|
|
|
| |
Queckenoot.
In de belang- en leerrijke ‘Nalezing op de bijdrage tot de
kennis der Noordhollandsche volkstaal’ wijdt de schr. op bl. 112 van den
Taalgids, 2de jaarg. eenige woorden aan bovenstaand
Middelnederlandsch substantief, over welks beteekenis geen twijfel kan
oprijzen. Ook de afkomst van dit zamengesteld zelfstandig naamwoord ligt zoo
dicht voor de hand, dat ik het overbodig zou geacht hebben de aflei-
| | | | ding er van mede te deelen, had ik niet op bl. 111 gelezen, dat
queckenoot doorging voor eene contractie van queckenhoofd!
Waarlijk, zóó ver behoeft men niet te zoeken.
Het zamengestelde queckenoot ontleedt zich als van zelf in
quecke ‘levend’ en noot, een woord dat men in bijna
alle oudere en in enkele nieuwe Duitsche dialekten terugvindt. Het
Oud-hoogduitsch bezit nôz, het Ags. neát, het
Oudnoordsch naut, en het Zweedsch nöt, alle in den zin van
‘vee’ of meer bepaaldelijk van ‘hoorn-vee, rund-vee
juk-vee.’ We mogen veilig aannemen, dat ook het Mnl. queckenoot
deze meer beperkte beteekenis zal gehad hebben.
Bijaldien het iemand eenigzins mocht bevreemden, dat in
queckenoot een adjectief ‘quecke’ voorhanden is, zonder dat
men ziet, waartoe het eigenlijk dient, dan verwijs ik hem naar de woorden
quica fe, d.i. ‘levend vee’ in den 67sten
Oud-nederlandschen of Karolingischen psalm, vs. 11
1).
Het werkwoord, waaronder noot is te brengen, is het Goth.
niutan, ons (ge) nieten, waartoe ook nut behoort en
in het Latijn utor, usus. Naardien het Goth. niutan zoowel
‘vangen, krijgen’ als ‘genieten, benuttigen’ aanduidt,
durf ik niet beslissen, op welk van beide begrippen het substantief noot
steunt. Het doet gelukkig ook niets ter zake, of men aan noot de
oorspronkelijke beteekenis van ‘bezit, have,’ even als aan het
Grieksche κτῆνος toekent, of die van het
‘gevangene, getemde vee’ De begrippen van ‘have, goed,
geld’ en ‘vee’ zijn in vroegere tijden zoo naauw verbonden en
zoo innig versmolten, dat men vergeefsche moeite doet met ze te willen
scheiden. Men vergelijke slechts ons vee met het Goth. faihu, het
Lat. pecus met peculium, pecunia, het Slavische skot
‘vee’ met ons schat, enz. Veel | | | | wetenswaardigs
heeft
Grimm hierover verzameld in zijn Gesch. d. d.
Spr. I, bl. 20. Des noods zouden wij dus queckenoot mogen opvatten als
‘levende have, levend eigendom,’ ingeval ons de zoo straks gegeven
overzetting minder beviel. Dat we gerechtigd zijn aan noot evengoed het
denkbeeld van ‘have’ als dat van ‘vee’ te hechten,
blijkt uit het bovengezegde en ook uit het oud-noordsche andvara-nautr.
Zoo heet de ring van god Odhin (Wodan), die eenmaal het eigendom was van den
reus Andvari. Wel is waar pleegt men dit woord te verklaren als ‘de
medgezel (genoot) van Andvari’ doch dat is eene verklaring, die erger is
dan de bekentenis van onwetendheid. Vooreerst kan nautr op zich zelf
bezwaarlijk ‘genoot’ te kennen geven, dewijl het denkbeeld van het
genootschappelijke niet in ‘noot,’ maar in ‘ge’ ligt
opgesloten. Of zou men meenen, dat het Fransche pain, het Gothische
hlaifs, op zich zelf staande, ‘gezel’ kan beteekenen, dewijl
com-pagnon, ga-hlaiba ‘d.i. iemand met wien men zijn brood
deelt’ zulks uitdrukken? of dat het Hoogd. gefährte, d.i.
‘vaart-, reisgezel’ kan vervangen worden door fahrt alleen?
- Dan, gesteld al eens, dat nautr voor ga-nautr stond, dat
ga, zooals wel eens meer in het Oud-noordsch gebeurt, is uitgevallen,
zooals ook in ons Nederl, speelnoot voor speelgenoot, gesteld ook
al eens, dat deze mogelijkheid tot werkelijkheid geworden was, blijft het dan
niet even ongerijmd te veronderstellen, dat het ooit in iemands brein kon
opkomen, den ring! van een' persoon aan te duiden met den naam van diens
‘gezel’? - Kortom, er is niets hoegenaamd, dat ons nopen kan die
frissche, gezonde Noormannen tot zulk een onzin in staat te achten; integendeel
hebben wij allen grond aan te nemen, dat andvaranautr is ‘het
eigendom, het kleinood van Andvari.’
Maastricht.
H. Kern .
|
1)Ik maak mij sterk te bewijzen, dat de
Karolingische psalmen niet in het Oud-saksisch vervaardigd zijn, gelijk
Hoogduitsche geleerden op hoogen toon, maar natuurlijk onbekend met onze taal
en hare tongvallen, en dus zonder verstand van zaken verkondigen, maar in een'
Limburgschen, naar het Nederrijnsch trekkenden tongval, misschien in dien van
Wachtendonk nabij Venlo, de plaats waarnaar het handschrift genoemd
is.
|
|