Taal en Letteren. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 4. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1894


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 65]

Hagar van Da Costa.1)
Tekstverklaring.

Vooral met het oog op lezers die den tweeden jaargang van ons Tijdschrift niet bezitten, geven we, om samen weer op de hoogte te zijn, andermaal een kort overzicht van het geheel.

God had aan Abraham2) voorzegd, dat hij de stamvader van vòlken zou worden, zoo talrijk als de sterren des hemels en het zand der zee. Maar hij en Sara blèven kinderloos. In haar bezorgdheid gaf hem Sara toen haar dienstmaagd Hagar, een Egyptische, tot vrouw. Die Hagar werd moeder. Nu werd de ijverzucht bij Sara wakker. Zij kon de dienstmeid, de slavin die met minachtende oogen op haar neer durfde kijken, niet langer uitstaan. En Abraham vond het goed, dat zij Hagar wegjoeg.

Toen ging Hagar de woestijn in. Maar - om straks terug te keeren. Zij mocht niet ondergaan, want het kind dat ze onder het hart droeg, was een zoon van Abraham. Wel zal hem straks nog een andere worden geboren, een lzak, uit Sara-zelve, en die zal de Eerste zijn, - maar ook op Ismaël, Hagars zoon, rusten Gods Beloften: ook uit dien zullen volken voortkomen en koningen.

Toen nu Ismaël veertien jaar was geworden, kwàm Izak, en Ismaël haatte hem, mèt Hagar zijn moeder. De oude ijverzucht ontbrandde weer, en andermaal moesten ze heengaan.

Maar nu is Ismaël opwassende tot een held. De woestijn wordt het tooneel van zijn daden. Gods Beloften aan al Abrahams kroost, gaan in vervulling. De zoon van de slavin, wordt de Vader der lsmaëlieten, de Arabieren! en men kan van hem nièt spreken, of het eindeloos perspectief van Arabiës grootheid ontròlt zich: aan het begin van die koninklijke heirbaan die de Arabieren zich midden door de volkeren slaan, staat Ismaël, en achter hem zijn uitgeworpen moeder: Hagar.

 

De inhoud van Genesis XVI en vervolgens, had zich uitstekend tot

[p. 66]

een idyllisch Episch Verhaal geleend.1) De uitgever Kruseman noodigde Da Costa ùit tot een Hagar-gedicht; hij woù zulke gedichten bij een verzameling Engelsche gravures (toen aan de orde van den dag), die Bijbelsche Vrouwen voorstelden, en onder dièn titel zou dat gezamelijk als een Dichterlijk Album uitkomen.2) De plaat die Da Costa voor zich kreeg, was òòk nog al idyllisch: 't stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaarshegroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in 't gebaar van 't zijwaarts buigend hoofd en de langs haar lijf gestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehèèle gelaat, in het mooie gloedvolle oog vooral, ligt dìt: ‘Mij rest niets meer; ze hebben mij uitgeworpen, - waar zal ìk heengaan.’ Om deze voorstelling nu heeft de dichter zich niet bekommerd. Bij hem zien we Hagar vermoeid voorthijgen, met voorovergebogen lijf, geheel àf van haar tocht; ook is er op de plaat geen waterflesch (vs. 27) of iets anders dat aan haar bijzonderen toestand doet denken. Hij heeft zich ook nièt tot de schildering van het idyllische patriarchale nomadenleven laten verlokken. Hèm inspireerde het, dat die vrouw ‘de Moeder Ismaëls’, de van God gezegende stammoeder van dat groote Arabierenvolk was geweest. Hij schildert ons de Arabische woestijn met haar verschrikkingen. En dan de ellendige in haar verlatenheid. Maar daar wordt zij hem tot een wonder van Gods Trouw. Daar verandert het tooneel. De woestijn bevolkt zich. De honderden worden tot duizenden. Duizenden voegen zich bij duizenden. Een wereld-godsdienst wordt uit dit volk geboren! Tienduizenden trekken op en verspreiden zich,

[p. 67]

al vermèèrderend over de aarde, om rijken te vernietigen en nieuwe te doen herrijzen. Het oog van den dichter volgt hen en vliegt de eeuwen door. En telkens weer denkt hij terug aan die verstootene moeder, de slavin die vorstin was: ‘de Moeder Ismaëls!’ De geheele geschiedenis doemt op voor zijn geest: tafereel na tafereel. Daar gaat het Ismaëlietenvolk deelnemen aan den ‘Arbeid des Vredes.’ Het heeft een wereldrijk gesticht; het zal ook een wereld van wetenschap en kunst veroveren. Links en rechts laat Da Costa zijn visioen zich voor ons uitbreiden, en het strekt zich uit tot op de Nieuwere tijden toe, neen verder, al verder in een wemelend verschiet, tot den eindpaal van alle geschiedenis: want voor dezen dichter is de geschiedenis geen raadsel. Die Hagar in de woestijn is een symbool, een zinnebeeld voor hem. Gelijk zij zelf eenmaal is weergekeerd tot de tent van Abraham, zoo zal hèèl Ismaël eens weerkeeren tot dien Vader van alle Geloovigen: immers aan 't einde der dagen zal Ismaël met alle volkeren tot Christus komen, en Christus is ùit Abraham. Gods Belofte zal dan in vervulling gaan. Ismaël zal genade vinden in Zijn oogen en leven voor eeuwig. Ook dat aanschouwt de dichter, en wederom rust zijn oog op de verlatene in de steenwoestijn, die zich voor God vernederen gaat en weerkeert: Ja waarlijk, God is getrouw!

Om een volledig overzicht te verkrijgen, onderscheiden we het gedicht in de navolgende, telkens met een terugblik op Hagar beginnende deelen:

I.Inleiding: de woestijn; de uitgedrevene Hagar: 1-20-38. Gods Belofte, en Terugkeer;
II.Moeder en zoon andermaal uitgedreven: 39-57;
III.De Arabier met kemel en ros: Ismaël een stam geworden: 58-74-90-104;
IV.De Arabieren treden op in de Geschiedenis: 105-151;
V.Mohammed: 152-200;
VI.De bloeitijd der Arabieren in 't Westen en Oosten: 201-237. Kunsten en Wetenschappen;
VII.De botsing met het Christendom: in de Kruistochten en in de Hervorming: 238-288. Kwijning en Ondergang;
VIII.De toekomst van Ismaëls volk. Alle volkeren komen tot Christus: 289-325;
IX.Laatste blik op Hagar: 326-336.

[p. 68]

Wij zijn thans, in III, aan de schildering van kemel en ros toe gekomen. Nà de tekstverklaring, letten we nog op enkele grammatische dingen, waarbij wij even als altijd, rekening houden met de eischen van het bestaande examen1).

75-90; 91-104. Wat is de kracht van den uitroep ‘Zijn kemel!’? Het is geen elliptische zin. Het dan volgende is wel elliptisch: ‘'t Is het levend schip etc.’ ‘Schip der woestijn’ noemden de phantasie-rijke Arabieren zelf den kameel. - Is er verband tusschen rijk en keur. - Waarvan wordt door de dichters wrochten gebruikt? Blijkt dat ook hier? - Welke opmerking valt er te maken bij eindeloos, zooals 't in 78 gebruikt is? Vgl. daarbij een uitdrukking als bodemlooze afgrond, grondelooze diepte. - Afwerpt en opvangt heeft zijn rechtvaardiging misschien daarin, dat de berijder van het dier zeker met een zet zich uit en in den zadel brengt.

80. De oogen pogen een waterdrop uit te lokken: de reizigers gelooven zelf niet dat er in de barre streek waar zij zich bevinden, water te vinden zal zijn, maar toch zoeken zij en speuren met onverdroten opmerkzaamheid en staren voorttrekkend de eindelooze vlakte af, alsof zien bàten kon: dit is de zin van dat pogen uit te lokken. - Wat is het onderwerp van opspoort? - Wat zijn wellen?

De volgende regels, vooral 82-90, zijn mooi. Ik ten minste zie die karavaan trekken, die drijvers, en die pelgrims naar de Heilige Stad. In het kalme, gelijkmatige, min of meer slepende en eentonige rhythme van deze verzen voel ik en zie ik, hoe die trein zich daar heen beweegt. 't Is dunkt me haast onmògelijk ze verkeerd te lèzen. Er is een stemming in van weemoedige lijdzaamheid. Zeker is het niet toevallig dat de dichter hier vaart (84) ‘manlijk’ geeft. Want hij schrèèf deze verzen niet, hij zong ze; hij hòòrde een melodie en hij zàg dat tooneel, en dat kon hij niet schilderen of de melodie kwam ìn zijne woorden. Vaart heeft ook bij Da Costa anders het adjectief zonder n2). Maar het gelijkmatige (de gang van het dier) dat er

[p. 69]

is, in die twee op dezelfde manier samengestelde vershelften (bekijk dat eens even, lezer!), komt door die twee slepende n's op dezelfde plaats in de vershelft, nog stèrker uit. Let ook op het effect van dat op stomme e uitgaande trede, en merk op dat de klankverbinding vaart iètwat lang uitgesproken dezelfde uitwerking heeft: zoodat inderdaad (hoezeer niet in schrift, - maar schrift is niets) de tweede vershelft heelemaal de eerste herhaalt. - Dat ‘gelijk-de klok-naald tikt’, hoe leest u dàt? En hoe de volgende vershelft met den geheelen volgenden regel? - Trede in 84 kan datief van tred zijn, maar 't is zeer goed mogelijk, dat de dichter aan 't anders vrouwelijke trede gedacht heeft; de taalpedanten zullen dan zeggen dat onverhaasten met n dan ‘niet-goed’ is; de uitlegger van den dichter zal zeggen, dat indien hier 't vrouwelijke trede bedoeld werd, de dichter dan, om z'n effect te krijgen, de beide n's in 't vers heeft gebracht. In een dergelijk geval gaat het een werkelijk taal-artist niets aan of er in een woordenboek of een zoogenaamde grammatica een v. of een m. achter een woord staat. Die v.'s en m.'s zijn, voor het XIXde Nederlandsch, gewoon uit den duim gezogen. Zoo gebruiken de dichters ook in gevallen als d'ademtocht, d'olijfhof in den 4en naamval de vormen van de spreektaal. Dit zijn dus ook volstrekt geen afkortingen van den.

83: Te vrede: de kameel is goedig en geduldig. - 85: die kloknààld zal de slinger wel zijn1). - Bij 86 moet men aan de gevoeligheid van het gehoor bij vele dieren denken. In onze Aanteekeningen op Starings Marco III (T. en L. I, 260) noteerden wij bij dat ‘spits van oor’ in vers 49: = met alle attentie, de ziel er bij; de ooren zijn bij honden, paarden, ezels, de verklinkers van wat er in de ziel, het binnenste omgaat, gelijk bij de kat vooral de staart. Wat zien we dus bij vers 86? Waarom is bieden hier zoo'n mooi woord? Let op dat: gevoelig.

87: de klaagzang van den drijver. De liederen en het gezang van 't eigenlijke volk hebben, over 't algemeen, een tikje weemoed en melancholie: het bestaan van alle menschen die niet rijk zijn is min of meer een strijd en dat uit zich daarin. Is er verband tusschen dat versnelle (let op 't verband) en ‘niet altijd eentoonig?’

88-90. Wat een karakteristieke tegenstelling, die lofpsalm, het nu en dan als leeuweriken ten hemel klimmend gejubel der hymne, en de klagende tonen van des drijvers deunen. - Dat hij aan 't eind van den tocht, die 't geduld zoo op de proef stelt, in zijn verbeelding Jeruzalem (ook de Arabieren houden Jeruzalem heilig, omdat Jezus hun groote profeet is) reeds ziet verrijzen, dat verklaart de gemoedsstemming van den pelgrim, en in blijmoedigen

[p. 70]

lofzang uit zich die stemming. IJver in 88 is godsdienstijver, heilige geestdrift. - Onsterfelijk = eeuwig.

 

Aan het bekende XXXIXste hoofdstuk van het Oud-testamentische Boek Job, waarin tot verheerlijking van de macht van God (vgl. 93) ook de woudezel (vgl. Hagar 57) in zijn kracht geschilderd wordt, is de nu volgende beschrijving van het paard ontleend. In noot deelen wij den prozatekst uit ons Oude Testament en de vertaling van Ten Kate, ter vergelijking mee. Opgemerkt kan, dat die beschrijvingen (ook b.v. van den arend en den eenhoorn) niet uit den mond van Job-zelf komen1).

De beschrijving is hier nièt ter eere Gods, maar tot illustratie van vers 91: Job de Idumaeër toch zingt van het paard van Arabië. Job woonde (Job I, 1) in het land Uz, een Edomitisch, naar zijn aard Arabisch land (het eigenlijke Edom of Idumaea maakte deel uit van 't zoogenaamd Petraeïsch Arabië).

92. Spreuk: alles wat in de Hebreeuwsche poëzie didactisch (leerend), gnomisch (spreukmatig)2), of ook wel beschrijvend is, heet maschal en hier en

[p. 71]

daar wordt dat in onze O.T.-vertaling met Spreuk weergegeven. Dat Spreuk staat o.a. ook in Job XXVII, 1. Da Costa neemt het hier voor ‘dichterlijke beschrijving’. Een Hebraeïsme dus! Daarom nog gèèn fout natuurlijk. - Job is het type van de lijdende vroomheid, die ook als zij zich in haar ongeluk van God bijna verlaten zon wanen, toch aan Hem vasthoudt. Licht toe de uitdrukkingen: met Jobsgeduld, als Job op den mesthoop (vgl. Job II, 8), Jobstijding (vgl. Job I, 13-19).

90. De roem van ouds, de vriend: waarin van oudsher de roem van den Arabier bestaan heeft: de Arabier sprèèkt graag van zijn paard, want het is zijn vriend.

96: een echt Oostersche vergelijking!

97: Bij in 96 hoort ook bij De pijlen en ook bij het zwaard. - Rotelen is door Da Costa zeker terecht behouden; en Ten Kate schijnt met zijn ratelen minder juist. De oude woordenboekschrijver Kiliaen omschrijft het als ‘met geraas bewegen of schudden’, wat hier van den pijlkoker uitstekend past, en wat niet precies hetzelfde is als ratelen. - Waar is vervaard een bepaling bij?

100. Vgl. bij verslindt de prachtige phrase ‘afstanden verslinden’; - het doorvliegt het slagveld, de ruimte verdwijnt als achter hem.

103-104. Let op het mooie teekenende rhythme (de beweging, de vòòrtbeweging!) in deze verzen:

 
En àntwoordt brièschend op | den dònder der trompètten:

na op een heel korte pauze; de lettergrepen van de eerste helft volgen elkaar snel, en àntwoordt b.v. als één woord, - met iètwat meer nadruk op brièschend, niet veel; dan krijgt dòn- àllen nadruk, en snel volgt dat -der der trom-, en de nadruk komt dan weer op -petten;

 
Waarbij de vààndelen | zich in beweging zetten:

als de vaandels boven de optrekkende legerbenden zich wapperend uitstrekken op den wind, zoo heft zich dat vààndelen uit boven al de andere klanken van het vers; in dit heele vers is een snelle beweging, maar daartusschen wordt dat hoofdwoord lettergreep voor lettergreep uìt gehoord: vààn-de-len; als èèn woord dat zich in be-; wèging krijgt dan weer een accent. Zoo komt er krijgsmuziek in deze verzen.

Bij den laatsten regel denkt men natuurlijk aan: En ijlt het harnas te gemoet.

IV. 105-151.

De Arabieren treden op in de geschiedenis! Mohammed! Een der mooiste gedeelten van Hagar, en een triomf in al Da Costa's poëzie! Dat zullen wij

[p. 72]

voelbaar trachten te maken. Deze geheele strophe moet eens goed bekeken worden.

Eerst de verklaring van het zakelijke. De lezer zal er ook zelf zijn geschiedeniswerken wel eens bij opslaan.

108-109. Den Islam te verbreiden was een hoofdplicht der Mohammedanen; en die in den ‘Heiligen Oorlog’ viel, verwierf zich het paradijs.

123-125. De eerste veroveringen, in de richting van den Euphrat, hadden plaats onder Mohammeds eerste opvolgers, Abu Bekr en Omar. - Stad Davids voor Jeruzalem, is hier de naam: Omar, de tweede van de kaliefen stichtte een heerlijke moskee op de plaats, waar in Jeruzalems bloeitijd David en Salomo den door de Romeinen verwoesten Tempel hadden gebouwd. De Omarmoskee staat er nòg.

126-127. Damaskus (zie de kaart), toen een bisschopszetel, werd onder Omar reeds Mohammedaansch en was honderd jaar lang Residentie der kaliefen (Omajaden); het was een uitgangspunt van nieuwe veroveringen. Ook zinspeelt de dichter er op, dat Damascus in de middeleeuwen de groote fabriekstad der Turksche wapens is geweest (men denke aan ‘Damascener klingen’, ‘damasceeren’: zie van Dale). - Tot die Oosterchristenheid (Oost-Romeinsche, of Grieksche, of Byzantijnsche Rijk) behoorden behalve Syrië en Palestina (123, 124), ook Egypte (134), Numidië (139), Klein-Azië, het Balkan-schiereiland en meer.

Van 123-138 is Da Costa met die ineenstortende Oosterchristenheid bezig!

128-134. Bij die Oosterchristenheid, in die Grieksche Kerk, is de beeldendienst (vs. 128; 132: afgoôn) al vòòr de 4de eeuw ontstaan; verschillende sekten daar kenden dat al in de 2de; in de 8ste en 9de eeuw kreeg men er den bekenden Beeldenstrijd (zie daarover elk geschiedenis-handboek). Ook had men onder de Oostersche Christenheid allerlei zonderlinge sekten en ketterijen (128, 129). - Verklaar dat zinlijk in 129. - Halve waarheid (131): vgl. vers 19 van 't gedicht; er was waarheid in Mohammeds godsdienst (‘Er is maar één God’); maar de volle waarheid was daarin niet.

134-135: de wet, U wèèr gezet. De Arabieren zijn een Nomaden-volk geweest, evenals de Hyksos waren, die ± 2000 v. Chr. Egypte overheerscht moeten hebben.

136-137. Onder den zelfden kalief Omar werd in 641 Alexandrië veroverd: naar oude (in onzen tijd onwaar gebleken) verhalen, zouden de kostbare Alexandrijnsche Bibliotheken (onder de Ptolemaeën immers was Alexandrië het middelpunt der Grieksche wetenschap geworden! zie de geschiedenisboeken) daarbij vernietigd zijn. De beroemdste dier Bibliotheken had men in het Museum (de aan 't koninklijk paleis verbonden Muzen-tempel) en het Serapaeum (tempel van Serapis): dat zijn die paleizen, mèt andere, van 137. Ik neem vers 138 niet als bepaling bij sieren; hoewel - 't zou kùnnen. - Woestijnier is een woord van Vondel. Tresoor (vgl. Tr. trésor) is schat en schatkàmer.

[p. 73]

138-141. De Numidiërs waren in de Oudheid vermaard om hun krijgshaftigheid: daarom: laat vàren uwen moed! Ze woonden ongeveer waar nu Algerije is. - Carthagers en Vandalen, die beide om dezen tijd (± 700) hun rol lang hadden uitgespeeld, waren geen onderscheiden volken meer; de Germaansche Vandalen hadden zich in andere Noord-Afrik. stammen opgelost: van daar dat of. - Hoe kwamen die Vandalen eigenlijk in Afrika?1)

141-146. Calpe, ook Gibel-al-Tarik, is Gibraltar, waar de Arabieren in 711 uit Afrika landden om Spanje binnen te stroomen, dat toen een West-Gotisch (zie het geschiedenisboek; indien noodig) Christen-rijk was.

146-151. Het is bekend hoe groote Arabierenlegers in 732 en 736 aan dèze zijde der Pyreneën door Karel Martèl (dat betèèkent Hamer) vernietigd en teruggedreven werden: dàt nu is het ‘Tot hiertoe en niet verder’ geweest.

Aan deze toelichtingen hebben we voor 't zakelijke zeker genoeg.

 

Nu gaan we 't àndermaal lezen; niet voor de lààtste maal nog, want voor ik op die bijzondere schoonheid van dit gedeelte wijs, moeten we 't eerst nog over enkele andere dingen hebben.

106: vgl. vers 14. Misschien heeft Da Costa metèèn nog het oog op de zwangere Hagar, tot wie hij pas zijn blik weer gewend heeft. Een sterk kind als een Ismaël, laat voèlen dat het er is. Goot uit in 110 is òòk een baren.

108-109. Herinner U de aanteekening boven. Waanzins lust: een lust aan 't gevaar en aan sterven die als uit waanzin voortkwam; het denkbeeld van dat Paradijs, waarin de Muzelman de hoogste zaligheid beloofd was, werd.... idée fixe. Een paradijs in 't oog: het is alsof zij 't aanschòuwen; dààraan alleen denken zij; de waanzin is in hun oog. - den dood uitdagen en verspreiden: d.i. zij zoeken en brengen den dood.

In 110-115 hebben we een zoogenaamde Homerische Vergelijking, een eigenaardigheid die bij den Homerus-minnaar2) en Homerus-kenner Da Costa niet

[p. 74]

zeldzaam is. Kenmerkend zijn in Ilias en Odyssee die breede, tot gelijkenissen uitgewerkte vergelijkingen. Ze beginnen vaak met een ‘zooals’ ‘gelijk’, maar dàn blijft de dichter bij zijn beeld verwijlen, hij maakt het tafereel los van het vergelijkend voegwoord (dat zooals of gelijk etc.) en zet het in zelfstandige (syntactisch niet meer ‘ondergeschikte’) zinnen voort. Zoo doet Da Costa hièr, want 115-116, hoewel niet meer grammatisch afhankelijk van het voorafgaande gelijk en zoo (111 en 113), behòòren tot de vergelijking. Nu behoeft er die syntactische bijzònderheid niet bij te zijn, om een ‘Homerische Vergelijking’ te hebben. In 't algemèèn spreekt men daarvan, als de breede Epische stijl (en Da Costa ìs Episch in zijn grootere dichtwerken!) het aanschouwelijke beeld bepaald als element in zich opneemt. Sla den Slag bij Nieuwpoort eens op (in de gewone slechte uitgaaf maar). Op blz. 693 sluit de beschrijving van Maurits' krijgskunst met het beeld der twee schaakspelers en op blz. 696 worden de twee legers tegenover elkaar als tegen elkander optrekkende onweeren beschreven: in deze beide plaatsen wordt de syntactische bijzonderheid aangetroffen. Maar ze ontbreekt op bladz. 702, waar Philips Willem vergeleken wordt bij een leeuw in zijn hok1).

[p. 75]

107: stroomen van veroveraars.

Let in 110 op goot uit: dit juist bracht de vergelijking voor 's dichters verbeelding. - zijn bed als opheft (111): zulk een gewèldig sterk rijzen van 't water, dat het dièn indruk maakt; aanschouwelijk is ook 't volgende door die tegenstelling van diepten en hoogten.

Zoo in 113 is = ‘zoo als’.

In 115 is ‘weêrstaat’ het juiste woord bij hoogte; ‘weêrhoudt bij glooijing. Hoogte zal wel op bergen (112), als glooijing op dijken (113) slaan.

118: Men ziet niet, dat hun getal vermindert. Let op 't verschil van tijden in vielen - verwondt niet: Zij vièlen, maar zij zìillustratien er nog.

120-123. Wèèr een vergelijking, en een die met de voorafgegane harmonieert en op zich-zelf indrukwekkend juist is: overal zaaien ze leed en ramp, dood en verderf. - Verklaar dat breedten.

124-125. Jeruzalem: de stad van Da Costa's heìmwee. Zie onze voorafgegane Aanteekening; mooi is dat ‘last’ hier gebruikt. Da Costa's liefde en weemoed moet gevoeld worden in den toon: op stad en Davids dezelfde bij 't woord als verwijlende nadruk.

126-127: Zink - voor den zwaai. Onredbaar is dan, in verband met het vlak voorafgegane (‘dien naam sints lang onwaard!’) = dààr Gij toch niet te redden zìillustratiet. Er komt vèèl nadruk op on-, en nà onredbaar een korte pauze. - Onredbaar kàn ook wel samengenomen worden met voor den zwaai, maar dan had misschien Da Costa geen komma geschreven. Bepaald beslissen zouden we hier niet graag doen. De nadruk op òn zou dan blijven.

[p. 76]

128-130 etc.: Wat is Da Costa, den Israeliet (vgl. het tweede der bekende Tien geboden) en Protestant hatelijker dan ‘beeldendienst’! Let op de sterke uitdrukking in 132: maar u gèèn Gòd hergeven.

Uit 130-131 kan men zien dat de d in thands vroeger geen werkelijke uitspraak, maar spelling was: thands: glans rijmt er. Op andere plaatsen laat Da Costa de oorspronkelijke uitspraak met d weer herleven: in den Voorzang van de Hymne God met Ons, 26-28: Thands-Verstands. Het rijm glans: thands komt ook voor in Ezechiël (bladz. 661 der gewone uitgaaf). - Vgl. bij duizelende glans: duizelende diepte, duizelende Majesteit.

134-135. Wat is overmogen? Vgl. welk substantief? - Leven en zijn beteekenen, als vorm en schijn, precies hetzelfde.

143. Bij Christennaam heeft Da Costa wellicht het Latijnsche gebruik van nomen (nomen) voor den geest gezweefd, zooals Vondel dat b.v. in de Opdracht van den Lucifer heeft (regel 45 van N.A. Cramers uitgaaf in de Zwolsche Herdrukken; vgl. de Aanteekening daarbij): ‘om den algemeenen erfvyant des Christen naems te stuiten’. De Romeinen zeiden, of schreven: nomen Romanum (de Romeinsche naam) voor ‘het Romeinsche Volk’, nomen Latinum voor ‘de Latijnsche Stammen’.

145. Als Da Costa eb voor ebbe gebruikt, neemt hij 't, om geen hiaat te krijgen, meermalen mannelijk: den eb; in de woordenlijst is 't vrouwlijk.

146-147: Gieren gaan op breeden vleugelslag daaròver: zòò ook de Arabieren, die als gieren zijn. - In het vers geen klemtoon op gieren, maar op geen; net zoo op het tweede geen. Zòò althans lees ik onwillekeurig. Te beredeneeren is wel: klemtoon op gieren en op het tweede geen, met een pauze achter weg. De beteekenis heeft zich dan (ga maar na!) in zoover gewijzigd, dat in de eerste helft gieren nièt = Arabieren is, maar de zin van de tweede helft = dus, of dan ook geen Arabieren (de gelijkstelling met gieren ligt daarin òpgesloten). Maar ik denk dat de dichter als hij 't zòò gelezen had willen hebben, achter weg, een, - gezet zou hebben. Ik vertrouw daarom liever op mijn eersten, zich telkens herhalenden indruk, dan dat ik me aan een redeneering overgeef.

148. Niet minder eigenaardig dan 't beeld der hagelsteenen (120) is hier dat echt-Oostersche der sprinkhaanzwermen, en dit beeld is het dat den dichter dat Waak op, gy Noordenwind! ingeeft. - Wat punten van overeenkomst tusschen die Arabieren en die Oostersche sprinkhanen zijn er?

 

En nu ondernemen we een derde lezing.

Het beeld van den stormvloed is niet maar een beeldspraakje waar de dichter zijn gedachten mee ‘omhangt’, of ‘zijn stijl’ mee ‘versiert’, maar hij ziet die Arabieren in hun veroveringen als een stormvloed voor zijn òògen.

Merk op hoe hij in regel 116, metèèn in den volgenden overgaande tot de zaak, als 't ware beeld en zaak laat ineenvloeien. Men kan een oogenblik twìillustratiefelen waar die regel bij hoort, en dat twijfelen is juìst het bijzondere;

[p. 77]

we denken aan watervloeden en volkenstroomen gelijktijdig. Zou het woord aanloop, dat ‘aanval’, ‘storm’ beteekent, er niet toe meewerken?

In 145-146 blijkt voor wie 't niet gevoeld heeft, dat Da Costa in de voorstelling die zich eenmaal van hem heeft meester gemaakt, gebleven is.

Maar de beweging van den onweerstaanbaren, onophoudelijk voortwentelenden stormvloed, die alles overstelpt en meesleept, - die beweging is in die heele schildering.

De wonderbare zeggingskracht van 105-152 openbaart zich 't meest in die snelle reeks van Imperatieven; 123-126, 130, 134-141, 148-150. De Imperatief onderstelt tegenwoordigheid. In de voorafgaande schildering hebben we die ontzaglijke legerstròòmen reeds als op korten afstand gadegeslagen; thans trekken we mee, we zijn als midden in die tijden, midden in die gebeurtenissen verplaatst. De Imperatief is hier het woord van de macht die niemand weerstaan kan, het gezag, waaraan slechts te gehoorzamen valt: die Imperatief is de alom zegevierende Arabier zelve, en in zijn snelle opeenvolging, gevoelen we die geheele wereld als in een spanne tijds onderworpen (in nauwelijks honderd jaren hadden de Arabieren een rijk grooter dan ooit het Romeinsche geweest is). De dichter dompelt zich ìn die warreling, hij leeft àlles mee, en als eindelijk de Westersche Christenheid bedreigd wordt, dan mèngt hij zich in den strijd, met zijn woord, en roept de natuurkrachten van het Noorden op, roept Karel Martel op, om den stroom nù te keeren.

Dat Da Costa als onmiddellijk tegenwoordig was, ligt ook in de rhetorische vraag met haar antwoord in 128-130.1) In dien zin moet ook dat dezen tijd van 135 worden opgevat; en prachtig komt het uit in 141-143. Bewonderenswaardig is daarin den rasschen voortgang van den Islam veraanschouwelijkt: let op den climax in 141 (welke gewaarwordingen uiten zich in dat tweemaal Het geldt?): vàn Afrika gaat het in éénen door naar Europa en dààr is het: komen, zien en overwinnen!:

 
Zie! Calpes rotsen zijn beklòmmen, en -
 
Overhèèrd ligt Spanje,
 
Dièp-ook-daar de Christennaam vernèèrd!:
[p. 78]

het effect zit in dat vooròpkomen van overheerd en in het slùiten van den zin met verneerd, dat evenwel zijn vòlle kracht krijgt (zoo goed als dat overheerd), door 't vooroptreden van 't onafscheidelijk daarmee verbonden diep. - In ligt voèlen we de eigenlijke beteekenis nog. - Voor de woordorde van overhèèrd - Spanje, de Christennaam - vernèèrd (b-a : a-b) vgl. b.v. Hagar, 54-56 (Haar plooien zijn daar de plooien van het tentgordijn: zie Taal en Letteren II, 302); door zulk een omzetting juist komt het eene en het andere scherp uìt.

Eindelijk moet gelet worden op het isoleeren van ‘waag’ in 123: met veel nadruk en korte pauze; niet als in proza dòòrlezen. Dat hoort tot het kenmerkende van Da Costa's zegmanier; het woord waar 't op aankomt, dat geeft hij een aparte, eigen plaats. Vandaar ook dat de zin zoo dikwijls mìdden in 't vers bij hem eindigt. 't Zelfde isoleeren hebben we in: Tè lang terùg gezet (130); Een vòrm werd, - (134). Mèt overheerd (142) isoleert hij tegelijkertijd: ligt Spanje: daardoor ontwààkt juist in ligt die eigenlijke beteekenis (geef ligt een gelijken nadruk als Spanje). Geïsoleerd staat ook Te rug in 149. - Men moet hier altijd acht op geven bij Da Costa; zijn poëzie is zijn persoon, zijn gemoed. Zie ook 133-134.

Nadruk krijgt nog: Buig (123), waag, al; Zink, ònredbaar; Koran (eenige nadruk op aan- in aanvaard; achter gezet een pauze), afgoôn, God (met eenigen nadruk op geen), moest, leven, vorm; 't overige hierin regelt zich van zelf.

Mooi zijn 130-134 en 126-130 (lees even!) in vers 130 tegenòver elkaar gezet in hun hoofdwoorden:

 
(Het Bijbelwoord) terùg gezet: Aànvaard den Koran!

In zulk zinbouwen is Da Costa een meester: op papier, - of neen, papier en letterteekens zijn niets - in zijn woorden (die klank zijn) uiten zijn gedachten zich in diè orde en in diè onderlinge verbindingen als ze ontstaan en ontwikkelen in zijn gemoed: zijn poëzie is echte macht (d.i. kun-st!) van zeggen. - De zin van regel 130 is: Met uw Christendom is het nu gedaan: Gij wordt Mohammedanen: dat is uw onafwendbaar noodlot.

Nadruk krijgt verder nog: Neig en hoofd (gelijken nadruk), boek-, paleizen, al; laat-vàren; slag-; heel, Europe, mede; eb; neen, nog, wast; op, Nòòrdenwind, drijf, rug; rijs, rijs, beschermen, verplet, kruis, ontzet; het overige wezen we of reeds aan, of 't regelt zich alweer vanzelf. In 't algemeen zijn afwijkingen van ons accentueeren en nadruk-geven natuurlijk mogelijk: hoe men leest, hoe men de woorden laat klinken etc. hangt immers daarvan af, hoe men 't voelt.

 

En nu hebben we 't gehad.

Om dichters te leeren verstaan is niet dìt de weg: vèèl opvervlakkig lezen. Maar dit: studie maken van een en ander extra-moois.

[p. 79]

Het eerste is: kostbaren levenstijd vermorsen: gelijk uw ‘studie’ voor de hoofdakte dat voor een gròòt deel is. Het andere is: tijd wìnnen en groeien, sterker worden, worden wat Gij zijt: een Mensch.

Die onze Aanteekeningen behoorlijk verwerkt, die zal het ervàren.

V. 152-200: Mohammed.

In het nu volgende zullen we wat korter gaan. Laat het geschiedenisboek er weer bij te hulp komen.

152-158. Wat moeten die drie vragen eigenlijk? Let op 161. - Over der krijgren klingen zullen we straks nog iets hebben, bij de grammatica. - Versta 154 aldus: ‘Wie heeft der krijgren klingen geleerd, van uit hun eenzaam zand en vesten de aarde te dwingen.’ Later wat grammatica over dezen zin. Nauw (= ‘nauwelijks’) bekend voor dezen bepaalt zand en vesten. - Wat is armelijk? - Toekomst en leven d.i. ‘lot en leven’. Is hier alles niet in gezegd? - In hun hand: ‘hand’ kan de beteekenis van ‘macht’, ‘gezag’, ook van ‘kracht’ hebben; de hand is daar dan 't symbool van. Vgl. in iemands handen vallen, van hooger hand, op eigen hand, de sterke hand, de hand van 't gerecht, je hebt 'et niet altijd in je hand1).

159: Gebiedend d.i. als machthebbende en gebieder, èn: uit het niet: een mysterie! Dat mysterieuse kenmerkt hem heelemaal: zie 't vervolg. - Waarom is òptreden hier zoo'n goed woord?

160 wordt 161-172 nader verklaard. Let op die tegenstrijdigheden.

162. Dichter: namelijk in den hoogen zin, waarin Da Costa het woord altijd neemt: Godstolk, Profeet en Held!

163. Ik ben niet zeker hoe wij Waarheid hier hebben op te vatten. Ik neig er toe, om er de waarheid van onze dagelijksche ervaring en het gewone weten, de ‘kennis’, niet de hoogere waarheid onder te verstaan. Maar Waarheid heeft een hoofdletter en dat is met voordacht: eerst heeft het met een kleine letter gestaan en de dichter heeft dat later veranderd. Het is mògelijk dat hij heeft willen zeggen: als Mohammed te kiezen had tusschen de volle Waarheid en zich zelven, dan koos hij de Waarheid niet (165-168!).

164: ‘als zoon van Abram etc.’: bepaling van gesteldheid (vgl. De Génestets Kritiek I, 24, II, 2) met de kracht van een oorzakelijke bepaling. - Israëls profeten: de oude Godsmannen van Israël, de Verkondigers en Verklaarders van den wil van Jehova. Wat is dat, zich beheerscht voelen? - Issa, Jezus, is bij de Mohammedanen als een groot profeet geëerd. Licht toe dat in 't geweten, en versta daarbij wèl dat: toch in ònbuigbren trots zich zèlven predikend. - In 168 ook klemtoon op opper-.

[p. 80]

169. Hoe verklaart u: ja (wellicht!)?

170. Verklaar dezen regel uit de twee volgende.

171-172: ‘gewaand (d.i. valsch, niet van God gezonden) profeet als hij was (zie 168)’. - Paracleet: Vgl. Johannes XIV, 16, waar Christus zegt: ‘En ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.’ Die Trooster (d.i. Raadsman, Bijstand) zou komen als Jezus heengegaan was. Het Grieksche woord dat hier staat luidt: Parakleet. Voor dien van Christus voorzegden Parakleet nu hield men Mohammed. - Lasterlijk: hier, gelijk dikwijls = Godslasterlijk; vgl. Godslastering.

In 173 zou ik den klemtoon op wat -, wat willen leggen. In wat toon moet dat O?

174-176: Vgl. Hagar, 19, 131. Die deze regels goed begrijpt zal ook dat O! uit 173 gevoelen. Dat uithuwen moet letterlijk genomen worden: hij neemt de Waarheid Gods en dwingt haar en geeft haar ten huwelijk aan de Logen. Daar is iets ontzettends in. Wat wordt er uit dien echt geboren? Een monsterachtig kroost. - Dweepend zingevlei: vgl. 108; ook, voor dweepend: waanzins lust; de hoogste zinlijke genietingen waren de Geloovigen in 't Paradijs voorgespiegeld. Zingevlei = 't voortdurend vleien der zinnen (zinnen: objectieve genitief). Ingebeelde troost: zij getroosten zich de moeiten van 't aardsch bestaan en de plichten die de Koran hun oplegt om der wille van dat Paradijs: daarmee troosten zij zich, maar het is een inbeelding. - Er is nog een grammaticale bijzonderheid in deze regels, waarover later.

177-180. Na het beeld van het huwelijk een ander, niet minder aangrijpend: hij neemt de Waarheid en spant haar voor den triomfwagen van de Leugen (‘Macht van menschenvonden’: menschelijke uitvindsels). ‘Eén waarheid’: d.i. alweer de halve Waarheid van 131.

180-182: (uwe niet alleen was) de kracht van etc. - Die eene zondedrift (de drift van de zonde in den mensch) is de onmatigheid (men denke aan 't wijnverbod!). Onder die andere is de wellust; Mohammed behield de polygamie.

183-186: Mohammed was uit den stam Koreisch. - Waar slaat Maar op terug? - De brandende fakkel is ook zinnebeeld van den oorlog (de ‘oorlogsfakkel’). - Vermogend waart = kondt.

187-190. Een gloed, nog niet etc.: nog altijd is de Islam doende zich te vuur en te zwaard uit te breiden. - Die Zon is de ‘Zon der Gerechtigheid’, Christus, van wien in 't Paradijs (bij 's menschen val) reeds is geprofeteerd (Genesis III, 14-15) en die sinds de hoop en de kracht der Geloovigen geweest is. Die Zon stijgt hooger en hooger in zijne heerlijkheid, en eenmaal zal hij een dag doen aanbreken, waarvoor de nacht van zonde en dwaling, waarin het menschdom leeft, zal zwichten en met haar1) alle machten der

[p. 81]

duisternis. Nacht: is de toestand; fakkelglans (oorlog; vgl. 187, 185) en dwaallicht (valsch licht) en flikkerlicht (onzeker licht) is het licht in dien nacht, dat voor het zonnelicht straks verdwijnt.

191-200. Waarop slaat hij? - 193: Klaar, d.i. helder en vroolijk: het Evangelie (= Blijde boodschap!) is als het bazuingeschal dat de Hooge dagen der Israëlieten aankondigde. - In 195 hoort van dat koninkrijk bij vergewissen. Het is het ‘Koninkrijk Gods’. - 197-198 ziet op 't Mohammedanisme. - Enkel waarheid, etc. is bep. van gesteldheid bij koninkrijk.

En nu wordt de heerlijkheid der Islamietische Beschaving bezongen. Dat later eens.

J.H.v.d. Bosch.