De Taalgids. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: Dr. A. de Jager en Dr. L.A. te Winkel (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Derde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1861.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 40]

Tiental nederlandsche spreekwoorden,

door P.J. HARREBOMÉE.

 

I. Daar loopt een draad door.

Wanneer men wil te kennen geven, dat eene zaak niet zuiver is, dan drukt men dit uit door te zeggen: Daar loopt een draad door.

Dit spreekwoord is van der Engelschen handeling oorspronkelijk, en heeft waarschijnlijk zijn aanwezen gekregen sedert den Engelsch Noord-Amerikaanschen oorlog. Hoe en op welke wijze wij, van 1780 tot 1784, in dien oorlog betrokken waren, is uit de geschiedenis bekend.

De Engelschen hadden de gewoonte, om al het voor de marine benoodigde met een' blaauwen draad te doortrekken, en zoo werd het ons als contrabande, overmagtig, door hen aangewezen; maar leerden wij er tevens, voorzigtigheidshalve, door, het als voetangels en klemmen te mijden. Al wat nu vervolgens verdacht voorkwam, waaraan men zich de vingers kon branden, en wat men dien ten gevolge als de pest had te schuwen, duidde men, waarschuwend, aan met het zeggen: Daar loopt een draad door.

Deze verklaring wordt bevestigd door Wiselius in De Jagers Taalk. Magazijn, I. bl. 202 en 203.

Bij V. Lennep lezen wij, in zijn Zeemans-Woordeboek, bl. 58, het volgende: ‘Er loopt een draad door (het is niet richtig). - De oorsprong van deze spreekwijze wordt op de

[p. 41]

volgende wijze verklaard. Toen er in de laatste helft der achttiende eeuw oneenigheden bestonden tusschen ons Gemeenebest en Engeland, en onze vloot langer in Texel bleef liggen, dan met den toen zeer oorlogzuchtigen geest van onze kooplieden strookte, werd 's Lands Regeering beschuldigd, “dat onze schepen met Engelsche Touwen aan den wal vast lagen,” met andere woorden, dat men zich door Engelsch geld had laten omkoopen, om geen bevel tot uitzeilen te geven. Daar nu door het touwwerk der Engelsche zeemacht een blaauwe draad tot onderscheidingsteeken loopt, drukten de misnoegden hun kwaad vermoeden uit door deze beeldspraak: “de schepen kunnen niet weg; zy liggen vast aan de kaai, en er loopt een Draad door het Touw.”’

II. Hij heeft voor putger gevaren.

Witsen heeft den putger niet opgenomen. Om daaruit evenwel te besluiten, dat die betrekking aan boord niet bekend was, zou te veel verondersteld zijn. Dit is zeker, dat Winschooten, wiens Seeman tien jaren, nadat Witsen zijne Verklaringen van scheeps Spreeck-woorden, en verscheiden eigen benamingen in het licht gaf, uitkwam, den putger niet kende; ofschoon hij toen wel bekend was, daar dezelfde Winschooten verzekert, dat hij bij Hugo van Linschooten voorkomt, ‘die hem niet reekend onder de bootsgesellen, nog onder de jongens.’ Verder slaat hij er naar als de blinde naar het ei, en wil hij zijn' lezer met zich in den maalstroom medevoeren. Hij zegt toch, na de opgegeven betuiging: ‘de leeser mag met mij gissen, wat hij daardoor verstaat: misschien een kuiper.’ Misschien een' kuiper? en waarom dezen? Ondertusschen was de zaak in 1718, dat is 37 jaren nadat Winschooten dien vreemden uitval deed, nog altijd even duister, daar de anders zoo heldere Meerman, in zijn Comoedia Vetus, of Bootsmans-praetje, op het woord putger, aldus zich laat hooren: ‘wie door dezen naem betekent wort by

[p. 42]

de zeeluyden is my, hoe naeuw ik 'er nae gestikt heb, onbekent: elk slaet 'er nae, doch 't waerschynelykste is, dat 'er de man door verstaen wort, die voor op den boodt of sloep op den haek past, om daer mede aftekeeren of aen te haelen.’ Geen' grond voor zijne veronderstelling gevende, laat Meerman het waarom? in 't midden l).

Nog twee andere spreekwoorden gaan op het gezag van den putger uit, nl. Dat wisten de slechtste putgers wel te zeggen (voor eene zaak, die Jan en alleman weet), en Een putger zou zich dan wel voor stuurman durven verhuren (voor eene onbelangrijke zaak, waaraan men voor een ei of een' appel komen kan) Hij heeft voor putger gevaren, geeft alzoo te kennen: het is een man, om op een' man toe te geven; het is er één van: wat geldt het honderd? schar (of: sprot) is in geen tel: die verkoopt men bij het bosje.

Hoe onvolledig de denkbeelden over den putger ook mogen zijn uitgebragt, kan het, dunkt mij, bij nadenken, niet twijfelachtig zijn, terwijl het zeer wel strookt met de beteekenis der drie spreekwoorden, aan den putger ontleend, dat men aan den man, die de puts, den wateremmer, hanteert, te denken hebbe, en dat alzoo de putger niemand anders is dan de jongen, die den boêl schoon houdt, de zwabber.

Zoo ver was ik met mijne veronderstelling gekomen, toen ik met V. Lenneps Zeemans-Woordeboek kennis maakte.

Daar leest men ‘Putger (veroud.) Lager officier op een schip. Mesonauta, minister abjectus in navi wordt hy by Kiliaan genoemd.

 
De wachter van 't kajuit, de Putjer, de Provoost,

zegt Vondel, Lof der Zeevaart. - En in zijn Harpoen:

 
Had hy niet reê geweest voor putjer en koksjongen.

Waarschijnlijk is 't woord van Puts afgeleid en beteekent den man, die 't schip schoon maakt.’

[p. 43]

[Anders luidt de verklaring van dit woord, gegeven door A. Verwer, in Nederlants Seerechten, enz. (Amst. 1730), bl. 131: ‘Putkers beduidt sloep-, boot-roeijers, in 't Sweets; en is een seer ouderwets woort. Kiliaan heeft het echter ook in syn Nederduitsch Woordenboek. Sy noemen 't ook Praemare. Wy soo wel als syluiden, heten noch eene praem sulk Vaertuig, dat, niet door den wint maer door menschenkracht, voortgeduwt en gepraemt wort. De Sweden spellen Pytkare; want y geldt in hunne sprake, als uu by ons.’ Het bestaan van het woord pytkar in de Zweedsche Zeemanstaal wordt bij Verwer gestaafd, bl. 49 en 50, waar het tweemaal voorkomt in oude Zeeregten, in genoemde taal geschreven. - A. d. J.].

III. Hij is in de boonen, en plukt erwten (of: Hij dwaalt in de boonen rond).

Wanneer iemand zich in verlegenheid bevindt, en daardoor erg in de war raakt, dan zegt men: hij zit in den brand, hij is in de pruimen, hij zit in de soep, of hij is in de boonen. Het laatste is het sterkst van uitdrukking, en wil doorgaans meer zeggen, daar de verbijstering meesttijds zoo groot is, wanneer men van iemand zegt: hij is in de boonen, dat men die uitdrukking met het is hem in de hersens geslagen op ééne lijn plaatst. Tuinman, Reddingius, V. Eijk, Wassenbergh en V. Hall vinden den oorsprong van dit spreekwoord in den sterken geur, dien de boonen in den bloeitijd van zich geven, een geur zoo sterk, dat hij bedwelmt. Tuinman zegt: ‘de boonen konnen in 't bloeyen door haaren laffen reuk de herssens ontstellen.’ Reddingius verzekert, ‘dat de boonen, als zij bloeijen, door haren sterken reuk, ons eenige bedwelming kunnen veroorzaken, ja in eene beslotene plaats (?) ons de herssenen geheel ontstellen.’ Ook Van Engelen 1), Was-

[p. 44]

senbergh en V. Hall geven, nagenoeg met dezelfde woorden, gelijken oorsprong aan het spreekwoord. ‘Wij kennen,’ zoo leest men bij V. Eijk, ‘de wel aangename, maar sterke reuk der boonen, inzonderheid der paardeboonen, zoodat het zelfs zeer gevaarlijk is, zich in derzelver nabijheid, tijdens haren bloei, te slapen te leggen. Wie er zich dan lang in ophoudt, geraakt bedwelmd.’ De paardenboonen zijn het vast niet, die het spreekwoord wil. Hij is in de boonen, en plukt erwten doet ons, om zijn toevoegsel, aan voedsel voor menschen denken.

Lemnius denkt ter opheldering van dit spreekwoord aan den vereenigden invloed van de lente en het bloeijen der boonen op het hersengestel der menschen; zie De Jagers Taalk. Mag. D. III. bl. 483 en 484.

Ik geef in bedenking, of men de zaak niet wat sterk gekleurd heeft. Toegegeven, dat de geur der bloeijende boonen voor den slapende nadeelig is, zoo staat dit met den geur van vele bloemen nog maar gelijk. Maar dat die geur bedwelmt, heb ik althans nooit ondervonden; evenmin is mij een voorbeeld bekend, dat het iemand door dien geur in 't hoofd is geslagen, en hij niet wel bij het hoofd is geraakt.

Halbertsma denkt in het spreekwoord aan het Friesche boun voor verwarden knoop. Men oordeele, of er eenige grond bestaat, om zijne bewering aan te nemen. In zijn Letterk. Naoogst, bl. 217, schrijft hij: ‘Maar (het Friesche) boun heeft ook nog de beteekenis van een knoop, die in de war is. It jern iz yn' e boun, het garen is in de war. De bisten binne yn' e boun, de runders loopen in de war, in het wilde. Van dit laatste boun hebben de Stad-Friezen, zot genoeg, boonen gemaakt. Ik ben geheel in de boonen, ik ben de plank geheel en al mis 1).’

[p. 45]

Kan het spreekwoord ook een geschiedkundig feit tot grondslag hebben? Mij dunkt, dat deze vraag bevestigend dient beantwoord te worden. Na den slag vermeld te hebben, die, nabij Westkappel, eene bloeijende, maar sedert door de zee verzwolgen stad, tusschen Gui van Dampierre, zoon van Margaretha, bijgenaamd Zwarte Margriet, Gravin van Vlaanderen, en Floris, broeder van Willem II, Graaf van Holland, op den 4en Julij 1253 voorviel, geeft Arend, in zijne Alg. gesch. des Vaderlands, 2e Deel, 1e Stuk, bl. 251, aldus den afloop van den strijd te kennen, waarin ‘de Hollanders onder de Vlamingers woedden, even als de maaijers onder de stoppelen,’ en die met eene totale vernietiging van Margaretha's legermagt eindigde: ‘Groot was het getal der gevangenen, die “met hopen, oft scape waren,” voortgedreven werden, terwijl eene menigte naakt en berooid rondzwierf. Ondertusschen is Koning Willem te Arnemuiden aangekomen, waar hij met de mare der behaalde zege verwelkomd wordt. Hij snelt naar het slagveld, om den dapperen Floris, op het tooneel der overwinning zelf, tot ridder te verheffen. Op den weg stroomen hem geheele scharen weerlooze, naakt uitgeschudde vlugtelingen te gemoet, welke, om zich te bedekken, groene erwtenstruiken om de lenden gestrengeld hadden, en hem, met opgeheven handen, genade smeeken. Hij dankt God, en met het lot dezer ongelukkigen bewogen, laat hij hen, doch “also naket als si waren,” bij hoopen met schuiten naar Vlaanderen overzetten.’ Gargon denkt aan dien oorsprong, als hij, in de Walchersche Arkadia, II. bl. 277 en 278, in de noot, zegt: ‘Zwarte Margriet, Gravinne van Vlaanderen, viel met een groot leger in Zeeland, terwijl Graaf Willem in Braband was, onder 't gebied van haaren zoon Gwye, maar wierd te Westkapelle geslagen, en de gevangen naakt uitgeschut, en als beesten gekoppeld opgedreven, zich met loof en groente van boonen en erweten bedekkende, waarvan welligt de spreekwyze: Hy is in de boonen.’

[p. 46]

IV. Zij heeft eene hand met een gat.

Van eene doorbrengster, eene vrouw, die niet op hare huishouding past, maar die al lang den roem en den room van de zaak heeft afgeschept, zegt men: Zij heeft eene hand met een gat. Tuinman, van eene verkwistster sprekende, zegt: ‘zy kan geen geld bewaren, zij laat het door de vingeren druipen,’ daardoor het spreekwoord verklarende; terwijl hij eene hand met een gat aldus aanduidt: ‘zulk een hand is als een doorgeboorde buidel,’ daarbij Hag. I: 6 aanhalende. Hare zakken zijn van duivelsleêr: zij kunnen geen kruis behouden. Het zou niet helpen, al had zij van daag een koe en morgen een paard. Van Waesberge zegt: ‘is er niet meer daar de schoorsteen van rooken kan, en vallen de muizen dood voor de etenskas, dan verwijt de man zijne vrouw, dat zij een gat in de hand heeft, en het geld haar door de vingers druipt.’ Ook Mulder, daar hij Tuinman naschrijft, is van hetzelfde gevoelen. Modderman zegt: ‘waar de vrouw eene hand heeft met een gat er in; niets anders mag dan kiekentjes en randjes van pannekoeken; geenszins bedenkt, dat rapen een edel kruid is, omdat de geheele wereld op rapen uit is; waar zij immer aan vetpot en pannetjevet blijft spelen, en niet weet, dat wie een goed vischje heeft, het in den ketel moet houden; dáár moge ze kijken, alsof ze gebakken had, het gaat alles met den pot te vure; zijn de kipjes gekloven, dan wordt magerman kok; men heeft het geluk zoo vast als een hand vol vliegen; en de tevredenheid maakt aan tafel en in huis weldra plaats voor misnoegdheid en ongeluk.’ Bogaert toont mede, dat hij het spreekwoord op dezelfde wijze verstaat, en de verzamelaar der spreekwoorden in den Almanak van 1740 is van geene andere gedachte. Allen doen ons denken aan eene vrouw, die geen acht op haar huishouden slaat, wanneer zij het spreekwoord bijbrengen: zij heeft eene hand met een gat.

Ondertusschen gold het spreekwoord vroeger in anderen

[p. 47]

zin, niet voor doorbrengen, maar voor milddadig zijn, blijkbaar uit Jacob van Maerlants Spiegel Historiael (tekst van Dr. Verwijs), III. bl. 8, kol. 2:

 
‘Vredegont met milder hant
 
Gaf juweelen ende groten scat
 
(Soe hadde in haer hant een gat).’

Het spreekwoord komt dus bij Van Maerlant op dezelfde wijze voor, gelijk men het thans nog bij V. Waesberge aantreft. Waarschijnlijk is de milddadigheid te hoog opgevoerd, en langzamerhand in overdadigheid overgegaan, en later, ook bij overdrijving, in verkwisting. Zoo laat het zich natuurlijk verklaren, hoe dit spreekwoord, in zijne toepassing, geheel van aard kan veranderd zijn.

Ik teeken hierbij aan, dat ook het spreekwoord: Hij heeft kromme vingers (of: Hij is krom gevingerd), waardoor men den dief teekent, vroeger mede eene andere beteekenis had, nl. die van gierig zijn, blijkbaar uit denzelfden Van Maerlant. Dr. Verwijs, III. bl. 18, kol. 1, zegt:

 
Gregorius quam te hem bi nachte
 
Ende hiet, dat hi hem hier af wachte
 
Vanden aermen te verstekene
 
Ende van achtertale te sprekene;
 
Maer Fabiaen en gaver niet omme,
 
Ende hilt emmer sijn hant int cromme
 
Entie tonge ghevenijnt.’

V. De hanevoet is hem gestrooid (of: gebreid).

Wanneer iemand zijn leven in gevaar brengt, of zich zelven in 't verderf stort, dan zegt men: De hanevoet is hem gestrooid (of: gebreid). Deze beteekenis wordt door Sartorius, den eenigen verzamelaar, dien men over dit spreekwoord kan raadplegen, opgegeven. Hij stelt dan trouwens ook het spreekwoord: Hij hengelt om de kaars, hiermede gelijk. Dit laatste

[p. 48]

spreekwoord, meer algemeen bekend, komt met de opgegeven beteekenis volmaakt overeen.

De hanevoet is een vergiftig kruid, eene beteekenis van 't woord, die hier alleen gelden kan, ofschoon ze afwijkt van Weilands opgave, die, bij het woord haan, in de zamenstellingen, hanevoet eene bloem noemt. Ook het Algemeen nuttig en noodzaaklyk stad- en land-huishoudkundig Woordenboek, wil aan eene bloem gedacht hebben. Op het woord hanevoet wijst het op ranuncul, en de ranonkel is eene algemeen bekende zaaibloem, die, in hare verschillende schakeringen, bijzonder schoon mag genoemd worden. Bij Bilderdijk komt het woord niet voor. Zonder nu de laatste beteekenis te willen verwerpen, kan zij voor dit spreekwoord niet dienen.

Behalve bij Sartorius komt het spreekwoord tweemaal voor bij Gheurtz; beide verzamelaars hebben gebreid. Gestrooid maakt het spreekwoord verstaanbaarder dan gebreid, ofschoon breijen, in de beteekenis van strikken of vlechten, mede een' goeden zin aan het spreekwoord geeft. Gebreid zou ook voor uitgebreid kunnen gelden; en dan wordt het spreekwoord klaarder van uitdrukking.

Oudemans, in zijn Woordenboek op de Ged. van G. Az. Bredero, bl. 143, dit spreekwoord bijbrengende, zegt: ‘denkelijk zal dit zooveel beteekenen als: er staat mij wat ergs te wachten.’ Dat dit denkbeeld juist is, mits men er bij voegt, dat zulks door eigen schuld veroorzaakt wordt, heb ik aangetoond.

Maar als hij, op de volgende bladzijde, zegt, dat ‘het misschien een matrozen uitdrukking was, nemende hanepoot voor hanevoet, is zijne gissing ongegrond. Hanepoot is wel ‘een zeker scheepstouw;’ maar dit werd niet ‘gebezigd, om hem, die straf verdiend had, af te ranselen,’ en wordt geenszins met hanevoet verwisseld. Hanepooten zijn, volgens Witsen, ‘zes, acht of thien smalle touwetjens, die van elkandre gescheiden, en door de blocks gestoken werden, genaemt doodtmans oogen;’ terwijl hij er op volgen laat: ‘dit geschiedt tot pronck; men voeghtze aen de bram-zeils-stengen en bezaens-stagh, oock op de bezaens-roe en onder de mars.’ In

[p. 49]

deze beschrijving, noch in die, door Winschooten en V. Lennep gegeven, wordt van hanevoet gewag gemaakt. Pan 1) en de beoordeelaar in de Alg. Konst- en Letterbode, no. 4, van 1857, die elk dezelfde twee fouten in V. Lenneps beschrijving van hanepoot opmerken, doen dit evenmin. Gold hanevoet voor hanepoot, voorzeker had de scherpzinnige Pan dit aangewezen. Maar al was 't zoo, dan is hanepoot nog geen eindje dag, en we waren voor 't spreekwoord niets gevorderd.

VI. Wie een ander overmag, Biedt hem zelden goeden dag.

Wie zich boven iemand verheven acht in rang of stand, doet hem zijne meerderheid gevoelen. Men wijst dit aan door het spreekwoord:

 
Wie een ander overmag,
 
Biedt hem zelden goeden dag.

In de verzameling van spreekwoorden, te Campen gedrukt, heet dit: Wye den anderen vermach, die biedt hem selden gueden dach, wat door Meijer ook zoo wordt overgenomen; maar waarbij hij a anteekent: ‘iemand vermoghen’ zegt zooveel als: ‘even magtig of aanzienelijk zijn.’ Was het waar, dat deze beteekenis hier gelden moest, dan had het spreekwoord slot noch val. Vermach moet dus vroeger hetzelfde hebben willen zeggen als thans overmag. Om aan eene drukfout te denken, gaat niet aan; want ook Gheurtz heeft vermach. Hij zegt: Wie den andere vermach biedt hem quaedendach. Spieghel heeft: Die een ander overmach biet hem zelden goeden dagh. Zoo ook Gruterus, Cats en de verzamelaar der Sel. Prov.

Oudemans, die in zijn Woordenboek op de Ged. van G. Az. Bredero, bl. 278, het spreekwoord bijbrengt, herinnert er aan, dat het ‘zeer oud is,’ omdat het bij Meijer gevonden

[p. 50]

wordt. Maar daar Meijer niet armen, maar anderen in het spreekwoord opneemt, had hij òf dit woord niet moeten schrijven, òf er hebben bijgevoegd: armen, lees: anderen. Immers het zeggen:

 
En die armen over mach,
 
Biedtse selden goeden dach,

heeft geen' goeden zin; want daar men den armen altijd overmag, komt geene voorwaardelijke uitdrukking te pas.

VII. Hij heeft de schaamschoenen uit- en de hondsschoenen aangetrokken.

De ware schaamte is naauw aan de deugd verbonden; daarom zegt het spreekwoord: schaamte kwijt, eer kwijt; een ander: schaamte mijdt overdaad, en een derde: waar vrucht is, daar is ook schaamte. Zoo zegt men ook naar waarheid: wie beschaamdheid vreest, verdrijft de schande; waarom dan ook de schaamte in de oogen beter is dan eene vlek in het hart. Maar er is ook valsche schaamte, en die zich daaraan overgeeft, brengt het niet ver in de wereld. Er komen dus vele gevallen in het leven voor, waar de schaamte is buitengesloten. Immers

 
Daar de schaamte schade baart,
 
Is zij van een' zotten aard;

Den behoeftige is de schaamte onnut, en

 
Wat baat schaamte en schande,
 
Als er honger is in den lande?

Zoo begrijpt men, dat iemand de schaamte den kop afbijt; want

 
Bij gebrek van brood
 
Is de schaamte dood.

Schaamte en vrees houden daarom elkander in bedwang, en gaan hand aan hand. Het spreekwoord zegt zoowel: daar geene schaamte is, is geene vrees, als: waar geene vrees is, daar is geene schaamte.

[p. 51]

Wanneer evenwel de zotternij iemand daar doet gaan, waar de schaamte hem doet blijven, dan komt hij al ligt aan de grenspaal der deugd; want wie de schaamte doorgebeten heeft, is met schande vervuld, en moet met stank scheiden. Is de kaars uit, dan is de schaamte uit.

Dat niet en weet, dat niet en deert, en daarom: zonder weten, zonder schaamte. Daar echter de wolf ligt eene oorzaak vindt, waarom hij het lam eet, zoo wordt er ook door den mensch al vrij wat uitgedacht, om zijn kwaad te bedekken. De hoovaardij schuilt zoowel in wollen laken als in zijden stoffen; maar schaamte moet deksel hebben.

Speelt dus de schaamte eene voorname rol in de wereld, ja kan men menigmaal van haar zeggen, dat zij de eerste viool speelt, het is dan niet duister, waarom en wanneer men van schaamschoenen spreken kan. Wat men door schaamschoenen te verstaan hebbe, is niet moeijelijk na te gaan. De spreekwijzen: Niet vast in zijne schoenen staan, niet zuiver in zijne schoenen steken, zijne stoute schoenen aantrekken, zijne oude schoenen weêr opzoeken, ieder schoenen naar voeten geven, iemands schoenen opzoeken, iemand met looden schoenen nagaan, iemand achten als zijn' ouden schoen, en zoo vele andere meer duiden niet anders aan, dan dat de schoen als zinnebeeld gebruikt wordt, om iemands gangen, dat is: zijne handelingen, aan te duiden. Zoo ook in de overdragtige uitdrukking schaamschoenen, dat bedeesde, ontmoedigende handelingen aanduidt, dat is: handelingen, die te kennen geven, dat men de overtuiging heeft, niet te zullen slagen. En zoo staan de schaamschoenen tegenover de hondsschoenen. De hondsschoenen duiden handelingen van onbeschaamdheid aan, dat is: handelingen, waarin onversaagdheid, overmoedigheid wordt aan den dag gelegd.

Is dit nu niets dan onzin? Bilderdijk zegt dat van de schaamschoenen; ‘want noch om zich te schamen, noch- om zijne schaamte te bedekken, trekt men schoenen aan.’ Letterlijk opgevat, is dit zeker zoo; maar waar blijft men dan met alle zinnebeeldige uitdrukkingen! Of dus ‘deze uitdruk-

[p. 52]

king geheel onverstandig is,’ laat zich voor 't minst betwijfelen; dat ze ‘geen loop heeft behouden,’ is onwaar, en wordt door de tegenwoordige dragt der schaamschoenen, zoowel als door die der hondsschoenen wedersproken: hoe velen gaan er nog heden in hunne schaamschoenen, waar anderen op hunne hondsschoenen loopen.

Servilius zegt: Hi heeft zijne scaemscoenen wt gedaen; Gheurtz: Ghy muet donschamel schoenen aentrecken; V. Alkemade: Schaamteloose schoenen aantrekken. Tuinman spreekt van de schaamschoenen uitdoen en de schaamschoenen t' huis te laten. Halbertsma zegt: Men moet soms de onbeschaamde schoenen aandoen.

Gheurtz spreekt mede van hondsschoenen, en wel van Hondsschuen aen hebben; terwijl Tuinman, V. Eijk en Mulder zeggen: Hij heeft de hondsschoenen aangetrokken.

Alleen bij Tuinman vindt men het spreekwoord in zijn geheel. ‘De hond,’ zegt hij op eene andere plaats, ‘is een zinnebeeld van verscheide ondeugden, als gulzigheid, nyd, quaadspreken, onbeschaamtheid, enz. Om de twee laatste kregen Diogenes en zyne leerlingen den naam van Cynici, hondsche wysgeeren, vermits zy yder over den hekel haalden, en zelf de borgerlyke schaamte hadden afgelegt. Ook niet weinige in onze eeuw hebben de schaamschoenen uit, en de hondsschoenen aangedaan. Veele dragen nu hondsleêren handschoenen; maar nog al vry meer dusdaanige hondsleêren schoenen.’

Ik wil hierbij nog opmerken, dat men ook in een ander opzigt genoodzaakt is, de schaamschoenen uit te doen, nl. wanneer de begeerte er toe leidt of de nood er toe dringt, gelijk blijkt uit de beide volgende spreekwoorden: Die wat hebben wil, moet de schaamschoenen uittrekken en Nood moet de schaamschoenen aan eene zijde zetten.

[p. 53]

VIII. Als de boonen bloeijen, De zotten groeijen.

Al vroeg in het voorjaar beginnen de boonen, de tuinboonen nl., ook wel boerenboonen genaamd, te bloeijen; want zij behooren onder de eerste tuinvruchten, die gelegd worden: in Maart, of, als de vorst voorbij is, nog vroeger. Dat is tevens de tijd, waarin de gek uitkomt, daar men van hem, die een' slag van den molen weg heeft, zegt: Men kan wel aan hem bemerken, dat de blâren weêr haast aan den boom komen. Dat wordt voor den gek te regt zijn groeijen genoemd; want groeijen is grooter worden. Als dus V. Eijk zegt: ‘Wij meenen, dat, in dit spreekwoord, groeijen alleen om het rijm is gekozen, en men door hetzelve, daar bij het aankomen en vallen der bladeren de gekken het ergst zijn, heeft willen aanduiden, dat zij in den zomer op hun best zijn,’ maakt hij eene dubbele fout, of liever: alles is misgezien, behalve de tusschenzin. 1e. Groeijen is niet om het rijm gekozen, maar om de natuurlijke gesteldheid van den gek te teekenen; terwijl het groeijen der gekken daarenboven zeer juist nevens het bloeijen der boonen wordt gesteld. 2e. Geen best zijn der gekken, maar hun ergste toestand wordt in het spreekwoord geteekend, dat daarenboven niet in den zomer, maar in het voorjaar plaats heeft, te gelijk met den bloeitijd der boonen.

In de verzameling van spreekwoorden, te Campen gedrukt, leest men: Die Bonen bloeyen mit hem, dat is: zijne zielsgesteldheid komt met die van den aard der bloeijende boonen overeen, gelijk mede: Als de Bonen bloeyen, soe en sint die gecken niet wijs. Gruterus heeft: Als de boonen bloyen, beginnen de sotten te groyen, door den verzamelaar der Adag. quaedam aldus voorgesteld: Als de Boontiens bloeyen, dan siet men de Sottekens groeyen.

[p. 54]

IX. Het zijn kwade putten, daar men het water in dragen moet.

Een put is een diep in den grond uitgegraven gat. En ofschoon men ook van een' droogen put spreekt, zoo ligt het in den aard der zaak, dat waar er van een' put sprake is, men er water in veronderstelt. Te regt worden dus de putten, daar men het water in dragen moet, met den naam van kwade putten benoemd. Het is daarom vrij natuurlijk, dat men het spreekwoord: Het zijn kwade putten, daar men het water in dragen moet, toepast op onbevattelijke menschen of onwillige vrijers. Cats denkt aan de laatsten, als hij zegt:

 
Daer wast geen liefde door gewelt;
 
Des laet den jonghman ongequelt,
 
En laet hem soecken sijn geval,
 
Daer hem sijn herte leyden sal:
 
Men vint toch noyt de putten goet,
 
Daer in men water dragen moet.’

Tuinman heeft het oog op eene soort van de eersten, denkende aan ‘zommige Rymers,’ die ‘een Hengstebron in 't hoofd hebben,’ zegt hij: ‘Is ymand geen Poëet geboren, hy blyve met zijn verssen t' huis. Konst beschaaft de natuur, maar verandert die niet. 't Zyn quaade putten, daar men 't waeter in dragen moet.’

Of de toepassing, die Winschooten maakt, steek houdt, betwijfel ik. Hij zegt: ‘het spreekwoord het is een quaade put, daar men het waater in draagen moet beteekend oneigendlijk: het sijn geen fraaije luiden of kinderen, die men tot haar welvaaren dwingen moet.’ Men kan immers geen' put dwingen, om water te geven. Het geval, zoo als 't hier wordt voorgesteld, staat ook lijnregt tegenover dat der onwillige vrijers: hier wordt van dwingen gesproken, en bij de onwillige vrijers het onnatuurlijke, om geweld te gebruiken, aangewezen.

Het spreekwoord komt reeds in de oudste spreekwoorden-

[p. 55]

verzameling, de Prov. seriosa, voor, waar het heet: tis een quaet put daerment water in draecht, alsof men dit werkelijk doet, daar toch de bedoeling is: indien men er water in wenscht, zou men 't er in moeten dragen, nl. voorwaardelijk. In het te Delf gedrukte exemplaar staat: tes een quade put daer men twater al in ghieten moet.

In de te Campen gedrukte verzameling staat: Het is een quade putte, daermen t water in draghen moet; mede bij Gheurtz: Tis een qvaede put daermen twater in draegen muet; gelijk ook Zegerus heeft: Tsyn quade putten daermen water in dragen moet.

Bij Gruterus komt het spreekwoord driemaal voor, ééns vrij onnatuurlijk aldus: t' Is een quaden bornput, daermen water in draagt, en toch is het in Het Mergh van de Nederlandsche Spreekwoorden op dezelfde wijze opgenomen. Een bornput, daar men water in draagt! Het is immers onnoodig.

Bij V. Alkemade luidt het spreekwoord: t' Zijn slechte Putten, daar men 't waater in pompen moet, en De Brune heeft het aldus:

 
Die putten en zijn nimmers goed,
 
Daer in men 't water draghen moet.

X. Hij zit met het mes in den buik.

Bevindt iemand zich in eene groote ongelegenheid, uit welke bijna of in 't geheel geen uitkomen te wachten is, dan wordt het spreekwoord gebezigd: Hij zit met het mes in den buik. Ik kan mij dus niet vereenigen met de zienswijze van Tuinman, die zegt: ‘dit spreekwoord drukt uit, dat men ymand niet afhelpt van eenige zwaarigheid of ongelegentheid, maar in dien staat laat blyven, op dat hy altoos in ymands magt zy.’ Zoo toch wordt de zaak, door het spreekwoord voorgesteld, meer aan een ander geweten, ja deze zelfs als een ware kwelduivel voorgesteld, dan de oorzaak der moeitevolle omstandigheid bij den persoon zelven gezocht, geheel in tegenstelling met de beteekenis van het spreek-

[p. 56]

woord. En als Tuinman daar later op volgen doet: zo lang 't mes noch in den buik steekt, is de wonde niet geneeslyk, en kan t'elkens vernieuwt en vergroot worden,’ dan geeft hij er door te kennen, dat het ongeval voor verergering vatbaar is, terwijl het zich veeleer voordoet, als zijn hoogste standpunt van pijnlijke onrust te hebben bereikt.

De zin van het spreekwoord is beter gevat door V. Eijk, als hij zegt: ‘die veroordeeld is, zich den buik te openen, èn het mes er in te laten zitten, verkeert in den pijnlijksten toestand, en zoo ook hij, die van zijn bezwaar niet ontheven wordt;’ waarbij hij tevens toont, aan den oorsprong van het spreekwoord te denken. Hij gaat er echter niet zeker op, daar hij vraagt: ‘zou dit ook ontleend zijn van de bekende strafoefening bij de Japanezen, menigmaal door de Hollandsche zeelieden, tijdens de drukke vaart op Japan waargenomen?’ Wij mogen dit veilig buiten twijfel stellen, daar het van de vroegste tijden af, dat onze zeelieden met dit volk in aanraking kwamen, en even zoo bij de Chinezen, de gewoonte was, gelijk nog heden ten dage, om, bij moeijelijke omstandigheden, waarin zij (Japanezen of Chinezen) zich bevinden, met eigen hand zich den buik open te snijden. Niet als strafoefening evenwel, zoo als V. Eijk zegt, maar uit eergevoel; niet op bevel van een ander, maar eigenwillig, wordt die daad bedreven. Onder de kennis, die men den Japanees of Chinees bijbrengt, behoort vooral de theorie van het gelukkig uiteinde, die nooit wordt verzuimd, en die nergens anders in bestaat dan in het kunstmatig opensnijden van zijn' eigen' buik. Het zou voor een' edelman, ja voor een ieder, die de eer op prijs stelt, al zeer onfatsoenlijk staan, wanneer hij hierin van de gewone gebruiken afweek. Bij de aanvaarding van eene openbare betrekking wordt aan den Japanees of Chinees een mes ter hand gesteld, waarmede hij verpligt is, zich letterlijk den buik open te rijten (eerst door eene opwaartsche, en daarna door eene dwars-snede, naar de lessen, die hij over deze kunst heeft geleerd), indien hij in eene of andere ongelegenheid komt, waardoor hij aan zijne ver-

[p. 57]

pligtingen niet kan voldoen, al ware die ongelegenheid door hem niet te voorkomen geweest, of zelfs geheel buiten zijn toedoen ontstaan. Door deze handeling voorkomt hij de schande, die anders zelfs op zijn geslacht overgaat, maar die thans met hem ten grave daalt. De misdadiger ruimt zich dan ook niet stilletjes uit de voeten, neen: in feestgewaad gedost, van vrienden en magen omringd, houdt hij eene oratie, werpt daarna zijne opperkleederen af, en brengt zich, kalm en gelaten, de beide sneden toe, die een einde aan zijn leven maken. Bij gelegenheid, dat de kaart van Nipon werd uitgevoerd, zijn al de tolken, die daartoe de hand hadden geleend, verpligt geworden, zich den buik open te snijden.