De Taalgids. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Achtste jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1866.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 177]

Veil (veilig). Veil (venalis). Veilig (tutus).

Prof. W.G Brill's gevoelen nogmaals naauwlettend getoetst

door

Mr. A. Bogaers.

In eene der voorgaande afleveringen van ‘de Taalgids’ namen wij op ons nog een laatste woord te zeggen over veil en veilig. We kwijten ons thans van deze belofte en maken tevens van de gelegenheid gebruik om de redenen op te geven, die (bedriegen wij ons niet) zich krachtig blijven verzetten tegen het gevoelen van den heer Dr. W.G. Brill, gelijk dit reeds vroeger door dezen geleerde in dit Tijdschrift ontwikkeld en nog laatstelijk op nieuw aangedrongen is.

Het bnw. veil, zoo als het in den zin van veilig meermalen bij de dichters van het begin der XVIIde eeuw voorkomt, heeft dáár, naar onze overtuiging, zijn oorsprong te danken aan eene oudtijds zeer gebruikelijke afkapping van den adjektievalen uitgang ig, waarvan we hiervoren (bl. 1-32), om de zaak boven allen redelijken twijfel te verheffen, eenige dozijnen voorbeelden geleverd hebben.

Dr. Brill, van zijne zijde, is en blijft van gedachte (zie dit Tijdschrift, D. VII, bl. 202), dat voorzegd veil (veilig)

[p. 178]

een oud primitief adjektief is; ‘dat dit veil staat tot veilig gelijk het adj. vocht tot vochtig, en dat derhalve veil en veilig oorspronkelijk hetzelfde zijn en in den grond hetzelfde beteekenen.’

Vroeger (zie D. VII, bl. 33) gaf de hoogleeraar reeds de redenen op, waarom hij veil (veilig) voor hetzelfde woord als veil (venalis) hield.

Overigens gaat de geleerde schrijver, ter staving van het feitelijk gedeelte zijner stelling, voort zich te beroepen op het, naar onze meening, gesynkopeerde veil (veilig) van Vondel en zijn tijdgenooten; maar voornamelijk ook op de woorden onveil (voor onveilig) en veiling (voor veiliging), in stukken onzer Marine van de XVIIde eeuw ettelijke malen gebezigd.

 

Tegen deze beweringen des kundigen taalvorschers, die wij, zoowel als hare gronden, met verdiende aandacht op nieuw toetsen zullen, doen zich, naar onze bescheiden meening, groote, ja, onoverkomelijke bezwaren op.

In de eerste plaats (vroeger reeds werd door ons bij herhaling hier op gedrukt) is zulk een primitief adjektief veil, dat veilig beduiden - en tot veilig, als vocht tot vochtig zoude staan, nergens bij onze oudste schrijvers aan te toonen.

Geen enkel voorbeeld uit de oudheid kan prof. Brill er dan ook van bijbrengen; ofschoon toch hij (niet waar?), die iets stelt, zijne stelling dient te bewijzen, en het negatieve (dat wij hier vasthouden) uit zijn aard voor geen regtstreeksch betoog vatbaar is.

Wij zouden dus dezerzijds met onze herhaalde ontkentenis kunnen volstaan.

Nogtans schromen we niet, ten allen overvloede, een paar zijdelingsche bewijzen tot steun onzer ontkenning hier te herhalen.

Zoo heeft b.v. niet één onzer voornaamste taalvorschers van vroeger of later tijd ooit beweert een primitief adj. veil, veilig beduidende, in eenig oud-Nederlandsch geschrift te

[p. 179]

hebben aangetroffen. Toch zou zoo iets ongewoons wel niet aan allen ontgaan zijn1).

Wijders (hetgeen zich aan het voorgaande naauw aansluit en het bekrachtigt) in niet één oud Glossarium of Lexicon is veil, met de beteekenis van securus, tutus, te vinden.

Kiliaen, die wel verouderde woorden, met de bekende aanstipping: vetus, - maar geen gesynkopeerde opnam, heeft het niet.

Maar, wat meer is, reeds derd'halve eeuw vroeger, toen Van der Schueren zijn Teuthonista uitgaf, wist ook hij niet van een adj. veyl (tutus), maar slechts van veyl (venalis).

Eveneens is het gelegen met de Woordenboeken, welke in dit lange tusschenvak verschenen zijn.

We noemen, als ze nagezien hebbende, den Vocabularius Ex quo, van 1479, het Dictionarium van Dasypodius van 1546, en het Thesaurus van Plantijn van 1573. Bij alle drie beteekent veyl alleen venalis.

Laat het zich nu denken, dat de vervaardigers dezer taalmagazijnen, gedurende meer dan tweehonderdvijftig jaar, veyl (venalis) opnemende, nagelaten zouden hebben aan te stippen, dat het ook securus beteekende, hadde het die beduidenis gehad; alleen, gelijk de Heer Brill veronderstelt2),

[p. 180]

uit vrees van verwarring te bevorderen? Was het dan oudtijds een regel, dat homonymen uit de geschreven taal verbannen moesten zijn?

Of werden de Woordenboeken niet toen, zoo als nog, zamengesteld, opdat men er al de beteekenissen der woorden, bij Schrijvers gebezigd, in zou kunnen opzoeken?

Waarlijk, in verband met al het voorzegde, is het niet voorkomen van veyl (veilig) in al de oude woordverzamelingen, hoezeer geen regtstreeksch, toch een krachtig indirekt bewijs, dat in onzen ouden taalschat dit onvindbare adjektief werkelijk niet aanwezig was.

We gaan verder.

Als iets dat ook wel verdient opgemerkt te worden, roepen wij de aandacht der deskundigen dáárop in, dat, terwijl we het bnw. veilig gemeen hebben met de Nedersaksers, Oud-Friezen1) en Oud-Scandinaviërs, men echter bij deze

[p. 181]

taalverwanten, evenmin als bij ons, een primitief adjectivum simplex aantreft, waaruit, door toevoeging van den uitgang ig, veilig, velich, felich, of hoe dan ook gespeld, ontstaan zou zijn.

In de vroegste oorkonden, die we van hen bezitten, vinden we, gelijk in de onze, altoos veilig, velich, felig, voor securus1).

[p. 182]

Leidt ook dit niet (in verband met het vroeger aangetoonde) tot de veronderstelling, dat, daar er zeer veel bijvoegelijke

[p. 183]

naamwoorden op ig gevormd zijn van substantieven, of van het zaaklijke deel van werkwoorden, veilig wel een diergelijken oorsprong zal hebben?

Onzes inziens, buiten twijfel! Later komen we hierop terug. Thans is voor ons doel de nadrukkelijke herinnering genoeg, dat er van een oud oorspronkelijk bnw. veil, in de beteekenis van veilig, nergens in de oudheid schijn of schaduw te ontdekken is.

 

Maar is dit veil (veilig) onvindbaar; zeer dikwijls daarentegen komt veil, ook vele en veele gespeld1), dat venalis beduidt, in de oude geschriften voor.

Zou men nu van dit veil (venalis) het bnw. veilig (securus) gemaakt kunnen zijn, en zou men, als door een terugsprong, daaruit weder kunnen bewijzen, dat veil (venalis) vroeger tevens securus beduidde?

Dr. Brill wil dien kant uit. In zijne verdienstelijke Spraakleer heeft hij het reeds te kennen gegeven, en, sinds we met hem over dit punt van gedachten wisselen, met scherpzinnigheid getracht zijne stelling aannemelijk te maken.

Volgens zijne redenering, hier kort bijeen gevat, is de oorspronkelijke beteekenis van veilig ‘vrij,’ en in veil (venalis) zou ook het denkbeeld van ‘vrij,’ opgesloten liggen. Dit verondersteld verband is de grond zijner afleiding. Uitvoerig vindt men zijne argumentatie in het VIIde Deel van dit Tijdschrift, bl. 33 en volg.

Die argumentatie hebben we reeds vroeger met de meeste aandacht onderzocht, en toen (zie hetzelfde VIIde Dl., bl. 121 en volg.) gepoogd het onbewezene en onhoudbare daarvan, zoo duidelijk mogelijk, aan te toonen.

Waar is het (gelijk het ieder uit de vergelijking van dit ons schrijven met 's hoogleeraars later daarop gevolgd weder-antwoord, in Dl. VII, bl. 200, dadelijk blijken zal) -

[p. 184]

waar is het, dat het grootste gedeelte der door ons geleverde wederlegging geheel onweêrsproken is gebleven.

Ondertusschen hadden we toch nog niet eens alles bijgebragt, wat we ter bevestiging onzer zienswijze bijbrengen konden.

Gaarne ter bevordering der waarheid zooveel licht over de zaak wenschende te verspreiden, als ons maar eenigzins doenlijk is, bieden we, tot aanvulsel van het reeds aangevoerde, nog het volgende aan.

Veil komt sinds de vroegste dagen onzer geschrevene taal dikwijls voor in de beteekenis van venalis, te koop, voor geld verkrijgbaar, openlijk te koop. Vele geleerden leiden het dan ook van venalis af, als ware het daaruit zamengetrokken; anderen van πολέω, vendo.

Zeker is het, dat, waar men het ook aangewend vindt, de voorzegde beteekenis er altijd in doorstraalt.

Per metonymiam wordt wel eens, in stede van het voorwerp zelf, dat te koop is, de plaats, waar openlijk te koop geveild wordt, veil genoemd. Deze spraakfiguur is in de taal niet zeldzaam; maar de gedachte van te koop, voor geld te krijgen, blijft toch steeds, als de ziel van het woord veil, er in leven1).

[p. 185]

In zijne wezenlijke beduidenis (wij hebben er vroeger, D. VII, bl. 126, reeds op gedrukt) is dit veil hemelsbreed van vrij verwijderd. Niet ééne enkele plaats uit eenig oud Schrijver heeft dan ook Prof. Brill bijgebragt, waarin veil den zin van onbekommerd en vrij, dien hij er aan wilde geven, gezegd kan worden te bezitten.

Ook in niet één onzer oud-Nederlandsche Woordenboeken wordt ooit de beteekenis van vrij aan dit woord toegekend.

Wij durven het derhalve voor uitgemaakt zeker houden, dat veil oorspronkelijk venalis beduidt.

Een gewigtig gevolg gaan wij thans daaruit trekken.

Oudtijds hadden we (en nog hebben we, schoon in minder getal) verscheiden adjektieven, die door de aanhechting van het achtervoegsel ig van andere adjektieven gevormd waren.

Prof. Brill heeft reeds op vocht en vochtig gewezen. Wil men er meer, men denke aan vroom, vromig; vrek, vrekkig; droef, droevig; ernst, ernstig; kil, killig; nut, nuttig; opregt,

[p. 186]

opregtig; zelfs dankbaar, dankbarig; vreedzaam, vreedzamig; en dergelijke meer.

Nu kan men het gerust een algemeenen regel noemen, waarop, voor zoover wij ons herinneren, geene uitzondering bestaat, dat overal waar zoodanig bijv. naamwoord met ig is verlengd geworden, het verlengde adjektief dezelfde of nagenoeg dezelfde beteekenis als het simplex behoudt; m.a.w. de eigenlijke beduidenis van het primitieve woord staat altoos op den voorgrond in het afgeleide.

Wie wil, neme de proef met het door Dr. Brill aangehaalde vocht en vochtig, en de anderen door ons daarbij opgegeven1).

Klaarblijkelijk is het derhalve, dat, naar alle regels van analogie, veilig, ware het van veil (venalis) gemaakt, ook venalis zou moeten beduiden, of dat ten minste het gronddenkbeeld van te koop er duidelijk voelbaar in zoude zijn.

Dit ondertusschen is in 't geheel niet het geval.

Veilig heeft niets met te koop te maken. Voor eeuwen beduidde het reeds gedekt voor gevaar of ramp, en dát-alléén beduidt het nog.

Daarom (wij herhalen het) kan veilig niet afkomstig zijn van veil, welks ware beteekenis (zoo als ook deze sinds eeuwen voorkomt) venalis is.

Alles wat men omtrent veilig op zulk eene onbewezene en geheel abnormale afkomst zoude willen bouwen, stort bij eene ernstige aanraking in duigen.

 

Wanneer men nu het hiervoren geredeneerde kortelijk bijeenvat, dan ziet men dat het geheel onbewezen en hoogst onaannemelijk is, dat er oudtijds een oorspronkelijk adjektief veil bestaan zoude hebben, hetwelk veilig beteekende; en dat hetzelfde ook te zeggen valt van het voorgeven, dat

[p. 187]

veilig, van veil, venalis, gevormd zoude zijn, gelijk almede van de beweringen, op dit voorgeven gevestigd.

Wat uu wijders Vondel en de dichters der XVIIde eeuw betreft, die veil voor veilig gebruikt hebben, zoo weten we, dat daaruit niets ten gunste van een oud primitief veil (veilig) af te leiden is; dewijl het uit honderd voorbeelden blijkt, dat zij de adjektieven op ig dikwijls apokopeerden of verkortten. Niets vreemds lag er in, dat wie b.v. voor heilig soms heil schreven en dergelijke meer, ook, voor veilig, veil bezigden.

Wanneer men dus de zaak op den keper beschouwt, dan is het eenigste. argument van prof. Brill, dat bewezen genoemd mag worden, en waarop dus zijn gansche stelling berust, dit: dat, namelijk, in eenige stukken der Nederlandsche Marine van de XVIIde eeuw de woorden onveil voor onveilig, en veiling voor veiliging meer dan eens gebruikt zijn.

Dit feit stemmen we gaarne toe; maar het komt ons te zwak voor om dááruit-alleen te bewijzen, dat er voor honderden jaren in onze oude taal een oorspronkelijk veil en onveil zou bestaan hebben, hetwelk veilig en onveilig beteekende; terwijl men het echter nergens in de oudste geschriften kan aantoonen.

Veel aannemelijker en redelijker schijnt het ons toe, dat er in die stukken onzer Marine van de XVIIde eeuw, ten opzigte der hier behandelde woorden, ook van eene verkorting gebruik gemaakt is, die in onze taal (ook in proza) niet geheel ongewoon was.

Ten betoge van dit laatste hebben wij ons slechts te beroepen op het vroeger aangehaalde Heilo voor Heiliglo, penwaert voor penegwaert, zeil voor zegel, en, kortom, op al die woorden onzer volksspraak, waarin de uitlating der letter g of van den uitgang ig niet te miskennen valt. (Zie hiervoren bl. 1 en volg.).

Op deze wijze (wij bevelen het nogmaals aan de overweging der bevoegde beoordeelaars) verklaart zich alles zeer

[p. 188]

natuurlijk door een gewoon taalverschijnsel; terwijl het anders waarlijk naar tooverij zou zwemen, dat Vondel en de schrijvers van zijn tijd een oud oorspronkelijk adjektief veil (veilig) voor den dag zouden hebben gebragt, dat, hoe hoog men in de oudheid ook opklom, door niemand daar ooit was bespeurd.

 

Maar waar komt dan veilig van daan?

Ook al waren we buiten staat op deze vraag eenig antwoord te geven, wat we te bewijzen hadden, zou toch bewezen zijn; het onhoudbare, namelijk van prof. Brill's beproefde afleiding. Doch reeds vroeger (zie D. VI, bl. 272 en D. VII, bl. 128, 129) hebben we getoond, dat het ons niet te doen was om ons zoo gemakkelijk van de zaak af te maken. Ook wij van onze zijde hebben het gewaagd een gissing in het midden te brengen, die, moge zij al niet gesteund zijn door het gezag van vroeger taalkundigen, echter, naar onze bescheiden meening, niet geheel onwaardig is aan de overweging der mannen van het vak voorgelegd te worden.

Door deze redenering zijn wij er toe gekomen. De mededeeling van den gang onzer gedachten houde de onderzoekende lezer ons ten beste.

Veilig is blijkbaar een afgeleid woord.

Het simplex er van kan men niet in onze oude taal aanwijzen.

Wat men daartoe ook beproefd hebbe, het is van degelijk bewijs verstoken gebleven en heeft alle waarschijnlijkheid tegen zich gehad.

Doch veilig hebben we gemeen met andere, aan het Nederlandsch verwante, talen. Zou welligt bij een dezer het simplex te vinden zijn?

Wij onderzochten. In het Oud-friesch1) of Nedersaksisch

[p. 189]

ontdekten wij het niet; maar, voorgelicht door den beroemden Ihre, vonden wij in het Oud-Scandinavisch Felig, securus, qui extra periculum est, d.i. ‘veilig.’ Ofelig, non satis tutus, d.i. ‘onveilig.’ Felighet, securitas, d.i. ‘veiligheid,’ Dit alles, volgens Ihre's gewoonte, met voorbeelden uit oude schrijvers gestaafd1).

Doch (en hierop komt het aan) we vonden daarenboven bij hem het ww. Fela2), tegere, condere, d.i. ‘dekken, bedekken;’ aan welk Fela3), ook de beteekenis van salvum conductum vel fidem publicam dare, d.i. ‘veilig of vrij geleide, openbare bescherming verleenen,’ door hem, met bijbrenging van voorbeelden, toegekend wordt.

Het znw. Fell gaf Ihre op als beteekenende tegumentum quodvis et cujuscunque generis inprimis quod animalium corpora tegit; dus ‘ieder deksel in het algemeen, doch in het bijzonder het vel der dieren.’ Hij voegde er bij: ‘Radix est fela, tegere’4).

Is het niet natuurlijk, dat, na dit alles gelezen en overwogen te hebben, wij tot ons zelven zeiden: het Nederlandsche veilig, bij de Friezen en Nedersaksers feilich en felich geschreven, is klaarblijkelijk één met het Oud-Noorsche felig.

De adjektievale uitgang ig duidt eigendom, of hebben, aan. Het zakelijk deel van het ww. fela beteekent dekking, bedeksel. Krachtens zijn oorsprong beduidt dus felig (en dienvolgende ook ons veilig) ‘dekking hebbende, gedekt, beschut.’ In

[p. 190]

dien zin wordt het dan ook overal gebezigd. Veilig is niets anders.

Als van zelf deed zich dus een afleiding aan de hand, die zoo eenvoudig, geleidelijk en natuurlijk was, dat mqn o.i. bijna niets meer konde verlangen. Het een vloeide duidelijk uit het andere voort. Geen gewaagde sprongen waren er noodig om van de oorspronkelijke beteekenis tot de afgeleide te komen. De verbeelding, die wel eens wat excentriek werkt, kon haar gemak houden; bezadigde redenering volstond.

Met dat al blijft het door ons in 't midden gebragte eene gissing en wel een gissing van iemand, die in 't minst niet de verwaandheid heeft om voor een uitstekend taalkenner te willen doorgaan. Wij onderwerpen haar dus bescheidenlijk aan het onpartijdig oordeel van hen, die bevoegd zijn in dezen te beslissen. Wordt er welligt eene betere afleiding opgespoord en bewezen, geene dwaze ingenomenheid met de onze zal ons beletten die betere terstond dankelijk over te nemen.

 

Rotterdam, October 1866.