|
In hoeverre de dubbele n met de verbuiging iets te maken heeft of niet, zullen we later onderzoeken. Hier zij slechts aangestipt dat zoowel in 't Gotisch als in alle overige Germaansche talen de verdubbeling eener n, l, enz. hoegenaamd niet in verband staat met de etymologie. Men schrijft in 't Gotisch kunnan, inna e. dgl., waar ook wij kunnen, binnen spellen, en de Hoogduitschers können, innen. De neiging om na geaccentueerde korte klinkers eene n, l, m, zelfs k, t, en andere [p. 2] letters te verdubbelen is gaandeweg zóó toegenomen dat wij schrijven kunnen niet alleen, maar zullen, tamme, lamme, bakken, watte, enz., en evenzoo in 't Hoogd. sollen, backen, hassen, e. dgl. Kortom, de verdubbeling der medeklinkers in de Germaansche talen is in de meeste gevallen 't gewrocht van latere ontwikkeling en heeft niets te maken met den oorspronkelijken vorm der woorden. Daar nu in 't Gotisch gespeld wordt evengoed manasêths, manamaurthrja als mannans, moet men in de eerste plaats denken dat de nn in dit geval alleen dan voorkomt als er grootere nadruk op man valt, want al viel ook de klemtoon waarschijnlijk op de eerste lettergreep dier samengestelde woorden, toch moeten sêths en maurthrja genoeg zwaarte gehad hebben om den nadruk op de eerste lettergreep te verminderen. Of de Goten wel in eenig geval eene werkelijke nn (d.i. eene n tweemaal zoo lang aangehouden als de enkele) uitgesproken hebben, is lichter gevraagd dan beantwoord. Zeker is het dat Nederlanders, Duitschers, Engelschen eene echte nn niet kunnen uitspreken dan na oefening; evenmin kennen de Franschen en Spanjaarden dien klank. Desniettemin schrijven al deze volken, de Spanjaarden uitgezonderd, eene nn om aan te duiden dat de voorafgaande korte klinker iets bijzonders in de uitspraak heeft. Het is algemeen erkend dat aan de verbuiging van man in 't Gotisch twee of meer stammen ten grondslag liggen. Nu vindt men in de verwante talen, in de eene meer, in de andere minder, woorden waarvan enkele naamvallen bij een anderen stamvorm behooren dan de overige. Soms zijn de naamvallen gevormd van drie verschillende stammen. De eerste gedachte die bij ons moet oprijzen is dus, of er in andere talen geen soort van woorden zijn, die in hun verbuiging met die van man overeenkomst toonen. Natuurlijk moeten we een woord vergelijken 'twelk in sommige naamvallen eenen stam op an vertoont, want mannans in 't meervoud is baarblijkelijk van zulk een stam afgeleid. De vraag is dus: zijn er in eene verwante taal woorden te vinden, wier stam in enkele [p. 3] naamvallen op an uitgaat, en tevens afwisselt met een anderen stam zóó dat men eenen datief als mann er uit kan verklaren? We behoeven niet lang te zoeken; in 't Sanskrit komen ons voor den geest stammen als panthan, bijstam path en pathi, ‘weg’. De verbuiging is als volgt:
Het tweevoud kunnen we laten rusten. Bij den eersten oogopslag kan men ontwaren dat de stam in voc. en acc. enk., en in nom. voc. meervoud, op an uitgaat, en dat hij buitendien eene zwaardere eerste lettergreep heeft. De mannelijke stammen op an hebben den nomin. enk. altoos op â, behalve juist in dit woord en in een paar andere. We mogen gerust aannemen dat het Got. manna in den nom. geheel regelmatig de verbuiging der woorden op an volgt en dus beantwoordt aan een Skr. panthâ. De voc. van 't Got. is gelijk aan den nomin., in tegenstelling tot het Skr., doch dat geldt niet alleen van dit ééne geval, maar van alle woorden op an. Bij vergelijking van manna met panthâs, van mannan met panthânam, van mannans met panthânas, rijst van zelven de [p. 4] vraag of mann met dubbele n niet eene versterking zou wezen van man, op gelijke wijze als panth het is van path. Aangezien we die dubbele n ook ontmoeten in den gen. meerv. mannê, en aldaar van geen versterkten vorm sprake kan wezen, kom ik tot het besluit dat de dubbele n niet gelijkstaat met de versterking in 't Skr., en dat zij overal niets anders is dan een gevolg van de met (Germaanschen) klemtoon voorziene eerste lettergreep, wier klinker van nature kort is. De rekking van den stamuitgang an tot ân, die in 't Skr. tot regel geworden is, doch in de overige talen slechts bij uitzondering voorkomt, heeft in de Germaansche gelijk men weet, geen plaats. Aan eenen accus. enk. op ânam, en eenen nom. meerv. op ânas, van 't Skr. beantwoorden regelmatig in 't Germ. anam, en anas, en wat zich hieruit verder ontwikkeld heeft. Verschil in beteekenis tusschen ân, an, n (ĕn) is er niet; daarom heeft dan ook de eene uitgang van 't partic. med. in 't Skr, nl. mânas volstrekt dezelfde waarde als μενος in 't Grieksch, mno in 't Irânsch, mnus in 't Latijn (bijv. alumnus, vertumnus, oude deelwoorden van 't medium). De andere uitgang van gezegd deelwoord in 't Skr: ânas, verschilt ook maar in klank, niet in waarde, van Goth. ans, (ons en, bijv. in genomen), Slawisch anŭ. Zelfs in 't Skr. wisselen ân, an, n met elkaar af in 't zelfde woord, al is dan ook aau ieder er van eene bepaalde plaats toegewezen. Bijv. van bhûman, veelheid, is de accus. bhûmânam, de locat. bhûmani of bhûmni, de dat. bhûmne, enz. Men ziet dat bhûmânam in dezelfde verhouding staat tot bhûmani en bhûmni als 't deelwoord op mânas staat tot μενος, en mnus, mno. Hoewel in 't Skr. de rekking van an tot ân regelmatig in dezoogenoemde sterke naamvallen geschiedt, hebben toch ettelijke overoude woorden, inzonderheid godennamen, den accusatief op anam, en niet op ânam. Zoo heeft Aryaman den accus. Aryamaṇam; Vrtrahan, Ṿrtrahạnam enz.; in de oudere taal der Veda's zijn er nog onderscheiden andere woorden die aldus den accus. vormen; bijv. ukshan, nomin. ukshâ, accus. ukshanam en ukshânam. Volstrekt [p. 5] identisch nu met nom. ukshâ, acc. ukshanam is 't Gotische auhsa, auhsan, Hoogd. ochs, ochsen. Nemen we dit alles in aanmerking dan mogen we zeggen dat de verbuiging van man in de sterke naamvallen dezelfde is als die van path. De stammen zijn man(n)an en panthan. We hebben nu te onderzoeken of de verbuiging dezer twee woorden ook in de overige naamvallen overeenkomt. Vergelijken we den gen. mans met pathas, dan zien we oogenblikkelijk dat ze volkomen overeenkomen, want een ouder manas moet in 't Gotisch regelmatig tot mans worden. De datief mann beantwoordt ook volkomen aan pathe, mits men bedenke dat de verdubbeling der nn onafhankelijk is van de etymologie. Op gelijke wijze schrijft men in 't Got. kann, terwijl de oudere Arische vorm hiervan is gagana; in kunnum, oude vorm (ga)[...]nĕma, (ga)gĕnĕma, Skr. jajnima, voor jajnĕma.1) De oude datief [...]anai = pathe moet tot man (mann) worden, omdat ai (Skr. e) aan 't einde in 't Got. wegvalt. Bijv. Skr. sûnave = Got. sunau; Arisch uksanai = Got. auhsin, Ohd. ohson, Ags. oxan, enz. De overgang van an in in is eigenaardig Gotisch; wellicht is uit den datief-uitgang ai eerst i geworden, waardoor de overgang van 't an in de voorafgaande lettergreep is bevorderd, maar voor de overige Germ. talen kan men dit niet veronderstellen. Dat nu man niet min is geworden, ofschoon 't Got. hanin, enz. heeft, is licht te verklaren; in hanin is wel de uitgang an tot in verzwakt, doch de a in man behoort niet tot den uitgang, maar tot den wortel. Niet alleen bij de woorden op u en an is in 't Germaansch de ai (Skr. e) des datiefs uitgevallen; ook datieven als fiska zijn ontstaan uit fiskâi, want âi - ai levert a op. Evenzoo heeft [p. 6] zich thamma ontwikkeld uit tasmâi, of misschien thamâi; stammen op ant, Got. and, eigenlijk deelwoorden, bijv. nasjand, hebben ook in den datief nasjand, waarvan de Arische vorm moet wezen nasíantai (en nasiyantai of nasîantai). Van vrouwel. stammen, als ansts, komt als datief anstai, uit anstai-ai (Vgl. Skr. mataye). In 't meerv. vinden we zoowel mannans, analoog met panthânas, als mans, gevormd als pathas. Naar de regelen die in 't Skr. heerschen ware mannans eigenlijk de nominatief, en mans de accusatief. Doch in de oudere taal komen weleens uitzonderingen op den regel voor en of men zulke uitzonderingen als taalfouten beschouwe of niet, het is duidelijk dat het Gotisch zich niet aan den regel houdt, gesteld al eens dat hij eenmaal voor 't Arisch in 't algemeen gegolden heeft, iets zeer twijfelachtigs. Aan den Vedischen bijvorm pathayas zou in 't Got. een manneis beantwoorden. Hij komt in onze teksten niet voor. Het Oudnoordsch evenwel heeft menn, en vermits Oudn. gaess de nominatief meervoud is van een i-stam (Got. vorm op te maken uit het Ohd. enz. ganseis) mag men menn houden voor den nom. meerv. van een stam mani, overeenkomende met pathayas. De genit. pl. mannê (d.i. mánê met klemtoon op ma) strookt geheel met pathâm; want âm in den gen. pl. gaat in 't Got. in e over; bijv. nasjanda is gen. pl., even als bijv. Skr. bharatâm. De dat. pl. mannam is regelmatig of schijnbaar regelmatig gevormd, inzooverre hana enz. ook in dien naamval hanam enz. vormt. Afwijkend heeft 't Skr. dat. pathibhyas; instr. pathibhis. Op lange na niet zoo duidelijk als de Gotische vormen zijn de Oudnoordsche of IJslandsche. Dat de nom. meerv. menn tot een i-stam te brengen is, hebben we reeds gezien. De nom. enk. madhr (voor mandr, mannr) of mannr kan een i-stam zijn gelijk bijv. bragr. Hetzelfde geldt van den accus. mann. Den datief manni weet ik niet anders te verklaren dan als een instrumentaal, tevens als datief gebruikt. Want brengt men dit manni, [p. 7] zonder klankwijziging, in 't Gotisch over, dan krijgt men manna en dit kan evenals bijv. instrum. fiska, Oudsaksisch fisku of fisko, uit mánâ = pathâ ontstaan zijn. Evenzeer echter kon On. manni zoogoed als On. armi, fiski een echte datief zijn van eenen a-stam. Want naast panthan, pathi en path bezit het Skr. een woord patha in denzelfden zin, en wat in het Skr. bij dit woord het geval is, kan ook in 't Germaansch bij mannan, manni, man bestaan hebben. De gen. enk. manns zou ik in 't geheel niet weten te verklaren dan juist als den regelmatigen gen. van eenen stam manna, gelijk pathasya het is van patha. Van 't meervoud is niets verder op te merken dan dat manna = Goth. mannê is en dus aan Skr pathâm beantwoordt. 't Angelsaksisch is rijk aan verschillende vormen van man; ze zijn voor zooverre ik ze ken, in onderstaand overzicht opgegeven:
Welke onder de opgegeven vormen van den stam op an zijn afgeleid, welke niet, laat zich duidelijk onderscheiden. Doch waaronder behooren we de overige te brengen? De nom. pl. menn is gelijk in 't Oudnoordsch te vergelijken met woorden als gês, van gôs, gans; bêc van bôc, boek1); mŷs van mûs; vgl. Hoogd. mäuse van maus. Hij komt, zoowel als de datief enk. men, van eenen stam op i. Hoe nu in ouderen tijd de [p. 8] dat. enk. en de nom. meerv. geluid hebben is vooralsnog moeielijk te bepalen. In 't algemeen zij er aan herinnerd dat de i van elken stam, hetzij mannelijk of vrouwelijk of onzijdig in 't Ags. veel langer bewaard moet zijn gebleven dan in 't Gotisch, en meestal in 't Oudnoordsch, dewijl anders de wortelklinker geene klankwijziging zou vertoonen. Tot op den tijd dat de klankwijziging zich in 't Ags. begon te ontwikkelen, moet men gezegd hebben ôsti, en niet ôst (= Got. ansts), want anders zou 't ons bekende Ags. niet êst hebben. Evenzoo moet de nomin. van mahti, die in 't Got. mahts luidt, in 't oudere Ags. geklonken hebben als meahti, want alleen hieruit kan miht ontstaan. Ook men, datief enk., moet dus ontstaan wezen uit menni, en de vraag die overblijft is, waarvan die i wederom een overblijfsel is. Dat laat zich niet zoo licht opmaken. Van een woord op i kan de datief enk. in 't Arisch even goed luiden iai, bijv. Skr. paty-e, sakhye, als aiai, Skr. aye, bijv. agnaye, mataye. Veronderstel dat uit mani op de eerste wijze de datief gevormd werd, dan moet die geluid hebben maniai, en met eigenaardig Germ. verdubbeling van n na eenen korten geaccentueerden klinker: manniai; vgl. Ags. cynnes met hirdes. Doch ai aan 't einde valt weg, zooals wij gezien hebben; dan blijft er over manni, en hieruit komt 't bekende Ags. menn. - De gen. mannes zal wel evenzeer van den stam op i af te leiden zijn, doch een uiterlijk kenmerk om hem te onderscheiden van den gen. der a-stammen is er niet. - De genit. pl. manna beantwoordt aan Skr. pathâm. In 't algemeen zal men kunnen opmerken dat in 't Arisch, om eene ons nog onbekende reden, de suffixen i en an elkaars plaats mogen innemen. In klank is er tusschen die twee suffixen geen overeenkomst, maar desniettemin beteekenen zij hetzelfde. En niet slechts als suffix is i = an; niet alleen is in 't Skr. bijv. akshi = akshan; asthi = asthan; dadhi = dadhan; enz.; maar ook als voornaamwoorden vervangen an en i elkander; bijv. Skr. nom. mannel. ayam (d.i. sterke vorm van i + toegevoegd am), vrouwel. iyam (d.i. i + am), maar instrum anena (anâ); [p. 9] anayâ. Het is klaar dat in 't Skr. nom. enk. akshi ‘oog’ ongeveer in dezelfde verhouding staat tot instr. akshṇâ (d.i. akshĕṇâ), als nom. ay(am), Got. en Lat. is, tot inst. anâ. Geen wonder dus dat we die onverklaarde, maar feitelijk bestaande afwisseling van an en i ook teruggevonden hebben in de verbuiging van man. Uit de wijze waarop 't woord in 't Ohd. verbogen wordt, leeren we niets nieuws; de gen. enk. man is onbetwistbaar = Got. mans, en even als Ohd- tac, nom. enk., staat voor een ouder dagas, zoo ook man voor manas = pathas. Op dezelfde wijze is de nom. pl. man te verklaren. De Ohd. en Mhd. nom. en accus. meerv. man beantwoorden aan Got. mans en aan Skr. pathas, ofschoon 't laatste uitsluitend als accus. optreedt. Hoe 't Nhd. aan zijn männer is gekomen, wacht nog, voor zoover ik weet, op eene verklaring, evenzeer als de wording van 't meerv. lieder in 't Dietsch, ook een i-stam, welke nog niet is opgehelderd.
|
1)In 't Skr. is de Arische ĕ gewoonlijk in i, soms in u overgegaan. Bijv. van [...]at komt perf. I pl. papĕtima (gespeld paptima, maar vierlettergrepig in 't vers); uit dezen Vedischen vorm is gekomen papitima, en hieruit pa-itima, d.i. [...]etima. Uit strî, dialectisch ĕstrî is later ontstaan 't dialectische istrî, en hieruit Prâkrit itthî. Doch voor tĕlâ, Gr. τλας, τλημων, enz. (t)latum, zegt men tulâ; voor kĕru, welks guna karo is, zegt men kuru. Zoo ook gaat r [...]r, rĕ) gewoonlijk in ir of ri over, soms in ur of
ru.
1)Ook in 't Graafschapsch is bôk een i-stam, want het meerv. luidt beuke.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||