Taal en Letteren. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 9. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 329]

Uit de praktijk.

V.
Aanschouwelijkheid.

't Schetsje van Van Duyl, ‘Een Rederijkerskamer in eendracht vergaard’, eigent zich zeer om met leerlingen te behandelen. 't Is te lang om hier af te drukken; men kan het vinden in Analecta II. -

De vergadering van die Kamer, daar beschreven, kan men laten ‘samenstellen’, laten dramatiseeren door de jongens. -

Natuurlijk is de bedoeling niet om de leerlingen een tooneelspel te doen samenstellen: daartoe behoort meer, en veel meer!

Maar ze moeten ‘aanschouwelijk’ iets kunnen ‘vertellen’, en daarin oefent men ze, en zij zich-zèlf, door te laten acteeren, in den goeden zin des woords! De leeraar moet natuurlijk hier eerst den weg wijzen. Vooral nú nog, nu ze op de L.S. een ‘leesdreun’1) in de meeste gevallen meekrijgen, en zich geneeren vrij uit te spreken.

Zo stel ik me 't voor: daar ik 't stuk vroeger al heb laten ‘vertellen’ door eenigen uit de klasse, kennen allen 't stuk. Verscheidene weken, zelfs maanden later sla 'k het opnieuw op, en leg ze uit wat mijn plan is. Ik wijs er op dat wat er als gebeurd ‘beschreven’ wordt, door de ‘leden’ van de Kamer als gezegd en gedaan moet voorgesteld. De secretaris moet notulen lezen; drie leden moeten tegelijk 't woord vragen. Wat van het radicale lid in de 3e persoon over de cognac met suiker verteld wordt, moet door dezen gezegd worden: - dat men in meer bizonderheden kan mededeelen hoe de kastelein ‘gesommeerd’ wordt, en wat er dan gebeurd zal zijn. - Men wijst ze er op hoe men dit gemakkelijk kan aangeven:

Men kan 't b.v. zoo opschrijven, jongens:

De voorzitter (tikt met de hamer, en fluistert nauw hoorbaar): Vergadering...... secretaris...... notulen......

De secretaris (trekt zijn hand uit den boezem, opent het boek, hmt eenige malen en leest deftig): Notulen van de elfde vergadering van het Rederijkersgezelschap, In Eendracht Vergaard, gehouden in de bovenzaal van de Societeit ‘Concordia’, op dinsdag, 's avonds om 8 uur...... -

[p. 330]

Nu kan men notulen verzinnen waarin de kwestie en de ruzie b.v. van die ‘oesters’ vermeld wordt, en hoe dit afgeloopen is!

Als 't lezen afgeloopen is, volgt onder het teekenen er van door den voorzitter:

Commissie-lid A. (zegt half-luid):

Dokter D. is geen familie van den heer Z., wijnkooper op de Nieuwe Gracht.

B.:

Ja toch, hij is wel familie, maar heel ver. Hij kan wel als candidaat voor de gemeenteraad gesteld worden. -

C.:

Zeker, waarom niet?

D.:

Omdat de wijnkooper al lid van de gemeenteraad is. En zooals u weet......

Voorzitter:

Ja, 't is heel verre familie, en aangetrouwd. De moeder van dokter D.'s tante......(zoodra hij z'n eigen stem hoort, schrikt hij, en men hoort alleen): ...... stiefmoeder ....... achternicht......

 

(Iets duidelijker klinkt het): - Ook stukken?

Secretaris:

Nee, die zijn er niet ingekomen.

Voorzitter:

Dan......

Secretaris:

Alleen ontving ik de rekening van den kastelein; die......

Radicaal lid (kraait in eens):

Is een rekening dan géén stuk, meneer de voorzitter?

Secretaris:

Nee, een rekening is geen stuk; een rekening is......

Radicaal lid (driftig):

Dan wou ik wel eens weten wat een rekening wel was.

Voorzitter (bedeesder dan ooit):

Mijne heeren,...... ik zou...... wel willen...... voorstellen de debatten...... over dit punt...... (slag van de hamer!)

Secretaris (blij om het oogenblikje tijd dat gewonnen is; deftig):

Mijne heeren, deze rekening is een van de kastelein; hij heeft 'em me zoo even gegeven, toen ik de trap opging om mij naar deze onze algemeene vergadering te begeven, en......

Radicaal lid (in eens opstaand, en met donderende stem):

Hoe kan nu toch in hemelsnaam onze secretaris beweren, dat die rekening is ‘ingekomen’, als de kastelein die hem persoonlijk heeft ter hand gesteld?...... dat vraag ik jullie allen!

De secretaris (zeer boos, gaat ook staan, maar bedwingt zich en zegt in sierlijke bewoordingen):

Mijne heeren, 't zal u allen duidelijk zijn geworden dat ik, naar mijn bescheiden meening, met mijne woorden hetzelfde bedoeld heb als ons geacht medelid. Ik sprak trouwens van: ontvangen. En terecht: of een rekening is ingezonden of ter hand gesteld, hij is in elk geval ‘ontvangen’; zoodat ons geacht medelid m.i. ten onrechte met mij eenigszins van meening meent te verschillen......

Radicaal lid (uitdagend):

Dat is nu allemaal heel mooi gezegd; maar zijn wij een rederijkerskamer of zijn wij dat niet?! - En dan......

[p. 331]
De president (knikt zo goedig mogelijk, en men hoort zoo iets van):

In...... eendracht...... vergaard....

Radicaal lid:

Is een Rederijkerskamer een inrichting, die aan taalveredeling doet, of niet? Moeten we......

De president

(knikt zoo benauwd mogelijk van: ja).

Radicaal lid:

Moeten we ons dan niet toeleggen op het spreken van zuiver Hollandsch? Ik wou wel 'reis weten wie daar iets tegen kan zeggen!......

President:

Zeker, mijne heeren. Ik stel nu voor om de rekening in kwestie voor kennisgeving aan te nemen; hij zal wel in orde wezen; en dan kan de penningmeester die wel voldoen.

De heer A.B.C. (tegelijk):

Mijnheer de voorzitter, ik vraag het woord. We willen eerst het document zíen: wie weet wat er op staat.

President (niet wetend wie 't eerst woord vroeg, angstig, verward, vraagt):

Mag ik de secretaris dan verzoeken die rekening vóór te lézen?

Secretaris (leest):

Nota aan de Rederijkerskamer......

En nu kan men een nota opstellen over zaalhuur, vertering, enz.; als onder die vertering maar voorkomt: ‘een glaasje cognac met suiker.’ Daarbij gebeurt toch het volgende:

Radicaal lid (springt in-eens weer op, en schreeuwt):

Der is een fout in de rekening. De kastelein moest zich schamen zoo te handelen tegenover zoo'n fatsoenlijk gezelschap. Ik drink nooit cognac met suiker, en 't glaasje dat op de rekening staat, is toch voor mij geweest, want ik drink altijd cognac, en de andere leden niet; en dus,......

Secretaris (mompelend):

't Lijkt hier...... Babylonische spraakverwarring,...... Wat komt dat er nu op aan: de kastelein berekent de suiker immers nimmer!......

En zoo kan verder alles in tooneel gebracht, aanschouwelijk worden gezegd.

't Geheele schetsje moet door de jongens, die dit het best kunnen, worden uitgebreid; van al het gezamenlijke werk kan door éen of meer van de beste ‘opstellers’ een grooter gehéél worden gevormd.

Men krijgt van bijna alle jongens wat eigens, van de een natuurlijk veel meer uitgewerkt als van de ander. - Men leest enkele van de beste en slechtste voor; dat prikkelt om zich in te spannen. Behandelt alles samen met de jongens; 't uur is om, vóór de jongens er aan denken. En dan bemerkt men tegelijk weer hoe veel ‘taal’ er in die jongens zit; natuurlijk geen groote menschentaal! maar die past aan hun leeftijd!

 

H.

Dr. B.