezeres bij ons
aangenomen, en bij
V. d. P. voorhande, b. v. 2
Chron. 35, 25; Nehem. 7, 67 en elders in
zijne werken. Het w. gedaagdesse wordt door Prof.
Siegenb. mede afgekeurd als niet aan beide
geslachten eigen, zoo als andere, b. v. beschuldigde. De oude uitgang was
se of ssche, welke laatste in onzen Statenbijbel dikwijls
voorkomt, alsmede bij
Hooft en
Vondel. Z. de Handleid. van Dr.
De Jager, v Apothekeresse, aan wien wij
de aanwijzing der plaatsen uit het O. T., door ons in de vertaling van
V. d. P. nageslagen, verschuldigd zijn. Onlangs
heeft dezelfde taalgeleerde weder over dese vorming gehandeld in zijne
Latere Verscheid. 219. In Friesland hoort men nog Apothekersche.
Reuk.
‘Wij zeggen van iemand, die niet veel achting heeft bij
anderen: hij is in een kwaden reuk; terwijl men iemands karakter een blaam aan
te dichten, noemen kan: hem in een kwaden reukte brengen.’ Sal. 2,
377. Vgl. stinken.
Rijp.
‘Het woord rijpheid wordt van de oorspronkelijke beteekenis
overgebragt tot rijpheid der kennis en der ervaring, tot rijpheid van raad en
van uitvoering, en eindelijk tot den gunstigen uitslag, die doorgaans de
pogingen van welberaden menschen kenmerkt. Een goed staatsdienaar moet een man
van rijpen rade zijn, wiens doorzigt hem nimmer verlegen laat. Wij gebruiken
ook het woord rijp in dezen zelfden zin, gelijk uit de straks aangehaalde
spreekwijzen kan blijken.’ Sal. 3, 333, Vgl. gaar.
| | | |
Rillen.
‘Van koude rillen.’ Sal. 4, 349. ‘Het rilt
ons door de aderen.’ Leerr. 3, 162. Vgl. 2, 236.
Rillen wordt eigenlijk van de koorts gezegd. Z.
Bilderd. v. ree, rede. Rede
beteekende koorts. Volgens
Weil. Synon. l, 388 drukt het w. een
trillen of ligtelijk beven uit door vermindering van dierlijke warmte, en het
wordt, even als sidderen, van levende en gevoelige wezens uitsluitend
gebruikt.
Roede.
‘In den zin van stok, gelijk men b. v. zegt eene meetroede,
waarvan ook roede, voor eene zekere maat gebezigd, zijne beteekenis
ontleent.’ Sal. 7, 384.
Roer.
‘Die de wereld in roer hebben gezet.’
Handel. 17, 6. Meer gebruikelijk is in rep en roer, zoo
als men vindt in de Leerr. 2, 202.
Rust.
‘Rust beteekent allerlei voorspoed, inzonderheid na
doorgestane smart en kommer.’
V. d. P. op Ruth l,
9.
‘Tuchtig uwen zoon, zoo zal hij u ruste geven.’
Spreuk. 29, 17. Ald.
V. d. P. ‘Rust is hier het tegengestelde
van de zorg en bekommernis, die men lijdt van ontaarde kinderen; rust bekleedt
dikwijls de plaats van het zoetste levensgenot.’
Fraai heeft
V. d. P. over dit w. het volgende Sal.
4, 50. ‘Er is geen schat zoo groot als rust, en er is geen woord zoo
uitgestrekt van beteekenis, als het woord rust. De aangename gewaarwording, die
wij gevoelen, als wij een vermoeijenden arbeid hebben afgedaan, en de lang
gerekte spieren en vezels zich langzamerhand ontspannen, noemen wij rust. Den
slaap, die door geene angstige droomen is gestoord, waaruit wij verkwikt,
vrolijk en frisch ontwaken, noemen wij rust. Als wij door vrees en zorgen
gekweld waren, en de oorzaak onzer bekommernissen is opgehouden, dan zeggen
wij, dat wij tot rust geraken. Als twist en
| | | |
vijandschap onze dagen
verbitterd heeft, en wij zien de fakkel der tweedragt eindelijk uitgedoofd, dan
noemen wij de zoete herstelde eendragt rust. Als onze driften sluimeren en wij
tevreden zijn met ons lot, dan noemen wij deze onuitsprekelijke, zalige kalmte
des gemoeds rust.’
Rustig.
‘Dit woord heeft, behalve de gewone beteekenis van
onbeschroomd en welbesloten, die van gerust en ongestoord.’ Sal.
1, 76.
Schadevreugd.
‘De rede, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd
zeggen, is, omdat wij bij de uiteenzetting dezer zamenstelling, niet zeggen
kunnen, vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom
is ook het thans gebruikelijke leedvermaak af te keuren. De billijke klagt over
Germanismen in onzen hedendaagschen stijl zoude onbillijk zijn, indien wij
alleen de goede voorbeelden onzer naburen, en niet voornamelijk de slechte
volgden.’ Sal. 5, 44.
Schande.
‘Schande, die men lijdt, of die men anderen doet ondergaan. De
eerste of lijdelijke beteekenis schijnt aan het woord schande meer bijzonder
eigen.’ Sal. l, 266. Vgl. versmading.
Slecht.
‘Bij onze Overzetters beteekende dit woord eenvoudig,
onnoozel, dat met den aard des woords veel meer overeenkomt dan de latere
beteekenis. Slecht beteekent effen; slechten is, met den grond gelijk maken;
een geschil beslechten, is hetzelve vereffenen. De zeelieden spreken van slecht
water, en noemen eene kalme zee een slechte zee; en eindelijk ons spreekwoord:
slecht en regt geeft ook niet anders te kennen dan eenvoudig en opregt. Doch
het woord slecht, in den zin van eenvoudig, onnoozel gebezigd, heeft eene
gunstiger of ongunstiger beduidenis. Het kan eene goede hoedanigheid zijn;
| | | |
het of staat tegen over slim en doortrapt, of tegen schrander en bedachtzaam. In
zijne ongunstige beduidenis beteekent het wat wij nog heden ten dage een
slechthoofd noemen.’ Sal. 3, 172. Dus ook op Psalm
116, 6, en op Spreuk. l, 22.
Vgl.
Hooft. Over dit w. hebben wijders uitvoerig
gehandeld
Ypeij Taalk. aanm. 96, Dr.
De Jager in zijne Proeve over de werkw. van
herh. 196 volg. en in zijne Handl. 97. Vgl. zijne Latere
Verscheid. 351.
Slinksch.
‘Slinksche wegen in te slaan beduidt ook bij ons, zich van
bedrog en valschheid te bedienen, om tot zijn oogmerk te geraken.’
Sal. 6, 2.
Somtijds.
‘Dit woord beteekent ook bijgeval, misschien.’
V. d. P. op Matth. 4,
6.
Volgens
Bruin. Synon. 2, 194, heeft het ook de
beteekenis van op eenigen tijd, zonder eenig tijdstip te bepalen, en veel
overeenkomst met nu en dan.
Spel.
‘ - niet, dat heersch- en staatszucht hier geen schoon spel
vonden….’
Gallicisme, avoir beau jeu.
Spelen.
‘Kwaad doen is voor den dwazen spel.’
Spreuk. 10, 23. Ald.
V. d. P. ‘Deze spreuk schijnt te handelen
over de kracht der gewoonte, waardoor men iets, gelijk wij zeggen, al spelende
doet, zonder er over te denken, zonder er zich over te bekommeren.’
Eene breedere verklaring vindt men Sal. l, 184, ‘iets
zonder merkbare inspanning met zekere gemakkelijkheid en alsof het eene
uitspanning ware, verrigten, juist gelijk wij gewoon zijn met zulke dingen om
te gaan, die eene dagelijksche gewoonte ons ligt gemaakt heeft, zoodat wij ze
al spelende, of gelijk wij ook zeggen, al slapende en droomende kunnen
uitvoeren.
| | | |
Stinken.
‘Stinken van kwalijk geplaatste hoogheid. Eene bekende
uitdrukking in onze moedertaal geeft ons van dien onaangenamen indruk een zeer
levendig denkbeeld, door denzelven te vergelijken met de gewaarwording van een
onaangenamen en walgelijken reuk, waarvan wij ons, zoo ver wij kunnen,
verwijderen, daar wij gewoon zijn van een trotschen te zeggen: hij stinkt van
hoogmoed.’ Sal. 1, 271. Vgl. reuk.
Men zegh ook, zich stinkend maken, welke spreekwijze ook in onze
Bijbeloverzetting meermalen voorkomt. B. v. Genes. 34,
30, alwaar andere plaatsen in de kantteekening worden aangehaald.
Strijken.
‘Wij gebruiken het woord strijken in den zin van vleijen,
gelijk uit pluimstrijken blijken kan; maar inzonderheid geven wij deze
beteekenis aan het woord strooken, dat met streelen overeenkomt.’
Sal. 3, 355.
Het Latijnsche mulcere, demulcere heeft dezelfde
beteekenis.
Terugwerking.
‘Het nieuw uitgevonden zachtere woord terugwerking kan de
ijsselijkheid der rampen niet verbloemen, die met de zaak daardoor uitgedrukt
gepaard gaan.’ Redv. 4, 227.
Tienheid.
Het meervoudige tienheden, even als honderdheden, duizendheden,
afgekeurd door
V. d. P. Z. Redv. 5, 297.
Toeverzigt.
‘Het volkomenste toeverzigt heeft de plaats des argwaans
ingenomen.’ Leerr. 3, 296.
Verkeerdelijk voor vertrouwen. Het w. is als Germanisme afgekeurd
door Prof.
Siegenbeek v. Vgl. Dr.
De Jager in zijne Proeve over
Bilderd. 110, en den Heer
Oudemans in het Magaz. v. Ned. Taalk. 2,
236.
Twist.
‘Men gunne mij het woord twist in het vrouwelijk geslacht te
bezigen, gelijk de analogie vordert. Het is zeer
| | | |
ongemakkelijk, dat
het gebruik sommige woorden van dezen uitgang mannelijk heeft gemaakt, b. v.
dienst, en dus ook Godsdienst; de buiging van den tweeden naamval wordt
daardoor bijkans onmogelijk.’ Sal. 5, 3. Dit schreef
V. D. Palm in 1811 (D. 4 der eerste uitgave).
Het is bekend, dat
Bilderdijk later (1818) in zijne
Verhandeling over de geslachten bl. 88 aantoonde, dat de woorden op st
uitgaande vrouwelijk zijn, en dat Prof.
Siegenbeek in zijne Taalkundige
bedenkingen, (Haarl. 1827) bl. 24 volg., zich hiermede heeft vereenigd
1). Naderhand is het woord nog
wel eens ter spraak gekomen.
Uitbeelding.
‘In zijne ziel alleen kon de gedachte die kleur en uitbeelding
ontvangen.’ Redv. 3, 79.
Germanisme, ook veroordeeld door den Heer
Oudemans, Taalk. Magaz. 2, 242, die nog
wel eene andere plaats aanhaalt. Evenwel zegt men afbeelden, verbeelden.
Uitgezochtheid.
‘Keus en uitgezochtheid.’ [van woorden] Redv. 3,
131.
Vermoedelijk is dit woord van het Latijnsche exquisitus
ontleend, dat zoo dikwijls bij
Cicero voorkomt.
Uitoefenen.
‘Wraak uitoefenen.’ Bijb. v. d. J. l, 158. Dit w.
wordt in bescherming genomen door den Heer
Oudemans in 't Magaz. v. Nederl. taalk.
l, 239, maar is vroeger veroordeeld door Prof.
Siegenbeek in zijne Lijst v.
Uitsporen.
‘Hij zelf zoekt ze gretig op en spoort ze vlijtig uit.’
Sal.
| | | |
8, 55. Redv. 2, 281. Het schijnt een Germanisme.
Uitsporig vindt men in de Leerr. 1, 277, dat ook bij Weil.
voorkomt.
Uitsteken.
‘Goede wijn zegt het oude spreekwoord heeft geen uitgestoken
krans noodig.’ Redv. 4, 67.
V. d. P. had hier zeker het Latijnsche spreekwoord voor den
geest ‘vino vendibili suspensa hedera nihil opus.’
Uitvisschen.
‘Zoekende iets uit zijne mond op te speuren.’
Lucas 11, 54. V. d. P. ald. ‘Het woord is
van de jagt ontleend; wij zouden in zulken zin zeggen: uit te
visschen.’
Het Latijn heeft expiscari, zoo als mede door V. D.
P. is opgemerkt, Sal. 6, 237. Weil. in zijne Synon.
3, 207 zegt: ‘het woord duidt aan, dat men daarbij op eene slinksche
wijze te werk gaat.’
Uitzamelen.
‘Zij zullen uit zijn Koningrijk uitzamelen alle
ergernissen.’ Matth. 13, 41, d. i. uitwerpen. Wij
hebben dit w. elders niet gevonden. Onze overzetting heeft aldaar, volgens den
grondtekst, vergaderen, en vs. 30 en 48 uitwerpen, afzonderen, alwaar V. d.
P. heeft uitzoeken, vergaderen.
Vatten.
‘In een rotsigen grond heeft hij gevat’
Job 8, 17, van eene plant. V. d. P. ald.
‘Het Hebr. woord komt hier volkomen overeen met ons taalgebruik, waarin
vatten ook gebezigd wordt van gewassen, die wortelen schieten.’
Verdorren.
‘Verdord van takken, verwelkt van bladen.’ Redv.
2, 240.
Het woord verwelkt schijnt hier minder juist en eigenaardig
gebezigd. Wij meenen, dat het w. verdorren van bladen gebruikelijk is; het komt
b. v. dus voor in de Sterrenhemel van
V. Alphen: ' 't Verdorde blaadje
schuifelt niet.'
Planten en bloemen verwelken, verleppen, verflensen. Juister drukt
V. d. P. zich uit in Sal. 2 , 312.
| | | |
‘Zie deze edele plant, hare bloesems verwelken, hare bladen
hangen slap en krachteloos neder,’ en Leerr. 2, 105 heeft hij
‘onverwelkbare planten.’
Vgl. Weil. Synon. 3, 255.
Verscheidenheid.
‘Daardoor wordt niet enkel veelheid of meerderheid der deelen
door mij bedoeld, maar ook een soortelijk verschil tusschen dezelve; of minste
zulke eene zamenvoeging der eenerlei gedeelten, waardoor verschil in den vorm
wordt te weeg gebragt.’ Redv. 5, 298.
Vgl. de fraaije omschrijving bij Weil. Synon. l, 155
en 3, 30. Zie mede Bruin. Synon. l, 433.
Verschieten.
‘De verschoten en verkleurde haren, als waren zij door
sneeuwvlokken verzilverd.’ Sal. 6, 422.
Het komt ons eenigzins twijfelachtig voor, of verschieten van het
hoofdhaar kan gezegd worden.
Weiland kent wel aan het woord bepaaldelijk het
begrip van verbleeken toe, z. Synon. 3, 238, en beweert, dat verkleuren
alleen beteekent eene andere kleur aannemen; maar wij kunnen hem niet toegeven,
dat verschieten alleen van het verbleeken van stoffen wordt gezegd, en niet van
het menschelijk gelaat, waarvoor verkleuren zoude moeten gebruikt worden,
zoowel in den zin van verbleeken als van blozen. Immers het gebruik bewijst het
tegendeel. Men zegt: hij verbleekte van schrik, niet hij verkleurde. Ook hoort
men daarvoor, hij verschoot van kleur. Hij verkleurde is niet aangenomen; wel:
hij kleurde op dat zeggen, of hij kreeg een kleur.
Verslinden.
‘Menschenkind, eet hetgeen gij vindt, eet deze rol.’ -
Ezech. 3, 1. V. d. P. ald. ‘Wat eeten of
opeeten van het boek in zinnebeeldige taal te kennen geeft, is niet moeijelijk
na te gaan. Hier inzonderheid beteekent het, den zin daarvan zich geheel eigen
maken, 'tgeen de Latijnen zeiden: in succum et sanguinem convertere. Elders
| | | |
beteekent 't, gretig verslinden, met graagte lezen, en het gelezene
behouden. Z. de aanteek. op Jerem. 3, 1.’ Op deze
plaats zegt V. d. P. ‘Ook wij gebruiken het woord verslinden
(devoréren) in dergelijken zin, ook van boeken, die men
leest.’
Het Latijn heeft mede devorare libros, b. v.
Cicero, ad Atticum 7, 3. Elders, de
Finib. B. et M. 3, 2, zeer aardig, heluari libris. Het gretig
luisteren naar iemands woorden wordt door
Plautus in de Aulularia 3, 6, 1, ook
eten genoemd. ' Nimium lubenter edi sermonem tuum.'
Bij welke plaats sommige uitleggers ook naar het O. T.
verwijzen.
Versmading.
‘Dit wordt, zoo wel in den lijdelijken als in den dadelijken
zin, gebezigd, daar de lijdelijke beteekenis aan het woord schande meer eigen
schijnt te wezen.’ Sal. l, 266.
Verstellen.
‘Geheel versteld en verbasterd.’ Sal. 7, 304 en 9
Xt. 219.
D. i. veranderd, vermomd. Z. Weil. en de Taalk.
Handl. van Dr. De Jager 123.
Verstolen.
‘De jonge maagd haar huis verlatende, om haren minnaar een
verstolen woord toe te spreken.’ V. d. P. op het Hoogl.
2, 15. Verstolen blik, Redv. 2, 65 en 87.
Dit w., door sommigen voor een groven Germanisme verklaard , is door
Prof. Siegenb. v. goedgekeurd, en door Bilderdijk meermalen
gebruikt, z. de Proeve van Dr. De Jager 122.
Verwaten.
‘ - en trok de verwatene schijndeugd dit schouders voor u
op.’ Redv. 2, 136.
Volgens Bruin. Synon. l, 219 vereenigt de w. de
beteekenissen van trotsch en vermetel. De eerste beteekenis is vervloekt. z.
over dit w. de Proeve over Bild. van Dr. De Jager
219.
| | | |
Verzadigen.
‘Dit woord heeft (even als het Latijnsche pasci) de dubbele
beteekenis van: zich verlustigen, behagen scheppen, en zich te voeden, zich zat
te eten.’ V. d. P. op Spreuk. 14, 14. Vgl.
Sal. 3, 163.
Verzorgen.
‘Dit w. wordt door V. d. P. wel eens gebruikt voor
bezorgen, b. v. Redv. l, 209. Op Levitic. 5, 15.
Dus ook Redv. 4, 51.
Het komt ons bedenkelijk voor. Verzorgen duidt immers aan, zijne
zorgen aan iets wijden, en bezorgen beteekent, iemand iets geven, iets doen
toekomen, in 't bezit van iets stellen?
Vlugten.
‘Om ze te vlugten voor het aangezigt der Midianieten.’
Rigt. 6, 11. V. d. P. ald. ‘het woord
vlugten in eene werkelijke, niet in eene lijdelijke beteekenis, gelijk wij van
gevlugte goederen spreken. Het was niet noodig, hiervoor bergen in de plaats te
zetten, daar het Hebreeuwsche en het Nederduitsche taaleigen hier volmaakt
overeenkomen.’
Onze Statenoverz. heeft hetzelfde w. Vgl. Dr. De Jager in
zijne Proeve van werkw. v. herh. 246, en in zijne Handleid.
v.
Voorgaan.
‘Voorgaan, beteekent in het Hebr., even als in het
Nederduitsch, zoowel vooruitgaan als te boven gaan.’ V. d. P. op
Spreuk. 18, 12.
Vrede.
‘Een staat van liefderijke eensgezindheid, verwijderd van
twist en vijandschap.’ Sal. 2, 273.
‘Alles wat wij op aarde voor wenschelijk houden, zijn wij
gewoon onder het woord vrede te bevatten.’ 10 VIt. 58.
Van de bevrijding van zorgen of van de heugelijke omkeering van ons
lot schrijft V. d. P. in 't 2 VIt. 228, ‘die streelende
gewaarwording van kalmte en rust kunnen wij met geen beter naam dan dien van
vrede benoemen.’
| | | |
Vriendenmaal.
‘Een gul en eenvoudig vriendenmaal, hetwelk, naar ons
Hollandsch spreekwoord, haast bereidis.’ Sal. 7, 170.
Vrucht.
‘Het is ook in onzen Westerschen stijl gebruikelijk, dat wij
den loop, de belangrijke uitwerkselen eener zaak vruchten noemen.’
Leerr. 1, 261.
Waarheid.
‘Wij kunnen van waarheid spreken in tweeërlei zin; of,
voor zoover zij als een voorwerp onzer erkentenis, tegen dwaling en leugen; of,
voor zoo ver zij in de beteekenis van wezenlijkheid, tegen bedrog en schijn is
tegenovergesteld.’ Drie Leerr. 16.
Weinig.
‘Met weinige - ophelderen.’ l VIt. 91.
Latinisme, teregt veroordeeld door Prof. Siegenbeek
v. Vgl. zien.
Wereld.
‘Dan zal het bed te kort zijn, om zich uit te strekken.’
Jcsaj. 28 , 20. V. d. P. ald. ‘Dit schijnt
een spreekwoordelijk gezegde, om aan te duiden: alles zal te eng en te bang
zijn! Wat wij zeggen: de wereld is hem te naauw, zei men in het Hebr. het bed
is hem te kort, om zich uit te strekken, enz., eene zeer eigenaardige
spreekwijs.’
Werk.
‘Het is eene algemeen aangenomen waarheid, dat het werk zijnen
meester loont, en een ieder vergelding ontvangt voor hetgeen hij verrigt
heeft.’ Sal. 2, 215. Vgl. kwaad.
Wijsheid, z. zoon.
Wind.
‘Wan niet met alle winden.’ Spreuk. van
Sirach 5, 21. V. d. P. ald. ‘wij zeggen: waai niet
met alle winden.’ Deze spreekwijze vindt men reeds in de kantteekk. op
den Statenbijbel, z. de Latere Verscheid. van Dr. De Jager 419.
Onze dichter Van Lennep heeft ze ook niet vergeten bij de rijke
verzameling van spreekwijzen aan het w. wind ont-
| | | |
leend, in zijn Zeemanswoordeboek, 264, alwaar hij het verklaart ‘hij praat ieder
naar den mond.’ In gelijken zin schreef reeds Tuinman over dit
spreekwoord bl. 10: ‘D. i. 't is een weerhaan, een ongestadig mensch. -
Van zulk een zegt men ook: hij hangt de huik na den wind.’
Woorden.
‘Mirjam en Aäron hadden woorden met
Mozes.’ Numeri 12, 1. Ald. V. d.
P. ‘Anderen, spraken met of tegen Mozes. Het Hebr. spreken
wordt ook van twisten gebezigd, en is dit niet ons woorden hebben?’
Wraak.
‘Daar is een stem des bloeds van uwen broeder, 't welk tot mij
roept van den aardbodem.’ Genes. 4, 10. Ald. V.
d. P. ‘Eene figuurlijke en dichterlijke wijze van voorstellen, ook
bij ons niet ongebruikelijk, wanneer wij van iets zeggen, dat het om wraak
schreeuwt.’
Wrak.
‘De romp van een schip zonder mast of tuig.’ V. d.
P. op Joël 1, 7.
Deze bepaling is onvolledig. Beter is die, welke door den Luitenant
ter Zee T. Pan is gegeven in zijne aanmerk, op V. Lenneps
Zeemans-woordeboek (Recensent, Dec. 1857): ‘Een wrak is een
schip op een rif, bank of op de kust gestrand en bestookt door wind en golven,
of reddeloos omdrijvende. Het kan dus met of zonder masten zijn. Als het
eindelijk uiteengeslagen wordt, dan noemt men de stukken, die in zee omdrijven,
wrakhout.’
Zalig.
‘Wanneer wij wezenlijk geluk en daarbij het hoogste geluk
willen aanduiden, - dan gebruiken wij het woord zalig.’ 10 VIt. 71.
‘Wat het woord zalig oorspronkelijk beteekene, - ik vermoede,
dat het denkbeeld van gezellige vreugde in hetzelve is opgesloten.
Ten Kate [II. 533] denkt er anders over, die
dit woord liever van ziel schijnt te willen afleiden.’ Sal. 2,
272.
| | | |
Bild. v. zalf verschilt. Fraai is door
Weiland over dit woord gehandeld in zijne
Synon. 2, 204. Bekend is de zamenstelling gelukzalig.
Zee.
‘Gansche zeeën van tranen en van bloed.’
Leerr. 3, 278. ‘eene onzekere zee van lotgevallen.’ 7 VIt.
141. ‘de wisselvallige zee dezer wereld.’ Leerr. 2, 217.
‘zee van twijfeling en tegenspraak.’ Drie Leerr. 17.
Elders gebruikt V. d. P. het woord Oceaan. ‘Deze
aarde is een druppel in den Oceaan der Werelden.’ 5 VIt. 67.
‘Wereldmonarchij, in een oceaan van bloed en tranen verzonk zij.’
Redv. 2, 271.
Weil. Synon. 2, 413 keurt deze hyperbole niet af, en
vermeldt, behalve zee van bloed en tranen, nog zee van vuur, van zorgen en
wederwaardigheden. Hij oordeelt, dat zee tot den gemeenzamen en oceaan tot den
deftigen stijl behoort. Vgl. de Proeve van Huydec. l, 115, die
vele voorbeelden uit Vondel aanhaalt, en zie mede
V. Lelyveld ald.
Zegen.
Het algemeene denkbeeld in dit w. opgesloten, is, dat het geluk van
God afkomstig is, zelfs de goede uitslag onzer pogingen en beleid. Het wordt
niet gebezigd van al wat met eer en deugd strijdig is. Het verijdelen,
mislukken van ons verlangen en begeerten noemt men soms ook een zegen. Men
spreekt van verborgen zegen. Dit alles en nog meer vindt men ontwikkeld in
Sal. 4, 257 volg. De plaats was te uitgebreid, om hier over te nemen,
maar wij bevelen de lezing daarvan dringend aan, als een meesterstuk van
taalkundige ontleding; als een der juweelen, die den Salomo
versieren.
Weiland bespreekt dit w. in zijne Synon. 3, 373, en
vermoedt, op voorgang van
Adelung v. sege en signum, dat het w. uit het
Latijnsche signum in het Duitsch is overgebragt bij de invoering van de
Christelijke godsdienst. Ten Kate 2, 554, en Bild. v. houden
zegen en zege voor een.
| | | |
Zien.
‘Van wien wij straks nader zullen zien.’ 2 VIt. 88.
Sal. l, 122, d. i. spreken, handelen. Latinisme: De quo mox
videbimus. Vgl. weinig.
Zieners.
‘De Profeten gaven voor, klaarder en meer te zien, waarom zij
zieners en hunne voorzeggingen gezigten genoemd worden.’ V. d.
P. op Micha 3, 6.
Zoon.
‘Kinderen der wijsheid, is eene geheel Oostersche uitdrukking;
en echter, wij ook, wij hebben haar overgenomen, en bezigen ze dagelijks, als
wij spreken van wijsheidszonen. De beminnaars, de aanhangers, de betrachters
der wijsheid verstaan wij er door; echte zonen der wijsheid noemen wij hen
dikwijls, die haar beeld dragen, gelijk een kind het beeld zijns vaders.’
6 VIt. 4.
Zout.
‘De eigenschappen van het zout zijn voornamelijk twee: de
eerste, dat het door zijne prikkeling de spijze smakelijk maakt, - de andere,
dat het dezelve voor bederf bewaart. Door deze twee hoedanigheden is zout een
zinnebeeld geworden, om hetgeen voortreffelijk en onontbeerlijk is, aan te
duiden. Op het spreken toegepast, wordt er aangenaamheid, bevalligheid,
gepastheid door te kennen gegeven. - Ook wij noemen onbehoorlijke, laffe taal
ongezouten.’ 11 Xt. 138.
Zwak.
‘Ieder vindt zijn hoofdgebrek geringer en minder hatelijk dan
dat van anderen, - hij noemt dit zijn zwak, en daar toch ieder gezegd wordt
zijn zwak te hebben, getroost hij zich deze kleine vlek, die een schoon gelaat
niet altijd ontsiert.’ Sal. 4, 189.
Men zegt in onze gemeenzame taal zwak op of voor iets hebben, in de
beteekenis van op iets zeer gesteld te zijn , om het te bezitten, te
bewaren.
|
1)[Breeder werd het verkeerde gebruik van
lommer, in
Van der Palms Werken, aangewezen door den
Heer
Oudemans, in zijne Gemengde Taalkundige
Bijdragen en Bedenkingen (Leiden 1845), bl. 46 en 47; een werkje, dat bij
onze taalminnaars niet de aandacht heeft getrokken, die het verdient. De Schr.
wijst t. z. pl. ook aan, dat V. d. P. het woord lommer in driederlei
geslacht gebruikt. -
A. d. J.].
1)[Het is intusschen óók
bekend, dat
Van der Palm later over het vrouwelijk
gebruik van dienst in tegenovergestelden zin schreef: ‘Ik ontveins
niet, dat ik dit (vrouwelijk gebruik) met eenig leedwezen heb opgemerkt,
vermits ik in dit, zoo wel als andere woorden van gelijken uitgang, een gebruik
eerbiedig, dat zelfs in de spraak der mindere volks-klassen is
overgegaan.’ Brief aan
Siegenb. voor diens Taalk. Bedenkk.
(Haarl. 1827, bl. XIV). Men weet insgelijks dat prof.
Kinker tegen het vrouwelijke dienst
heeft geprotesteerd; zie zijne Beoordeeling van
Bild. Spr., bl. 96. -
A. d. J.]
|
|