De taal- en letterbode. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] taal- en letterbode, De


bron: De taal- en letterbode. Jaargang 4. De erven F. Bohn, Haarlem 1873.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 296]

Iets over de aspiratie in het Nederlandsch
door W.L. van Helten.

Van de vele en verschillende soorten van invloed, die de eene consonant op den anderen kan uitoefenen, is voorzeker geen enkele zóó sterk en zóó omvangrijk te noemen als die, welke men bij de dentale liquidae (l, n, r) ten opzichte van een voorafgaanden of volgenden medeklinker opmerkt. Zonder nog in andere talen de inwerking dezer letterklanken na te gaan, zonder nog er op te wijzen, hoe λ, ν of ρ in het Grieksch eene volgende j met zich assimileeren kan, hoe in het Oudbulgaarsch eene volgende l of r de k in e (spreek uit ts) of č (spr. tsj) en de g in ž (spr. als fransch ge) doet overgaan, hoe in het Litausch de s na r en de z (spreek als fr. ge) vóór l in sz (spr. sj) verandert, hoe in beide talen de t en d vóór l tot s worden, zonder dit en meer volstaat reeds onze taal alleen om den grooten invloed der drie consonanten bij het ontstaan der vormen en de belangrijkheid hunner geschiedenis voor den taalvorscher aan te duiden. Overbekend toch mag gerekend worden de verscherping der zachte beginletter, welke onmiddellijk, en der zachte tusschenletter, welke met tusschengeplaatste toonlooze e door l, n of r gevolgd worden. (Vgl. mijne Proeven, bl. 41; mijne Drie Kluchtspelen, bl. 94, en den Taal- en Letterbode IV, bl. 35.) Evenzoo is reeds aangetoond, dat het tegengestelde van dit verschijnsel, nam.

[p. 297]

verzachting van de beginletter, vóór dezelfde consonanten kan plaats hebben (vgl. de Toekomst van 21 Juni 1872); en dat de dubbele tennes kk of pp vóór eene door de vloeiende tandletters gevolgde toonlooze e meermalen tot de dubbele mediae overgaan (vgl. Taal en Letterbode IV, bladz. 36). Ook het merkwaardige wisselingsverschijnsel van h, k en g, dat wij op bladzijde 31 van den Taalb. (IV) zagen en slechts door eene hypothese konden verklaren, wordt alleen gevonden vóór de onderhavige liqnidae, van welke daarenboven, gelijk in dit opstel zal aangetoond worden, eene aspireerende kracht uitgaat, die, evenals de bovengenoemde verscherping en verzachting, zoowel op de beginletter, welke onmiddellijk, als op de tusschenletter, welke met tusschengevoegde toonlooze e voorafgaat, hare werking doet gevoelen.

Niet ongewoon is deze overgang van tenuis of media, door invloed van een naburigen vloeienden consonant, in aspirata reeds in oude met het Germaansch verwante talen. Zoo wordt in het Oudbaktrisch de k, g, t en d, behalve vóór meer consonanten, ook vóór r en n tot kh, gh, th en dh. Zoo vinden we in het Grieksch de suffixen θρον en θλον in plaats van de regelmatige τρον en τλον (skr. tra), ἀλείφειν, zalven, naast het regelmatige λίπος en λιπαρός, vet (vgl. skr. lip, zalven), ϰεΦαλή, hoofd, naast het lat. caput en het skr. kapâlas, λύχνος, lamp, van den stam λυϰ (skr. ruk), schijnen, τρέφειν, voeden, naast het skr. tarp, verzadigd zijn, en het gr. τέρπειν, geestelijk verzadigen, vergenoegen, enz., bij alle welke eene voorafgaande of volgende liquida tot de aanblazing heeft medegewerkt (vgl. Curtius, Gr. Etym. 2, 441 en vlgg.). Wellicht is ook in het Latijn, nam. in eene oudere periode dan waarin wij deze taal kennen, hetzelfde verschijnsel te vermoeden (vgl. Kuhn, Zeitschr. f. vergl. sprachf. XIV, 78 en 222).

Op volkomen gelijke wijze nu zien wij in onze taal en dialecten meermalen eene tenuis (p of k), op welke, gelijk we boven reeds aanmerkten, eene door de toonlooze e voorafgegane dentale liquida volgt, door invloed van deze in den geaspireerden klank overgaan, ten gevolge waarvan alzoo onze tegen-

[p. 298]

woordig gebruikelijke woorden kachel, bochel en goochelen zijn te verklaren uit de bij Kiliaen genoemde kaekel, bokel en gokelen. Hierdoor ook heeft men bij Hooft (zie Uitl. Wb. in voce) het ww. nijfelen, iets met vinger en duim wegnemen, stellig niets anders dan het frequentatief van nijpen; hierdoor gebruikt Harduyn op bl. 138 zijner Gedichten (uitg. Schrant) den vorm flichelen voor het heen en weer golven der haren, in plaats van het meer in deze iteratieve bet. gewone flikkeren, hierdoor bezigt de Nederduitscher naast het adjectief drepelik, voortreffelijk, even goed dreffelik, of drefflik (zie Br. Nieders. Wb. in voce), terwijl de Westvlamingen de verba huichelen, scherpluidende en kort afgebroken kreten geven, uit huikelen (de Bo, 446, a), uitkochelen, uitkoken (Id. 1212, a), uit uitkokelen, stomfelen, wegstoppen, uit stompelen (Id. 1106, a), en schamfelen, schampen, even raken en zijwaarts afwijken, uit schampelen (Id. 975, a) hebben afgeleid.

Als bewijzen van het andere boven genoemde geval, van de aspiratie der beginletter vóór l of r (van die vóór n weet ik geen voorbeeld) zien we vooreerst in het Westvl. de woorden fluis, donzig vlokje (de Bo, 326, b), en frut, chicorei, koffie (Id. 332, a), voor pluis en prut, van welke het eerste blijkens de overname van het fr. peluche of pluche (lat. pilucca), het andere wegens zijne afleiding (zie Taalb. III, bl. 183) eene oorspronkelijke p vertoonen; evenzoo in het ndd. flätern, kletsen, voor het eveneens gebruikelijke plätern, dat denkelijk door de bekende verscherping uit het lat. blaterare gevormd is (Brem. Nieders. Wtb. in voce). Bij het Brabantsche vlugghe, vlugh (de Bie, Kluchtige behendigheyt van twee Borse-snyders, 22; Klucht van Roelandt den Clapper, 16; Cluchte van den jaloursen Dief, 21), hetwelk aan den bekenden schimpnaam plugge (zie mijne Proeven, 87) gelijk te stellen is, vertoont zich de zachte aspirata in plaats van de scherpe f; terwijl we in het oude bluisteren, branden, zengen, dat van den Germaanschen stam blus (zie Fick 2, 824) gesproten is en tot fluisteren werd (zie Dr. de Jager, Proeve van Werkw. v. herh. en dur. bl. 110), den overgang der zachte b tot de scherpe aspiratie, kunnen opmerken.

[p. 299]

Ook bij de wvl. ww. pletsen en fletsen, met geraas in of met water morsen (de Bo, 871, a), alsmede bij het door Kiliaen genoemde blansen, dat bij denzelfde als plansen, plensen en bij Focquenbroch (I, 437) als flensen wordt aangetroffen, zoude men hetzelfde verschijnsel mogen zien. Wellicht echter zijn de verba als klanknabootsingen te beschouwen en is dien ten gevolge het verschil van aanvangsconsonant alleen aan deze omstandigheid toe te schrijven.