Taal en Letteren. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 4. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1894


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 35]

Een dichterziel.
(Da Costa.)

Een dichter is niet een man die kleine of groote ‘verzen’ maakt naar schema's en regels uit een Poëtiek en een Stijlleer, in taal uit het Woordenboek en de Grammatica, en om de lui te amuseeren.

Een dichter, een echte, is een bijzonder soort menschenziel. In soorten zijn ze weer. Van èène wil ik een indruk trachten te geven. Van Da Costa zooals hij was in zijn jeugd.

De meeste menschen voelen zich in mekaars bijzijn goed op hun gemak; ze zijn met elkaar tevreden. Zooals wij dagelijksche menschen onder elkaar leven dat is het ‘dagelijksche leven’, en wij begeeren niet anders. Natuurlijk zouden we wenschen, dat er minder moorden en doodslagen gebeurden en er minder armoede was.

Er zijn ook dìchters, echte, die in het dagelijksche thuis zijn; die er met rustige harten en klare, open oogen, vol goede luim tusschenin zitten. Tot die dichters, die realisten moet men gaan, om te zien dat ‘dagelijksch’ niet hetzelfde is als on-interessant, poëzieloos, òn-mooi.

Maar daar zijn òòk dichters voor wie ‘dagelijksch’ dat wel is.

Die dichters van zoo even accepteeren het gewone leven in zijn kleinheid. Alles is er klein, maar zij voelen daar het aardige van. En trilt door al dat kleine niet de poëzie?

Maar die andere dichters is het te klein, en dat is het dat hun alles bederft. Het is hun te eng en te laag en te bedempt. Zij kunnen niet wonen in een huis met handen gemaakt. Zij willen wonen in het Heelal. En in dat Heelal moest geen plaats zijn voor dat ellendige menschenhuis. O! het zou niet ellendig zijn dat huis, als er in het hart van dien mensch maar plaats voor 't Heelal was.

Zoo'n dichter was Da Costa. Hij had geen thuis op aarde. Hij was een vreemdeling onder de menschen. Hij stiet het leven van zich en het leven stootte hem uit. Er was een onverzoenlijke vijandschap. Hij wìst dat hier zijn Vaderland niet was. - Maar zijn Vaderland kon hij niet vìnden. Hij voelde zich als een al eeuwen lang uitgedreven veroordeeld banneling. Waaròm gebannen? Wàt oordeel woog er op hem neer?

[p. 36]

Niet maar banneling van het voorouderlijk Spanje, - en van Jeruzalem de Stad Davids: Banneling voelde hij zich van een Land dat er was, maar niet op aarde; Verloren Zoon uit een ànder Huis dan het met handen gemaakte vaderhuis en Abrahams tent.

I

Over het huis en huiselijk leven van de(n) jonge(n) Da Costa hing een wolk van somberheid. De zonnestralen drongen met moeite er binnen en het vogelgezang klonk er ook op de mooiste lentedagen buiten, en binnen zelf was 't stil. En in de harten van de menschen daarbinnen broeide het ongelukkig gevoel van niet te zijn wat men was. Het huis was afgesloten en de menschen waren afgesloten, ieder voor zich. Er was geen rùimte, - - maar uit dat ongelukkige, donkere gevoel, daar kwam soms een wereld uit opdoemen in de verbèèlding, waarbij Amsterdam, waarbij Holland verdween in kouwe nevels. Een zonnige wereld met een hooge, verre, wijde hemel rondom, als een Heelal; groote steden in een zuider-natuurpracht gedompeld; landkasteelen uit licht- en donkergroen lief-statig uitkijkend, en paleizen trots-pronkend aan kaden en pleinen, in een aanzien van adel, geest en macht, - men zag door de vensters in zalen en 't schitterde hun toe, die menschen in dat doode huis, en ze vernamen de lieve liederen van de Spaansche guitarre en zagen in die zoete fluweelen tonen en helle zilvergeluiden schoone vrouwen wandelen en nijgen voor deftige eerbiedwekkende mannen, die hen dienden in ridderlijke galanterie.

Met zulke herinneringen waren de Da Costa's twee eeuwen geleden uit Portugal en Spanje gekomen, waar ze Joden-Christenen waren en in 't hoogste aanzien eenmaal. Ze waren gevlucht naar Holland en daar weer Joden geworden en van ridders kooplieden. - En er wàs adel in hen, adel des geestes. Er wàs heerschersbloed in hen. - Wie voelde dat sterker dan Isaäk? Wie had zich dieper in dat verleden ingedroomd?

Er is een portret van hem uit den tijd dat hij van knaap jongeling werd. Daar zit hij, zoo'n aankomeling van een jongen: ‘In rok en jabot, in korte(n) broek en lage schoenen met gespen zit hij daar losjes in den fauteuil, het eene been over het ander geslagen; de geestige kop voorovergebogen leunt op de hand; het is de houding en het costuum van een page, elegant en stemmig.’ - ‘Waar luistert hij naar? - of het gordijn op den achtergrond der schilderij gaat ritselen

[p. 37]

en weggeschoven wordt? Of daar zullen binnentreden de hooge gasten, zijn bloed- en aanverwanten, de Osorio's van het geslacht der graven van Trastamare en Lemos, de Belmontes, markiezen van Schonenberg, de Pacheco's, de Abendana's, - de hooge gasten zijner verbeelding?’ ‘Zijn verbeelding ging terug tot het Spanje van Ferdinand en Isabella en van Karel V, toen de Da Costa's met de grandes van Castilië als hun gelijken verkeerden. Hij zag hen op het slagveld, in den raad der vorsten, bij den praal van feesten, fiere mannen met den Joodschen trek op het gezicht, met het merk van hun oud vorstelijk bloed. Er was een mysterie in hun houding; van verre oostersche landen leefden herinneringen onder hen voort, en wanneer zij in den kathedraal van Toledo de heilige mis hadden bijgewoond, herdachten zij in de eenzaamheid den glans van Salomo's tempel en het leed der ballingschap in Babylonië.’1) Zulke gestalten verschenen voor den blik van den knaap.2)

Zouden ze nog eenmaal wederkeeren die gestalten? O, de geschiedenis der Da Costa's nam in die Spaansche Middeleeuwen geen einde. Mysteries wàren die mannen. Daar straalden beloften Gods om hen henen: zij waren Hebreërs, ja zij waren uit dat heerlijk Davidsgeslacht uit hetwelk die Messias voort zou komen, voor wien alle volkeren zich buigen zouden. Eenmaal!.... Eénmaal, als de profetie der Godsmannen niet loog.

Maar daar was een ander heimwee nog in den knaap, maar een heimwee waarvan hij niet spreken kon, een heimwee dat hij zelf niet vatte. Als een nevel trok het over zijn familie-idealen en verzwolg ze, dan was hij in de grauwe mist van Amsterdam, dan werd het koud en guur om hem heen, en hij huiverde in wanhopige eenzaamheid. Hij wist niet wat het was, maar hij was een verlorene en niemand die hem miste, niemand die hem zocht.

Dichters leven veel en snel. Da Costa werd een weinig ouder. Er kwamen nieuwe invloeden.

Zijn gedachten concentreerden zich niet meer in die Ridderzaal. De

[p. 38]

lessen van David Jacob van Lennep waren in hem gaan werken:1) de Poëzie van de Wet en de Profeten2) was werkelijkheid in hem geworden, die oude Boeken een tastbare wereld. Zoo was dan waarlijk Jehovah aan de spits van zijn volk geweest; Jehovah hàd tot Abraham gesproken en er wàs een Godsbelofte op het hoofd van Abrahams zonen. En ook dat was waarachtig, dat onder alle twaalf stammen Juda, zijn stam, het heerlijkst geweest was. Zìillustratien vaderen hadden Jerùzalem bevestigd en de Tempel was van David, hùn Koning gegrondvest. O, hij had het vroeger ook wel geweten, maar nu eerst werd het leven van zijn volk zijn leven.

De eenzame werd èèn met zijn volk. Jeruzalem is nu zijn ander heimwee. Daarheen wenden, van Spanje, zijn oogen zich. En hij trekt mee met die mannen uit de kathedraal van Toledo naar Babels rivieren, en weent en klaagt: ‘Indien ik U vergeet, o Jeruzalem, zoo vergete mijn rechterhand zich-zelve.’3) Hij trekt mee met zijn Juda uit Babel terug naar het erfland en bouwt mee in smart en in blijdschap aan den verwoesten Tempel,4) die ‘heerlijkheid hunner sterkte’, die ‘begeerte hunner oogen’ eenmaal.5) En dan beleeft hij het weer hoe andermaal het kleinood van zijn ziel, die Tempel, wordt vergruizeld en Juda zich naar alle windstreken verstrooit, en treurig staart hij het aan dat de Islam zijn moskeeën op den Tempelberg bouwt6)...... Hij voelt

[p. 39]

zijn eenzaamheid als de eenzaamheid van zijn volk: Ahasverus! Zal het eeuwig duren? Maar het woord is gesproken (hij weet nu dat het waarachtig is): ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt, en dien zullen de volken gehoorzamen.’1) Juda zàl weer groot zijn, en de Tempel zal herrijzen, en de Silo, de Messias zàl komen!

Nu zag zijn oog Verleden en Heden in èèn Godsplan, en dat Heden breidde zich in onafzienbare Toekomst uit, nu licht in zonneschijn dan donker onder wolken, maar stèèds lichter, en zièt!: ‘de dagen komen, dat Jeruzalem den Hèère herbouwd wordt.’2) En lief bleef hem al wat hem ooit aan Spanje geboeid had, dat tweede vaderland en tooneel van Costa's Ridderdeugd, maar Jeruzalem was het middelpunt van zijn gedachten - en hooger dan alle heerlijkheid zag hij den Tempel zijn tinnen verheffen: vòòr hem, aan het eind van den weg van hem en zijn volk.

Eèn met zijn volk en eenzaam mèt hen. En toch diep in hem was nog weer een andere eenzaamheid: daar was hij alleen met zich-zelf. Hij blèèf: een verlaten man in een woestijn, voorttobbend door 't zand, - waarheen? Nu en dan slaat hij mat zijn oog op, - of er zich ergens een slanke palmboom met zijn kroon afteekent tegen den hemel. En dan weer voortschrijdend als blind, aanschouwt hij (hij ziet de woestijn niet meer), in het koortsachtig gewoel van zijn brein, duidelijk, maar in eindelooze verte

 
het land, waar hoog de ceder wies;
 
Een adem Gods door 't moerbeiboomdal blies;
 
Van 't eêlste bloed de bruine druiftros zwol;
 
De olijftak glom, van malsche koornen vol:3)

hij ziet, in zijn woestijn, zijn vaderland, - maar ach nu niet vòòr hem, het is voor eeuwig achter-hem-verloren. Daar rijst uit het donker van olijfgroen en ceder, het vroolijk Jeruzalem, ‘de luisterrijkste stad van

[p. 40]

het geheele Oosten’,1) de Eeuwige Stad (o schrijnende ironie!), - daar rijzen de tinnen des Tempels en in geschitter van zonnevuur zijn goudene daken. En een bazuingeschal als van het heilig Paaschfeest dringt wel in zijn oor, hij ziet ook van nabij en van verre rondom de uitverkoren stammen in kleurig feestgewaad naderen,2) - maar het gaat al verder en verder vàn hem, als een wegstervende klokgalm. Nu sluit hij de oogen en hij struikelt en valt. Waar is zijn Geloof? Hoe is zijn profetische vuurziel nu zoo dof en zoo dood?

Is het een oogenblik van lichamelijke vermoeidheid misschien, als hij zoo ziek en zwak schijnt? Zijn lichaam is zoo tenger en teer..... Heeft zijn rustelooze geest zich in droomen en problemen afgepijnd? Neen het is niet voor oogenblikken. Hij verbergt het zich zelf, zooals hij het voor de wereld verbergt; maar in het binnenste van zijn hart is al het aardsche als klokgalm, zijn eigen bestaan als een onnutte klokgalm, ijdele klokgalm zijn idealen, klokgalm Waarheid en Schoonheid; het ijlt voorbij en is niet te grijpen en vervliegt; - hij is zich-zelf als een schaduw, dan voor en dan achter en hij weet niet wie het is; - in alle dingen ziet hij bederf en dood, in de liefelijkste bloem en in het meest harmonische vrouwengelaat, in de eerlijkste en verhevenste stelsels van Wijsbegeerte, in zijn eigen heiligste gevoelens. - O, voor hem, als hij het zich bekennen wilde, was 't waar: er was gèèn ding, dat waarachtig bestond en er was geen heiligheid en geen waarachtigheid, op de gansche aarde niet.

Is er niets anders in dat allerbinnenste? Zijn smàrt dat alles zoo is. - Vanwaar die smart? 't Is zijn behoefte aan een heilige wereld; - het is zijn heimwee om zelf heilig te zijn. Het is zijn zoeken van 't onvergankelijke en onrust dat hij, zelf onheilig, niet anders dan verrotten waard zal zijn.

En daar is nòg iets in hem: hij weet dat er Eén is in wiens hand alle dingen zijn.

Maar weten dat iemand er is, en hem kènnen, zòò dat hij voor je leeft, dat is niet hetzelfde. En God kennen is God bezitten. En Da Costa kòn Hem niet bezitten, dien Jehovah die een- en andermaal den Tempel verwoest had, dien Zijn volk Hem gebouwd had, die hen verdreven had uit het Land dat Hij hun had gegeven, die hen had uit-

[p. 41]

gestooten in duisternis en eeuw aan eeuw voortdreef over de aarde, in het land der vreemdelingschap geen rust zelfs gunde. O, hij was overtuigd van de waarheid van Wet en Profeten, maar altijd op nieuw, om tot dat geloof te komen, moest hij weer heen om dien berg der Werkelijkheid die daar op zijn weg lag als om de ziel van hem en zijn volk te verpletteren. Jehovah was uit het midden van hen weggegaan. Weggenomen had Hij de Arke des Verbonds.1) Hij zag Hem als een verterend vuur, in de vreeselijke Majesteit van zijn daden.2) Toen de Tempel verwoest werd was het geprofeteerd:

‘De dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken: Ik zal mijne Wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot eenen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn: want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken..... Zoo zegt de Heere, die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, die de zee klieft, dat hare golven bruisen, Heere der heirscharen is zijn naam.’3)

Maar indien de Vreeselijke niet naderde tot zijn volk, hoe zou hij naderen tot Hem?

En Hij moest niet, alleen Israëls en Juda's, Hij moest Da Costa's God zijn.

II

Voor wien de aarde een ‘misvormd lijk van uitgebloeid schoon’4) is, wat zou die lust tot zingen hebben, wat hèèft die te zingen? Eerst als hij zijn promotie in de Rechten (1818) achter den rug heeft en zich te Amsterdam als advokaat heeft gevestigd, in 1819 eerst, hij is dan een en twintig jaar oud, begint het mysterieuse ruischen over de snaren van zijn harp, dat ‘poëzie’ heet. Ik weet wel dat die vertalingen, van vroeger, en nog wel iets, niet geheel bùiten hem zijn,

[p. 42]

maar hij heeft toch eigenlijk, indien al klank gegeven, zich zelven niet gezòngen. Is nu in die(n) harptoon-of-wat van het jaar '19 de manzelf, is het zìillustratien Vox humana? Is het zòò diep opgeklommen, dat het zijn naakte Zelf is zich een eigen vorm van Schoonheid scheppend? Nièt die Ode Het Treurspel, van Aeschylus geinspireerd. Is er dan in dien Liefde-zang aan Hanna Belmònte geen hart? O zeker, de snaren hebben getrild; - maar ach zing U-zelf eens dat Lied van drie jaren later aan diezelfde Hanna1), dan zijn echtgenoot, voor.... Wordt het u niet te moede, of het waarachtige Lied in ijzeren banden heeft gevangen gelegen, of de Lentezang in hem bevroren geweest is en niet heeft willen ontdooien? Het Troostlied Aan Bilderdijk?2) - zijn hàrt is er in, zijn volle hart, maar zijn ziel, het diepere zucht slechts mee. In 1820 eerst verbrèèkt de dichter zijn boeien.

 

Da Costa is op zijn weg Bilderdijk tegengekomen.3) - Maar over hem kunnen we niet spreken, of een derde persoonlijkheid komt in 't spel: de ‘Geest des tijds’, van hùn tijd:

want voor menschen als Bilderdijk en Da Costa is de ‘Tijdgeest’ een persoon; het is die eene groote gedachte (waar alle andere gedachten uit voortvloeien) die in een tijdvak heer en meester is; de besten voorzweeft als een ster, hen lokt en leidt en vòèrt, de meesten drijft en voortdringt, allen tezamen, ook die mèènen anders te willen en in tegengestelde richting te gaan, in zìillustratien richting voortstuwt: maar deze gedachte is toch ìn menschen en nergens anders; neem de menschen weg en zij is ook weg, en hoe zou ze ooit Tijdgeest d.i. de Tijd-zelve, hoe zou ze ooit alles regeerende macht en een nieuwe wereld-scheppende kracht

[p. 43]

kunnen worden, als ze in groote, sterke menschen niet heelemaal persoon werd, geen vleesch en bloed ging worden? Ze is vàlsch, uitvloeisel van gebrek aan persòònlijkheid d.i. aan innerlijke vàstheid en wààrheid - die onderscheiding van personen en zaken; overal waar 't geldt de beginselen van handel en wandel, waar 't om de hoogste belangen van alle menschen gaat - daar is de strijd tegen de idee, een strijd tegen de ‘dragers’. Bilderdijk onderscheidde niet tusschen personen en zaken.

Elke nieuwe tijd begint in den ouden en weer ìn personen. Die personen die de Nieuwe tijd zijn, zijn in den ouden tijd geboren en ze zijn Oude-tijd gewèèst. Dan verschijnt de Nieuwe-tijd en zweeft hun voor als een ster, en lokt hen, en leidt hen, voert hen, drijft hen straks; een poosje zijn ze twèè menschen, twèè tijden, onharmonisch; hun gewaarwordingen en hun gedachten, en die elk weer onderling, passen niet bij elkaar; maar voor ze er op bedacht zijn, daar staan ze als herboren menschen. Het komt niet van buiten af; het komt op uit de diepten van hun hart. (We hebben, allemaal, alle tijden in ons, en alle tijden zijn menschelijk.) Het is iets dat ze met àlle menschen gemeen hebben, iets van dat leven dat den mensch overal en ten1) allen tijde van àlle andere wezens heeft onderscheiden en àlle menschen verbindt, maar dat slààpt in de menschen en slièp ook in hen. Dàt ìs een Nieuwe tijd, als echte menschen hun samenleving op een fundamenteele dwaling hebben betrapt, en dan alle dagen meer oogen opengaan en er zoo stèrke lust in de waarheid komt, dat ze er hun lèven voor gaan zetten. En zulk een dwaling is altijd een dwaling van het hart; en het hàrt alleen kan haar vinden. Varen laat haar, diè haar vindt.

Bilderdijk nu had in zìillustratien tijd een Nieuwe(n) tijd in zich. Hij wàs zulk een nieuweling en nieuwlichter. Ik wil het daar niet in den brèède over hebben.2) Ik zal het maar principieel nemen, en eerst zijn critiek van 't bestaande; de lezer die 't niet in eenmaal vàt, die keert er later nog eens toe terug. Bilderdijk zag in den Ouden tijd van Da Costa's jongelings- en vroege mannelijke jaren een wereld zonder principe, of middelpunt, en daardoor anarchistisch. Het principe, of middelpunt, van alle dingen nu is God. God negèèren, zag hij op elk terrein van leven, denken en handelen tot anarchisme voeren. Die

[p. 44]

anarchisten, zou Bilderdijk op 't oogenblik als hij nog leefde, zeggen, die anarchisten, o rustige burgers, zijt gij zelf; dat anarchisme dat die bommendragers omdragen in hun harten, dat is de voortzetting van het anarchisme in uw eigen harten en hoofden, in het samenstel van uw eigen leven: beginselloosheid, bestaan zonder eenheid, - regeeringloosheid1). God accepteeren (niet als conclusie van een redeneering, maar Hem gewaarworden), dat is - de eenheid van de wereld accepteeren (gewaarworden). Laat die eenheid vàren, heb geen indruk meer van God, en alles gaat uit elkaar; in uw eigen hart is geen centrum meer (het verstànd is maar een werktuig!): Uw geestelijk leven ontbindt zich. Gij verliest uw geloof in het intuïtief onderscheiden van wat hooger en lager is, waarheid hooger dan onwaarheid, eerlijkheid hooger dan oneerlijkheid2), kuischheid hooger dan onkuischheid, muziekgenot hooger dan gastronomie; de Imperatief van het geweten heeft geen kracht meer. Uw levenskunst wordt: zich redden uit z'n moeielijkheden: elke handeling iets afzonderlijks: niet meer het heele leven èèn daad uit èèn principe. Uw politiek wordt opportunisme. Uw onderwijs africhting voor een beginselloozen strijd om-te-leven. Gij begeert nièt-langer persoonlijkheid (d.i. een individueele eenheid, elk voor zich) te zijn, het Toeval regeert U. Een anderen Heer en Meester hèbt Gij niet, - Gij zult zijn Despotìsme òòk dragen. Uw zonen zullen het bevestigen, dat èlke atheïstische samenleving (Gij zegt neen, - maar wààr is uw Godsvereering?) zich in anarchisme ontbìnden moet. - En den ondergang van zijn wereld zag Bilderdijk nabij. Wie weet niet zooveel van geschiedenis, dat hij niet weet, hoe overal in Europa na Napoleons val in de hòògere samenleving een spànning, in de lagere (want sinds de Middeleeuwen voorbijgingen zijn er twèè samenlevingen in Europa) een gìsting was, die het ergste deden voorzien. Daar had een wederherstelling van het evenwicht plaats gehad, daar was een Heilig Verbond gesloten, de Vorsten hadden zich voorgenomen voortaan de Vàders van hun Volken te zijn, - en in Nederland, althans in de klassen der burgers, waar ze den toestand niet overzàgen, meende men het Ideààl gegrepen te hebben; maar Europa was vol geheime angst, Europa voelde dat de Achttiende-eeuw de gedachte van Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap niet had ùitgewerkt en dat ze haar zòù uitwerken: het besèfte dat die schoone apothéose van den Vrede illusie was en gèèn congressen en diplomaten, maar een hoogere Macht thans het facit der Geschiedenis zou bepalen;

[p. 45]

het kon niet twijfelen, of het drama naderde zijn ontknooping, het laatste bedrijf stond afgespeeld te worden: wèlk een catastrophe was er te wachten! Er was een stilte en zwoelte .... de onweerswolkenheiren omzetten den geheelen hemel; er was een drukking en persing in de lucht.... De ontstelde verbeelding der menschen reflecteerde al het vreeselijke dat ze hàdden beleefd in de toekomst: maar vreeselijker nog, want - het zou nu toegaan op de ontknooping. Visionairen kregen gezichten; profeten profeteerden. De ontbinding en opheffing van al het bestaande werd voorspeld en aanschouwd; het zou in minder dan een menschenleeftijd beslist zijn; het stond in de Openbaring van Johannes. En ook Bilderdijk was onder die profeten. De barensweeën der aarde gingen ten einde. De laatste worstelingen van God en den Atheïst kwamen. Christus zou verschijnen op de wolken des hemels; in Jeruzalem den stoel van David en Isrels heerlijkheid herstellen; de Joden zouden Hèm zien dien zij doorstoken hadden, en den beloofden Messias erkennen in den geschandvlekten kruiseling; de Heidenen sàmenstroomen rondom zijn Troon. De Atheïst zou worden nèèrgeworpen en het Vrederijk van duizend jaren, dat moet voorafgaan aan het Groote Wereldgericht, zou dan zijn aangebroken. Met al den hartstocht en het geloof van zijn ziel had Bilderdijk partij gekozen. - Bilderdijk is voor God te velde.

Meer dan Bilderdijk zelf misschien, maar onder zijn geweldigen invloed, is Da Costa in de jaren 1819 en 1820 onder den indruk van het algemeen geloof aan het naderend einde. Willem van Hogendorp (de buitengemeene zoon van Gijsbert Karel), discipel van Bilderdijk ook, schrijft hem eenmaal1): ‘Ja zeker, wij zien het Rijk des Duivels vestigen, en den tijd met rassche schreden naderen, waarin wij alle godsdienstige en maatschappelijke rust en vrijheid zullen kunnen vaarwel zeggen; en wie zal hier tegenstand bieden? Der Helden nakroost is verdwenen, als onze Bilderdijk zingt.......... (Er) blijft ons slechts een gebed overig: Wat gij doen wilt doet dat haastelijk en dit gebed schijnt verhoord te zullen worden’2). Het was in antwoord op een brief van Da Costa dat Ja zeker! Als Hogendorp het in een anderen weer over den noodlottigen invloed heeft dien de machinerie op den Socialen toestand der arbeidende klasse oefent, dan schrijft Da Costa: ‘een overtuigend blijk van die groote waarheid, dat de menschelijke maatschappij gelijk de grond, waarop zij staat, dreigt in te storten, en

[p. 46]

de godspraken vervuld staan te worden.’1) De Godspraken van Isrels herstelling! - ‘Op de puinhoopen der aarde zal men Bilderdijk recht doen wedervaren!’2)

Was hij nu tegen den Geest der Eeuw in 't vèld? Voelde ook hij zich krijgsman, banierdrager in het leger van God? Neen. Bilderdijk heeft hem vlak voor den Atheist, zijn Tijd, gevoerd; hij heeft hem gezegd: dàt is de Aartsvijand, de Uwe als de Mijne, en Da Costa heeft vijandschap gezworen in zijn ziel, - - maar dan sluit hij zich op in de eenzaamheid, en daar peinst hij over het Godsplan met Israël en over Spanje, het lieve Spanje, dat andere Palestina, daar worstelt zijn geest in een warreling van gedachten en ontmoet telkens en overal de gedachte van den Levenden God die nabij moest zijn en zoo verre is, - en voor die gedachte bezwijkt hij, en nederliggend eet hij zijn eigene ziel in ellende van wanhoop; hoe zou hij krijgsman zijn? moet een krijgsman niet altijd vol zijn van blijdschap en zegepraal? - hij weet niet wat blijdschap ìs; is zijn hand niet krachteloos, zijn arm niet moe en mat, zijn hoofd niet gebogen? hoe zou hij banierdrager zijn. Hij is een worm en geen man. In 1820 deelt hij zijn vriend mee:3) ‘Ik voor mij heb mij sedert lang geresigneerd in de overtuiging, dat ik mijn leven (zoo dit leven heeten moet) bestemd ben door te kwijnen, zonder waar genoegen, zonder wezenlijke werkzaamheid.’ Zonder werkzaamheid zijn leven door brengen? Is dit die Da Costa die twee jaar na dezen zingen zal, toeroepen aan zich-zelven, juichen:4)

 
Maar gy, die u geroepen voelt
 
Om, waar de Geest des afgronds woelt,
 
Voor 't recht der hemelen te strijden!
 
Kent gy de kracht, die in deze eeuw
 
Verlammen moet het helgeschreeuw
 
En 't helsch verbond der Ongewijden?
 
 
 
Gy zijt gewapend door Gods Macht
 
Met een ontzachelijker kracht,
 
Dan bajonetten en kanonnen!
 
Verbreed de borst! sla 't oog naar Hem!
 
En met de levendige stem
 
Wordt heel een aardrijk overwonnen!
[p. 47]

Driemaal gelukkig’, verzucht hij in een schrijven van datzelfde jaar 1820 alweer, ‘wie de Voorzienigheid in deze hachelijke tijden heeft uitgekozen, om ten koste van bloed en goed, dien noodlottigen geest der eeuw te bestrijden, en die niet veroordeeld is om werkeloos aanschouwer te zijn, en in den kleinen kring der menschelijke zwakheden rond te draven.’ Veroordeeld!

Maar het zal bewaarheid worden: ‘Ik zal de gevangenis vàn Juda wenden’.1)

Nu is hij nog een bevroren vijver, diep, koud-grauw daar neerliggend midden in een hol wintersch bosch, eenzaam; hij kan zich zelf niet ontdooien.......

Als de Lente maar komt! - Het jaar '20 spoedt ten einde, en dit jaar is de gezette tijd.

III

Daar zìillustratien van die groote, diepe dichtermenschen, als ze alleen zijn in een groote stad dan zijn ze hèèlemaal allèèn. Soms, als ze pas een groote blijdschap hebben gekregen, kunnen ze daar in onbezorgde behagelijke eenzaamheid zoo voortwandelen; dan komen ze soms in 't idee dat ze toch nièt alleen zijn; jawel, zij zijn òòk een van de lui die hier gaan, en dan kijken ze òpgeruimd. Maar meestal voelen ze zich diepongelukkig, ellendig, rampzalig, - verlaten, prooi van pessimisme. Van mensch voor mensch voelen zij zich afgescheiden, en de groote massa die daar woelt en draaft, de Stàd, als hun vijand; en die Stad in haar uitgestrektheid, met haar neringstraten en paleizen, magazijnen, dokken en kantoren, breidt zich in haar wereldverkeer uit over de gànsche aarde, en het is àlles terrein van de bezige baatzuchtige winzucht, die daar draaft en woelt rondom hen heen; het overstelpt hen, het is of 't hun in het gezicht wordt gezegd: Gij zijt een nietige worm; daar is geen plekje waar de dichter zijn voet kan zetten. Maar dan straks denkt hij in droomig heimwee aan de vrije natuur die nog hèèft van die plekjes. - Zoo'n dichtermensch was Da Costa ook.

Zij leven niet het leven der massa. Zij leven op de heerlijke hoogten van 't mensch-zijn, of ze zijn in de diepte in het hart van de menschheid. Daardoor doen ze zoo dom vaak. ‘Hoe heeft het Heelal U zooveel geheimen ontdekt?’ vroegen ze Newton: ‘Omdat ik altijd daaraan dacht.’ Maar een timmerman moest in zijn kamer gelegenheid maken

[p. 48]

voor twee poesen, moeder en jong, om er uit te kunnen komen. De timmerman maakte een poortje in het beschot, waar het groote beest goed door kon, en ging. Newton haalde hem terug. ‘Mijn goeie man, nu vergeet je om een gat voor dat kleine beest te maken.’ ‘Die kan door 't zelfde gat als de groote’, zei de man. Dààr had Newton nièt aan gedacht. Het heele dagelijksche leven zien ze met een ander oog dan wij ‘heeren’ der Schepping, of liever ze zièn het niet en ze taxeeren het als iets dat op zich-zelf zeer zeker de moeite niet waard is ook. Ze weten den wèg ook niet in dat leven, en ze willen hem òòk niet weten. ‘Ze vinden 't een slobberige, nare boel’1). De gewone-menschen-instincten en de practische capaciteiten om ‘een man in de maatschappij’ en in z'n gehèèl ‘nuttig lid der samenleving’ te zijn, zekere deugden en zekere ondeugden ontbreken hun. Al wat handel is b.v. of, en dat is zoowat alles, met handel in verband staat, zouden ze in èèn dag totaal in de war sturen. In hun eigen omgeving, vooral als 't een kleine kring is, redden zij zich wel. Ze staan voor excentriek of voor ‘type’ genoteerd, maar ze zijn er toch op hun gemak. Daarbuiten staan hun de handen direct verkeerd. Het feit is, dat deze menschen (het zijn van de menschen bij uitnemendheid, van onze eigenlijke vertegenwoordigers tegenover de dieren en de on-menschen), een imperium in imperio,2) hebben. Wij-zelf, gewòne menschen, behooren behalve tot de wereld die we ons zelf gemaakt hebben, nog tot een andere wereld, een voor òns onzichtbare, en dat is de dichterwereld, die zelf zijn werelddèèlen weer heeft; daar zijn zìillustratie de aristocratie, koningen en prinsen, en wìillustratie de onmondigen. Die beide werelden nu lijken heel weinig op elkaar. Ontmoeten dichtermenschen en wij mekaar, dan is dat een snìillustratiepunt van die twee sferen. Zoo bestaan er in deze dichterwereld gèèn stànden, alleen soorten van menschen, nààr hun qualiteiten, en dìt alleen maakt, dat, hoezeer zij met de anderen uit èène levensbron mogen zijn, hun doen en laten ons vreemd en willekeurig schijnt. Zij hebben het gevoel van niet homogeen met ons te zijn en instinctief mijden ze ons min of meer; zij begrijpen dat wij hen niet accepteeren kunnen; zij hebben altijd het bewustzijn dat er een vijandschap is, origineel van ònze zijde. Zoo is het, òòk in het wereldje waar ze een voor een de gevels der huizen kennen, maar in de vreemde stad, in de wereldstad daar wordt dat gevoel dat de massa hun vijand is gigantesk en zìillustratie voelen zich geen heros om het duizendkoppig monster te bevechten.

[p. 49]

Da Costa-menschen gaan met u over 't zelfde wegje, eerst tusschen arme huizen en dan over 't weggetje, het mooie, tusschen monumenten van paleizen, en ze gaan (het zijn dubbel-menschen) toch nièt met u, ze gaan over een van de koninklijk wegen van hun gedachten En zij gaan heel dicht naast u, hùn weg, de hooge en groote, gaat vlak langs uw plaveisel en hartelijk en vol vertrouwen klinkt hun stem tot u òver, maar zij blìillustratieven in hun wereld.

Nu doe ik een kleine(n) sprong, maar dien de lezer me gemakkelijk nadoet.

Cicero heeft heerlijk over de Vriendschap geschreven; ik zou, als de menschheid empirisch wat hooger stond (want ze staat laag, maar tot grootheid geroepen) alleen daarom de jongens Latijn willen leeren. Maar daarmee heeft de mensch over de Vriendschap niet uitgesproken. Er zijn typen van de Vriendschap. En het Christendom heeft uit den boezem der menschheid een èigen type te voorschijn geroepen, een type dat zoowel bij Germanen als Israëlieten voor kan komen. Ik heb het weer over den Da Costa-mensch. Wat is voor hem een vriend?

Daar is dan een muur1) tusschen hem en de groote- en kleinehuizenwereld, en die muur is tusschen hem en mensch voor mensch. Het scheidt hem - ook van zijn allernaasten; ook van zijn vrienden in ruimer zin, zijn allerlièfste(n)2) ook van zijn vrouw, zijn àllerliefste misschien; hij zit tegenòver hen, zijn hart heelemaal open, - en toch ziet hij hen vàn zich af, buiten zich, hij allèen, in zijn binnenste. Wien zoekt hij? Eén - tusschen wièn en hem gèèn muur zou zìillustratien. Al kent hij ook het gelaat van zijn ziel niet, al ziet hij hem niet trek voor trèk (want wij zien wel elkaars vleesch en gezichten, maar elkaarzelf zien wij niet), hij moet dien man tègenkomen en het gevoel krijgen van nièt meer alleen te zijn; de muur is weg. Hij gaat mèt hem en hij voelt als een engel aan zijn zijde.

En hèèft Da Costa dien man gevonden? Dien Engel?3) Gevònden hèèft hij een, en daarvan heeft hij gezegd: ‘Gij zijt mijn Vader. Indien ik U vergete .... eer vergete mijn rechterhand zich-zelve.’ Bilderdijk! Hij is hem ontmoet - en was straks niet meer alleen. Zijn Vader! Lèt dààr op. Wat is er zoeter, als men hem niet meer heeft, dan een vader te hebben? Hij zou hem niet zijn vader hebben genoemd als

[p. 50]

Bilderdijk van gelijken ouder1) geweest was; dàn was hij hem zijn oudere broeder geweest. Maar wat ìs daar in dat Vader-, dat Broederschap van dien wildvreemde? Dit: hij, Da Costa, de Da Costa-mensch, noemt Bilderdijk zijn vriend, hij is de vriend van Bilderdijk, hij voelt zich zoo dichtbij hem; en dìt voelt hij van Bilderdijk: Bilderdijk heeft hem lief; of ook Bilderdijk zijn vriend is, of Bilderdijk zelf een man is die behoefte heeft aan rèdding uit eenzaamheid, of Bìlderdijk geen muur tusschen zich en hem heeft dàt weet hij niet, maar hij heeft het gevoel dat Bilderdijk hem lief heeft. Zòò is het met de vriendschap van den Da-Costa-mensch.2) De vriend is zijn staf; de vriend gaat voor hem uit in donkerheid; als hij zal vallen, zal de vriend tot hem komen, ophelpen; als hij gezondigd heeft, dan zal hij het hoofd op zijn schoot leggen en belijden, en een woord van vergeving - wachten; hij zal gekend zijn: de Da-Costa-mensch is een zwak, arm mensch in zich-zelf, hij weet niet wat hij hèèft aan zich-zelf, ìn zich-zelf heeft hij geen vasten voet, hij zièt zijn goddelijk zelf niet, hij is verloren: de vriend is de man die hem kent; in het òòrdeel van den vriend ligt de waarborg dat hij niet is een pijl weggeslingerd uit den boog. Wat scheelt dezen mensch? Wat ontbreekt hem? Wat zoekt hij? Hij zoekt Liefde, hij zoekt het behoud. En dàt is zijn binnenste eenzaamheid: hij voelt zich verlòren en hij wil lèven en nièt stèrven: een Redder zoekt hij.

Heeft Bìlderdijk Da Costa gered? We weten het al, hoe Da Costa in '20 was. Neen! Dus was ook de muur nog niet weg? er was nog eenzaamheid? O, bij Da Còsta was de muur tusschen hem en de wereld zeer hoog en zeer dik, van metaal, - en voor den klank van Bilderdijks stem is hij versmolten, - versmòlten, - maar niet heel en al. Hoe kwàm het?

Is Bilderdijk de eenigste geweest? Een andere vriend werd Hanna Belmonte. In '19 was het engagement; dat een liefde bekrachtigde van der jeugd af aan. Ik ben niet voldoende ingelicht, om te weten tot hoever Da Costa in dat eerste jaar haar in zijn allerbinnenste toeliet. Maar lees dat latere Aan mijne Egade3) van 1822. Hij heeft een groote

[p. 51]

innige Liefde van haar ontvangen; Liefde ontvangt men; innige Liefde gààt innig. Heeft zìillustratie den muur doen vallen? Heeft dàt liefdevuur hem weggesmolten? Ook dat niet.

Ziedaar wat voor Da-Costa-menschen Vriendschap is. Het is hun gevoel voor den man en de vrouw die hèn zoodanig liefheeft, dat de muur wegsmelten gaat, - mààr, hij blijft, er is altijd een overblijfsel. Dat hij blijft, wat is dat? 't Is het bewustzijn, dat die zelf-behoeftige, afhankelijke en in alles onzekere, wankelende, sterfelijke mensch hem niet kàn schenken zòò groote en zèkere liefde als hìillustratie behoeft. Want zòò is het bij Da Costa geweest: hij zocht Liefde omdat hij zwàk was en heilig wou zijn. In zich had hij geen voet op dien bodem der eeuwigheid; hij vertwijfelde aan zich-zelven; hij daalde af en daalde af en zag overal ijdelheid; hij geloofde niet in zichzelf. Dan is het bezit van een man die in hem gelooft, voor die zelf-critici die het Volmaakte zoeken een steunpunt; en die(n) man zijn zij dankbaar en zij schrijven hem Liefde toe; nu er is ook zònder Liefde gèèn waarachtig Kennen. Maar zij voelen wel, dat gèèn mensch waarborg voor den ander kan zijn; zij zijn beide feilbaar.1) Dat besefte ook Da Costa: gèèn Liefde sterk genoeg om mij te dragen ook als ik val en niet weer opsta; gèèn mensch die mij kan redden. - Hij bleef alleen; de muur en de binnenste eenzaamheid bleef.

Dus tot God-zelven? Is God Liefde? Dàt is de Vraag geworden. Hij hoorde het van Bilderdijk, van anderen; de Christenen, ook de slechte ze zeiden het: God is Liefde. - Oòk Bilderdijk, de Vader, met zijn machtig zielewoord. - Die heeft het hem in zijn ziel gegrìft, dat hij het àltijd voelen moest als een wond, - die genas onder pijnen.

Ach, hoe wilt Gij Da Costa tot den Levenden God hebben? Gaat in de stormen van den Oceaan, aanschouwt de vreeselijke schoonheid van het onweer, ziet rondom òp naar den sterrenhemel en reist in gedachten op zijn oneindige banen:

‘Wie heeft de wateren met zijne vuist gemeten en van de hemelen met de spanne de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in eene waag en de heuvelen in eene weegschaal? - Wie heeft den Geest des Heeren bestièrd, en wie heeft hem als zijn raadsman onderwèzen? - Met wièn heeft hij raad gehouden, die hem verstànd zoude geven, en hem zoude leeren van het pad des rechts, en hem wetenschap zoude leeren? - Zie, de vòlkeren zijn geacht als een druppel van eenen emmer, en als een

[p. 52]

stofje van de weegschaal; zie, hij werpt de eilanden henen als dun stof; - alle volken zijn als niets voor hem, en zij worden bij hem minder geacht dan niets en ijdelheid:

illustratie wièn dan zult gij God vergelijken? - Wèèt gijlieden niet, hòòrt gij niet, is het u van den beginne niet bekènd gemaakt, hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet? ........

illustratie is het die daar zit boven den kloot der aarde, - en hare inwoners zijn als sprìnkhanen; hìillustratie is het die de hèmelen uitspant, als eenen dunnen doek, en brèìdt ze uit als eene tent om te bewonen; - die de Vorsten te niet maakt, de richters der aarde maakt hij als ijdelheid. Bij wien dan zult gij mij vergelijken, zegt de Heilige.’1)

Da Costa, zal hij tot dièn God gaan, dien Majestueuze, Die aan niets gelijk is, Die alles bùiten zich ziet? die tot zijn Vaderen in onweeren sprak?

De stem van den profeet antwoordt: ‘Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft. De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewìsselijk vallen; maar die den Hèère verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen òpvaren met vlèùgelen, gelijk de arenden; zij zullen lòòpen, en niet moede worden, zij zullen wàndelen, en niet mat worden.’2)

En de eenzame luistert. - Maar kan hij gaan tot dien Geweldige, die ook het volk dat Hij liefhad als zijn oogappel en in Zijn hand bewaarde, van zich wèg heeft geslingerd, dat hun, Zìillustratien Tempel vergruizelde en het land daar plat neerlei3) als een voetwisch voor Heidenen en Mohammedanen, en Isrel verloren ging over de aarde? Hij smacht naar een Onèindige Liefde, die zijn zwakheid kent en nièt verplettert, maar redt.

O, eenmaal als de Messias gekomen zal zijn ..... Dan zal Jehovahs aangezicht weer over hen lichten, en dan ..... misschien!

 

Voor Da Costa is de mensch eeuwig buiten God, zooals Da Costa de menschen buiten zich-zèlven zag, - maar (hoe verhevener de verbeelding, hoe ontzaglijker het zijn zal) op oneindigen afstand: de mensch is als een sprinkhaan voor Zijn aangezicht. Daar is geen nadering tot, om het in beeldspraak te zeggen, tot Gods harte.

[p. 53]

En de gedachte van 't Christendom is: God de Vreeselijke legt in Christus, als hij verschijnt in de wereld, Zijn Majesteit àf en komt als een Mensch tot den mensch, die niet tot Hèm kan komen. God is Liefde! Tusschen den mensch en God is een muur; die Christus ontmoet heeft en in zijn oog heeft gelezen, dien is de muur verdwenen. ‘Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien’. ‘Niemand komt tot den Vader dan door mij’.

Het oogenblik dat Da Costa dèzen Mensch ontmoet, zal hij den eeuwigen Vriend gevònden hebben en zal hij niet meer alleen zijn: hij zal gelooven in een Eeuwige Liefde: de Liefde Gods in Jezus Christus: en die Liefde zìillustratien eigendom.

Maar hoe zal hij Hem ontmoeten? Hij wèèt niet van den God-Mensch; hij weet alleen van Jehovah, vreeselijk in Zijn heiligdom. Hij heeft wel gehoord van de Christenen dat God mensch is geworden, dat Hij zich gegèven heeft aan den mensch, maar hij verstaat dat niet: God die zich geeft. En àls hij 't eenmaal verstaat, zal hij dan in Chrìstus het beeld van den onzienlijken God, het ‘Afschijnsel van Zijn Heerlijkheid’1) zien? In dien ellendigen aan 't Kruis tusschen moordenaren gehangene? Nèèn immers, maar hij, de Jood, zal uitzien naar den beloofden Messias; die Koning uit Davids geslacht die komen zal in heerlijkheid, diè zal het zijn. Is Chrìstus een Koning? Zie zòòver is Da Costa van Christus.

Maar hij ìs tot Hem gekomen.2)

 

Eenmaal als hij tegenover den uitverkoren man Bilderdijk is neergezeten, ‘ontvalt’3) Bilderdijk een uitdrukking, een van zijn lichtwoorden, die Da Costa de schellen van de oogen splijten; het dringt door tot zijn hart, en uit zijn hart straalt het licht over de bladen van Wet en Profeten, en straks weet hij dat Jehovah zich mee zal deelen in Een dien Hij zenden zal en die zijn zal het Afdruksel van Zijn Wezen4).

[p. 54]

Als hij nu Chrìstus ontmoet zal hij weten, dat Gods Wezen Liefde is.

Zal het de Messias zijn die God openbaart? - Het beeld van den Messias verandert zich.1) De Israëliet, de van land en Tempel verdrevene, ziet Hem als Koning der Aarde. Maar het verandert; ziet, daar staat het2): Hij had geene gedàànte noch heerlijkheid; als wij hem àànzagen, zoo was er geene gestàlte, dat wij hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwààrdigste onder de menschen, een màn-van-smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbèrgende het aangezicht voor hem; hij was veracht, en wij hebben hem nièt geacht.’ In den toestand van geslagenheid waarin D.C. verkeert, voelt hij zich meer en meer tot dezen man-van-smarten aangetrokken. Ziet, zegt de Profeet3): ‘Hij (de Messias die komen zal), hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen.’ En Da Costa voelt zich àl-meer een worden met zijn rampzalig volk. Maar hij erkent ook Israëls zonde, en al feller schittert het licht van Jehovahs Heiligheid over Isrels geschiedenis. Hij verstààt het eerst nu4): ‘Hij is om ònze overtredingen verwond, om ònze ongerechtigheden is hij verbrijzeld; de straf, die òns den vrede aanbrengt, was op hem, en door zìillustratiene striemen is ons genezing geworden.’ De Messias zal hen verzoenen. Ach, ook de zonde van zijn volk is zìillustratien zonde. Dan, uit de diepte van zijn geestelijke ellende ontworstelt zich het persoonlijke willen van een Verzoener voor zìch, en uit den donkeren chaos rijst het beeld van een Koning der Vernedering die voor hem lijdt. - Werd het geen waarheid wat Bilderdijk Da Costa bij zijn promotie iu de Rechten (1818) had toegeroepen:

 
De aan God getrouwe Jood is Christen in 't verlangen?5)

Wanneer zal hij den God-Mensch ontmoeten? Dàt oogenblik nu, dat hij den Messias in Chrìstus aanschouwt. Is het niet? O, als hij Hem ziet, hoe zal hij Hem aan Zijne borst vallen, hoe zal de Heros (want in dezen Worm sluimert een Held!) aan de borst van zijn Koning uìtweenen al die jaren van verkropten edelen hartstocht, de onderdrukte verlangens van zijn eigen Koninklijke ziel? Reeds wàndelt

[p. 55]

Christus de Messias door zijn binnenste donkerheid. Maar hij zièt Hem nog niet.

Moet ik er over spreken, hoe de Evangeliën ons Christus hebben overgeleverd. Ik denk, dat al m'n lezers het weten en van Golgotha hebben gehoord. Verwondert het U niet, dat Da Còsta, zooals hìillustratie nu was en zag, nog twijfelde of Jezus wel was de vervulling van Wet en Profeten? Het wàs twijfelen, maar mèèr nog weìfelen - of hij den Gehangene aan het kruis (het was het verachtelijkste wat de Jood kende) tot zijn Koning zal verkiezen. Er was nog andere weifeling. Wat trotsch-fiere zal niet aarzelen om, niet om zwakheid en onmacht te bekennen, maar te belijden: ik ben niets en ik kan niets, en heenbrekend door de stugheid (den muur!) van zijn mannenhart, geen man meer te zijn en in vrouwelijke verteedering zich, om door Liefde gered te worden, over te geven?1) De donkerste dagen van Da Costa's leven zijn nu aangebroken.2) Want hij mòèt gered worden, hij mòèt vinden den man-meer-dan-Bilderdijk; hij moet hem spoedig vinden, of zijn ziel zal verstijven en sterven. En hij kon, wòù niet heen door den muur.

Maar hij zièt hem wànkelen, hij ziet een vuurstroom zijn grondvesten vernielen, - en hij beeft, Da Costa. Als de muur vàlt, dan zal hij, de fiere Leeuwenwelp uit Juda, niet meer zijn eigen, maar Christus, den Heer der Chrìstenen z'n eigendom zijn. Is het de Messias, die immers Heer van alle volken wèzen zal? Is het de Koning uit zijn eigen stam Juda die nabij hem is? Er is een verlàngen in zijn beven. En achter de vernedering ziet hij den edelman uit het huis van David, den Machthebber, wiens woorden gezag ademen3), den Koning van een Koninkrijk niet-van-deze-wereld4). En de muur schokt en breekt en gaat zinken in den vuurstroom. Wat onverklaarbare werking is dit!? Het schokken is ìn hem. Zijn gansche ziel is in ontroeren. Is het niet meer duister? Er is schemering; het daagt; kan hij zijn hart sluiten voor Morgenlicht? Er is iemand

[p. 56]

nabij. Hij verteedert, de muur zinkt, daar is Hij, de Koning: om zijne lippen is Genade en Waarheid...:

 
‘Ik zag Hem, ik gaf mij!’1)

IV

In den Voorzang van de Hymne God met Ons (1826) heeft Da Costa het gezegd hoe Christus hem gekregen heeft. En in deze eene hartstochtdaad was de daad van zijn heele volgende leven; in het eene zielewoord: ‘Mijn Koning!’ was zijn gansche ziel ontwaakt.

Ontwaakt was in den Zoon van Bilderdijk de dichter!

Een stroom van Poëzie, schoon van Teederheid en Hartstocht, van Liefde en Geestdrift, van Toewijding en Heldenmoed stroomt uit zijn binnenste, in onweerstaanbare breede golven.

In '21 verschijnt zijn eerste bundel: Poëzy. Daarin is het verteederd hart en het gevoel van zijn kracht, zijn liefde voor Bilderdijk, en mèt het gevoel van zijn kracht, het ontwakend bewustzijn van zijn roeping.

In '22 de tweede. Daarin is de Held. Want de Held is ontwaakt met den Dichter: die twee zijn èèn. Hij is den strijd tegen den ‘Geest der Eeuw’ begonnen.

En de stroom houdt niet op.

Een volgenden keer misschien dan zullen wij Da Costa zien in zijn kracht.

Z.

v.d.B.