De Taalgids. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Negende jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1867.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 293]

De Leeuwarder tongval en het Leeuwarder taaleigen.

Eene bijdrage tot de kennis der Nederlandsche dialecten.

(Vervolg van bladz. 210.)

 

De werkwoorden hebben in het Leeuwarder dialect twee verschillende vormen voor de onbepaalde wijs. Als de Hollanders zeggen: schrijve heb ik geleerd, nu wil ik ook rekene leere, en de Groningers: skriven heb ik joa leerd, nou wil ik ook rekenen leeren, dan zeggen de Leeuwarders steeds nauwkeurig: skriven hè 'k leerd, nou wì 'k oek rekenen leere. Men ziet, in het eene geval wordt de n achter het werkwoord uitgesproken, in het andere niet; terwijl de Hollanders altijd die n weglaten, en de Groningers, Drenthen, Twenthen. enz. die n altijd uitspreken. Ik wil hier de gevallen opgeven waarin die n wordt uitgesproken, en die waarin zij wordt weggelaten.

Vooreerst spreekt men te Leeuwarden de n achter de werkwoorden uit, als deze in den eigenlijken infinitivus, geheel op zich zelf, staan; zooals in het bovenstaande: skriven hè 'k leerd; daar komt 'n skip an seilen; riden is miin foeg niet, rijden past mij niet, enz. Vervolgens laat men de n steeds hooren, wanneer het voorzetsel te vóór het werkwoord gebruikt wordt, b.v. leist' daar te slapen? ligt gij daar te slapen? d'r is niks te ferdienen; jimme stane te ferkleumen, enz.

[p. 294]

De n wordt integendeel achter de werkwoorden in den infinitivus weggelaten, als zij met de hulpwerkwoorden willen zullen, mogen, kunnen, moeten, durven en laten gebruikt worden, b.v.: ik wil loope; dou suust' (suuste) komme, gij zult komen; hij mag drinke; wij kanne skule; jimme mutte ride, gijlieden moet rijden; sy deure 't n 't late, zij durven het niet laten; dou laast' (laaste laatst, latest) him omkomme, enz.

De Leeuwarders onderscheiden zeer nauwkeurig de gevallen waar ze de n achter de werkwoorden uitspreken en waar niet. Hun fijn gevoel voor taalzuiverheid behoedt hen in dezen voor dwaling. Letterlijk nooit zal men een Leeuwarder hooren zeggen: houst' feul fan skaatsride? houdt gij veel van schaatsrijden? of sy leere oek singe. En evenmin zal men uit een Leeuwarder mond hooren: wy kanne nou geld verdienen, of jimme mutte wachten1). Zelfs als de Leeuwarders hunne tong geweld aandoen om Hollandsch te spreken (dat tegenwoordig zeer in gebruik komt) nemen zij onwillekeurig deze regels getrouw in acht. Deze regels zijn afkomstig uit de oude Friesche taal, die de Leeuwarders in vroegere tijden gesproken hebben, en zijn ook tegenwoordig nog van toepassing in alle nieuwere Friesche tongvallen, niet slechts bewesten de Lauwers, maar ook in Sagelterland op Wangeroog en in geheel Noord Friesland.

Zooals reeds is aangemerkt wordt het woorddeeltje ge voor de verleden deelwoorden in het Leeuwarder dialect niet uitgesproken. Maar de n achter deze deelwoorden, die door de Hollanders steeds wordt weggelaten, spreken de Leeuwarders duidelijk en met nadruk uit. Zij zeggen ik hè (ik hew) loopen, sprongen, eeten, ik bin fallen, slagen,

[p. 295]

furtgongen, waar de Hollander geloope, gestaan en gegete heeft of gevalle, geslage en heengegaan is.

Ook heb ik reeds aangemerkt dat de Leeuwarders een ruim gebruik, of liever misbruik maken van verkleinwoorden. Zij worden hier gemaakt door ke, je of tsje achter het naamwoord te voegen; b.v. van boom komt boomke, van appel appeltsje, van skölk (voorschoot) skölkje. Andere verkleiningsvormen kent men niet; het Hollandsche tje en pje, en het Brabantsche sken (boeksken) zijn hier geheel onbekend. De Leeuwarders vergissen zich nooit in het gebruik van deze verkleiningsvormen; zij gevoelen nauwkeurig achter welk woord ke en achter welk je en tsje voegt. Zoo maakt men het verkleinwoord steeds met ke als het woord op zich zelf met eene b, f, m, p of s eindigt, of met een klinker of tweeklank; b.v. slob (eene soort van eend, Rhynchaspis clypeata) wordt slobke, krab krabke, krob (pissebed, kelderzeug. Oniscus asellus of murarius) krobke, roef (op een schip) roefke, sloof sloofke, praam praamke, koem (kom) koemke, kiip (kip) kiipke, knoop knoopke, roer roerke, boor boorke, siis (sijs) siiske, glas glaske, koei koeike, kou (vogelkooi) kouke, enz. Met tsje maakt men het verkleinwoord als het woord zelve uitgaat op d, l, n en t, b.v.: brood broodtsje, heerd heerdtsje, paal paaltsje, bril briltsje, man mantsje, pen pentsje, kant kantsje, boot bootsje. Eindelijk volgt nog de verkleiningsvorm je steeds op g of ch en k, als flach (vlag) flachje, barch (varken) barchje, hering herinkje, stok stokje, bark barkje, enz.

Sommige woorden hebben een onregelmatigen verkleiningsvorm, namelijk die welke op st eindigen. Volgens den regel moesten deze woorden tsje achter zich nemen, en moest er alzoo van burst (borst) bursttsje komen, maar omdat deze letterverbinding wel moeielijk uit te spreken is, laat men den laatsten letter van het hoofdwoord weg; dan evenwel voegt men er geen tsje achter zooals het oorspronkelijke woord ver-

[p. 296]

eischt, en ook geen ke zooals met de woorden die oorspronkelijk op s eindigen, geschiedt, maar eenvoudig je; zoodat van burst komt bursje, van nest nesje, enz.

Een klein getal andere woorden heeft een dubbelen verkleiningsvorm; zoo hoort men nevens het normale kamerke en kantoorke ook wel het geaffecteerde kamertsje en kantoortsje. Deze vorm is echter meer te Franeker en te Harlingen in gebruik, waar men ook wel van trappentsje spreekt in plaats van trapke. Overal echter in de Friesche steden hoort men zoowel manneke als mantsje.

Van eene klankbuiging bij de verkleinwoorden zooals in Gelderland waar men van man männeke en van stok stökske maakt, weet men hier niets. -

Merkwaardig is in het Leeuwarder dialect het groot aantal eigenaardige scheldwoorden, of liever smaadwoorden, vooral van die, waarmede het vrouwelijk geslacht wordt vereerd. Zoo heeft men:

Flarde, dat eigenlijk een oude lap of vod beteekent, maar overdrachtelijk gebezigd wordt door vaders en jonge mannen die met reden zeer vertoornd zijn op hunne half-of volwassene dochters of op hunne jonge vrouwen. Tegen oude vrouwen of kinderen bezigt men dit woord nooit; en slechts hoogst zeldzaam wordt het voor jongens van twaalf tot zestien jaren gebruikt. Lap, het hollandsche woord voor flarde komt ook in scheldwoorden voor, als zuiplap, enz. Flarde is het vrouwelijke equivalent voor het mannelijke vlegel, hier flegel.

Klitse, een woord waarvan ik de afleiding niet weet, wordt volkomen in den zelfden zin en even dikwijls gebruikt als het voorgaande flarde.

Fekke, is eene kijfachtige, boosaardige vrouw.

Flerk, bezigt men in dezelfde gevallen als flarde wordt echter lang zoo veelvuldig niet gebruikt.

Fulik is eene booze, kwaadaardige vrouw; dit woord is weinig in gebruik en stamt af van het bijvoegelij k naamwoord fuul. Zie dat woord.

[p. 297]

Blei, bleike, gewoonlijk laffe blei. Dit smaadwoord dat oorspronkelijk de Leeuwarder naam is van den brasem of bliek, Cyprinus brama, gebruikt men voor laffe, flauwe meisjes en jonge vrouwen, die b.v. uitbundig om hare eigene quasi-geestigheden lachen. Tot knapen en jongelingen wordt het in de zelfde omstandigheden ook gezegd, hoewel zelden. Het Hollandsche brasem dat met het oorspronkelijke blei overeenkomt, wordt in Holland ook overdrachtelijk gebruikt om er laffe half-volwassen jongelingen mede aan te duiden.

Hart noemt men een eenigzins dom meisje of jonge vrouw, wat al te naïf in hare uitdrukkingen.

Tutte, of verkleinend tutsje is boven reeds opgegeven.

Sloechje gebruikt men voor een droomerig meisje, langzaam in hare bewegingen en langzaam van begrip. Het mannelijke woord hiervoor is Sloegert (Sloeg-aart).

Sleeuke zegt men eveneens tot droomerige, slaperige vrouwen, die daarenboven eene temerige spraak en slependen gang hebben. Het mannelijke sleeuwert (sleeuaart) komt ook voor, hoewel zelden.

De woorden sloechje, sloegert, sleeuke en sleeuwert komen van de bijvoegelijke naamwoorden sloech en sleeuoe, die alles wat langzaam, traag, droomerig, enz. is, aanduiden. Hoewel nagenoeg gelijk, zijn beide woorden, die gewoonlijk in één adem worden genoemd, niet nauwkeurig gelijk in beteekenis. Men zegt, b.v. als men slaap krijgt, wel: wat wurd ik sloech, maar nooit wat wurd ik sleeuoe. Sloech is het Friesche sluch, sleeuoe het Engelsche slow en het Friesche sleau.

Kliemke zegt men tot een meisje of jonge vrouw die hare huishoudelijke bezigheden niet goed aanvat, maar daarmede zoowat ommorst. Het woord is afkomstig van het werkwoord kliemen = een weinig morsen. Het bijvoegelijk naamwoord kliemerich = eenigszins kleverig, beduimeld, niet helder, bestaat ook. Voor kliemke is geen mannelijk equivalent.

Soechje is een dom, sulachtig meisje. Soech beteekent eigenlijk zeug, wijfjes-varken, en wordt ook, geheel oneigen-

[p. 298]

aardig, voor domme, sulachtige, eenigzins onnoozele jongens en jongelingen gebruikt.

Sipeltsje, sipeltriin noemt men eene sloofachtige vrouw die over kleinigheden tobt en klaagt. Sipel is oorspronkelijk een ui, en wordt ook algemeen gebruikt om dat bolgewas aan te duiden. Dit woord sipel schijnt, even als het Hoogduitsche zwiebel af te komen van het Latijnsche cepa.

Slofke gebruikt men voor eene slordige vrouw, en is afkomstig van het bijvoegelijke naamwoord slof = slordig. Voor mannen gebruikt men sloffert (slof-aart).

Sleep en sleepke zegt men tegen luie, slordige meisjes en vrouwen, die hare huishoudingen verwaarloozen, (uitslepen).

Slemier. gewoonlijk lange slemier noemt men eene lange vrouw of een lang meisje. Dit woord is, meen ik, ook elders in gebruik.

Sloofke en sieltsje gebruikt men even als in Holland sloof en zieltje voor stumperachtige, onredzame vrouwen en meisjes.

Fernim = nuf; is afgeleid van het werkwoord fernimme = vernemen, omdat nuffige vrouwen en meisjes van alle zaken gaarne het fijne vernemen.

Ichel noemt men een scherp meisje of eene scherpe vrouw, zeer bij de hand en vinnig van aard. Het woord ichel beteekent oorspronkelijk egel. (Zie stikelbarch in deze lijst.)

Els gebruikt men om er eene scherpe vrouw, die andere menschen met hare vinnige woorden kwetst, mede aan te duiden. Is afkomstig van het bekende schoenmakers werktuig.

Snip is een nuffig meisje, wat vitterig van aard en zeer bij de hand. Voor knapen en mannen gebruikt men in dit geval haan.

Nevens al deze woorden zijn ook nog de Hollandsche smaad- en scheldwoorden voor vrouwen, hoewel minder veelvuldig, in gebruik.

Eigenaardige Leeuwarder smaad- en scheldwoorden voor mannen zijn er behalve de reeds genoemde sloegert, sleeuwert, sloffert en soech weinig of geen. Echter

[p. 299]

staat tegen dit groot aantal smaadwoorden ook een groot getal vleiwoordjes over, waarvan de Leeuwarders een zeer ruim gebruik maken als ze in een' goeden luim zijn en tot, hunne kinderen, vrijsters of vrouwen spreken. Hier volgen eenigen daarvan:

Hartlapke, zegt men zoowel tot kleine kinderen als tot meisjes en vrouwen.

Skatsje fan goud, skatappeltsje, gouden engeltsje, dotsje, poeske, zelfs rotsje (tegen kleine kinderen) zijn allen woorden en uitdrukkingen waarmede men, nevens vele anderen die ook van tijd tot tijd geïmproviseerd worden, zijne liefde en genegenheid te kennen geeft.

Ruft = luier; bij uitsluiting echter een wollen luier. Men heeft ook slingerruften en kapruften; deze zijn grooter en dienen meer tot kleeding en dekking van de jonge kinderen. Een linnen of katoenen luier noemt men zeer karakteristiek pimeldoek, want pimele en pimel is wateren en water, urine; deze laatste woorden zijn slechts voor kinderen in gebruik.

Goedfrou = vroedvrouw, is bij de lagere standen alleen in gebruik.

Hennekleed = doodshemd of lijkwa. Mr. J.H. Hoeufft in zijne Taalkundige aanmerkingen, Breda, 1815, geeft eene afleiding van dit woord, die mij niet waarschijnlijk voorkomt.

Bude = buil, b.v. hy het 'm 'n bude an 't hoofd fallen, hij heeft zich een buil aan het hoofd gevallen. Bude komt meer overeen met het oud-Hollandsche budel, later buidel en thans buil.

Fiik = fijt, de bekende pijnlijke zweer aan den vingertop.

Swel, zoo noemt men te Leeuwarden niet slechts alle gezwellen, maar ook de zweren, b.v. een stienswel = steenzweer, enz. Wat men in Holland eene beenzweer noemt, heet hier: 'n open bien, 'n gat in 't bien, 'n kwaad bien; men spreekt ook van 'n kwaad burst.

Stiech noemt men een klein gezwel op het ooglid, dat elders zeer ondichterlijke namen heeft.

[p. 300]

Uut 't potsje = uit het lid of ontwricht; b. v miin skouder is uut 't potsje weest. Echter hoort men tegenwoordig meer uut 't lid.

Glei, waarvoor ik geen Hollandsch woord ken, heeft twee beteekenissen, namelijk vooreerst: bovenmate vriendelijk vooral als die vriendelijkheid en minzaamheid niet van harte gemeend is. Men zegt: 't is 'n glei wiif! of se lacht so glei! In de tweede beteekenis gebruikt men glei voor aardappels, als zij waterig, stijf en kleiachtig, het tegenovergestelde van kruimelig. los en meelig zijn; dan zegt men: hè, wat binne die eerpels glei!

Blier is een bijvoegelijk naamwoord dat men gebruikt voor iemand die een bijzonder vriendelijk lachende, inwendig vergenoegde uitdrukking in zijn gelaat heeft. Zoo zegt men: hy siet so blier, hy lacht so blier. Dit woord zal wel verwant zijn aan blij, blijde, oudtijds bli en blide; wellicht is het oorspronkelijk de vergrootende trap, bli-er van bli. Blij of blijde luidt te Leeuwarden echter altijd als bliid, en de vergrootende trap is blider, met eene d.

Voor eene heldere, schitterende, als 't ware lachend roode kleur zegt men echter bly-rood en ook wel blierrood, maar nooit bliid-rood.

Wit heeft de zelfde beteekenis als blier, maar is veel minder in gebruik. Men zegt: wat lacht i wit! Dit is afkomstig van het Friesche: hwet laketh er wít! Tegen wit lachen, wit sien, staat swart sien over.

Sip = eenigzins bedroefd, min of meer treurig, komt voor in de uitdrukking sip sien, sip kike.

Demmen of dimmen = bedeesd Is uit het Friesch overgenomen, zoo ook

Myen = schuw, eigenlijk mijdend, vermijdend, en

Rimpen, haastig, zonder dat er gegronde redenen voor die haast bestaan, en ten gevolge van die haast onhandig.

Peers = paarsch. Ook zegt men hier altijd perel voor parel, en kerel en wereld zooals bijna overal in Nederland.

Feer, feerder, feerst = ver. In het Friesch is ver

[p. 301]

fier, fierder, fierst. Ver van hier is te Leeuwarden hier feer fan daan, overeenkomende met het Friesche hjir fier fen dinne.

Faak = dikwijls. Zoo onbekend als het woordje vaak in de Hollandsche spreektaal is, zoo zelden hoort men het woordje dikwijls te Leeuwarden gebruiken.

Te gare = te zamen, ofschoon te zamen of samen ook gebruikt wordt als er van drie en meer personen sprake is, en het Leeuwarder te gare slechts voor twee personen uitsluitend wordt gebruikt. Te zamen hoort men hier nooit; als er meer dan twee personen bedoeld worden zegt men met mekaar of allegaar. Gaar legge is samenvouwen; dit laatste is echter reeds verouderd, hoewel men nog steeds tot de kinderen zegt, als dezen zullen bidden: hantsjes gaar en oochjes dicht! Te gare komt overeen met het Friesche to geärre en het Hollandsche te gader.

Tere, optere = vouwen, opvouwen, b.v. van kleedingstukken, papier, enz. Dit woord is geheel Friesch.

Krekt, krek = juist, is eene verbastering van het Fransche correct. Dit woord wordt ook door het volk in andere streken gebruikt, zoo als in de Betuwe, enz.

Neuten = noten, even als bijna overal in Nederland. Men onderscheidt groote neuten = walnoten, okkernoten en hazeneuten = hazelnoten. Zoo ook peupeneuten = pepernoten, ofschoon peper ook te Leeuwarden anders altijd peper is. In de Noordfriesche tongval van Westerland-Feur (het westelijk gedeelte van het eiland Feur of Föhr in Noordfriesland) luidt dit woord bijna gelijk, namelijk: peu benenden (pöbbenódden), terwijl het in het Westfriesch (geheel regelmatig) pipernuten, luidt.

Bakkert = stuiter, de grootere gebakken steenen ballen, waar de jongens mede spelen. De kleinere van marmer of eene andere soort van steen gemaakt noemt men, zooals overal knikkerts, of eigenlijk knikkerts.

Kèkele, kèkelde, kèkeld = aanhoudend babbelen.

Bliind = blind, ook in de Betuwe in gebruik. Het is het oud-hollandsche blijnd en het friesche blínd.

[p. 302]

Bliind = luik voor een venster, zoowel binnen als buiten; zoo ook sonnebliind. Een zolderluik, kelderluik of valluik noemt men echter steeds luuk.

Seun = zoon. Ook in de zeventiende eeuw en later sprak men te Amsterdam van zeun In sommige streken van Holland hoort men dit nog, ook in Gelderland.

Tuut = zoen, meestal in verkleinenden vorm als tuutsje in gebruik. Kus gebruikt men nooit, maar soen wel.

Nauwkeurige sprekers maken onderscheid tusschen tuutsje en soen: de moeder geeft haren volwassenen zoon een soen, de jongman zijn vrijster een tuutsje. Tuutsje is afkomstig van het verouderde toet, tuut = mond, dat nog overgebleven is in het beruchte Zeeuwsche totelokken. Het komt dus volmaakt overeen met het Latijnsche osculum van os, en het Betuwsche munje van mund = mond. Oudtijds gebruikte men ook nog te Leeuwarden voor kus bekje, dat op de zelfde wijze als tuutsje enz van het triviale bek gevormd is. Dit woord is nog overgebleven in de spreekwijze: kom, geef dat kiin 's 'n bekje! waarmede men iemand uitnoodigt eens uit zijn glas te drinken. Deze spreekwijze wordt echter slechts zelden gebruikt, misschien wel omdat de uitnoodiging of aanmoediging om te drinken zoo zelden noodig is.

Dranksoet noemt men iemand die zeer gaarne een borreltje lust, zonder nog juist aan den sterken drank verslaafd te zijn. Op de zelfde wijze is gevormd:

Geselskapsoet, dat men gebruikt om iemand aan te duiden die gaarne met zijne makkers uit gaat. De vergroetende trap van dit woord is uuthuzich en uuts.

Eek = azijn. Het is het oud-Hollandsche edik en het Friesche iëttik. Tegenwoordig zegt men in de hoogere standen reeds aziin.

Ekenhont = eikenhout. Men zegt wel ekene planken, 'n ekene kiste, maar eikenboom en eikels.

Boek, boekenboom en boekenhout zegt men even als bijna overal in Nederland voor beuk, enz.

[p. 303]

Iperenboom, iperenhout = olm of ijp en ijpenhout.

Slecht gebruikt men te Leeuwarden nog in de oude beteekenis van vlak, effen; b.v. een slechte weg. Als de jongens in de school nieuwe leien krijgen, strijken zij er met de vingertoppen over om te voelen welk lei het vlakste is en dus het gemakkelijkst beschreven wordt. Dan roepen zij uit: dì 's 'n slecht lei! dì 's 't slechtste! en willen allen liefst 't slechste lei hebben. De Hollandsche schoolmeester, die er bij staat, begrijpt er niets van, en is wel een half uur lang verontwaardigd over de domme Friezen die best slecht noemen. Dit is eene herinnering uit mijne jeugd. Dit woord slecht = vlak gebruikt men ook om het met klinkert- of baksteenen bevloerde en dus vlakke voetpad langs de huizen mede aan te duiden, in tegenoverstelling van het meer oneffene, hobbelige, niet keien (hier balstienen) bevloerde gedeelte der straat. Zoo roept men de kleine kinderen, als zij op straat gaan, vermanende na: ‘op 't slecht bliwe, hoor! niet op 'e balstienen loope!

De oude beteekenis van slecht = eenvoudig, zonder slinksche streken, (van menschen) is ook te Leeuwarden verloren gegaan even als in Holland.

Graag = gaarne; oudtijds hoorde men ook wel geerne. Van iemand die begeerig is naar iets zegt men: ‘hy is 'r graag na.

Sly = zeer begeerig; zoo is b.v. een koortszieke sly naar water.

Roppich = zeer gulzig. Als men een uitgehongerde hond ziet vreten, zegt men: kiik us! wat is i roppich!

Frette, frat, fretten = vreten. Verouderd; was vroeger vooral voor honden en andere dieren in gebruik.

Sline, sliinde, sliind = snoepen, in de beteekenis van de vingers in iets steken en die dan afslikken, b.v. die jonge sliint uut 'e stroop. Sline komt van slinden, nog in het, Hollandsche verslinden over, even als bine van binden, wine van winden, enz.

[p. 304]

Snobben, snobde, snobd = snoepen, in de beteekenis van voor eene kleinigheid iets lekkers koopen en dat uit de hand opeeten, zooals sommige kinderen en sommige vrouwen doen.

Snobdiske noemt men een tafeltje met allerlei kinderlekkernijen en snoeperijen, zooals men die op de markten, straten en aan de poorten vindt. Snobberich en sline-rich zijn de bijvoegelijke naamwoorden die van deze werkwoorden zijn afgeleid. Nevens slinen en snobben is ook snoepen in beide beteekenissen evenzeer in gebruik.

Suterich = verkneukeld, b.v. wat bin miin kleêren suterich. Men zegt ook fersuteren voor verkneukelen.

Skrutel, skrutelich = min of meer bevreesd, eenigszins bang.

Eamelen, eamelde, eameld en emmelen, emmelde, emmeld = zeuren; men gebruikt het woord in den eersten vorm gewoonlijk voor volwassenen, in den laatsten vorm meer voor kinderen.

Muudhon = zeelt, zekere visch, Cyprinus tinca, is het Friesche mudhund, spreek uit moedhoen.

Stikel = distel, en ook stekel. Van dit woord is afgeleid stikelich = stekelig.

Stikelbeerske = stekelbaarsje, Gasterosteus pungititius, aculeatus, enz.

Stikelbarch = stekelvarken; ten onrechte gebruikt men tegenwoordig dit woord algemeen om er den engel, Erinaceus europaeus, mede aan te duiden. De eigenlijke Leeuwarder en ook Friesche naam van den egel is igel of ichel. (Zie dat woord).

Moese, moesde, moesd = morsen; is vooral voor spelende kinderen en onhandige volwassenen in gebruik.

Grieme, griemde, griemd = morsen, ook in de beteekenis van iets door elkander mengen, knoeien; b.v.: allerlei fet grieme se deur 'e butter.

Slantere, slanterde, slanterd = morsen in de beteekenis van door onachtzaamheid iets uitstorten; bemorsen

[p. 305]

is beslanteren, b.v. hij beslantert him, hij bemorst zich. Oudtijds had men voor bemorsen ook nog het woord

Beslabbere. Dit woord is nog aanwezig in den naam van een langwerpigen doek die men den kinderen bij het eten onder de kin bindt: zoo'n doek noemt men wel slab, slabdoek. Op het eiland Wangeroog wordt nog tot de kinderen gezegd: du bislabberst di.

Bealich, bealch = lichaam of lijf in enkele gevallen, begint reeds te verouderen. Men bezigt, het vooral voor het lijf van paarden, groote honden, enz. Bij het harddraven van paarden hoort men de ingewanden van die dieren soms in hun lichaam heen en weêr slingeren. Dan zeggen de Leeuwarders: hoor, wat slaat 'm de bealich! In verachtelijken zin wordt het soms ook wel voor het menschelijke lichaam gebruikt; dan echter wordt het als eene zeer leelijke litdrukking beschouwd.

Nuunder = Schelp. In het Oostfriesche Platduitsch (Nedersaksisch) komt dit woord voor onder den vorm van nüne. In nauweren zin beteekent nuunders eigenlijk de schelpen van de hartschelp, Cardium edule; de dunschaal, Tellina solidula; de gaper of slijkmossel, Mya arenaria; de strandschelp, Mactra solida, en van zeer vele andere weekdieren, die bij scheepsladingen vol onder den naam van skil, nuunderskil uit zee worden opgevischt en in de kalkovens tot kalk gebrand. Van dit Friesche woord skíl of skil is, zooals mij eer waarschijnlijk voorkomt, de naam van het eiland ter Schelling, in het friesch Skilingen, Skílge, afgeleid. Deze schelpen worden, zooals ieder weet, veel gebruikt om er de wandelpaden in de tuinen en parken mede te bedekken; zoo'n pad noemt men te Leeuwarden nuunderpad, en dien ten gevolge dragen een paar buitensingels te Leeuwarden den naam van de ‘nuunderpadden.’

Barch, barchje noemt men te Leeuwarden de eenkleppige schelpen die tot het geslacht Cypraea behooren, en in Noord-Holland ulk worden genoemd. Ofschoon alle soorten van lit geslacht dien naam dragen, worden er voornamelijk de

[p. 306]

kleine witte cypreëen mede bedoeld, waarmede niet zelden de hoofdstellen der paarden in Friesland worden versierd. Dit zijn de algemeen bekende schelpjes, die in Afrika en op sommige eilanden der Stille zee als munt gebruikt worden, namelijk de cowree der Engelschen, Cypraea moneta. (Zie Kennis en Kunst 1867 pag. 27).

Einekoon = kinkhoorn, Buccinum undatum, de schelp van een op onze kusten vrij algemeen voorkomend weekdier. De laatste lettergreep schijnt mij toe eene verkorting van het woord kinkhoorn te zijn; de h van hoorn slijt gemakkelijk uit, en de r in den mond der Friezen niet minder gemakkelijk. Nog in de vorige eeuw werd te Leeuwarden hoorn algemeen als hoon uitgesproken, even als dit nog met het friesche hoarn het geval is. Einekoon zal dus voluit beteekenen eendekinkhoorn (eend te Leeuwarden = ein) en alzoo genoemd zijn omdat de eenden zeer begeerig zijn naar allerlei kleine, in schelpen en hoorns levende weekdieren.

Kif = run, gemalen, uitgelooide eikenbast.

Stroffele, stroffelde, stroffeld = struikelen, is het friesche struffelje. Strukele is ook, hoewel veel minder, in gebruik.

Pellegarst = gort; dit woord beteekent eigenlijk pelde garst, gepelde gerst, en begint reeds te verouderen; tegenwoordig zegt men meestal heele gort, in tegenoverstelling van de meer gepelde, kleinere perelgort en pontsjegort, ook beide oorspronkelijk gerst. Men heeft ook havergort en noemt het Hollandsche grutten boekweitengort.

Suup = karnemelk, is het Friesche supe (soepe). Men heeft te Leeuwarden een

Suupsteig, gelijk staande met het Soepenstraotien te Groningen en de Karnemelksteeg of straat in vele Hollandsche steden; bovendien is er nog een huzumer en een deinumer suupmerk, die zoo genoemd zijn naar de naburige dorpen Huizum en Deinum. Zuupsteeg en Zuupmarkt staat er, dwaas genoeg, half in 't Hollandsch en half in 't Leeuwarder dialect op de officieele naambordjes aan de hoe-

[p. 307]

ken der dus genoemde straten. Wilde men het Leeuwarder suupmerk niet schrijven, dan bad men 't, geheel Hollandsche karnemelkmarkt moeten nemen.

Dobbe = plas, waterplas, is Friesch.

Krode, kroodwagen = kruiwagen. Het Friesch heeft kroade. Kruien is krode, kroodde, krood of kroden.

Tiis = verwarring. Als garen of touw geheel verward is, zegt men: 't sit in 'e tiis. Men heeft ook fertiisd = verward, b.v. miin haar is fertiisd. De eerste uitdrukking is evenwel meer in gebruik. Het werkwoord fertise, fertiisde, fertiisd bestaat ook; zoo zegt men: bist 'r in fertiisd? zijt gij er in verward? In noordelijk Noord-Holland is dit woord onder den vorm van tis en de uitdrukking in de tis evenzeer in gebruik; ik heb het menigmaal door Medemblikkers (Memelikkers) hooren bezigen. Het is een der woorden die dáár nog rechtstreeks uit het Friesch zijn overgebleven.

Betien, komt voor in de uitdrukking betien late, b.v. laat him mar betien! laat hem maar stil zijn gang gaan! Dit woord is, naar 't mij voorkomt, eigenlijk be-ti-en, ti-en, het oud-Hollandsche tijgen of tij-en, toog, getogen en het friesche tjen of tsieän, teach, tein, dat in den tegenwoordigen tijd zoo wel luidt: ik tsieän, wy, jimme, sy tsieäne, als ik tsiuch, du tsiuchst, hy tsiucht, wy, jimme, sy tsiugge. Oudtijds was dit woord tijgen veel in gebruik in Holland; tegenwoordig is het er, in de spreektaal althans, uitgestorven. Zoo leest men in den Statenbijbel nog dikwijls dat iemand henen toogh, terwijl thans de Friezen nog dagelijksch zeggen: ik teach hinne, ik bin fort tein; ook te Leeuwarden hoort men nog wel op verhalenden toon door oude lieden zeggen: nou, ik tooch te werk, ik begon te werken. Volgens deze afleiding zou ien betien late letterlijk beduiden: iemand henen laten gaan, dus: hem niet meer ophouden, maar zijn gang laten gaan, en volkomen in dezen zin gebruikt men betien te Leeuwarden ook. Vroeger schijnt in Holland betijen ook in dezen zin te zijn gebruikt. Van eene niet

[p. 308]

oude Monnickendammer dame althans hoorde ik zeggen: laat hem maar betij-e, waar de Leeuwarders laat 'm mar betien zouden hebben gezegd.

Rekikkert = kikvorsch; kikkert zegt men ook, hoewel zeldzaam. Het friesch heeft froask, frosk.

Dwile, dwiilde, dwiild = ijlen, zooals een zieke doet.

Kidele, kidelde, kideld = kittelen, krieuwelen.

Joeke, joekte, joekt = jeuken, is zoowel in passiven als in activen zin voor iemand krieuwelen in gebruik.

Sleef = groote houten lepel, pollepel (potlepel).

Twiebak, gewoonlijk twuub'k uitgesproken = beschuit; het is het Hoogduitsche zwieback. Volgens de respective namen schijnt dit gebak of de bereiding er van in Holland uit Frankrijk (biscuit) en in Friesland uit Duitschland ingevoerd te zijn. Er is te Leeuwarden ook eene Twuub'ksmerk, tweebaksrmarkt of beschuitenmarkt. Twiebak of twuub'k is reeds vrij verouderd, en maakt plaats voor het nieuwere beskuut.

Touter = schommel, of eigenlijk een in een bocht hangend touw, waarop de kinderen gaan zitten te schommelen. Men heeft ook het werkwoord toutere = schommelen. Touter is ook in gebruik waar de volkstaal Nedersaksisch, Nederrijnsch is.

Luts = lis.

Struup = doorgehaalde lis, strop, strik.

Priem = breinaald.

Klouen = kluwen.

Romer = drinkglas op een voet, b.v. wiinromer = wijnglas, is het oud-Hollandsche roemer. De herberg ‘de drie romers’ tusschen Leeuwarden, Sneek en Heerenveen is bekend.

Rinse wiin zegt men te Leeuwarden, even als de oude Hollanders rijnsche wijn, voor wat de Hollanders tegenwoordig met een germanisme Rijn-wijn noemen.

Fuul = kwaadaardig, scherp, als eigenschap van menschen en dieren; zoo is b.v. 'n fuul wiif eene booze vrouw.

[p. 309]

Fuul is woordelijk het Hollandsche vuil maar komt in de Hollandsche beteekenis van morsig nooit te Leeuwarden voor. Voor het hollandsche vuil zegt men altijd smerich, b.v. wat is 't 'r smerich in 'e huus!

Hakke of Hak = hiel; men zegt even zoowel de hakke fan 'e fuut (voet) als de hakke fan 'e skuun (schoen); hiel hoort men nooit.

Deun heeft te Leeuwarden twee beteekenissen; vooreerst, als bijvoegelijk naamwoord gebruikt, beteekent het overdreven zuinig, karig, b.v. 't is 'n deune man; wat bin jou nou deun! enz. De tweede beteekenis is die van het Engelsche close, en van de Hollandsche uitdrukking: zeer dicht bij; b.v. ik gong deun an 'm lans; miin huus staat deun an sinen of an sines.

Gule, guulde, guuld = hard schreeuwen, gillen, is het friesche gule (goele).

Sangerich is de eigenschap van aangebrande brij of pap. Voor vaste spijzen en ook voor soep gebruikt men in dit geval anbrand.

Loeder is een scheldwoord voor mannen en jongens, dat nu en dan ook gekscherende wordt gebruikt; in ernstigen zin is het nog een weinig beter dan schurk of schavuit.

Kan dit woord ook van den naam van Luther afstammen, en voor drie eeuwen door de roomschgezinden als een smaadwoord gegeven zijn aan de aanhangers der leer van Luther?

Piip noemt men te Leeuwarden en elders in Friesland de gewelfde steenen bruggen die men te Amsterdam slois en te Groningen boog noemt. Te Bolsward noemt men deze bruggen post. Piip noemt men hen om de ronde, half-buis (piip) vormige gedaante, die deze gemetselde bruggen vertoonen.

 

Leeuwarden.

Johan Winkler.