De Taalgids. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Achtste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1866.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nederduitsche spreekwoorden.

(Vervolg van bl. 213 VIIe jaargang).

 

II.

 

Dronken mond spreekt 's harten grond, Ned.-Gron.-Z.Vl. - Hier: Dronken menschen en kleine kinders zeggen de waarheid. De Heer Harrebomée heeft (II, 432): Kinderen en gekken (of: dronken lieden) zeggen de waarheid.

Droomen is bedrog, Ned.-Gron. - Ook Zeeuwsch-Vlaamsch, doch volledig, d.i. gelijk H. het heeft I, 157.

Een aardje van 't vaartje hebben, Ned.-Gron. Dial.-Nedersaks. - Hier: Hij heeft een aardje naar zijn vaartje. - Zegt men in het Ned. Saks. van eene dochter: Oortjen van 't Moortjen, hier hoort men, minder kiesch, zoowel van zoon als van dochter: Hij (zij) heeft het sop van zijn (haar) moer gezopen, zeker wel beteekenende: Hij heeft dat met de moedermelk ingezogen, of: Hij heeft het zijne moeder afgezogen - Gelijk bekend is, laten de Zeeuwen in het dagelijksch leven de h niet in de uitspraak hooren; vandaar, dat som-

[p. 108]

migen bij: Hij heeft een aardje naar zijn vaartje denken aan een haartje (uitgesproken aartje), een hoofdhaar, o.i. echter verkeerdelijk. Verder hoort men hier nog het spreekwoord: Zij heeft een snoertje van haar moertje. Bij H. vond ik dit niet.

Een appeltje met iemand te schillen hebben, Ned.-Gron. Dial. - Zeeuwsch-Vlaamsch. - Hier ook: Een eitje met iemand te pellen -, of: Een nootje met iemand te kralen hebben. Ik vond bij H. het laatste spreekwoord niet.

Een bonk of bot in 't been hebben, Gron. - Hier, met gelijke beteekenis: Ik heb een been in mijn been, overeenstemmende met: Eenen Knaken (Knochen) im Been haben, Holst. Idiot. - Even algemeen is hier de, op soortgelijke wijze gebezigde uitdrukking: Ik kan 't niet doen: 'k heb een been in mijn arm. - Vragen de kinderen b.v. om een cent en wil men hun dien op schertsende wijze weigeren, zoo zegt men: Ik kan u dien niet geven: mijn elleboog kan niet in mijn zak.

Een ongeluk komt niet alleen, Ned. - Hier: Een ongeluk komt nooit of komt zelden alleen.

Eere bewaard en kosten bespaard, Gron. Ook Zeeuwsch-Vlaamsch. Meer algemeen hoort men echter: Kost gewonnen is veel gewonnen. - Zijn er velen genoodigd en komen er weinigen, zoo hoort men algemeen: Weinig volk, lekker eten, een spreekwoord, dat ik bij H. te vergeefs gezocht heb. Komt een genoodigde niet, en gevoelt men zich daardoor eenigermate beleedigd, zoo spreekt men: 't Is goed: Die niet komt, moet niet weggaan, of bloot: moet niet gaan.

Een woord, een woord; een man, een man. Hier luidt het juist omgekeerd: Een man, een man; een woord, een woord, en zoo wordt het dan ook bij H. gevonden.

Eerste winst is katjeswinst, Gron. - Hier, met gelijke beteekenis: 't Eerste gewin is kattengespin. Van sommigen hoort men: 't Eerste gewin is kattegespil, of: kattespil, katjesspil. Kan kattengespin alleen om des rijms wille voor kattespel staan, dat hier altijd kattespil luidt? - Bij H. vind ik echter alleen: Het, eerste gewin is kattengespin, I, 232, hetgeen dit laatste, wanneer men nagaat welke verschillende bronnen

[p. 109]

de schrijver geraadpleegd heeft, niet heel waarschijnlijk maakt. De eigenlijke beteekenis van: Eerste winst is katjeswinst zal zijn, zegt de Heer Molema: de eerste winst is voor de kat, met de eerste winst gaat de kat heen. Wij vinden deze verklaring niet onaannemelijk; maar hoe nu, als in plaats van kattengewin kattengespin komt te staan? Wie geeft ons hier eene verklaring, die meer dan eene bloote gissing is? Zijn er nog streken in Nederland, waar men in dit spreekwoord, in plaats van kattengespin, kattengespil, kattespil, katjesspil zegt? Verder verdient het de vermelding, dat men in plaats van: 't Eerste gewin Is kattengespin van velen hoort: Eerst gewonnen Is katje gesponnen, en dat de eerste winner, wanneer men hem spottend toevoegt: 't Eerste gewin Is kattengespin, daarop antwoordt: Welnu, 't is goed om 't laatste te betalen, daarmede doelende op een later verlies, of eens anders later gewin. Eindelijk hoort men ook nog deze variant: 't Eerste gewin is kattengegrim.

Eigen lof stinkt, Ned.-Gron. Dial. - H. heeft: Eigen lof stinkt, eigen roem hinkt. Hier: Eigen lof - of: Eigen roem stinkt: het laatste even als in Oldenb.

Geen goeden dag of goeden weg zeggen, Gron. - Van iemand, die voorbij gaat, zonder te groeten, zegt men hier: Hij zegt noch hond, noch beest; Hij komt nog eens terug (om goeden dag te zeggen, namelijk); Hij is nog minder dan een varken; want dat knort nog. Ook: Hij ziet geen kleine menschen. Bij de drie eerste zegswijzen denkt men aan onbeleefdheid, bij het laatste gezegde meer aan trotschheid. Geen dezer spreekwoordelijke uitdrukkingen vond ik bij H. - Niet zelden ook roept men hem, die den ontvangen groet niet beantwoordt, na: 'k Wou, dat ik mijn goeden dag terug had! - terwijl zich het ongunstig oordeel over den onbeleefde uit in het gezegde: Hij zou niet spreken, al viel hij over je.

Gijn vief kennen tellen. - Stoan als Pyt Snöt mit de mond vol tanden, Gron. - Hier: Hij staat daar, of hij geen ééntje kan tellen, en: Hij staat daar als Pier Snot met den mond vol

[p. 110]

tanden. Verder hoort men hier: Hij staat daar als een Jan Enne (Jan Hen); Hij staat daar, alsof hij van 't onweer geslagen is; Hij staat daar, alsof hij een klap (slag) van den molen gehad heeft; Hij staat daar, alsof hij 't niet helpen kan. - Van bovenstaande spreekwoordelijke uitdrukkingen vond ik bij H. alleen het laatste, gewijzigd: Hij zit daar, alsof hij 't niet helpen kan.

Hangen heeft geen haast. Gron.-Oldenb.-Zeeuwsch-Vl. - Ook: Hangen lijdt geen haast. - H. heeft volledig: Hangen heeft geen haast, als 't maar vóór het wurgen geschiedt.

He het de Näse versruket, Ned.Saks. voor: hij is dronken. Hier: Hij heeft een snee door zijn neus. Zie H., II, 278.

He hett'n Geweten ass'n feelske Hase; tkann engen un wieden, Oostfr. - Hier: Hij heeft een geweten als een hooischuur; men kan er met wagen en paard in keeren. - H. heeft: Hij heeft een geweten, zoo wijd als eene hooischuur, I, 331.

Hier staan en nijt verkoopen, daar ken mien Schöstijn nijt van rooken, Gron. - Ook Zeeuwsch-Vlaamsch: Hier te staan en niet te verkoopen, daar kan mijn schouwtje niet van rooken.

Holle vaten geven den meesten klank. - 't Is een leeg vat, Ned.-Gron. - Het laatste ook Zeeuwsch-Vlaamsch. Voor het eerste zegt men hier: Holle vaten bommen 't meest. Al deze spreekwoorden vindt men bij H. - Onder die met vat zocht ik te vergeefs: Men kan uit een azijnvat geen wijn tappen, dat is: Men kan van een dom, onverstandig mensch geen verstandige taal verwachten.

Hom is gijn spinneweb veur de mond wossen, Gron.-Oldenb. - Hier het Ned.: Zij is niet op haar mondje gevallen (H., II, 98), waar niet zelden op volgt: en zoo zij er op gevallen is, is ze er niet op blijven liggen. Even algemeen hoort men het bij H. niet voorkomende: Zij is van den spanaard gesneden, eigenlijk: Zij is van de spanader d.i. den tongriem gesneden. Men weet, dat het snijden van de spanader eene kleine kunstbewerking is, welke die jonggeborenen moeten ondergaan, bij wie de tongriem zoo ver aan de tong is vastgegroeid, dat deze daardoor niet vrij genoeg kan bewogen

[p. 111]

worden en het zuigen der kleinen er door bemoeilijkt, zoo niet geheel belet wordt. Niet oneigenaardig wordt dus dit spreekwoord toegepast op haar, wier tong al heel los in den mond hangt. Spanader smolt in den mond des volks eerst tot spanaar en ontving later eene paragogische d.

Hopedooden leven lang. - Hier zegt men: Wacht naar den duivel zijn dood: hij is nog niet ziek. Ik vond dit spreekwoord bij H. niet.

Hou loater op den oavond, hou mooier volk, Gron. - Ook Zeeuwsch-Vl., met verandering van mooier in schooner. Zoo heeft het ook H. II, 67, die daarenboven de lezing geeft: Hoe later op de markt enz.

Hij het de schoamte de kop afbeten, Gron. Van iemand die schaamteloos is, zegt men hier: Hij heeft achter de deur gestaan, toen de schaamte uitgedeeld is. Bij H. vond ik dit niet opgeteekend.

Hij het daar'n hondje gieseln zijn, Gron. - Dit spreekwoord wordt ook in Zeeuwsch-Vlaanderen gehoord. Men past het daar echter meer toe op hem, die verzuimt ergens te komen, waar hij gewoon was te komen, dan op iemand, die er niet komen durft. Zoo zal men bv. tot een vriend, die in langen tijd zijn gewoon bezoek niet herhaald heeft, zeggen: Zoo, jongen! waar hebt ge zoo lang gezeten? Hebt ge hier een hond zien geeselen?

Hij heeft een klokje hooren luiden, maar weet niet recht waar het hangt, Gron. - Het Ned. heeft in het tweede lid, en zoo zegt men 't ook hier: hij weet niet waar het klepeltje (de klepel) hangt. Zie H., I, 414. Met gelijke beteekenis zegt men hier ook: Hij heeft een vogeltje hooren fluiten, en: Hij heeft een muisje hooren piepen, welke zegswijzen ik bij H. niet gevonden heb.

Hij ken grond vuilen, Gron. - Ook Zeeuwsch-Vlaamsch. Ik begin grond te voelen. Grelijkbeteekenend is: Ik krijg zachtjes aan de lading, den last.

Hij kan wel met de muizen door de tralies eten, Gron.-Meurs. - Ook Z.-Vl., met die wijziging echter, dat men

[p. 112]

in plaats van muizen konijnen zegt. Zoo vindt men het ook bij H. (II, 342). Te vergeefs echter zocht ik er: Hij ziet er uit, als de Dood op 't ganzenbord, dat men hier zegt van iemand, die er bleek en mager uitziet.

Hij ziet er uit, als drie dagen slecht weer. Hij heeft een gezicht, om er de kinders mee naar bed te jagen. Hij kijkt, of hij iemand opvreten wil, Gron.-Zeeuwsch. Vl.- enz. - Het tweede wordt niet alleen gezegd van iemand, die er ontevreden, verdrietig uitziet, maar ook van hem, die een onaangenaam, leelijk uiterlijk heeft. Algemeen hoort men hier van iemand, die een ontevreden, pijnlijk gezicht trekt, het vreemde gezegde, dat ik bij H. te vergeefs gezocht heb: Hij trekt een gezicht als een gescheurde catechismus. Verder hoort men: Hij trekt een gezicht als een roggebroodje, dat van achteren lam geslagen is. Hij trekt een gezicht als vijf dagen slecht vet, en het minder kiesche: Hij trekt een gezicht als het achterste van een dooden soldaat; of: - van een arm mensch.

Hij liegt, dat men het met den voet voelen kan, Gron. Oldenb. - Hij kan liegen, of 't gedrukt is, Gron.-Ned.-Zeeuwsch-Vl. - Dat is een leugen, die men tasten en voelen kan, Ned.Sak.-Ned. - Aan de eerste en derde zegswijze is verwant het Z.-Vlaamsche: Dat is er een, die kan je voelen. Maar niet alleen het gevoel, ook de smaak en het gehoor komen er bij te pas, en men zegt even vaak: Dat is er een, die kan je proeven; of, bloot: Die kan je proeven! Verder: Die kan je hooren aankomen, al dan niet voorafgegaan door: Die heeft klompen aan. - Nog zegt men hier: Hij liegt als een dief, en: Die zoo kan liegen, kan wel een paard stelen, verwant aan Harrebomée: Die zoo liegt, kan ook stelen. - Nevens: Hij kan liegen, of 't gedrukt is hoort men hier: Hij liegt, dat hij 't zelf gelooft; - dat hij zwart wordt; - dat hij borst; of, nog sterker en ruwer: dat de luizen op zijn kop bersten; Hij liegt als een leger Fransche soldaten; Hij liegt meer dan zeven paarden trekken kunnen. Geen dezer spreekwoordelijke gezegden vond ik bij H.

[p. 113]

Hij mag nijt over mijn deur of druppel komen, Gron. Oostfr. - Ook Zeeuwsch-Vlaamsch. Voor druppel zegt men hier durpel d.i. dorpel. Druppel zal wel eene metathesis van durpel zijn.

Hij is met het verkeerde leen van 't bed (uit bed) gestapt, Gron. Ook Z.-Vlaamsch; doch in plaats van het verkeerde been hoort men meest het linker been, evenals in Holst.

Hij is te dom om (een) mensch te zijn; - om voor den duivel te dansen. Hij is zoo dom als een os. Hij is zoo dom als 't achtereinde van een koe, Gron.- en Z.-Vlaamsch. - Met uitzondering van het eerste vindt men al deze spreekwoordelijke gezegden ook bij H.: men zou de drie laatste dus ook Ned. kunnen noemen. - Verder zegt men hier: Hij is zoo dom als het achtereind van een varken, waar H. (I, 10) in plaats van dom scherp en beleefd heeft. Voorts hoort men algemeen: Hij is zoo dom als een uil, en als scheldnaam: Domme uil. H. heeft alleen: Hij is zoo droefgeestig- en: Hij is zoo beschonken als een uil (II, 351). - Hij is van een uil uitgebroed hoort men van een domme; Hij is van geen uil uitgebroed zegt men van een verstandige of wijze. Daarmee is wel verwant het bij H. voorkomende: Meent gij, dat ik van een uil gebroed ben1)? - Verder hoort men hier het bekende: Hij is zoo dom als een ezel en: Hij is zoo dom als een olifant, waarvoor H. heeft (II, 133): Het is een rechte olifant, terwijl hij er de volgende verklaring van geeft: Naar zijne lompe leden heeft men den olifant tot het beeld der domheid gemaakt; vandaar dat men van een domoor zegt: Het is een rechte olifant.’ Niet zelden hoort men ook: Hij is nog dommer dan een ezel; - dan een olifant. Eindelijk, nevens het bekende: Hij is oliedom hoort men hier, alsof olie nog niet vet genoeg ware naar het oordeel van den spreker: Hij is traandom!

Hij is van de eerste leugen niet geborsten, Gron.-Ned.

[p. 114]

Zie H. II, 18 en III, 279. Hier, vollediger:. Hij is aan de eerste leugen niet geborsten en om de tweede niet opgehangen. Zoo komt het spreekwoordelijk gezegde bij H niet voor.

Hij weet er (net) zooveel van als de (eene) kraai van den zaterdag, Gron. Ook Ned. Zie H., I, 446, waar men tevens de verklaring vindt van dit spreekwoord, gezegde. De Heer Harrebomée zegt, dat men dit spreekwoord gebruikt, wanneer iemand onverschillig blijft bij vermaningen. De Heer Molema daarentegen schrijft, dat het zooveel beteekent als: hij weet er niets van, n.l. van een vak (Taalg. IV, 280). Daar het spreekwoord hier niet gehoord wordt, kunnen we omtrent zijne beteekenis niets in het midden brengen. In den zin van: Hij weet niets van het vak, hij heeft hoegenaamd geen verstand van de zaak, zegt men hier: Hij weet er net zooveel van, of: Hij heeft er net zooveel verstand van, als eene koe van saffraanvreten, waarvoor ik bij H. vind, (I, 424): Hij heeft er zooveel verstand van, als eene koe van salade schoon te maken.

Hij weet niet van toeten of van blazen, Gron.-Oostfr.-Keulsch-Z.-Vlaamsch-Ned. (H. III, 13). - Hij weet van voren niet, dat hij van achteren leeft: hij is een ellendige bloed, een sul, Gron.-Ned.-Saks.-Meurs.-Z.-Vl. - Bij H, vond ik dit gezegde niet.

Hij zit er op, als de duivel op een ziel, Gron.-Z.-Vl. - H. heeft: Hij gaapt er naar, als de duivel naar eene ziel. - Verder Hij zit er op, als de duivel op Gerard, hetgeen dan gezegd wordt, als men de uiterste pogingen aanwendt, om het eene of andere te verkrijgen. Bieden bij verpachtingen of verkoopingen de liefhebbers als dollen tegen elkander op, zoo hoort men hier niet zelden: Zij zitten er op, als de duivel op Gerard. - Bij H. vind ik (I, 230): Hij slaat er op, gelijk de duivel op Gerard. - Zoo ook heeft H. (I, 311): Hij slaat er onder als malle Jan onder zijne hoenders, waar het Z.-Vlaamsch met dezelfde beteekenis heeft: Hij zit er op als Malle Jan (ook Malje of Maljier: zekerlijk verbasteringen van malle Jan) op zijne hoenders, terwijl dient aan-

[p. 115]

gemerkt te worden, dat sommigen malle Jan met Stoffel verwisselen. Bij het nalezen der spreekwoorden met Hoen in Harrebomée's uitmuntend woordenboek trof het volgende mijne aandacht. Ik vind daar alleen vermeld: Loop voor de hoenderen, terwijl het hier volledig luidt: Loop voor de hoenders en kam den haan, of: Loop voor de hoenders: die hebben korte pootjes. - Verder vind ik daar: Hoenders scharrelen (of: schrabben) al achterwaarts. Ook hier komt het scharrelen der hoenders spreekwoordelijk voor in het gezegde: De hoenders krijgen wel den kost en die scharrelen (scharten, schartelen, krauwen) wel achteruit: het niet ongewone antwoord van hen, die zonder voldoende vooruitzichten voornemens zijn in het huwelijk te treden, op de vraag: En hoe zult gij aan den kost komen?

Hij vraagt naar het kundige pad, Gron. Hier het Ned. : Hij vraagt naar den bekenden weg. - Houdt iemand zich, alsof hij van eene hem bekende zaak niets weet, zoo zegt men: Hij komt van Lillo. Soms gaat hieraan nog vooraf: Die weet ook van niets. - De Heer H. heeft: Komje van Lillo, dat je mandje zoo druipt? - Daar dit hier niet gehoord wordt, kan ik niet beoordeelen, of het met het Zeeuwsch-Vl.: Hij komt van Lillo verwant is.

Idt is beter den Kop as de Föte kussen, Ned.-Saks. - Hier zegt men: Het is beter naar het hoofd, dan naar de voeten -, of: Het is beter naar den kop, dan naar den staart te gaan. Is dit hetzelfde als H's: Het is beter bij het hoofd, dan bij den staart te grijpen?

Iemand naar de Mookerheide wenschen, Ned. - Ook: Ik wou, dat je op de Mookerheide zat. Zie H. - In Z.-Vlaand.: Ik wou, dat je in de Noordzee lag. De reden, waarom men hier de Noordzee noemt, ligt voor de hand. - H. heeft dit gezegde niet.

Iemand voor 't lapje houden; - wat op de mouw spelden, Gron.-Ned.-Z.-Vl. - Verder hoort men hier: Iemand voor den gek, voor den zot, voor den aap honden. Het laatste zocht ik te vergeefs bij H.

[p. 116]

Iets voor een appel of een ei verkoopen, Gron.-Ned.-Meurs.-Z.-Vl.. - Kan men iets buitengewoon goedkoop bekomen, zoo zegt men: Voor een deerlijk zien krijgt men er zooveel van als men hebben wil.

Ik zal u prijzen in alle kerken, daar geen volk is, Gron. - Hier wordt voor in alle kerken op alle markten gehoord. Algemeener nog is: Ik zal u prijzen op alle dorpen, daar geen huizen staan. H. heeft, I, 150: Hij prijst hem in de dorpen, daar geen huizen staan.

De pastoor predikt niet tweemaal voor één geld, Düren. - Hier: De domenie predikt maar eens of: geen tweemaal voor zijn geld.

In de boonen zijn, Gron.-Ned.-Z.-Vlaamsch. - Hij is in de boonen en plukt erwten, Gron.-Ned. - Opmerkelijk is 't, dat men hier zegt: Hij is in de boonen en komt aan (in) de erwten uit, terwijl het ook in Meurs luidt: Ek bönn en de Bohnen on komm en de Erten uut.

In duustern is goud snuustern, moar nijt goud vlooën vangen, Gron. - Im Dunkeln is good munkeln (keuvelen), Holst. - En het Donkeln es gud monkeln, maar niet gud Flöh fangen. Meurs. - Het Ned. heeft hier (H. I, 143): In het donker is het goed moffelen (of: mokkelen), maar slecht vlooien vangen, terwijl het Z.-Vlaamsch heeft: In het donker is het goed lonken, maar enz. Hoe het mogelijk is, in het duister te lonken, verklaar ik gaarne, niet te begrijpen; doch lonken zal hier wel voornamelijk staan om des rijms wille en zooveel moeten beteekenen als het Nederd. munkeln en het Nederl. mokkelen (omhelzen, kussen) der gelieven.

Kinderen, die willen, krijgen wat (H. heeft: slaat men) voor de billen, Gron.-Ned. - Hier luidt het: Kinders, die niet willen, enz.

Kinderen zijn een zegen des Heeren; maar zij houden de noppen van de kleeren, Ned. - Het tweede lid luidt hier: maar zij houden de mot uit de kleeren.

Kommandeer uw (den) hond en blaf zelf, Gron.-Z.-Vlaamsch. Niet zelden hoort men het verwante: Indien gij mij gisteren gehuurd hadt, zou ik van daag uw knecht geweest zijn, of ook,

[p. 117]

uit den mond van onbeschaafden: Indien ge mij gisteren gehuurd hadt en mijn duiten gegeven, dan ware ik van daag je knecht geweest; maar nu ver.... ik je. Varder: Als gij niet te mooi zijt, doe het zelf. - Gij hebt ook ooren en pooten.

 
Eindelijk: Dat is voor mij geen fatsoen,
 
Daarom laat ik het u doen.

Waarop de eerste vrager antwoordt:

 
Hadt gij eerder gesproken,
 
De duivel had' u den nek gebroken.

Die zich voor hond verhuurt, moet de beentjes kluiven, Gron. - Hier: Die hond is, moet beenen knuiven.

Kom ik over den hond, dan kom ik over den staart, Ned.-Oostfr. enz. - Bedriegen wij ons niet geheel, dan dacht men bij dit spreekwoord vroeger aan de Hont of Wester-Schelde, die, gelijk bekend is, aan haar mond, bij Vlissingen, veel breeder is dan aan den staart, bij het Fort Bath. Werd de overtocht van Breskens naar Vlissingen zonder ongelukken volbracht, dan kon men dien, zoo meende men, gerust op elk ander punt der rivier wagen. Dit zou dan de oorsprong van het spreekwoord geweest zijn. Anderen schrijven (J.A. Manus van der Jagt in zijn Lees- en Leerboekje over de eerste beg. der aardr. en de prov. Zeeland, 4e druk, bl. 79): ‘Van de Hont (of W. Schelde) en de Staart, een zandplaatje nabij Kadzand, is het spreekwoord ontleend: Komt men over de Hont, dan komt men over de Staart.’ Daar het spreekwoord echter in zooveel verschillende streken van Duitschland gehoord wordt, komt ons dit niet zeer waarschijnlijk voor.

Kört en dik is zunder schik; lank en klijn is te algemijn, Gron. - Hier: Kort en dik is ongeschikt; lang en smal bederft het al. - H. heeft dit niet.

Kroes haar, kroeze zinnen; kroes van buiten en kroes van binnen, Gron. - Hier: Krulhaar, Dul (dol) haar. - H. heeft: Gekruld haar, gekrulde zinnen, overeenstemmende met het Akensche: Krolle Hoore, krolle Senn. - Zegt men van sluik haar in Gron. schertsend: 't Is zoo kroes als een bezemsteel,

[p. 118]

hier luidt het: Zijn haar krult als een bezemstok, of: als een rechte varkensstaart.

 

Sluis, 26 Februari 1866.

J.H. van Dale.

 

(Wordt vervolgd).