De Taalgids. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Vierde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1862.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De taal een vraagstuk van natuurkundig onderzoek.

In het Album der Natuur, 1862, No. 3, wijdt de Hoogleeraar J. van der Hoeven een artikel aan de taal en de vergelijkende taalkennis in verband met de Natuurlijke Geschiedenis van den mensch. In dit opstel worden zeer belangrijke stellingen besproken. Wij laten er eenige van volgen, en hopen onze lezers daardoor op te wekken het stuk in zijn geheel te lezen. Geen beter uiterlijk kenmerk, waardoor de mensch zich van de dieren onderscheidt, dan de taal; geen volk hoe ruw en onbeschaafd het ook zij, of het heeft eene taal, daarom kan ook de taal als een vraagstuk van natuurkundig onderzoek beschouwd worden. Al moet de vraag, welke de oorsprong der menschelijke taal zij, onopgelost blijven, het onderzoek kan toch zeer belangrijke waarheden aan het licht brengen, even als b.v. de geologie, ofschoon zij niet met volkomen zekerheid kan zeggen hoe de aarde geworden is, over vele zaken een verras-

[p. 135]

send licht verspreid heeft. Alle op ervaring berustende of dusgenoemde inductive wetenschappen doorloopen drie verschillende tijdvakken: het empirische, het rangschikkende en het theoretische. Al is de vergelijkende taalkunde in het derde, is het niettemin noodzakelijk dat de werkzaamheden van het eerste en tweede met ijver worden voortgezet.

Nopens de rangschikking wordt opgemerkt dat, zoowel met betrekking tot de talen als tot de andere takken van menschelijke kennis, eene slechte te verkiezen is boven in het geheel geene rangschikking, omdat bij een volslagen gemis geen geregeld overzigt mogelijk is. De rangschikking geschiedt op grond van de verwantschap der talen. De overeenstemming in spraakkunstige vormen is eene meer wezenlijke overeenkomst dan de gelijkheid der woorden. Zoo zou het Engelsch, als men alleen op de woorden lette, met evenveel recht bij het Fransch als bij de Duitsche taaltakken gebragt kunnen worden; maar de geest en de wetten van het Engelsch doen het als een der takken van den stam der Germaansche talen beschouwen. - Het Sanskrit, de oude Indische taal, heeft grooten invloed op de studie der vergelijkende taalkunde gehad. De Aziatische Societeit in 1784 te Calcutta opgerigt, heeft vooral aanleiding gegeven om de aandacht op die taal te vestigen. Hoe meer feiten verzameld werden en hoe dieper men in de kennis der onderscheidene taaltakken doordrong, des te meer overeenkomsten werden er opgemerkt en zoo kon, wat bijeen behoorde, bijeen gebragt worden. De groote verdeelingen, waartoe het onderzoek en de vergelijking der talen leidden, waren niet dezelfde als die, welke de natuurlijke geschiedenis van den mensch voor de onderscheidene volkstammen heeft aangenomen.

Vervolgens wordt de vraag gedaan, welke de groote algemeene hoofdvormen of typen zijn waartoe de talen kunnen gebragt worden, De eerste, de eenlettergrepige (monosyllabische), de tweede de aanklevende, de derde de verbuigende. Tot dezen laatsten typus behooren dan de zooge-

[p. 136]

noemde Indo-Germaansche of Ariaansche en de Semitische talen (Syrisch, Hebreeuwsch, Arabisch enz.). Deze drie afdeelingen vertegenwoordigen drie verschillende trappen van ontwikkeling. Als voorbeeld wordt opgegeven dat er tusschen het Latijnsche amabo (ik zal beminnen) en het Fransch j'aimerai volstrekt geen gelijkheid bestaat. Dit aimerai is een vorm, in lateren tijd ontstaan, en bestaat uit de onbepaalde wijs aimer en de eerste pers. enk. ai van het werkwoord avoir, hetgeen nader bevestigd wordt door het Provençaalsch, waarin men ai in den toekomenden tijd van het werkwoord afgescheiden vindt, b.v. dir vos ai in plaats van je vous dirai, waaruit blijkt dat je dirai (ik zal zeggen) het Fransche futurum, oorspronkelijk eene zamenstelling was en ik heb te zeggen beteekende. In alle talen verdienen dus de wortels in hooge mate de aandacht. In de monosyllabische taal der Chinezen zijn zij zonder verbinding naast elkander geplaatst, in de aglutinerende zijn de bestanddeelen verbonden, maar zoo, dat men de voegen en naden nog duidelijk ziet; eerst in de verbuigende talen, zijn zij zoo innig vereenigd, dat ze slechts door het mikroskoop van den vergelijkenden taalkenner ontdekt kunnen worden en hunne oorspronkelijke beteekenis dikwerf verloren hebben. Aangaande de wortels en hunne beteekenis werden twee meeningen vermeld. Aan den eenen kant wordt beweerd dat de taal haren oorsprong aan natuurklanken verschuldigd is, en aan den anderen kant dat zij ontstaan is uit nabootsingen van geluiden. Beide onderstellingen worden als ongenoegzaam afgewezen. Wel kunnen zij dienen om het ontstaan van enkele woorden, geenszins om het ontstaan der taal te verklaren. Meer waarde hecht de schrijver aan eene andere hypothese, dat de wortelwoorden in het algemeen òf benamingen van eigenschappen òf aanwijzende woorden geweest zijn, waaruit de onaanneemlijkheid van het gevoelen volgt, dat alle woorden hun ontstaan te danken zouden hebben aan wortels, die de beteekenis van werkwoorden hadden en geen naamwoord oorspronkelijk zou kunnen wezen.

[p. 137]

Ook de onleedkunde kan het vraagstuk omtrent de wording der menschelijke taal, als voorstelling van gedachten en gewaarwordingen door gearticuleerde klanken niet oplossen. Het groote raadsel ligt in de keuze der klanken, waarvan de mensch zich bij het spreken bedient. Kinderen leeren de taal die zij hooren, en geven spoedig blijken, dat zij een vermogen bezitten om aan voorwerpen, hoedanigheden, werkingen enz. namen te geven, meestal ontleend aan andere hun bekende namen, zoodat de taal van een kind arm is, vele synonymen heeft en rijker wordt naarmate de ontwikkeling van het individu en zijne geschiktheid om te onderscheiden toeneemt. De taal is een uiterlijk kenmerk van den mensch. Aan dat uiterlijk beantwoordt een innerlijk, een kenmerk van den menschelijken geest: het vermogen om begrippen te vormen. Dat vermogen is de eerste grond der taal. Namen berusten op algemeene begrippen. Gedachten en woorden zijn als ziel en ligchaam vereenigd.