Taal en Letteren. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 2. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1892


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 292]

Hagar van Da Costa.

Tekstverklaring.
(Vervolg.)
21-38.

In vers 1-20 heeft Da Costa met enkele forsche trekken het tooneel geteekend, waarop we ons thans met hem bevinden. Nu komt Hagar te voorschijn en juist in de tegenstelling met al het geweldige, waaraan de dichter herinnerd heeft, gevoelt men al haar verlatenheid. In de voordracht moet deze tegenstelling ook voelbaar worden. Te veel klank en nadruk zou in deze strophe II niet passen. Er moet iets van de doodige rust van 't landschap in het statig-langzaam-gelijkmatige lezen liggen. Bij dit lezen zijn de leesteekens, de komma's en de punten, metterdaad rustteeken, diep verneêrd sluit zich echter in rasscher lezing nauwer aan bij fierheid; de lettergrepen (neem b.v. het woord: onbewogen) volgen op elkaar duidelijk gearticuleerd, maar met zekere bedaarde langzaamheid; de eindconsonanten in uur, stil, stor-, wil-, een-, vrouw enz. verdubbelen zich in duur en vocalen als de o's in onbewogen en oog, de ie in fier, de a in naberouw verlengen ietwat; naberouw echter verlengt door den zwaren klèmtoon op na en zoo'n klemtoon krijgen ook de beide woorden diep (24 en 25), dubbel en klemmend (28). Met vers 31 kan er meer leven in de voordracht komen: wierp tuchtigend wordt uitgesproken kort en met klem; klem moet er ook in de volgende verzen zijn en veel aanmanende nadruk in ‘en dat zich 't hart’ etc.; in 35 Voor u ook enz. moet iets troostelijk verheffends liggen: kort en ras dat Voor ù ook, nadrukkelijk dat brood en water en wat er volgt. Die verheffing moet aanhouden in 36-38: steeds meer kracht en rijzing in de stem: maar zonder overdrijven, nooit zich inspannen, en met matige kracht vooral eindigen.

Dat Hagar Sara, haar meesteres, minachtend op haar moederschap had gewezen (Genesis XVI, 4-5) merkten we op. Toen ze voor Sara gevlucht was, nam ze haren weg de woestijn in, in de richting van Egypte: in Gen. XVI wordt ze eene Egyptische genoemd. Da Costa noemt Egypte het Land van Cham, den bekenden zoon van Noach (Gen. IX, 20-26), die de stamvader der zwarte volken werd; het is ook bekend dat de oude inheemsche naam van Egypte Chemi of Kemi (= zwarte grond) geweest is; in het Oude Testament wordt dit met Cham in verband gebracht. De eikenbosschen van

[p. 293]

Mamre worden Gen. XIII, 18 genoemd; Abraham woonde daar toenmaals; over de juiste ligging van deze plek, bij Hebron, is geen zekerheid. Belofte (37) is een woord van groote beteekenis vooral in het Oude Testament en nòg in het werkdadig Bijbelsch Christelijk geloofsleven: het behoort tot de vaste terminologie van het Joodsch-Christelijk Geloof; zie het Doopformulier der Hervormden, achter in het kerkboek. Onder de beloften verstaat de Geloovige al wat God aan Zijn volk (de door Hem uitverkoren Geloovigen) heeft toegezegd, als bewijzen van Zijn onveranderlijke liefde en trouw: de eerste belofte vinden we in Genes. III, 15; aan Abraham vielen (en in hem aan Abrahams kinderen in 't geloof, d.z. allen die in den Messias hun Heiland hebben gevonden) de heerlijkste beloften ten deel. Het geheele O.T. door openbaart Jehova zich in beloften: zie onder vele b.v. Gen. XII, 2, 3, 7; XVII, 4-9; Exodus XXIX, 43-46; Leviticus XXV, 18-21; Deuteronomium XXVIII, 1-14; Jozua I, 6-9, en zoo steeds voort. De Geloovigen worden wel kinderen der Belofte genoemd: zie daarvoor Romeinen IX, 8-9 en de verklaring in Galaten IV, 28 (Izaäk was immers de zoon van Gods beloften aan Abraham); vgl. het Doopformulier. Uit Abrahams heup geboren (38): de heup was bij de Israëlieten de zetel der manlijke kracht (teelvermogen): vgl. Gen. XLVI, 26; Exod. I, 5; Richteren VIII, 30. Onze dichters nemen de uitdrukking over; zoo noemt Bilderdijk zijne kinderen: Spruitjens van (zijn) heup. Is koning: nl. als patriarchen der volken en als stamvaders der vorsten, die, naar de belofte, uit Abraham zouden voortkomen. Vgl. ook Gen. XVII, 6 en vooral 20.

II. Wat bijzonders is er in de woordschikking van 22-23?

Bij het gebruik van naberouw (24), komt de nadruk daarop, dat het berouw na de verkeerde daad en te laat komt. - Kommer (25) kan zijn: zorg over de toekomst; diep in de ziel bestreden is echter een bepaling bij naberouw en kommer en nu schijnt het ons beter kommer op te vatten als ‘kommer over zich-zelve’ ‘zelfverwijt’, als synoniem van ‘naberouw’ dus; hare aangeboren fierheid en haar echt vrouwelijk gevoel van minachting, nu vijandschap geworden jegens Sara, zijn met dat berouw in strijd: diep in haar is een verzet tegen haar ‘beter Ik’.

26. Het schijnt eerst, of er in dit vers een tegenspraak zit tusschen richt en ongewisse. Ook kan men een oogenblik in bedenk staan, of zij zich nu naar dien somberen weg toe beweegt dan wel op den weg zich bevindt: op laat immers beide beteekenissen toe, en bij ‘zijn schreden richten’ verwachten wij eene bepaling van ‘waarheen’. Met het oog op vers 32 Keer tot geen land van Cham, wordt het duidelijk. Hagar is eene egyptische. Zij bevindt zich op den somberen weg en gaat in de richting van Egypte: hare schreden hèbben een vast doel en ongewis is haar gang, omdat ze den weg niet nauwkeùrig kent, zij weet enkel: dièn kant uit; ook is zij wel vermoeid, zie de volgende verzen.

27-30. Het ‘kloppen’ maakt haar ongewissen, stootenden gang aan-

[p. 294]

schouwelijk. - Eerlang is ‘weldra’1). - Ontbrak: geeft dit eene andere voorstelling dan ‘ontbreekt’? En staat dit ook in verband met hetgeen voorafgaat en nog volgt? De honger is niet in 't verschiet, maar zij hongert reeds. Zij is geheel àf: vandaar de tegenstelling tusschen dubbel klemmend weegt de last haar onder 't hart en den inhoud van den volgenden bijvoeglijken zin. Met liefde had zij den last in de moederschoot getorst; nu wordt het te zwaar. Klemmen is synoniem van persen, knellen, nijpen. Vgl. Hecker: Mijn borst, in klemmende angst genepen, zwoegt: Dichterl. Mengelw. 1836, bladz. 47. Weegt: ‘wegen’ kan, behalve ‘zwaar zijn’, ook beteekenen: ‘zijn zwaarte doen gevoelen’: zoo hier; vgl. b.v. ‘Zwaar woog de koningskroon hem op het hoofd’; deze beteekenis brengt mede, dat het werkwoord dan gewoonlijk een persoonlijken derden naamv. bij zich heeft: waarom? - Zoo onbedacht naast Sara zijn bepalingen bij dorst roem dragen: de beteekenis die dat ‘roem dragen’ had, komt daarin uit; naast Sara: zij stelde zich in een gevoel van meerderheid en bevoorrecht-zijn als met de meesteres gelijk. Dat het onderwerp niet Hagar, maar haar blik is, moet daarbij niet als iets foutiefs of als een dichterlijke aanmatiging beschouwd worden: wij zien, mèt dien blik, haar-zelve en de onbedachtzame trots ligt in dien blik.

31-38. Verwatene!: oorspronkelijk is ‘verwaten’ het verl. deelw. van het ww. verwaten, verwiet (als slapen, sliep, geslapen), dat beteekende: uitbannen, excommuniceeren, uit de gemeenschap der kerk stooten. Hier zoù het woord zijn tegenwoordige beteekenis kunnen bezitten in verband met den voorafgeganen regel. Maar het vervolg maakt het wel waarschijnlijk, dat verwatene = verstootene, smadelijk verworpene is. Archaïsmen zijn bij Da Costa niet zeldzaam, doch wij herinneren ons niet, of de dichter verwaten elders zoo gebruikt; dit te weten zou hier van groot belang zijn. - Bij dat ‘tent’ bedenke men, dat Abraham een nomaden- of herdersvorst is.

De tweede strophe bestaat uit twee helften: de schildering van Hagar, die daar heendwaalt in donkerheid (21-30) en de toeroep die plotseling een licht over haar weg doet stralen (31-38). In dat De tent van Abraham etc. hooren wij als de echo van Hagars vertwijfelend antwoord op die vraag: ‘Gij weet dat ik een verwatene ben, waar zàl ik een schuiloord vinden!’ Maar op dat antwoord klinkt het: ‘Ik wèèt dat die tent u heeft uitgeworpen, - en evenwel, kèèr terug.’ Het is vermaning en raadgeving. Het is gèèn vermaning, het is een innige wensch, als hij voortgaat: ‘en dat zich (dan) uw hart etc.’ = ‘och, dat gij u kont vernederen.’ Voor God: ‘gij moogt het doen, want het zal geen vernedering voor Sara, maar voor Jehova-zelven zijn.’ Geen redeneering zou in staat zijn Hagar tot wederkeeren te bewegen: de maat van haar ongeluk schijnt vol: daarom juist echter zal zij vatbaar zijn voor overreding, zal zij gevoelig zijn voor een zachtmoedig woord, vol

[p. 295]

deernis; zal haar hart opengaan voor dat krachtige, gebiedende, alle tegenspraak afsnijdende keer! (32). Let op, welk een klimax er is in deze geheele passage. ‘Verneder u voor God, wees dienstmaagd, daar Hij u tot dienstmaagd gesteld heeft, en voel den verkwikkenden regen van Zijn genade over u neerdalen. Gelòòf en keer terug, en daar zal niet slechts weer brood en water voor u zijn, maar een belofte voor uw kind; Wil dienstmaagd zijn en uw kroost, als kroost van Abraham, zal koning zijn.’ In deze regels ligt een groote welsprekendheid en eene groote liefde. Kèèr krijgt een sterken nadruk en wordt tevens ietwat aangehouden, alsof de r verdubbelde. Achter troost (35) geen rust. Wéés wederom met veel nadruk; niet ‘dienstmaagd’ (= Dùrf het zijn, overwìn daarin u-zelf). Met den toon van deze woorden zou het geheel in tegenspraak zijn, verwatene in den tegenwoordigen zin en dus verwijtend op te vatten; de tent van Abraham etc. slaat op Verwatene! terug; het is = uitgestootene!

Wie spreekt deze aanmaning en vertroosting? De lezer die den Bijbel kent, heeft licht een antwoord. Da Costa onderstelt die kennis. Op haar weg verschijnt Hagar de ‘Engel des Heeren’: Genes. XVI, 7-14: ‘En de Engel des Heeren vond haar aan eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. En hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai. Toen zeide de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uwe vrouw, en verneder u onder hare handen. Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grootelijks vermenigvuldigen, zoodat het van wege de menigte niet zal geteld worden.’ Etc. Men wete nu, dat Da Costa's gedicht zijn oorsprong verschuldigd is aan eene plaat, eene staalgravure, die Hagar in de woestijn voorstelt (deel uitmakend van den in 1847-1852 bij Kruseman verschenen bundel: Bijbelsche Vrouwen).

Een schoone jonge vrouw ziet men hier tegen een schaarsbegroeiden wal geleund; men ziet haar niet gaan, men ziet ook geen waterflesch of iets dat aan haar bijzonderen toestand doet denken; niemand zou eigenlijk zoo het onderschrift het niet zeide, aan Hagar denken. Het is een hartinnemende, schoone oostersche vrouwenfiguur, in het gebaar van het zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf gestrekte armen met de handen zijwaarts-af wijzend dat antwoord: ‘Mij rest niets meer; zij hebben mij uitgewórpen; tot wien zal ik toch heengaan’; iets als een antwoord ligt daarin en dat ligt ook in het gànsche gelaat, in het mooie, gloedvolle, treurige oog vooral. Men zon denken, dat Da Costa zich om de plaat bekommerd heeft? Bij hem zien wij Hagar vermoeid voorthijgen, met voorovergebogen lijf en met de sporen van haar tocht. Met die voorstelling heeft de gravure ook niet het allerminste te doen, maar wij worden aan haar herinnerd in dat Verwatene! waarheen? De gravure geeft Hagar blijkbaar te zien, als zij met den Engel spreekt. 't Zou daarom kùnnen zijn, dat de dichter de woorden geeft, als van den Engel gesproken. Doch met het oog daarop, dat hij in elk opzicht van den teeken-

[p. 296]

kunstenaar afwijkt en op geenerlei wijze op den Engel zinspeelt, moeten we die onderstelling toch laten varen. Wel denkt hij aan de plaat, ziet hij haar zelfs, maar, hij zelf is het, die de vertroosting en het gebod des Engels haar in den geest toeroept. In den geest dezer opvatting hebben wij de regels ook verklaard. - Den lezer is nu meteen dat meer dan één belofte historisch toegelicht.

 

Grammatica. 22. In van stormen onbewogen zou men van kunnen opvatten als ‘wat-aangaat’, maar het heeft misschien de voorkeur van = ‘door’ te nemen; dan voelen wij onbewogen zich splitsen in de negatie ‘on’ = ‘niet’ en van stormen als bepaling bij bewogen = niet door-stormen-bewogen. In dit geval zou bewogen in onbewogen het verl. deelw., in het eerste geval zou onbewogen een adjectief zijn.

Eerlang in 27 is letterlijk voor lang: ‘eer’ is hier nog, wat het oudtijds zijn kon, een voorzetsel; lang is substantive gebruikt; vgl. opnieuw, voorzeker, overluid, op dezelfde wijze gevormd.

Alreede (28) is samengesteld uit al en reede, dat = is aan reeds, maar anders gevormd; vgl. ‘alreeds’; al is versterkend als in alras, e.d.

Onbedacht (30) van bedacht, dat het deelwoord is van zich bedenken, evenals beraden (‘vastberaden’) en onberaden van ‘zich beraden’; bezonnen en onbezonnen van zich bezinnen; die werkwoorden beteekenen: denken, te rade gaan, zinnen bij of in zich zelf. Men merke op dat deze verleden deelwoorden actieve beteekenis hebben. - Bedacht zijn op iets (oorzakelijk voorw.) beteekent, ten opzichte van een enkele zaak: het niet uit het oog verliezen, er wel goed aan denken. Van hem gezegd, die met zijn zinnen steeds goed bij zijne dingen is, beteekende bedacht zijn dan eertijds: verstandig en voorzichtig zijn. Vandaar ons ‘onbedacht’ als synoniem van ‘onvoorzichtig’, ‘onnadenkend’. Vgl. onbedachtzaam.

32. Kèèr tot geen land van Cham is nadrukkelijker dan keer niet tot het land etc. Vgl. ook uit de taal van het dagelijksch leven: ‘verlaat je nièt op vrienden’ en ‘verlààt je op geen vrienden’. Met geen, krijgt het werkwoord den vollen klemtoon. Vgl., in de aant. wijs: ‘Ik vertròùw geen valschaards’ en ‘Vàlschaards vertrouw ik niet’.

't hart (34): het hart d.i. dàt hart n.l. dat rebelleerende, het schuldige, het ùwe.

35: brood en water: vgl. 27-28. - Wat is het geslacht van heul?

36-37: het verband van gevolg tusschen Wees dienstmaagd en het volgende is op géén andere wijze uitgedrukt dan in de nauwe verbinding der gedachten door middel van en: hoe hàd het anders gekund? Oòk met ‘zoodat’? Tusschen zal groot zijn en het volgende is redengevend verband: want. Dichters kunnen geen voegwoorden gebruiken, evenmin als het gemoed van redeneering houdt. Natuurlijk is in dezen zin die woning onderwerp. - Omvat

[p. 297]

in plaats van ‘bevat’, om de grootheid en de rijkdom dier beloften: de rijkdom en heerlijkheid van Abrahams woning komt hierdoor uit.

38. Wat is hier onbepaald vnw. - Geboren wordt: Tegenw. T. met de onbepaalde beteekenis van ‘ooit geb. w.’ De Tegenw. T. kan zoo Verleden, Heden en Toekomst omvatten. Men onthoude dit, daar het niet zelden een aanmerkelijk verschil van zin geeft, of men een werkw.vorm al dan niet met onbepaalde beteekenis neemt.

Derde strophe (39-57).

De profetie in strophe II verlichtte en verruimde ons. Maar strophe III begint met een toon van medelijden: de dichter weet wat booze dagen er nog in de toekomst liggen en hij gaat daarvan spreken. In dit De moeder Israëls! slaat hij het accoord aan, dat de stemming vertolkt, die hem bij 't herdenken om Hagars wil vervult; het leidt de strophe in, die vervolgens door Maar in tegenstelling met de blijdschap der beloften in strophe II wordt gebracht: andermaal wordt zij de woestijn ingedreven. In Gen. XVI, 15 wordt verhaald, dat Hagar Abraham een zoon baarde: dien Ismaël. Doch de belofte werd hem herhaald, dat Sara zelve hem een zoon schenken zou (Gen. XVII, 15-22); Ismaël was toen dertien jaar geworden en Abraham zelf negen en negentig: ‘En aangaande Ismaël heb ik u verhoord, zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gansch zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. - Maar mijn verbond zal Ik met Izak oprigten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.’ In Gen. XVIII vinden wij verhaald, hoe God zijn verzekering herhaalde. Wederom werd de tijd bepaald (9-15). In Gen. XXI hooren wij dan, hoe de belofte in vervulling ging: ‘En Sara - baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had. En Abraham noemde den naam zijn zoons - - Izak. En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd’. Ismaël was nu veertien jaar geworden; een leeftijd had hij daarmee bereikt, waarop de Oostersche menschen geen kind meer zijn. Sara kan den gehaten, thans de mededinger van haar eigen zoon, niet meer dulden voor hare oogen. In het aangehaalde hoofdstuk wordt eenvoudig-mooi verteld, hoe het ging. Sara zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haren zoon uit; want hij zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen, ter oorzake van zijn zoon Ismaël. Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uwe oogen, over den jongen, en over uwe dienstmaagd: al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar hare stem, want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en eene flesch water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haren schouder: ook gaf hij haar den jongen, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde

[p. 298]

in de woestijn Bar-Séba. - Dit hebben we noodig te weten, voor het begrijpen dezer derde strophe. Maar de nog volgende aanteekeningen van zakelijken aard zullen daartoe niet overbodig zijn.

In 42 wordt met de Zoon Christus bedoeld, de Messias der Joden, die, naar zijne afstamming uit Abraham (zie Mattheus I), als Zone Gods ‘de Zoon’ heet. In 57 wordt gezinspeeld op Gen. XVI, 12, waarvan Ismaël voorzegd wordt: Hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem. Voor ‘woudezel’ zegt Da Costa woudstier. Het is niet geheel zeker wat dier er in 't Oude Testament met het Hebreeuwsche woord dat er staat, bedoeld wordt. Het komt ook voor Job VI, 5; XXIV, 5; XXXIX, 8; Psalm CIV, 11 etc.; Jeremia XIV, 6; er zijn verschillende gissingen. Blijkbaar was het een dier van groote schoonheid, kracht, snelheid en moed. Begrijpelijk is het, dat Ismaël in éénen adem een held genoemd wordt en de herdersvorst Izak een lam tegenover dien woudstier.

 

We gaan nu over tot nauwkeuriger beschouwing. Het begin is moeilijk, vers. 40-42. Vreemd is het gebruik van staat. De juiste opvatting schijnt ons deze (- en eene andere zien wij ook niet -): Maar Sara staat daar, op Gods gezetten stond, als de moeder van het zaad, waaruit eens de Messias geboren zal worden. Zòò, vinden we staat hier zelfs het juiste woord op de rechte plaats. De lezer van Hagar behoort het Bijbelverhaal wel indachtig te zijn: hoe de belofte van nakomelingschap aan den aartsvader zoolang onvervuld blijft, dat er, naar menschen berekening, van vervulling geen sprake meer zijn kan. Abraham is straks honderd jaren; Ismaël nadert reeds de volwassenheid. Sara zal haar negentigste jaar voltooien. Abraham en Sara beide hebben gelachen om het denkbeeld, dat zij nog vader en moeder zullen worden. En evenwel - God heeft het uur vastgesteld, dat Sara daar staan zal en gezien zal worden als een teeken van Zijn getrouwheid en macht. De bepaling van gesteldheid zonder als is bij dichters zeer gewoon (zie b.v. Kritiek van De Génestet). Maar Sara mede staat is: Sara mede wordt gezien: staat voor het oog van Abraham en de menschen, staat daar op eenmaal voor zich-zelve als de moeder van een grooten zoon: dáár, nl. op Gods gezetten stond. - Menschelijk in 42 is: op menschelijke wijze, ook: als mensch.

En nu in 43 bereidt voor op 't geen volgt. Oorspronkelijk is het de verkorting van de vraag: ‘En wat gebeurt er nu?’, die (in onze aanteekeningen op Marco hadden we 't daarover uitvoerig; ook in de vorige aflevering bladz. 197) licht een uitroep wordt. - Abram is slechts schijnbaar derde naamv. - die is een betrekkelijk vnw.

44. de aartsvaderlijke kniên. De adjectieven op -lijk komen, vooral in het zeventiendeëeuwsch, voor met de beteekenis van den genitief van het grondwoord: Zoo staat er in den Palamedes van ‘de moederlijke schim’, ‘o vader-

[p. 299]

lijke stad’; zoo spreken wij nog van ‘de stedelijke inkomsten’ en ‘het koninklijk paleis’. Maar ‘een koninklijk paleis’ kan iets anders beteeken: ‘als van een koning’, zooals wij machtige rijken ook koningen noemen; en ‘o vaderlijke stad’ zou kunnen zijn: ‘o stad die als een vader voor mij geweest zijt’. Aartsvaderlijke kniên nu is als genitief bedoeld, maar ongetwijfeld hebben we hier tevens te denken aan al het liefelijke in den vadernaam: We hebben namelijk met nog een derde schakeering in de beteekenis der adjectiva op -lijk te rekenen, en deze staat tusschen de beide andere in en vormt den overgang als 't ware: Bij een woord als ‘vaderlijk’, ‘moederlijk’, ‘goddelijk’ kan men, behalve enkel op aanhoorigheid (bezit), tevens op het kenmerkende zien, dat in die aanhoorigheid gelegen is. Dit laatste is eigenlijk de oorspronkelijke beteekenis geweest. Dat we bij ‘aartsvaderlijk’ hier ook moeten denken aan de vaderlijke liefde is voelbaar in ‘gekoesterd’ (45).

45: ‘nevens’ en ‘naast’ worden wel zoo onderscheiden, dat bij ‘nevens’ aan ‘gelijkheid in rang’ wordt gedacht: De koning en de kroonprins wandelen naast elkaar in het park: bij een of andere plechtige gelegenheid ziet men den kroonprins nevens den koning. Doch dit onderscheid ziet men lang niet altijd in acht genomen; vgl. b.v. vers 30.

47. man in zelfgevoel en krachten is eene bepaling van gesteldheid, eene bijvoeglijke bepaling bij het onderwerp van den zin en, evenals de bep. van gesteldh. in 't algemeen, tevens eene adverbiale bepaling bij het werkwoord van den zin: terwijl hij man is (bijzin van omstandigheid) of ook: hoezeer hij man is (toegevende bijzin); let op de tegenstelling tusschen ‘man’ en ‘zuigeling’, eene tegenstelling die versterkt wordt door weenend en door het deminutief kindeke. - Wat is ‘zelfgevoel’? - hulde brengen is hier het juiste woord, in de oorspronkelijke, middeleeuwsche beteekenis. Het was de daad van erkenning van een leenheer door den leenman of vasal; ‘hulde’ was de gezindheid van onderdanigheid en trouw van den vasal en het betoon daarvan.

48. zijn boog (1ste nv.): nl. van Ismaël. Merk op, hoe treffend deze vergelijking de gezindheid van Ismaël aan 't licht laat komen; let op het aan hoofdzin en bijzin gemeenschappelijk woord: schiet, en op het meesterlijk vooraanplaatsen van den pijl: hierin zit het effect der vergelijking: dààrdoor voelen wij in 50 dien blik òòk als een pijl, de korte woorden pijl en blik trekken elkander aan. - Voor verontwaardigd bij oog vergelijk vers 30.

50: er zou ook kunnen staan: ‘een blik van wrevel en van spot’, maar de voorstelling is dan niet dezelfde. De blik van den wrevel, met het bepalend lidwoord, is: die bekende, d.i. die eigenaardige blik: door dien blik aldus meer bepaald voor te stellen, wordt natuurlijk tegelijkertijd de gemoedsaandoening voorgesteld als zich eigenaardig van andere aandoeningen onderscheidend: dit gaat samen en vandaar ook des wrevels. Dit bepaalde den blik des wrevels nu zegt meer dan ‘een blik van wrevel’: men behoeft niet te twijfelen, wat daar is in zijn oog; het is die bekende eigenaardige blik van den wrevel: men hoeft niet te twijfelen, wat daar is in zijn hart. - Ismaël is verontwaardigd

[p. 300]

(49), daar hij zich naar achter geschoven gevoeld; die verontwaardiging wordt gramstorigheid of wrevel; en hij wreekt zich in spot (50) over de oude Sara die nog moeder wordt, en over den honderdjarigen Abraham met zijn schootkind. Wrevel of wreveligheid is gewoonlijk een gramstorigheid, die zich niet ten volle uitspreekt, maar half willekeurig, half onwillekeurig in den blik, een enkel woord, een gebaar zich uit: het is onderdrukt, maar kan zich niet geheel verbergen.

51-52. De moederzonde herhaalt zich etc.: denk aan vers 29-30, de zonde van Hagar. - Slaat een - wonde: het juiste woord ook met het oog op de vergelijking in 48-49: die pijl trof hààr in het hart.

53: zie Gen. XXI, 12. - ‘Iemand handhaven’ heeft gewoonlijk nog eene bepaling met in bij zich, die de zaak noemt, ten opzichte waarvan handhaving plaats heeft, welke zaak ook zelf in den 4den nv. treden kan: Iemand in zijn recht handhaven, iemands recht handhaven. Maar niet zelden, als hier, blijft de nadere bepaling weg. Het beteekent: ‘iemand steunen en staande houden’ of ‘in 't gelijk stellen’, ‘beslissen ten voordeele van’. - Het Neen! wil zeggen: Neen, ook de Heer duldt dat niet.

54-57. Twee vorstinnen: na al hetgeen we omtrent Hagar vernamen, zal dit wel geen verklaring meer behoeven. Hagar is Vorstin als de eerste van al die volken en koningen, die uit haar zullen voortkomen. - gedoogt - niet is sterk uitgedrukt: ‘in geen geval’, ‘nooit’. - Voor tentgordijn van Mamre zie 31; deze Hebreeuwsche tenten heeft men zich voor te stellen zoo als nòg de tenten der hedendaagsche Arabische Nomaden zijn: van gevlochten matten, meest van geitenharen geweefde, over palen uitgespreid en met pinnen in den grond bevestigd, langwerpig of rond, van binnen met voorhangsels of gordijnen in twee of drie vertrekken gescheiden1). - Wat nog dat lam in 57 aangaat, Da Costa heeft zich Izak denkelijk voorgesteld als een zachtmoedig man: uit Gen. XXVI, 17-23 mag dit ook blijken. Met zinspeling op Gen. XXII?

 

Grammatica. ‘Zetten’ (41) beteekende oudtijds ‘bepalen’, zooals wij nog daarvoor vaststellen hebben. Vandaar nog ‘broodzetting’ en het ‘college van broodzetters’ (zie b.v. Van Dale), waarvan men ten stadhuize de namen kan vernemen; nog ‘inzetten’ d.i. ook vaststellen, bepalen, verordineeren; vooral Oud-Testamentisch in: ‘de inzettingen des Heeren’, Zijne ordonnantiën. Gezet is nog gebruikelijk in ‘op gezette’ d.i. ‘vaste tijden’; zoo ook in ‘gezette prijzen’, ‘een gezette taak’, ‘gezette bezigheden’.

42: Vgl. dit wordt geboren (= zal geboren worden) met dat in 38; het laatste is meer dan enkel toekomst. - menschelijk is bijw. van wijze, als men 't omschrijft met ‘op menschelijke wijze, als alle menschen’; het is

[p. 301]

bep. van gesteldheid (als ‘gevolg van de werking’) en dus adverbiaal adjectief, bij de omschrijving: ‘als mensch’.

43. die Abram etc.: de eenvoudigste ontleding is: deed hooren (als causatief van hooren saamgevat) - gezegde; als voorwerp van dit deed hooren voelt men Abram en vadernaam voelt men als voorwerp van hooren; Abram kan men het voorwerp dus noemen van deed den vadernaam hooren. Fout is de ontleding: vadernaam voorwerp van deed hooren, daar de beteekenis van hooren (dat hier zuiver actief is) daartegen indruist; Abram zou dan derde naamv. zijn. Met onze ontleding is in overeenstemming de ontleding van hen, die, rekening houdend met de oorspronkelijke constructie waarin deed = ‘maakte’ gevoeld werd en hooren een naamwoordelijke vorm was met de beteekenis van in het hooren, aldus doen: deed - gezegde, Abram - voorwerp, hooren - bep. van gesteldh. bij Abram, den vadernaam - voorwerp bij hooren.

44. Kniên is bij de oudere, vooral de XVIIde eeuwsche dichters, de gewone vorm; knieën is daar uitzondering. Zoo ook melodiên, geniên, maar geen tralien, olien van tràlie en òlie. Vgl. trofeên voor trofeeën, zeên voor zeeën.

Voor tweeden zou de tegenwoordige grammatica tweede schrijven: immers het telwoord staat hier zelfstandig en wordt dus niet bijvoeglijk verbogen. - tweeden is afhankelijk van ‘had gezien’ en gekoesterd staat daarbij als bep. van gesteldh. mede in den 4den nv. Vgl. met deze constructie: geen tweeden nevens zich had zien koesteren: hij die koestert komt dan meer naar voren; bij Da Costa daarentegen: die gekoesterd wordt: dit is in overeenstemming met wat er werkelijk in Ismaël omgaat; hij heeft het niet in de eerste plaats tegen Abraham, maar tegen het kind, dat hem verdringt.

46. thands: de spelling met d was ook oudtijds minder gebruikelijk dan die zonder; daarom heeft de Nieuwe Spelling die d niet aangenomen (Regel van 't Gebruik). - gehengen is ‘toelaten’, ‘er genoegen in nemen’, ‘gedoogen’. Het is (dat is dikwijls de kracht van 't voorvoegsel ge-) het versterkte hengen, dat met dezelfde beteekenis voorkwam en eigenlijk het causativum is bij hangen = laten hangen: men zeide het eerst van het laten hangen der teugels in het paardmennen: de teugels (aan het paard en uit zijn eigen handen) geven, het paard zijn zin geven. - meerdere: ‘mindere’ en ‘meerdere’ zijn zelfstandignwn. geworden comparatieven, waarvan de eigenlijke beteekenis niet altijd evenzeer gevoeld wordt; in andere gevallen echter, en zulk een hebben we hier, wordt ze weer heel voelbaar en het woord nadert dan weer het adjectief.

47. in: ‘wat - aangaat’, ‘ten opzichte van’ -; ‘in’ wijst dan den kring aan, binnen welken dat man-zijn geldt. - Zou ‘hulde brengen’ in de redekundige ontleding niet op twee manieren behandeld kunnen worden?

50. Zie voor afleidsels en samenstellingen bij wrevel Van Dale. - moederzonde: Da Costa bedoelt hier niet, wat anders meer in den aard der samenstelling ligt, ‘eene zonde, als een moeder die licht bedrijven zal’, maar: de

[p. 302]

zonde van zijn moeder: in de XVIIde eeuw hadden ze hier gezegd: de moederlijke zonde, met ‘moederlijk’ als zuivere genitief van moeder; moeder- en moederlijk zijn hier = van Hagar. Op drie manieren vinden we zoo den genitief uitgedrukt: vgl. ook naast vadernaam in 43: den naam van vader en den vaderlijken naam; in 53: twist van broeders = broedertwist; vgl. Aant. 44.

51. herhaalt zich: niet ‘wordt herhaald’ want het gaat onwillekeurig, van-zelf: vgl. ‘de deur opent zich’ met ‘de deur wordt geopend’, ‘het kwaad straft zich-zelf’ met ‘het kwaad wordt gestraft’. In zijn eigen stellen denke men aan dat onderscheid tusschen passieve en reflexieve constructie. - Versch is ‘nieuw’, maar met de gedachte aan den toestand, het aanzien van een nieuwe, pas-geslagen wond; vgl. T. en Lett. I, pag. 174, Aant. 115.

55-57. tentgordijn: voor ‘tent’, als kiel voor ‘schip’ e.d. - ‘De gordijn’ is het oorspr. geslacht, door ‘het gordijn’ steeds meer verdrongen en daardoor, als min alledaagsch, een lievelingsvorm van dichters en redenaars. Het is een kenmerk van de taal der hoogere woordkunst, dat zij gaarne oudere vormen gebruikt: die zijn ongemeen: zoo de ure, den oogenblik, de getuigenis. Op deze voorkeur, die b.v. ook uitkomt in de keus van den meervoudsuitgang -en boven -s, lette men steeds. - Opmerkelijk is de symmetrische rangschikking der deelen in 54-56: in den eersten zin gaat het voorwerp aan het gezegde vooraf, in den tweeden (noch [gedoogt zij] binnen haar plooien deze twee) volgt het voorwerp: juist door deze schikking komen die voorwerpen (Sara en Hagar, Izak en Ismaël) krachtig naar voren. Iets dergelijks is er in de rangschikking der bijstellingen in 57: abba. - schoon spruiten etc.: beknopte zin.

Vierde strophe (58-74).

Wanneer de lezer deze nieuwe strophe wederom vindt ingeleid met een De moeder Ismaëls! en, thans vooruitziende, het telkenmàle herhaald vindt en daarbij indachtig wordt, dat Da Costa's oog telkens moet weerkeeren tot de voorstelling van die ellendige vrouw te midden der zandwoestijnen, dan zal hij op het denkbeeld komen, dat die herhaling in het plan van het gedicht nog een andere bedoeling heeft, dan ontboezeming te zijn. Bij die ontboezeming wendt de dichter zich weer tot dat beeld van verlatenheid en de lezer wordt weder bepaald bij het in strophe II aanschouwde. Het gedicht blijft in betrekking tot dat beeld en zoo treft ons altijd op nieuw weer het contrast van Hagar's oorspronkelijke kleinheid en geringheid en haar heerlijke toekomst; van de beteekenis van het Arabische woestijnvolk in de geschiedenis en zijn verborgen begin in Hagar. De tòòn nu waarop de dichter aan de moeder Ismaëls herinnert, is natuurlijk de uiting van zijn telkens wisselende stemming. In het eerste De moeder Ismaëls moest een groot medelijden trillen: een zware klemtoon op De: Dè-millustratieder-Ismaëls. Doch wij weten nu dat Hagar is weergekeerd en Da Costa heeft het gezegd: Zij is Vorstin als Sara. En wel is zij andermaal uitgeworpen, maar straks verstooien zich de onheilswolken: deze

[p. 303]

vierde strophe getuigt daarvan: daarom is dit een ander De moeder Ismaëls; er moet verademing, goede verwachting, ontroerde blijdschap in zijn: D-e-millustratieder Ìsmaèls! met zwaren klemtoon op het kort uitgesproken moe, Ismaëls kort, krachtig en gelijkmatig gearticuleerd. Op dezelfde manier wordt gelezen: Een moèder - vèler - vòlken - ook z╚│.

Voor het verstaan dezer strophen is Gen. XXI, 14 en vervolgens noodig, het vervolg van het ter verklaring van strophe III verhaalde: Abraham stond des morgens vroeg op, en nam een brood, en eene flesch water en gaf ze aan Hagar, die leggende op haren schouder: ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-Séba. Als nu het water van de flesch uit was, zoo wierp zij het kind onder eenen van de struiken. En zij ging en zette zich tegenover, op een boogscheutsafstand; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief hare stem op, en weende. En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: wat is u, Hagar? vrees niet, want God heeft naar des jongens stems gehoord; sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand, want Ik zal hem tot een groot volk stellen. En God opende hare oogen, dat zij eenen waterput zag; en zij ging, en vulde de flesch met water, en gaf den jongen te drinken. En God was met den jongen, en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn en werd een boogschutter. - Voor de tweede maal zien wij Hagar dus nu in de woestijn: men vergete niet, dat dit nu de voorstelling der gravure niet is.

De nadere beschouwing kan nu reeds volgen. 60-63: het geloof aan den samenhang tusschen den loop der sterren en den levensloop der menschen is ook bij de Hebreeërs (Joden) zeer oud. Da Costa schrijft het blijkbaar aan Hagar toe en is daarbij misschien gedachtig, dat Hagar eene Egyptische wordt genoemd en Egypte gehouden wordt voor het moederland der astrologische wetenschap. ‘Verwarrend’ noemt Da Costa die wolken, die hun geluksster aan hun oog onttrokken, daar het Hagar deed twijfelen aan de profetieën, die tot haar gekomen waren. - Lees Wel met veel nadruk en als met verdubbelde l. - Wanneer is hier ‘toen’. - eenzaamheid is hier concreet; in dit drietal woorden: de dorst der schroeiende eenzaamheid is de woestijn uitmuntend geteekend. - reeds ten grave etc.: beknopte bijvoegel. zin (Gen. XXI, 15-16); ten grave: in het graf; als uitgestrekt hoort in de ontleding bij elkaar1). - ging doven: stond op 't punt het brandend vuur van dat leven uit te doven.

64: staat in beperkende door neen! versterkte tegenstelling tot 60-63; wel dekten eens etc. is toegevend. Merk op, dat Da Costa de beide, in de gedachte nevengeschikte, zinnen zelfstandig naast elkaar plaatst. Na doven eene rust; dan Maar neen! ras uitgesproken, ietwat kort, ook met eene rust. - Spreekt is

[p. 304]

een zoogenaamd ‘historisch praesens’: de dichter laat het verleden feit eensklaps tegenwoordig worden, opdat we de woorden des Engels nu als zelf hooren. Vergeleken met hetgeen de Engel in het Bijbelverhaal zegt (vgl. ook Gen. XVI, 12), is het duidelijk dat de dichter de breede omschrijving, 65-74, ook hier niet in den mond van den Engel legt, maar daarin diens woorden zelf herdenkt.

65. Klemtoon op zult. In de volgende verzen wordt dit niet sterven bevestigd; men lette op de tegenstelling in 66-67. - uit om de geboorte aan te wijzen is aan de klassieke talen eigen; voor Da Costa zegt het hier meer dan van: in dat ‘Gij die uit Abraham zijt’ ligt het argument voor Gij zult niet sterven: want Gij zijt Abraham's bloed, een zoon der belofte.

66-67: men lette op het verband dezer twee zinnen, hoe de tegenstelling daarin is uitgedrukt: bij het lezen van De Woestijn heeft zich een oogenblik uw graf gewaand te zijn moet de stem aldoor krachtig rijzen en de woorden moeten al sneller op elkaar volgen; het wordt bijna een rhetorische vraag en zinnen als deze zijn dat soms geheel en ze hèbben dan ook een vraagteeken. Dan, bij den tweeden zin, daalt de stem: de tegenstelling uit zich in den toon: tegenover den nadruk en de raschheid van den eersten komt het kalme, gelijkmatige, vaste rhythmus van dezen; klemtoon op glóriën getuigen. De tegenstelling uit zich verder in dat repliceeren met hetzelfde beginwoord en in het nadrukkelijke die: die - woestenij, d.i. die zelfde w. Het is dus ongeveer met deze zinnen, als met twee menschen, waarvan de een, in het bewustzijn van zijn meerdere kracht, de ingebeelde meerderheid van den anderen met zijn tartende, kracht-spàrende kalmte als verplettert; in het dagelijksch leven hoort men in de spreektaal dezelfde manier van repliceeren; het eenig onderscheid is, dat de dichter niet tot de woestijn-zelve spreekt. Let ook op het vooraan plaatsen van Voor u in 68. - gloriën: zeldzaam meervoud (vgl. echter: ‘Dat hij (Vondel)... tot de edelste gloriën van het land behoorde’, Alberd. Thijm, Portr. v. Vondel, 96, waar ‘gloriën’ = schitterende sieraden’ is): het woord beteekent hier, als niet zelden, oorlogsroem, met bijgedachte aan de verschillende gelegenheden van behaalden roem. - getuigen: met den voorwerpsaccusatief = ‘verkondigen’; ook getuigen van = getuigenis afleggen van, en minder sterk dus.

68-71. Voor u zal etc. - o Schutter: nl. als Gij straks geheel man zult zijn geworden; overal zal men uwe meerderheid erkennen: meerderheid in al wat de woestijnvolken goed en voortreffelijk achten (68-69 is zeer karakteristiek). En al de edele eigenschappen waarmee Gij uit Abraham en Uwe moeder begiftigd zijt, zullen de erfenis zijn van Uwe nakomelingen: Gij zult in hen blijven leven: want Uw nakomeling zal zwerven als Gij, Uw leven zal hij voortzetten en - zijn bloed zal hij kennen, (d.i.) hij weet wat hij zijn edele afkomst schuldig is, hij is te fier en te vrij om zich met minder qualiteit van bloed te vermengen: zoo zal de onverbasterde Arabier, de zuivere Ismaëliet het beeld van zijn stamvader zijn en blijven, gelijk hij zijn naam

[p. 305]

in eere zal houden. Het is bekend hoe de echte Arabieren zich kenmerken door een nergens geëvenaarden familietrots; Da Costa zelf had dat ook. Gelijk vrij en fier (69-70) aan Hagars fierheid (24) en Ismaëls zelfgevoel (47) herinnert, zoo 68-69 aan de vergelijking in 48; zie Gen. XXI, 20.

71-74. Zijn (d.i. des Arabiers) hand is tegen allen. Dit is Gen. XVI, 12 van Ismaël gezegd: ‘En hij zal een woud-ezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem’. Deze trek is hier weer op den Arabier overgebracht, en 72-74 is dat ‘de hand van allen tegen hèm’ omschreven. - ‘Geen menschelijk bondgenoot’: ‘het dier slechts; klemtoon op Gèèn en op dièr (niet klemtoon op dienst; in zijn dienst is een attributieve bepaling bij dier, hoort daar onmiddellijk bij: het dier-in-zijndienst). - geen koutertrekkende os etc.: de echte Arabieren zijn noch landbouwend, noch jachtvolk en leiden een zwervend leven; de klemtoon komt hier misschien op òs, jàcht, huìs en op kèmel en ròs, maar wij zijn geneigd anders te doen en in overeenstemming met het voorafgaande den klemtoon te leggen op gèèn, gèèn en kèmel en vòs. - te beurt-vallen: daar ons dit als een gemis moet voorkomen; het werkwoord wordt meest gebruikt van het goede dat ons van hooger hand wordt toebeschikt. - 72-74 moeten nu aldus verstaan worden: Daar is gèèn menschelijk bondgenoot, die hem te b. zal v., het dier-in-zijn-dienst slechts is zijn bondgenoot, doch gèèn ktr. os, gèèn jh. of hh., maar zijn kèmel en zijn ròs.

 

Grammatica. 63. reeds ten grave als uitgestrekt: in gewone woordschikking komt ten grave vòòr uitgestrekt, maar de woordschikking is in geen enkel opzicht foutief. Hetzelfde moeten wij hier opmerken (daar wij 't vergeten hebben) van op Gods gezetten stond: Zoo lang men nog geen behoorlijke begrippen van taal verkregen heeft, kan men in verzoeking komen bij een construetie als deze zich voor te redeneeren dat God grammatisch als bijwoordelijke bepaling bij gezetten behoort te staan en de genitief ‘fout’ is: Gods is echter een heel mooie genitief niet bij stond, maar bij gezetten stond.

65-66. De woestijn heeft zich - uw graf gewaand te zijn: even als uit Abraham en ‘dooven’ van het leven gezegd, is ook dit iets Klassieks, een Latinisme. Van wanen hangt hier een Infinitief af en het subject van dezen Infinitief staat daarbij in den accusatief = De woestijn waant, dat zij uw graf is. Deze constructie nu, de zoogenaamde Accusativus cum Infinitivo (= Accusatief met den Infinitief), hebben wij wel b.v. bij hooren, voelen, zien (‘ik hoor hem loopen’ = ik hoor, dat hij loopt; zie verder Terwey), maar niet na werkwoorden die een waarnemen, denken, zeggen, verklaren etc. beteekenen. In de XVIIde eeuw had het Nederlandsch door invloed van 't Latijn en Grieksch dien wel, maar wij zijn hem weer kwijt geraakt; de dichters maken er soms nog gebruik van; van ‘foutievigheid’ is hier bij Da Costa dan ook geen sprake. Niet foutief ook zou het ons in de ooren klinken, zoo hier ge-

[p. 306]

staan had: ‘wanen’ te zijn, voor ‘gewaand’ te zijn. Toch moeten wij grammatisch de voorkeur geven aan gewaand hier. Immers, onder de werkwoorden die in de samengestelde tijden den vorm van den Infinitief voor het Verl. Dw. gebruiken (zie Terwey!) zijn ook denken, meenen, maar alleen als zij met willen (dat ook Infinitief voor Deelwoord heeft) Synoniem zijn: ‘Ik heb hem meenen te straffen’; ‘ik heb me denken te laten inschrijven’; anders, zegt een grammatisch voorschrift, staat het Verl. Deelw.: ‘Ik heb gedacht dat huis te huren’, ‘ik heb gemeend hem te straffen’. Bij wanen, gelooven e.d. die niet Synoniem met eenig hulpbehoevend werkwoord zijn, zou Infinitief voor Verl. Deelw. dus niet kunnen. Doch hier staat tegenover dat het wel degelijk voorkomt. Men is gaan zeggen: ‘Ik heb me denken te bevoordeelen’, ‘ik heb hem meenen te straffen’ (= gemeend) en zoo ook: ‘Ik heb je zeker gelooven te kennen’, en men vindt evenzeer: ‘Hij heeft een goed huwelijk wanen te doen’. - We merken nog op dat na sommige werkwoorden, als ‘wanen’, ‘gelooven’, ‘achten’, ‘rekenen’, ‘oordeelen’ ook een dubbele accusatief voorkomt: zoo hier ‘heeft zich uw graf gewaand’; ‘ik heb dat verkeerd geoordeeld’, ‘een dwaling gerekend’. Da Costa had ook kunnen zeggen: heeft gewaand uw graf te zijn, zonder den Latijnschen accusatief zich.

67. getuigen is afgeleid van getuige en beteekent dus eigenlijk: ‘getuige zijn’ (vgl. slaven = slaaf zijn, dan actief), dan actief: getuigenis afleggen. Evenals van getuige het voorvoegsel dikwijls werd, bij de dichters nog wordt weggelaten, staat voor getuigen ook dichterlijk tuigen. Wegwerping (aphaeresis) van ge- is niet zeldzaam. Ze had plaats bij de ww. beuren, verzellen, lukken, lijken, bij de zelfstnw. miswas, misbak, buur, maat, beurt, bij de bijvnw. platboomd, rechtaard (bij dichters), stadig, makkelijk e.d. In gedragen, geraken, gedijen e.a. daarentegen is dragen, raken, dijen ouder dan het woord met ge-, en ook gebruiken, gelooven, genieten, geschieden, gewagen, genezen zijn gevormd van ouder bruiken, nieten etc.; evenzoo zijn de grondwoorden verdwenen bij gezond, gezwind, genoeg, gedwee, gering.

68. Voor u zal etc.: het werkw. had hier ook in 't meervoud kunnen staan.

69. Denk bij de vervoeging van gonzen, plonzen, bonzen om de z, die zacht is. Ook in gonsde, bonsde blijft die z (= gonz-de, bonz-de) en het letterteeken s, dat we voor de z van de uitspraak schrijven, is dus onecht; het beeldt den klank niet af. Zoo is ook het letterteeken f in doofde onecht, want de stam is doov (doov-de). In geplonsd en gebonsd daarentegen hoort men den stam bons, plons: daar is de oorspronkelijke d (over in gebonsde = gebonz-de) op. het eind van het woord gekomen en daarmee scherp geworden, d.i. tot t overgegaan en deze t heeft de zachte z ook scherp doen worden. De d in geplonsd toch is onecht; de klank is t; en als in goed, bloed om goede, bloeden, schrijft men een d om den verbogen vorm geplonsde (Regel der Gelijkvormigheid).

70. Kennende zijn bloed: beknopte redengevende bijzin: daar hij zijn bloed kent.

[p. 307]

72-74. Geen: onbepaald voornaamw. = niet eenig; maar geen in 73 en 74 heeft de kracht van het bijwoord niet, dat den geheelen zin ontkent: ‘maar het is niet de koutertrekkende os’. - in zijn dienst: bijvoegl. bep. bij dier. - koutertrekkend: zoogenaamd epitheton ornans, d.i. versierend of, beter, teekenend of karakteriseerend bijvnw. - Kemel is het zelfde als het meer met den Latijnschen vorm (camélus) overeenkomende kameel, maar dit laatste is nieuw ingevoerd door geleerden en kémel met klemtoonverplaatsing is het echte, oude woord, dat met de kruistochten tot ons gekomen is; vgl. voor het accent: jood uit judáeus; zeker uit secúrus.

v.d.B.