De taal- en letterbode. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 3. De erven F. Bohn, Haarlem 1872.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 173]

Hvatan met zijne familie.
Door W.L. van Helten.

Wanneer men de door Grimm (Gramm. II, 43) en Ettmüller (Lex. Angl. 509) bijeengeplaatste derivata van het verloren sterke verbum (hvatan) nagaat, en opmerkt, dat ze alle òf op het begrip van acuere, acutum esse, òf op dat van incitare terugwijzen, dan zal men al licht geneigd zijn, om met bovengenoemde taalgeleerden acuere of acutum esse als oudste beteekenis van het stamwerkwoord te beschouwen. Scherpen en scherp zijn, immers zoo moeten zij geredeneerd hebben, zijn de concrete begrippen, waaruit de abstracte van aansporen en snel, vlug zijn zich ontwikkeld hebben. Hoe groote waarschijnlijkheid echter dit gevoelen bij den eersten aanblik moge hebben, zoo bestaan er evenwel twee bezwaren, welke mij nopen er tegen op te komen. Vooreerst toch moet het oudste en oorspronkelijk begrip steeds zoo enkelvoudig mogelijk zijn; iets, wat bij de opvatting van snijden, scherp zijn niet het geval is, daar deze, als snel, met kracht door iets heengaan, een samengesteld begrip van beweging is. Ten andere bestaan er, behalve de door Grimm en Ettmüller bijgebrachte afleidingen, nog verscheidene andere, die, eene gansch verschillende beteekenis hebbende, evenzeer als de door hen genoemde in aanmerking moeten komen bij het nasporen der oorspronkelijke beteekenis van (hvatan). Vatten we daarom nog eens deze taak op

[p. 174]

in de hoop van, op meerder gegevens steunende, tot zuiverder resultaten te geraken. Vooraf echter houde men in 't oog, dat (hvatan) als tot de zesde klasse behoorende de vormen hvat, hvetjan, hvettan, hvôt en hvôtjan kan opleveren, en dat bij ons in de letterverbinding, hv, òf de h wegvalt, en dus hvettan aan ons wetten heantwoordt, òf de v tot klinker wordt, en alzoo hvettan een hotten, hvôtjan een hoeten, of, met verdubbeling van den sluitconsonant en daaruit voortspruitenden overgang der oe in de zachtkorte o, hotten ontwikkelt. (Zie Taalgids, II, 81 en vlgg. den Taal- en Letterb. II, 66 en vlgg.).

Reeds boven merkten wij op, dat het begrip scherp zijn, snijden op het eenvoudige van beweging is terug te brengen. Duidelijk zien wij dit bij het Grieksche πείρειν en het Latijnsche secare, die behalve hunne beteekenis snijden ook nog eene andere, en zeker oudere, van gaan vertoonen1), terwijl het met (hvatan) identisch te beschouwen Latijnsche verbum cudere (eig quadere of quidere), dat door zijne opvatting van stooten, slaan op de nauw verwante van bewegen (trans.) wijst, ook voor ons onderhavig woord deze beteekenis doet vermoeden. (Verg. prof. de Vries in den Taal- en Letterb. II, 264, en mijne Proeven, 16). Bevestigd wordt zij door de Nederlandsche afleidingen hoetelen en hotten.

Het laatste woord vertoont, schoon in overdrachtelijken zin, nog de zuivere beteekenis van bewegen (intr.), gaan2). Het is eigenlijk een verbum medium en werd, zoowel met wel als met qualick verbonden, voor bene of male succedere gebezigd (Kil.). Gaande weg kwam het echter alleen in goeden zin in zwang, als gelukken. B.v.:

[p. 175]
 
Ende dat het dan niet hotten en wil.
 
 
 
Marnix, Biënkorf (1569), fo 151.
 
Hoe ik het aenleg, 't wil niet hotten.
 
 
 
Hooft, Brieven, 3, 82.
 
Robbert.
 
Met reden, zy konnen stutten en styven,
 
't Is geen klein bratje, een tonnetje schat.
 
Dirk.
 
'k Wou dat s'er nog een drie vier bezat,
 
De nikker, met platen is niet te spotten!
 
Robbert.
 
Met eentje, dunkt my dat kan wel hotten.
 
 
 
Purg. et Orn. Geveinsde Kwaker, III, 16.
 
Dat het van daag niet hotten zou, heb ik te nacht an de sterren al ezien.
 
 
 
J. Pluimer, Krispijn Starrekijker, 8.

Zie ook nog W.D. Hooft, Jan Saly, 35, en Tuinman, Fakkel, 150, maar liefst niet voor de afleiding. Gelijke opvatting heeft ook het woord in het Nederduitsch (Br. N. Wtb. II, 662)1).

Hiernevens nam hotten het bijbegrip, met stooten, met schokken, aan, en begon dus voor schokken, schudden in gebruik te komen. Dit blijkt uit het zd. hotteln, schertsenderwijze voor paardrijden, en hottelein, evenzoo voor paard of rijtuig in gebruik (Schmeller, II, 256), alsook uit het ndl. hotweg, dat wij in den zin van oneffen, strompeligen weg, weg, waarop men schokt, in de drie volgende plaatsen uit Spieghel's Hert-Spieghel lezen:

 
Ghi zijt ter slinker hand verdoolt: om die te schouwen
 
Geen rechter hotwegh voeght, maer 't middelpat te houwen.
 
 
 
IV, 79.
[p. 176]
 
Dees eighen zinlikheid, dees hotwegh ten verderve,
 
Bracht Adam in den dood: doet noch zijn nazaats sterven.
 
 
 
VI, 157.
 
Zy rokt u van de hotwegh, wijst een beter pat,
 
Dat eerst zwaar ganghbaar scheen, dit toont zij gangbaar plat.
 
 
 
VII, 1271).

Onze taal kent deze beteekenis (trans. en intrans.) voornamelijk in de met s versterkte vormen hotsen, hossen, hutsen en hutselen, welke nog algemeen in gebruik zijn en waarvan de derde den naam gaf aan den beroemden hutspot. (Over het ontstaan der verschillende vormen zie mijne Proeven, bl. 17 en 18, aant.) In bijzondere toepassing en intransitieve beteekenis is echter hotten nog in vollen zwang voor het schiften en scheiden der melk, eene werking, die door het schudden en schokken ontstaat. (Zie Weiland, Taalk. Wb. en Bouman, De volkstaal in N.-Holland, in voce). Vanhier ook hot, het dik van geschifte, gekernde melk, en hottemelk, gestremde melk.

In bijna gelijke opvatting als hutsen, bezigde men het bovengenoemde frequentatief hoetelen, dat op een niet meer gevonden hoeten wijst, als stooten, stompen, of met overdracht, als kwellen, plagen. B.v.:

 
Of se sachjes werd getroetelt
 
Of gestooten of gehoetelt.
 
 
 
Westerb. I, 467.
 
Sijn vâer heeft hem so langh de rugge raeu gereen,
 
En staegh gequelt en hem te hoetelen genomen.
 
 
 
Id. II, 530.
[p. 177]
 
Daarom en is 'er geen beter raad, als dat we den goeden Job
slagten
, en wapenen ons met geduld,
 
En denken, worden wenu zoo gehoeteld, het is onze eigen
gierigheids schuld
.
 
 
 
v. Paffenrode, 136.
 
Men hoetelde Reinier om een quaet wijf te trouwen.
 
 
 
Huygens, Korenbl. IV, 30.

Wanneer iemand een of ander voorwerp stoot, schudt, het niet met zorg behandelt, zal hij meer kwaad dan goed er aan doen, en, op zijn minst genomen, een onnutten en ijdelen arbeid verrichten. Door dezen overgang van begrip verklaart men zich, hoe knoeien, dat oorspronkelijk de beteekenis van mishandelen1) had, nu bij ons elk oogenblik als broddelen gebezigd wordt, en hoe hoetelen oudtijds algemeen gold voor frivola agere, ignaviter aliquid agere, beuzelen2). Zie voor bewijzen Kiliaen, Weiland, Taalk. Wb. en de volgende plaats uit Hooft's Ned. Hist., bl. 736:

 
En terwijl Philps hier te hoetelen lagh, had hem de Turk het Koninkrijk Tunis - ontstreeken.

Vanhier bij Kiliaen hoeteler, homo iners, operarius iners, ineptus in arte quam exercet: homo nihili, inanis, sordidus, levis, nequam, scurra; hoetelvolksken, sordes urbis, vulgus parvi pretii; hoetel-werck, hoetelrije, opus frivolum, frivola, ineptiae; terwijl het verbum, met het voorvoegsel ver verbonden, evenals verbrodden, verknoeien, den zin kreeg van iets door knoeien bederven, in ongunstigen toestand brengen (Brill, Ned. Sp. voor H.O. I, 275). B.v.:

 
Ja wel, wil je niet zwijgen, zoo zel j' et heele spel verhoetelen met je malle kueren.
 
 
 
v. Paffenrode, 161.
 
't Lijken er wel verhoetelde Arions en Andromedaetjes.
 
 
 
G. Tengnagel, Frik in't Veurhuis, 43.
[p. 178]

Zie ook nog Nil Vol. De Malle Wedding, 74, enz.

Maar nog verder zou zich deze opvatting van hoetelen uitbreiden; want, beschouwde men het begrip knoeien als smerigen en geringen arbeid verrichten, dan ontstond hieruit bij bijzondere toepassing allicht dat van in 't klein handelen, kleinhandelaar zijn1), als hoedanig het woord bij Kiliaen genoemd wordt en nog hedendaags gebruikelijk is in de volkstaal van N.-Holland (Bouman in voce). Afleidingen er van zijn hoeteler, hoetelaer, caupo sordidus, klein-, ruilhandelaar (Kiliaen en Coster, T. de Boer, 18), en verhoetelen, dat in den zin van verkwantselen, verschaggeren in Huygens' Korenbl. (III, 272) voorkomt:

 
Jan had sijn' vrijheit korts verhoetelt lijf om lijf.

Om echter weer tot ons begrip stooten terug te keeren, zoo moet, gelijk uit (hoeten), hoetelen, blijkt, de oude Germaansche vorm hvôtjan ook deze concrete beteekenis gehad hebben. Zelve evenwel wordt zij in de ons toegankelijke bronnen niet gevonden, maar wel de afgeleide dreigen, welke hier op gelijke wijze als in drohen, drijgen en droten (zie mijne Proeven, 35 en vlgg.) ontstaan is. Zie b.v.: goth. hvôta, ags. hvôt, on. hôt (met den in dit dialect bijna regelmatigen uitval van v), bedreiging, en goth. hvôtjan, ags. hvêtan (met ê, umlaut van ô), on. hôta, bedreigen.

Ten slotte blijft ons nog de boven vermelde opvatting van met snelheid, met kracht zich bewegen ter behandeling over. Gebruikte men ze in bijzondere toepassing, dan ontwikkelde zich, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten, het begrip snijden, scherp zijn, dat nog voorkomt in een van (hvat), scherp2), gevormd ags. denominativum hvettan, scherpen, ndl. wetten en nfr. hottjen (Epkema

[p. 179]

op G. Japiks). Werd daarentegen het begrip van beweging in 't oog gehouden, dan vloeiden daaruit zoowel met eigenlijke als overdrachtelijke opvatting de volgende derivata: ags. hvätlice, cito, hvätness, velocitas, hvätscipe, velocitas, virtus, hvät, acer, fortis, on. hvatr, acer, ags. hvät, incitamentum, en, bij bijzondere toepassing, omen, evenals hvatung, divinatio, hvettan, compellere, on. hvetja, hortari, enz.