Taal en Letteren. Jaargang 9


auteur: [tijdschrift] Taal en Letteren


bron: Taal en Letteren. Jaargang 9. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Litteratuur-onderwijs.

Zou door onderwijs liefde zijn te kweeken voor dat geheel van fijne en schoone aandoeningen dat met den naam poëzie aangeduid wordt? En dan door klassikaal onderwijs?

Deze vraag kan nog breeder worden. Wat wil eigenlijk het letterkundig onderwijs tegenwoordig? En nòg breeder, wat wil het onderwijs? Er zijn voor den aanstaanden ‘beschaafden’ man hier te lande in hoofdzaak twee wegen: langs het gymnasium of langs de hoogereburgerschool. In den grond is het onderscheid hiertusschen zoo heel groot niet meer; het zijn allebei voorbereidingsscholen voor maatschappelijke beroepen. Alleen...... wanneer er over het gymnasium gesproken wordt dan komt er een soort van sentimenteele idealistische verteedering over de lieden, er schijnt dan in de ‘klassieke opvoeding’ nog de verre flauwe naklank der weggestorven humanistische idealen hoorbaar te zijn. Over de hoogereburgerschool die geen verleden heeft is men eerlijker en kan men eerlijker zijn; struggle for life, kostverdienen eischt praktische zaken, men gaat naar Delft, in den handel...... Maar aan 't gymnasium, waar 't er ten slotte toch ook maar op aankomt door het eindexamen gedreven te worden, hebben we het ‘leeuwenmerg der oudheid’......

In waarheid bestaat dat niet en het aanleeren der beide oude talen is een kwelling gelijksoortig aan dat der nieuwe, alleen wat erger; de door eenzijdig verfiloloogde professoren eenzijdig filologisch afgerichte leeraren zijn slechts in het bezit van de filologische handgrepen, en van den geest der oudheid wordt en kan alleen worden pro forma gesproken, want voor niemand daar is dat een reëel bezit. Het oude ideaal van den man met harmonisch ontwikkelden geest zou, zoo het in dezen tot specialiseeren genóódzaakten tijd mogelijk ware, hier niet worden bereikt. Het onderwijs wil in een speciaalvak voor het maatschappelijk beroep vormen. Dat is de hoofdzaak.

[p. 450]

Daarnaast blijft dan nog de opvoedingseisch, maar de niet heel serieuze eisch, der algemeene ontwikkeling als ‘beschaafd’ man. En instrument hiertoe is, voor wien er niet als vakfiloloog zijn maatschappelijk beroep en onderhoud in vindt, o.a. de litteratuur. Aan de hoogereburgerschool wordt de litteratuur van het Nederlandsch en van de z.g. drie moderne talen onderwezen; aan het Gymnasium die van het Nederlandsch, Grieksch en Latijn, voor die der moderne talen is er geen tijd.

Men overlegge het nu wel. Een mensch van gewonen aanleg brengt het gewoonlijk in het voelen der fijnheden noodig tot waardeering van literair werk niet verder dan zijn moedertaal, als hij het al zoo ver brengt. Wat kan er dan, zelfs bij de beste bedoeling, van het onderwijs in literatuur worden aan jonge menschen van 17-20 jaar, in talen die zij nog niet eenmaal verstaan? Bij de eenen onverschilligheid, bij anderen grenzenlooze oppervlakkigheid en lust tot meêpraterij. Nu wenscht men in den ‘beschaafden omgang’ ook wel niet meer; wie in de conversatie als ze op 't literaire valt zoowat oppervlakkig meêpraat is een heele piet. In zooverre bereikt men dus 't verlangde. Maar onder ernstige lieden verliest men over de voosheid van modernen ‘beschaafden’ omgang liever geen woorden.

Nog ongelukkiger loopt het met de klassieke letterkunde. Over de resultaten van het taal-onderwijs bij de eindexamens der gymnasia zijn de autoriteiten steeds bizonder slecht te spreken. Het onderwijs in letterkunde wordt dus een dor en dood mededeelen van namen en jaartallen, met wat traditioneele, duf geworden karakteristieken. De filologisch opgeleide leeraren voelen gemeenlijk weinig van en voor de gedachte- en gevoelswereld der klassieken (hoe zouden ze gemeenschap met die wereld gekregen hebben?) en in de voor het meêgedeelde toch volkomen onrijpen leerlingen blijft de indruk achter van zonderling verwarrende verveling. Indien ze er namelijk later ooit toe komen zich daaromtrent bewust te maken, en niet het heele rommeltje op den stroom van den tijd rustigjes naar de vergetelheid laten afdrijven.

Zoo gaat het met de vreemde literaturen. En het is wel droevig, als men bedenkt hoe wat bestemd was om vreugde te geven, de verbeeldingen te verrijken en het gevoel te verlevendigen en te verfijnen, eigenlijk wordt tot een botte bespotting van dat alles.

Zou misschien de litteratuur der moedertaal met beter gevolg onderwezen kunnen worden? Maar waarschijnlijk is het absoluut onmogelijk deze dingen te onderwijzen, vooral te onderwijzen in een klasse, waar het onderwijs zich tot vele individuën tegelijk richt. De verhouding waarin men de fijne en schoone aandoeningen van verbeelding en sentiment kan mededeelen zal niet die zijn van klasse-onderwijzer tot leerling. Men poge dan niet die dingen te onderwijzen; men leere den leerling de taal, en wachte voorts tot hij rijp geworden is voor het ondergaan dier aandoeningen. Heeft hij verbeelding en gevoel, ze zullen van zelf wel wakker worden. Heeft hij ze niet, dan wreekt de onwaarachtigheid van het kunstmatig aangekweekte zich toch te eeniger tijd.

Hondius v.d. Broecke, Litteratuur-onderwijs.

De Kroniek van 1 Oct.

 

[Al is in 't bovenstaande het meeste waarheid, zo menen we dat litteratuuronderwijs toch ook noch anders kan zijn. Daarover hopen we binnen kort van meer dan één medewerker een en ander te publiceren. Red.]