|
|
|
| |
| | | |
Geslacht in taal.
Wanneer men dageliks kan opmerken, dat in de beschaafde nederlandse omgangstaal niemand het bekende manlik en vrouwlik geslacht van de Vries en te Winkel in de vorm van het lidwoord - het kenmerk bij uitnemendheid voor die geslachtsbepaling - onderscheidt; en wanneer men daarbij nagaat, hoeveel er in allerlei schrifturen tegen die (door de Vries en te Winkel in hun bekende ‘Woordenlijst’ opgegeven) onderscheiding gezondigd wordt; dan zou men wel horende doof en ziende blind moeten zijn, om bij 't begin van de 20ste eeuw nog te kunnen beweren en te willen volhouden, dat in het onverschoolde taalbewustzijn van de nederlandse ‘spraekmakende gemeente’ die gecodificeerde onderscheiding zou bestaan.
En na de verschillende uiteenzettingen in vroegere jaargangen van dit tijdschrift en elders ter bevestiging van de waarheid, dat we in onze taal metterdaad alleen de- en het- zelfstandige naamwoorden onderscheiden,1) zou 't met recht water in zee dragen kunnen heten, wanneer ik deze waarheid opnieuw met argumenten trachtte te staven. Evenmin zou 't meer pas geven, over de waarheid met een vertoon van nieuwheid te spreken: 't is nu wel aan te nemen, dat tenminste in wetenschappelike kringen hieromtrent geen verschil van mening meer bestaat.
Onze taal is dus in dit opzicht vrijwel in eenzelfde doen als de verwante noorse talen en komt in zekere zin overeen met 't frans, waarin ook maar twee lidwoordsvormen ter geslachtsonderscheiding voorkomen.2) En het engels heeft zelfs deze
| | | | simpele onderscheiding niet meer: dat kent maar één lidwoordsvorm, waarmee dus bij de zelfstnw. elke geslachtsonderscheiding van vroeger heeft opgehouden.
Eèn taal, aan de onze naverwant, is er intussen, die werkelik nog drie geslachten onderscheidt, d.w.z. nog drie vormen van 't bepalend lidwoord bij de zelfstandige naamwoorden kent; en wel 't duits, waarin der, die en das nog in kracht en bloei staan. En gaan we terug naar hetgeen ons door schriftelike overlevering bekend is van vroegere taalperioden op 't gebied van het germaans, dan vinden we daar overal hetzelfde verschijnsel, dat nu nog in het duits bestaat, namelik de onderscheiding van de zogenaamde drie geslachten, al werden deze ook niet juist zo biezonder kenmerkend door lidwoorden1) aangeduid.
En niet alleen aan 't germaans, maar aan het gehele indogermaanse talencomplex was of is dit verschijnsel eigen, waarbij 't voor de algemeenheid van de eigenschap om 't even is, of lidwoorden, voornaamwoorden of buigingsvormen van zelfstnw. of bijvoeglnw. die drie geslachten in taal uitdrukken.
* * *
Na deze inleidende opmerkingen kan worden overgegaan tot een verklarende behandeling van het begrip ‘geslacht’ in taal, tot een onderzoek naar het al of niet bestaan van samenhang tussen taalgeslacht en seksueel geslacht, en eindelik tot een uiteenzetting van de hypotheze, resp. de hypothezen over het zgn. ontstaan van 't geslacht in taal.
't Een zomin als 't ander is tot nu toe met enige uitvoerigheid in dit tijdschrift gedaan, waardoor, hetgeen ik laat volgen, z'n recht van bestaan mag hebben. En dat ik niet voor vakgeléérden schrijf, zal wel het karakter van m'n uiteenzettingen rechtvaardigen. Mijn doel is alleen het begrip ‘geslacht in taal’ in z'n algemeenheid tot geestelik eigendom te doen worden van wie in taal belangstelt Ik hoop daarbij alle holle wijsheid te vermijden, maar mag zeker wel enige ‘Vorkenntnisse’ veronderstellen. Wie met de litteratuur over het onderwerp zelf wil kennis maken, kan zijn voordeel doen
| | | | met de desbetreffende oriënterende opgaven op de volgende bladzijden.
‘Geslacht’ is een woord, dat ieder uit het dageliks leven kent.
In de registers van de burgerlike stand heet het: Een kind geboren van 't manlik of van 't vrouwlik geslacht. In die zin is elk kind òf van 't manlik òf van 't vrouwlik geslacht.
In diezelfde zin zijn van 't manlik geslacht: de man, de koning, de graaf, de leraar, de onderwijzer, enz.; en ook: de hengst, de reu, de haan, enz.; - en van 't vrouwlik geslacht: de vrouw, de koningin, de gravin, de lerares, de onderwijzeres, enz.; en eveneens: de merrie, de teef, de hen, enz.
Maar ook zijn in diezelfde zin van 't manlik geslacht: het mannetje, jongetje, ventje, koninkje, het haantje; - en van het vrouwlik geslacht: het vrouwtje, meisje, koninginnetje, het wijf, het hennetje, enz.
In dezelfde betekenis is van 't manlik òf van 't vrouwlik geslacht, zoals zoëven al werd opgemerkt: het kind; en evenzo: het veulen, het kalf, het rund, het schaap, het hert, het varken, het paard, het hoen, enz. Eveneens: de mens, de hond. Ook de kat, de geit, de koe, de kip, de wolf, als deze begrippen niet in tegenstelling met de kater, de bok, de stier, de haan, de wolvin worden bedoeld. En zo zouden vrijwel alle verdere diersoorten te noemen zijn, net gelijk of de diersoortnaam het of de voor zich heeft.
Dit is een waarneming uit het dageliks leven, die, nog uitgebreid tot de planten, zou voeren op het wetenschappelik gebied van de natuurlike historie.
't Is dan namelik 't begrip-zelf, door het zelfstnw. genoemd, waarom we spreken van manlik en vrouwlik geslacht; m.a.w. we hebben tot nu toe voorbeelden en gevallen van seksuele geslachtsonderscheiding opgegeven.
‘Geslacht’ in deze betekenis komt overeen met het latijnse begrip sexus en met het franse sexe, nederlands sekse.
Nu is intussen ‘geslacht’ niet alleen een alledaags begrip, dat presies zo op 't wetenschappelik gebied van de natuurlike historie z'n uitlopers en vertakkingen heeft. Maar ‘geslacht’ is ook een begrip in de taalkunde, een techniese term in de taalwetenschap, of om 't zo begrensd mogelik uit te drukken: in de spraakkunst, in de grammatica.1)
| | | |
't Mag zeker wel als bekend worden verondersteld, dat het objekt van waarneming in de spraakkunst de taal is, en voor zover het geslacht betreft, het woord, en niet, zoals in de natuurlike historie, het ding, het voorwerp-zelf. En wat in wetenschappelike zin van de natuurlike historie geldt, is ook toepasselik, maar nu vanzelf in niet-wetenschappelike zin, op het dageliks leven: ook hier gaat 't om de dingen, de voorwerpen zelf.
En, met uitzondering van enkele geluidnabootsende (onomatopoietiese) uitingen1), is er niet de minste wezenlike overeenkomst tussen de begrippen en de weergeving ervan in taal. Of men zegt: tafel, Tisch, table; zoon, son, fils; tong, Zunge, langue; taal, Sprache, language; - de vierderlei begrippen, die met dit dozijn woorden worden weergegeven, zijn als zodanig door het verschil in taalweergeving niet in 't minst anders geworden. En geen enkel van deze woorden bezit ook maar één enkele kenmerkende eigenschap, die aan de genoemde dingen zelf eigen zou zijn.
Evenmin bestaat er de geringste wezensovereenkomst tussen de begrippen ‘man’ en ‘vrouw’, die volgens hun seksueel geslacht te onderscheiden zijn, en der Mann en die Frau als taalkundige begrippen, die van de kenmerken van taalkundige geslachtsonderscheiding zijn voorzien.
We zouden dus in de taalkunde kunnen spreken van het taalkundig geslacht of korter: van 't taalgeslacht; in de spraakkunst van het spraakkunstig of grammaticaal geslacht; ten laatste zouden we nog kunnen spreken van het geslacht van 't woord of van 't woordgeslacht. Dit alles gebeurt ook inderdaad. Ook eenvoudig weg geslacht wordt gebruikt, als 't verband onduidelikheid buitensluit. En 't is uit het voorafgaande duidelik, dat met deze termen telkens presies hetzelfde bedoeld dient te worden. Dit zal ook door mij gebeuren, tenzij opzettelik, maar dan met opgaaf van de reden, ervan afgeweken wordt. Tegelijk moet het, voor wie 't voorafgaande goed in 't oog heeft gevat, evenzeer duidelik zijn, dat het, zelfs in 't geval, dat 't seksueel of natuurlik geslacht van levende wezens volkomen korrespondeerde met het taalgeslacht - wat echter volstrekt niet waar is -, dat het zelfs dan nog onvoorwaardelik zou zijn af te keuren, om in de spraakkunst van een ‘natuurlik’ (= seksueel) geslacht te spreken. Deze benaming kan alleen op z'n plaats zijn in 't dageliks leven of in de natuurlike historie.
| | | |
‘Geslacht’ (= seksueel geslacht) in 't dageliks leven (resp. in de natuurlike historie) is een heel ander begrip dan ‘geslacht’ in de spraakkunst oftewel dan ‘geslacht’ in taal.
Ter verdere bevestiging hiervan mag dienen, dat in de spraakkunst niet alleen van een manlik en vrouwlik geslacht wordt gesproken, maar ook van een derde, het onzijdig1)) geslacht, wat seksueel opgevat, dus in 't dageliks leven, niet mogelik zou zijn.
Dat er bij de voornaamwoorden ook van geslachtsonderscheiding sprake is, kan, voor zover ze zelfstandige naamwoorden vervangen, niet bevreemden. En ook hier geldt vanzelf van het begrip ‘geslacht’, wat al op 't gebied van de zelfstnw. er over gezegd is.2))
Nog wil ik op 't volgende wijzen, om zo krachtig mogelik te doen uitkomen, dat ‘geslacht’ in de spraakkunst een techniese term met genuanceerde of variërende betekenis is, maar waarvan 't begrip niets gemeen heeft met het begrip (seksueel) ‘geslacht’ in 't dageliks leven.
Het begrip ‘geslacht’ bij de bijvoeglike naamwoorden, voor zover het te onderscheiden was of nog is, is in één opzicht van geheel andere aard als bij de zelfstnw. en heeft meer overeenkomst met dat van sommige voornaamwoorden (: duits guter, gute, gutes vergeleken met welcher, welche, welches). In 't algemeen kan namelik een en hetzelfde bijvoeglnw. (en van sommige voornw. geldt hetzelfde) in drie geslachten voorkomen! Hieruit blijkt toch wel zo duidelik mogelik, dat ‘geslacht’ een techniese benaming is. Want niet alleen hebben we nu niet meer met (seksueel onderscheidbare) dingen te doen, maar met eigenschappen; en bovendien zou een dergelijke geslachtelike metamorfoze tegen elk begrip van seksualiteit indruisen3)), om niet te spreken van de ook hier voorkomende seksueel onmogelike drievoudigheid van geslacht.
| | | |
‘Geslacht’ in spraakkunstige zin is niets dan een vertaling van de latijnse techniese term genus. In 't duits is ‘Geschlecht’ sedert de 17e eeuw in gebruik.1) En 't mag voor wie wetenschappelik heeft leren denken bijna onnozel klinken, maar 't is toch niet anders: Dat één en hetzelfde inheemse woord voor twee geheel verschillende soorten van begrippen - een alledaags en een wetenschappelik begrip - in gebruik kwam, heeft aan de wetenschap heel wat kwaad gedaan, evenals ook elke techniese benaming, die schijnbaar voeling houdt met de levende taal, aan 't gevaar bloot staat, verkeerd te worden opgevat.2) In Duitsland heeft blijkbaar Jacob Grimm het gevaar voor vermenging van ‘Geschlecht’ als sexus met ‘Geschlecht’ als genus al gekend,3) tenminste hij zegt dadelik bij 't begin van de ‘Genus’-behandeling in z'n Deutsche Grammatik, 3. Teil (1831), blz. 311 noot: ‘vorteilhafter waäre es, wenn wir für genus das dem lat. und griech. ausdruck ganz entsprechende goth. kuni, ahd. chunni gebrauchen und geschlecht auf den begriff von sexus einschränken könnten’.4)
Inderdaad, 't komt me zeer waarschijnlik voor, dat een gelukkiger weergeving van 't latijnse genus in de taalkunde zou hebben voorkomen de wetenschappelik heilloze vermenging van de begrippen ‘seksueel geslacht’ en ‘woordgeslacht’, zoals die in werkelikheid nog in allerlei taalboeken van lager en hoger orde, al is 't dan ook niet meer in alle, voorkomt.
Intussen, is 't al vaak moeilik nieuwe techniese termen te scheppen, eenmaal ingevoerde door andere te vervangen behoort vrijwel tot de onmogelikheden. Jacob Grimm, de schepper van techniese namen als ‘Ablaut’ en ‘Umlaut’, heeft geen poging gedaan, om de spraakkunstige term ‘Geschlecht’ door een ‘vorteilhaftere’ te vervangen. En in 't nederlands zal men zich van een dergelijke poging ook wel moeten onthouden.
Des te nadrukkeliker mag er daarom zeker nog wel eens op worden gewezen, dat men zich op elk gebied van wetenschap heeft te hoeden voor begripsafleiding uit de benaming; dat men bijgevolg goed zal doen, steeds wetenschappelik begrip en weten- | | | | schappelike benaming als volmaakt heterogene dingen te beschouwen, waardoor men te gemakkeliker en te eerder zal doordringen tot het begrip, - waarom het toch alleen te doen is.1))
Uit het voorafgaande zal 't nu wel duidelik zijn geworden, dat het verkeerd is, in een spraakkunst, in de taal te onderscheiden een ‘natuurlik’ en een ‘spraakkunstig’ geslacht. Woorden kunnen geen natuurlik, d.i. seksueel geslacht hebben, waarmee de genoemde onderscheiding vanzelf vervalt.
* * *
Iets anders is 't, of we niet soms enig verband waarnemen tussen taaluiting en seksueel geslacht; of, om ook psychologies de vraag juist te stellen: bestaat er met betrekking tot het woordgeslacht niet enig verband met het seksuele geslacht van 't begrip, heeft het seksuele begripsgeslacht niet soms die karakteristieke taaluiting ten gevolge, die in de taalkunde als woordgeslacht bekend staat, zodat b.v. aan seksueel vrouwlik geslacht taalkundig vrouwlik geslacht beantwoordt?
Dit nu schijnt voor enkele gevallen niet te kunnen worden ontkend.
B.v. we zullen steeds van een man zeggen hij, van een vrouw zij;2) in 't duits der Mann en die Frau. Hiermee in overeenstem- | | | | ming zeggen we ook steeds hij van een broer en zij van een zuster, en heet 't in 't duits der Bruder en die Schwester. Hetzelfde merken we op bij koning, graaf, onderwijzer, dierekteur tegenover koningin, gravin, onderwijzeres, dierektrice1), of bij König, Graf, Lehrer, Direktor tegenover Königin, Gräfin, Lehrerin, Direktorin, e. dgl. m.
Maar men kan niet zeggen in 't duits der Knäbchen en die Mädchen (vgl. der Mann en die Frau), maar moet steeds in beide gevallen das gebruiken, waarmee dus alle verband tussen het seksueel begripsgeslacht en 't taalkundig geslacht van 't zelfstnw. is verbroken.2) Ook pronominaal3) bestaat er hier weinig samenhang en ze is beperkt tot het persoonlik vnw. van de 3e persoon, dat in 't algemeen nog 't meest verband houdt met 't seksueel geslacht;4) dit is mutatis mutandis5) ook op 't nederlands van toepassing. We zeggen: Het jongetje (meisje), dat gisteren bij ons was, heeft een ongeluk gehad: het of, zeldzamer mischien, hij (zij) is van de trap gevallen. En in 't duits: Das Knäbchen (Mädchen), das gestern bei uns war, hat ein Unglück gehabt: es, of wellicht zeldzamer, er (sie) ist von der Treppe gestürzt.
Wat is nu wel de enig mogelike verklaring voor dit gehele of gedeeltelike ontbreken van verband tussen seksueel en grammaticaal geslacht? Niets anders als de woordvorm. De zogenaamde
| | | |
verkleiningsuitgang heft bij 't zelfstnw. - blijkende uit 't lidwoord en dikwels ook uit 't voornaamwoord - het onderscheid, waar dit zonder die uitgang bestaat, tussen manlik en vrouwlik geslacht in taal op.1) Nemen we nu aan, dat er in enkele gevallen psychologies verband bestaat tussen seksueel en taalkundig geslacht, dan zullen we, blijkens de gegeven voorbeelden, ook wel moeten aannemen, dat er psychologies verband bestaat tussen kleine (of jonge) levende wezens en de wijze, waarop de taal dat ‘kleine’ (of ‘jonge’) uitdrukt (namelik door de verkleiningsuitgang benevens het zgn. onzijdig geslacht); ja, dat dit verband veel hechter is dan het (kortweg genoemd) geslachtelik verband en wel 1o omdat de verkleiningsuitgang veel en veel geregelder aan het begrip ‘het kleine’ (of ‘het jonge’) beantwoordt2) dan het taalkundig geslacht aan het seksueel geslacht, en 2o omdat het onderscheid van seksueel geslacht in taaluiting er geheel of nagenoeg geheel door wordt opgeheven, wat toch in werkelikheid, dus als werkelik seksueel begrip, vanzelf geensins 't geval is.3)
Hieruit blijkt dus al, dat het begrip ‘seksueel geslacht’ geen biezonder krachtige sporen in de taaluiting heeft gedrukt, als ik 't zo noemen mag. En als we ons herinneren de voorbeelden op blz. 147, die nog met heel vele, 't duidelikst weer in 't duits, zouden te vermeerderen zijn, dan kunnen we er wel bijvoegen, dat 't aantal sporen bovendien heel gering is.
De volgende voorbeelden en gevallen mogen 't een zowel als 't ander nader bevestigen.
't Woord wijf is evenals 't duitse Weib onzijdig, dat wil dus zeggen, tenminste in 't duits, dat het in z'n woordgeslacht vol- | | | | strekt niet aan 't begripsgeslacht beantwoordt. 't Begrip ‘verachting’, dat in 't moderne nederlands met het woord is verbonden, heeft 't niet onzijdig gemaakt (vgl. de laatste noot): 't is altijd onzijdig geweest. En 't is ook in nederlandse dialekten onzijdig zonder verachtelike bijbetekenis. Hetzelfde geldt van 't duitse Weib. Zelfs op uitsluitend taalkundig gebied, b.v. door overeenkomst in vorm met andere onzijdige woorden - denken we o.a. aan verkleiningsuitgangen! -, is er geen reden op te geven voor 't niet taalkundig vrouwlik zijn van dit woord. En dat het seksuele begrip het na zoveel eeuwen, als 't woord bestaat, niet heeft kunnen doen overstappen in de taalkundige kategorie van die Frau,1) bewijst Ongetwijfeld, hoe gering al eeuwen lang de invloed van het begripsgeslacht op 't woordgeslacht is.
Ook mag hier worden herinnerd aan: le poète, le grand poète (van een dichteres), le grand auteur (van een schrijfster); aan Cathérine le Grand. En omgekeerd aan die Schildwache, la sentinelle, aan die Waise (ook van een weesjongen), aan Ihre Majestät, zelfs nederlands nog Uwe Majesteit uit de ‘officiële taal’ (van een vorst, zogoed als van een vorstin.)
Ook hieraan: Als een oude, arme vrouw op straat is gevallen, kan iemand uit de omstanders zeggen: Laten we dat arme mens ophelpen.2)
En dan: 't meervoud van de zelfstnw. Daar bestaat in de moderne talen helemaal geen onderscheiding van taalgeslacht. 't Heet b.v. de mannen, de vrouwen, de kinderen, die Männer, die Frauen, die Kinder, les hommes, les femmes.3)
Ed dit is, ten minste op germaans gebied, ook nagenoeg geheel of geheel 't geval met die voornaamwoorden, die in 't enkelvoud
| | | | nog taalkundige geslachtsonderscheiding - hetzij dan eventueel met of zonder beantwoording aan seksueel begripsgeslacht - hebben, zoals bij 't personale van de 3e ps. of bij 't demonstrativum en relativum. B.v. Ze zijn er geweest. Sie sind da gewesen. They have been there. Andere voorbeelden zijn aan ieder bekend.1)
Ook bestaat er geen taalkundige geslachtsonderscheiding in 't nederlandse Wie is dat? 't duitse Wer ist das? 't franse Qui (est-ce qui) te l'a dit? - vragen, die betrekking kunnen hebben op man, vrouw of kind.
Of, al weet ik, dat er een vrouw binnengelaten is, toch heet 't in 't duits: Es ist jemand im Zimmer, der 's auch nicht reich hat. En dit, niettegenstaande het relativum in 't duits drie geslachtsvormen in 't enkelv. heeft, wat met 't zoëven genoemde interrogativum (wer) niet 't geval is.
En dan ook 't voornaamwoord van de 1e en 2e persoon kent helemaal geen geslachtsonderscheiding. Logies redenerend zou het toch onbegrijpelik zijn, waarom hier 't seksueel geslacht niet evengoed op de taaluiting moest inwerken als bij de 3e persoon, of zoals in zinnen als: Ich, der ich das gethan habe; ich, die ich das gethan habe; du, der du das gethan hast: du, die du das gethan hast, - waar toch ook der en die gebruikt worden, al naar gelang ich of du een seksueel manlike of vrouwlike persoon is.
Maar, in 't voorbijgaan, de taal is niet logies, is m.a.w. geen denkprodukt, maar psychologies, m.a.w. een zielsprodukt. Taaluiting is een functie van de ziel, of wel juister: een komplex van zielsfuncties.2) Wie dit niet steeds in 't oog houdt, zal niet de ware kijk op taalverschijnsels hebben en telkens maar weer grammaire raisonnée leveren.
Nog éen voorbeeld ten slotte als vervolg op de voorgaande: Der Taugenichts, op een jongen toegepast, schijnt z'n taalkundig geslacht door vergelijking met der Junge makkelik te laten verklaren. Maar men zegt evengoed der Taugenichts, toegepast op een meisje, zodat: Du bist der grösste Taugenichts von der Welt zowel tegen een meisje als tegen een jongen kan worden gezegd. Nu ligt het toch voor de hand - al weer logies redenerend en in de veronderstelling, dat het seksueel geslacht lichtelik op het grammaticaal geslacht zou inwerken -, hoe gemakkelik men
| | | | tegen een meisje die Taugenichts zou kunnen zeggen. Immers de substantievering Taugenichts heeft als woordvorm geen enkele eigenschap, die verklaarbaar zou maken, dat het alleen in de kategorie van woorden met manlik taalgeslacht voorkomt. Zo is 't ook gesteld met Springinsfeld, Tausendsasa, Guckindiewelt, e.a.m.
Uit deze voorbeelden - waarin alleen begrippen met duidelik sprekend seksueel geslacht ten opzichte van hun geslacht werden vergeleken met het taalkundig geslacht van de woorden voor die begrippen - blijkt dus, hoe vaak woordgeslacht niet aan begripsgeslacht beantwoordt En hieruit volgt dus, dat duidelik sprekend seksueel geslacht in bepaalde gevallen (vooral bij gemoveerde feminina, zoals Gräfin, Botin, Wolfin!) wel op 't taalgeslacht schijnt in te werken; maar dat die invloed - voor 't minst bij 't zelfstnw. - geringer is als andere, meestal formele (dus zuiver taalkundige) invloeden (b.v. verkleiningsuitgangen!), waardoor dus die invloed in z'n totaliteit vrij zwak mag worden genoemd.
* * *
We komen nu tot begrippen zonder duidelik sprekend seksueel geslacht, hetzij dat die begrippen, ofschoon indieviedueel van een duidelik sprekende sekse, in hun algemeenheid, d.w.z. met verwaarlozing van hun seksualiteit, worden genomen en benoemd, zoals der Mensch, das Kind, das Pferd, hetzij dat van die begrippen de seksualiteit bij de gewone alledaagse waarneming niet in 't oog springt of in 't algemeen van geen belang is, zoals die Maus, der Spatz, der Hecht, das Wiesel. Zo goed als zonder uitzondering - 't franse un aide naast une aide! - behouden de zelfstandige naamwoorden voor zulke begrippen hun geslacht, net gelijk of 't indievieduele wezen van 't manlik of van 't vrouwlik geslacht is. M.a.w. er bestaat geen verband tussen het seksuele begripsgeslacht en 't taalgeslacht.
Alleen kunnen van sommige van deze zgn. ‘gelijkslachtige’ zelfstnw. andere worden afgeleid, om in 't biezonder het seksueel manlik of vrouwlik geslacht van 't begrip aan te duiden. Zo kan in 't duits van Gans worden gevormd Gänserich voor 't begrip van de manlike gans; en van Spatz komt wel eens (in de litteratuur) Spätzin voor, om 't begrip van de vrouwlike mus te benoemen. Maar we staan dan voor 't taalverschijnsel, dat ‘Motion’ of ‘movering’ heet: van de grondwoorden zijn ter aanduiding van een bepaald seksueel geslacht gemoveerde manlike of vrouwlike woorden
| | | | gevormd,1) en we hebben dus in werkelikheid met andere woorden te doen. En dit taalverschijnsel heeft tot enige psychiese oorzaak: inwerking van seksueel begripsgeslacht op taaluiting (woordvorming!); en in talen, die manlik en vrouwlik woordgeslacht onderscheiden, beantwoordt dit dan aan het respektievelike begripsgeslacht. Dat in zulke gevallen de aard van de movering zich richtte naar het grondwoord, d.w.z. dat er een manlik woord voor 't manlike dier ontstond, omdat die Gans een vrouwlik woord is, en omgekeerd een vrouwlik woord voor 't vrouwlike dier, omdat der Spatz een manlik woord is, kan zeker niet bevreemden. En evenmin, dat daarmee onvermijdelik gepaard ging een spesializering van de betekenis van die Gans en der Spatz, die anders de algemene diersoortbegrippen noemden, tot het biezondere vrouwlike (Gans) of manlike (Spatz) dierbegrip. Zo kan dus Gans 't diersoort in 't algemeen en ook 't vrouwlike dier aanduiden en Spatz 't diersoort in 't algemeen en ook 't manlike dier. Vgl. nog: der Löwe en die Löwin, der Wolf en die Wölfin e.a.m.
Of ook: de seksueel verschillende begrippen kunnen in enkele gevallen met verschillende, niet door movering ontstane woorden worden benoemd, waarmee dan weer in talen, die manlik en vrouwlik woordgeslacht onderscheiden, beantwoording hiervan aan het respektievelik begripsgeslacht gewoonlik gepaard gaat. Zo onderscheidt men bij der Mensch der Mann en die Frau, bij das Kind der Junge of Knabe (en das Mädchen; maar dit zonder geslachtsbeantwoording), bij das Pferd der Hengst en die Stute, bij das Schwein der Bär en die Bache.2) Maar in de meeste gevallen bestaat die mogelikheid niet en kan alleen het verschillend seksueel geslacht zonder overeenstemming met het woordgeslacht aangeduid worden, b.v. door te spreken van de mannetjes-arend en de wijfjes-arend3) of, wetende over welk diersoort men spreekt, eenvoudig door het mannetje en het wijfje,3) duits: das Männchen en das Weibchen. In een zeer enkel geval, zoals in der Hirschbock en die Hirschkuh, is er door het tweede lid van de samenstelling nog overeenstemming tussen 't seksuele begripsgeslacht en 't woordgeslacht.
| | | |
Hier kan nog ten slotte de opmerking worden gemaakt, dat de term ‘gelijkslachtig’ (genus epicoenum) al evenmin in de spraakkunst thuis hoort als 't vroeger gewraakte ‘natuurlik geslacht’ (zie blz. 148 en 151); en wel om overeenkomstige reden.
* * *
In de derde plaats de talloze begrippen zonder seksueel geslacht: de levenloze dingen. Die laten vanzelf helemaal geen onmiddelike vergelijking met de daarvoor gebruikelike woorden ten opzichte van 't geslacht ervan toe. Hier zou alleen van middelike vergelijking sprake kunnen zijn, b.v. door aan te nemen, dat die begrippen langs metaforiese weg in onze voorstelling met seksueel geslacht zijn bedeeld geworden. Nu is dit inderdaad verondersteld, zoals we later zullen zien, en wel door niemand minder dan Jacob Grimm, die niet alleen 't geslacht van de woorden voor levenloze dingen, maar ook dat van de woorden voor levende wezens (dieren), waarvan de tweeërlei sekse niet door tweeërlei woorden (hetzij suppletiefwoorden of gemoveerde woorden) werd uitgedrukt, op die wijze trachtte te verklaren. Maar waar we in de voorafgaande voorbeelden zagen, hoe weinig invloed het seksuele geslacht van levende wezens (mens en dier) op het woordgeslacht heeft, kunnen we wel a priori aannemen, dat in 't geheel niet bestaand, maar alleen metafories opgevat seksueel geslacht zeker nog veel minder - dus het ‘in 't geheel niet’ dicht nabij komend of mischien wel bereikend - op 't woordgeslacht zal hebben ingewerkt.
Intussen, de onhoudbaarheid van de veronderstelling van Jacob Grimm zal, hoop ik, later nog duidelik blijken, bij de uiteenzetting van zijn teorie over het zgn. ontstaan van 't ‘spraakkunstig’ (tegenover ‘natuurlik’)-geslacht en bij de behandeling van de teorie van Karl Brugmann over dat ontstaan. En is dat aangetoond, dan is daarmee tevens bewezen, dat het taalgeslacht van de woorden voor levenloze begrippen het rezultaat is van een zuiver taalproses,1) waarmee de mogelikheid van enige seksualiteitsinvloed tevens vervalt.
Bij voorbaat mag wel worden gezegd, dat ook het taalgeslacht van de benamingen van de meeste levende wezens uit een zuiver taalproses is ontstaan en dat de tegenwoordige indogermaanse
| | | | talen haast geen andere seksuele geslachtsonderscheiding in taaluiting kennen dan door 't woord zelf, zoals b.v. 't nederlandse man en vrouw, koning en koningin, hengst en merrie, 't engelse man-servant en maid-servant, turkey-cock en turkey-hen in taal beantwoorden aan wezens met resp. manlik en vrouwlik seksueel geslacht. Ditzelfde is ook voor de vroegere perioden van de indogermaanse talen aan te nemen, waarop nog licht zal vallen bij de behandeling van de teorie van Brugmann. Deze vooropstellingen mogen tevens als doel worden aangemerkt, dat door de verdere behandeling van ons onderwerp steeds meer moet worden genaderd.
Nog dit: De term ‘spraakkunstig’ of ‘grammaticaal geslacht’, zoals die door Jacob Grimm en tot op de huidige dag algemeen wordt gebruikt als tegenstelling tot ‘natuurlik geslacht’, heeft voor ons, zoals we op blz. 148 hebben duidelik gemaakt, de ruimere betekenis van ‘woordgeslacht.’ Voor 't gemak kan ik er intussen nog gebruik van maken, maar zal 't dan tussen aanhalingstekens doen of er ‘zogenaamd’ (‘zgn.’) aan laten voorafgaan.
In 't voorafgaande, waar alleen werd getracht, 't begrip ‘geslacht in taal’ door vergelijking met seksueel geslacht zo duidelik mogelik te doen uitkomen, moest wel het meeste licht vallen op de namen voor levende wezens. In 't volgende, waar zal worden getracht het wezen van ‘geslacht in taal’ in z'n volle omvang te doen begrijpen door de wording ervan na te sporen, zal vooral aandacht worden geschonken aan 't ‘geslacht’ van de woorden voor levenloze dingen (resp. voor levende wezens, waarvan de tweeërlei sekse niet door tweeërlei woorden met korresponderend ‘manlik’ of ‘vrouwlik’ geslacht wordt uitgedrukt). Want juist dat was - voor wie 't als een axioma goldt, dat seksueel begripsgeslacht met woordgeslacht korrespondeerde - het opvallende in de indogermaanse talen, dat deze woorden niet alle neutra zijn, d.w.z. volgens die verkeerde overbrenging van begripsgeslacht op woordgeslacht: geslachtsloos.1)
* * *
En hiermee ben ik genaderd tot de vraag: Hoe heeft men zich 't ontstaan, of juister de wording van 't taalgeslacht te denken? Welke teoriën bestonden of bestaan er daaromtrent?
Zekerheid omtrent het ontstaan van 't taalgeslacht bestaat er niet en is uit de aard van de zaak ook nooit te verkrijgen. Men kan alleen met behulp van het daartoe vereiste materiaal en met
| | | | toepassing van de psychologies-philologiese metode voor de verklaring van de wording van 't woordgeslacht een zekere graad van waarschijnlikheid bereiken, die, zolang er geen hogere graad bereikt is, in wetenschappelike zin als waarheid mag gelden, maar waarop bescheidenlik de naam ‘teorie’ of ook wel ‘hypotheze’ toch juister past. En ‘welchen andern prüfstein haben wir für den wert oder unwert einer wissenschaftlichen hypothese, als den grösseren oder geringeren grad, in dem sie durchführbar ist und einzeltatsachen gleichmässig erklärt?’1)
* * *
Strikt genomen zouden er maar twee geleerden te noemen zijn, die als de eersten en voornaamsten hebben getracht het zgn. ontstaan van het ‘geslacht in taal’, of wil men juister: dat van 't zgn. ‘spraakkunstig’ geslacht, wetenschappelik te verklaren. 't Zijn Jacob Grimm en Karl Brugmann.
Doch vóór dat hun teoriën worden besproken, is 't wellicht niet ongepast, even stil te staan bij de Nederlander, die in de voorgrimmse tijd van de germaanse philologie een zeer eervolle plaats inneemt, namelik onze amsterdamse schoolmeester2) Lambert ten Kate Hermansz. († 1731).
In het eerste deel van zijn hoofdwerk: Aenleiding tot de Kennisse van het Verhevene deel der Nederduitsche Sprake, in 1723 verschenen, komt o.m. een verhandeling voor, in de vorm van een ‘redewisseling’, over ‘'t Genus of de Geslagten der Substantiva’ (blz. 396/410), waarop een ‘Geslacht-toetse van ruim 750 woorden’3) volgt (blz. 411/68).
In die samenspraak zegt N. (blz. 396): ‘'t Is lichtelijk te begrijpen waerom of men Vader, waerom Moeder, en wijders alle die van de natuer door de Kunne onderscheiden worden, ook bij de Taelen in Manlijk en Vroulijk verdeelt; maer waerom of alle anderen die buiten dien rang zijn, niet op een Onzijdige manier, naemlijk in 't Genus Neutrum behandelt worden, is mij te duister, en nogtans heeft het zijn oorzaek, en, dat te verwonderlijker is, men vind het bij meest alle Talen van aenzien.’4)
| | | |
Daarop wordt door L. geantwoord ‘met een gissing’1) en wel in dezer voege: De dichters zijn ‘op Verhevene vinding uit’, ‘bestaende grootelijks daer in, dat men aen levenlooze dingen een aerdige en Verbloemde Persoonverbeelding toepast, om alzo onder een schilderagtige gedaente zijn gezeg een luister, kragt, leven, en gevalligheid bij te zetten.
Onder deze Persoonverbeeldingen was 't niet even veel aen wien men een Manlijke, of aen wie men een Vroulijke Gadaente toepaste, en schoon de Rede leert, dat uit de Gelijkheid van Eigenschappen, als sterkheid of zwakte of iets diergelijks, dit moest ontleent worden, die Konst nogtans was zo gering niet, dat elk 'er even hebbelijk in zijn kon: dog eindeling moest als een vast gebruik en gewoonte worden de Keuren van die genen, die in deze Vindingen de kroon spanden, en door hun agting anderen dit Voetspoor deden volgen.
Op diergelijke manier, agt ik, dat de Geslagtverbeelding tot de Naemwoorden, die uit haer natuer geene Kunne erkennen, overgegaen, en metter tijd een algemeen Taelgebruik geworden zij; 't welk, zo drae 't door lang verloop van Jaren vast gewortelt raekt, als een Onwraekbaer Taeleígen geschat en ingevolgt moet worden, bij aldien men niet zondigen wil tegens den meergemelden Grondslag van De Tael-wetten, even als de Land-wetten, nu van agteren te vinden en niet te maken.’ (blz. 397/8).
Dus: de dichters zouden bij wijze van ‘Persoonverbeelding’ oftewel ‘Geslagtverbeelding’ veel onseksuele zelfstandige begrippen seksueel hebben onderscheiden; en wat van die in taal geuite seksuele onderscheiding door de beste dichters was ingevoerd en daardoor algemeen bijval vond, werd door 't volk nagepraat en is zo ‘metter tijd een algemeen Taelgebruik geworden’.
Dat in verschillende talen dezelfde onseksuele begrippen met verschillend taalgeslacht worden benoemd, wordt zo verklaard, ‘dat die Volkeren, die ten tijde van de Toepassing der Geslagten en Persoonverbeeldingen reeds verdeelt waren, zeer ligtelijk verschilligen weg kunnen ingeslagen hebben.’ (blz. 398).
En niet alleen vond er ‘onder een zelfde Volk’ in verloop van jaren vastworteling van taalgebruik plaats, maar ook ontworteling, namelik ‘eenig Verloop van Gebruik’ (blz. 399); en dit ‘is zeker niet te verwonderen’; want ‘wat is 'er tog bestendig onder de Maen?’ vraagt L. met beminnelike naïeveteit.
Nu, dat eenmaal de dichters zoveel onseksueels in hun verbeelding zouden geseksualizeerd hebben, b.v. die Haut en der Staub,
| | | |
die Freude en der Verdruss is psychologies ondenkbaar, om de eenvoudige reden, dat zoveel levenloze begrippen ‘ondichterlike’ begrippen zijn, als ik 't kortweg zo noemen mag.1)
Maar aangenomen zelfs, dat alle begrippen op z'n tijd als ‘dichterlik’ konden voorkomen, dan zouden er daaronder toch zeker heel wat zijn, die slechts bij hoge uitzondering eens ‘verdichterlikt’ werden. Hoe zou het geslacht van de woorden voor zulke begrippen tot ‘een vast gebruik en gewoonte’ hebben kunnen worden?
En dat een volk de personificaties van zijn dichters, zelfs ook maar de meeste, klakkeloos zou hebben nagepraat - wat toch voor de wording van ‘een algemeen Taelgebruik’ noodzakelik zou zijn -, is een opvatting, die wel alleen kon ontstaan in een tijd, waarin geleraard werd, dat de mensen hun dichters moesten napraten; want dat zijn immers de taalkunstenaars en taal is immers kunst!
Eerst een halve eeuw later, in 1770, zou de grote Duitser Herder in zijn (door de koninkl. Akademie van Wetenschappen te Berlijn) bekroonde en in 1772 verschenen prijsvraag-beantwoording ‘Über den Ursprung der Sprache’ de fundamentele en bijna geheel modern klinkende uitspraken doen: Sprache ist eine ‘Production menschlicher Seelenkräfte’2), en: So ‘gebar sich Sprache mit der ganzen Entwicklung der menschlichen Kräfte.’3)
Maar, om op Lambert ten Kate terug te komen: het zal, na 't voorafgaande, wel niet al te zeer kunnen verwonderen, dat hij niet afkerig was van de mening, dat de geslachten, van wege ‘de groote Eenstemmigheid van onze Voornaemste Schrijvers’ in 't gebruik daarvan, wel bij ‘besluit’ ‘van een vergaderd Lichaem’ van die schrijvers konden zijn tot stand gekomen. 't Hoofdbezwaar tegen deze opvatting schijnt voor hem alleen te zijn geweest, dat ‘daer uit eerder verdeeltheid als eendragt geboren stond te worden, om dat meest elk [- in “een vergaderd Lichaem, 't welk geen wezendlijk gezag had” -] zo gaerne wil, dat zijn Haentje Koning zij’. -
En hiermee kunnen we wel van deze rationalistiese verklaring,
| | | | of om volkomen eerlik te spreken, van deze rationalistiese ‘gissing’ omtrent het ontstaan van het geslacht van woorden, die levenloze dingen noemen, afstappen. De ‘geslacht-toetse’ kan nu vanzelf met stilzwijgen worden voorbijgegaan.
Als ten Kate geen Nederlander was van overigens hele grote verdienste op taalwetenschappelik gebied - beperkter gezegd: op 't gebied van de vergelijkende germaanse philologie -, als hij niet de scherpzinnigste taalman uit de voor-grimmse periods was geweest, dan zou hij hier onvermeld hebben kunnen blijven. Doch nu, ofschoon zijn ‘gissing’ waardeloos is en dan ook geen spoor in de taalwetenschap heeft achtergelaten, was 't mischien niet geheel van belang ontbloot, te laten zien, hoe een van de beste taalmannen vóor Grimm over ‘geslacht in taal’ heeft gedacht.
* * *
De eerste, die in waarheid heeft getracht het ontstaan van 't zgn. ‘spraakkunstig’ geslacht wetenschappelik te verklaren en die dan ook niet met een ‘gissing’, maar met een teorie voor de dag kwam, is geweest Jacob Grimm, de grondlegger van de germaanse taalwetenschap. In 't 3e deel van zijn Deutsche Grammatik, dat in 1831 verscheen, behandelt hij op een goeie 250 blzz. 't Genus; daaronder zijn een kleine 220 blzz. meer bepaaldelik aan het ‘spraakkunstig’ geslacht - in tegenstelling tot het ‘natuurlik’ geslacht - gewijd.1) En niet ten onrechte zegt Wilhelm Scherer in zijn biografie van Jacob Grimm (18852, blz. 217), dat ‘die Lehre vom grammatischen Geschlecht für den Höhepunct von Jacob Grimms Buche’ is te beschouwen.
Jacob Grimm leefde in de bloeitijd van de duitse Romantiek en zijn gemoed, zijn poëtiese zin en zijn neigingen stempelen hem ten volle tot een ‘Romantiker’ onder de geleerden. Laat me dit vooropzetten.
En nu beknopt zijn teorie over 't ontstaan van 't ‘spraakkunstig’ geslacht weergegeven, waarbij, als een axioma voor Grimm, verder zonder vermelding blijft, dat het seksuele begripsgeslacht van enkele levende wezens korresponderend woordgeslacht heeft bewerkt; dit heet dan 't ‘natuurlik’ geslacht. ‘Das natürliche geschlecht,’ zo zegt Grimm op blz. 344, ‘umfasst eine, im vergleich zu den übrigbleibenden, sehr geringe anzahl von wörtern’. En
| | | | al die andere, of ze levende of levenloze dingen benoemen, vallen onder 't ‘spraakkunstig’ geslacht.
Grimm meende nu, dat door de fantazie het natuurlik (d.i. seksueel) geslacht op alle begrippen was overgebracht, die anders niet seksueel worden onderscheiden of waarbij van geen sexus sprake is. ‘Das grammatische genus’, zo staat er op blz. 346, ‘ist demnach eine in der phantasie der menschlichen sprache entsprungene ausdehnung des natürlichen auf alle und jede gegenstände.’ Deze opvatting sluit zich onmiddelik aan bij die van Wilhelm von Humboldt, die 't spraakkunstig geslacht ‘aus dem einbildungsvermögen der sprache erklärt.’1)
We merken hier al dadelik op, dat Grimm - evenals Wilhelm von Humboldt deed - op bedenkelike wijze aan de taal toeschrijft, wat alleen aan de mens, in 't biezonder aan de menselike ziel, is toebedeeld.2) Zo en niet anders, heeft hij ook gehandeld met het geslacht: wat alleen aan zekere objekten is te onderscheiden, namelik sexus, heeft hij als een eigenschap van woorden genoemd.3)
Afgezien van enkele woorden, zoals god, duivel, zon, maan, dag, nacht en nog een paar andere,4) waarvan het geslacht ‘nicht wie das der übrigen wörter [met “grammaticaal” geslacht] nach einer allgemeinen phantasie, sondern nach einer wirklichen personification’ bepaald is, zodat deze ‘zwischen natürlichem und gramma- | | | | tischem geschlecht gleichsam die mitte halten und streng genommen weder jenem noch diesem zugezählt werden dürfen’ (blz. 348) - afgezien van deze woorden, zouden dus, als daarmee Grimms bedoeling goed wordt weergeven, langs metaforiese weg zijn ontstaan die Maus en der Hecht, ook der Korb en die Bank, die Linde en der Tisch, enz., enz; zelfs ook die Tugend en der Fleiss - maar wat abstracta betreft, met grote restricties, zoals we later zullen opmerken. En in laatste instantie ook das Wiesel, das Brett, das Zeug, das Laster, enz., enz.
Grimm poogt van blz. 357/563 een groepering van woorden te geven, die hun geslacht aan de bovengenoemde ‘phantasie der menschlichen sprache’ zouden te danken hebben.
Het heeft er voor Grimm alle schijn van, alsof 't masculinum uitdrukt: ‘das frühere, grössere, festere, sprödere, raschere, das thätige, bewegliche, zeugende’, 't femininum: ‘das spatere, kleinere, weichere, stillere, das leidende, empfangende’; 't neutrum ‘das erzeugte, gewirkte, stoffartige, generelle, unentwickelte, collective.’
Maar hij kan niet nalaten, behoedzaamheid in de toepassing van deze ‘grundsatz’ aan te raden; m.a.w. 't klopt niet altijd.
Deze kenmerken, die Grimm meent waar te nemen bij 't ‘grammaticale’ geslacht in 't duits, d.w.z. voor Grimm 't germaans,1) vormen dus volgens hem de grote overeenkomst van dit geslacht met het seksuele geslacht.
Maar of die zienswijze met de werkelikheid overeenkomt en psychologies houdbaar is? Zeer zeker niet. En wel 1o niet, omdat - afgezien van het seksueel onbestaanbare ‘onzijdig’ - niet van al de genoemde eigenschappen kan worden gezegd, dat ze op het respektievelike seksuele geslacht passen; zo b.v. heeft toch ‘het vroegere’ zeker wel niets met het manlike en ‘het latere’ niets met het vrouwlike begripsgeslacht gemeen; 't zou zeker een merkwaardige interpretatie worden, als we het grimmse prinsiep gingen toepassen op der Hecht, die Maus en das Wiesel, op der Korb, die Linde en das Brett of op der Fleiss, die Tugend en das Laster, om 't even welke eigenschappen van de bovengenoemde men daartoe meer in 't biezonder zou willen laten dienen; - 2o niet, omdat, al bestond in werkelikheid de door Grimm gevindiceerde over- | | | | eenkomst, er geen analogon voor een dergelijke alomvattende veelvertakte1) metaforiese zielswerkzaamheid bestaat; 't is inderdaad opvallend, dat Grimm bij zijn kwalieficatie van ‘personification’ in tegenstelling tot ‘allgemeine phantasie’2) en bij z'n opsomming van de weinige sporen van personificatie, vergeleken met de ontelbare gevallen van metaforizering3) (blz. 348), niet de onhoudbaarheid van zijn teorie heeft opgemerkt.
Maar, om die teorie nader weer te geven:
‘Das grammatische geschlecht’, zo lezen we op blz. 317, ‘ist eine, aber im frühsten zustande der sprache schon vorgegangene anwendung oder übertragung des natürlichen auf alle und jede nomina’.
En deze verklaring geldt niet alleen voor 't ontstaan van manlik en vrouwlik ‘grammaticaal’ geslacht, maar ook voor 't ontstaan van 't onzijdig geslacht. Grimm zegt daaromtrent op blz. 317/8: ‘Es scheint bedenklich, ob man auch schon dem neutrum, das in dem grammatischen genus eine so grosse rollespielt, natürlichen anfang zuschreiben könne, mit andern worten, ob sein ursprung in dem begriff von foetus oder proles lebendiger geschöpfe gesucht und daraus eine übertragung auf andere wörter geleitet werden dürfe? Ich bin dazu geneigt, weil ich mir sonst die entstehung des grammatischen neutrums gar nicht zu erklären weiss, da es schwer zu begreifen wäre, warum man nicht alle jetzt neutrale wörter dem grammatischen masc. oder fem. überwiesen haben sollte (wie in der that auch einige sprachen [b.v. de romaanse] thun), wenn nicht schon ein entwickeltes natürliches neutrum dazu genöthigt hätte.’
Hoe verlegen Grimm met het ‘spraakkunstige’ neutrum4) zat en hoe zwak zijn verklaring ervoor is, zal zeker wel ieder onbeveroordeelde in 't oog springen.
Voor Grimm was in de taal 't manlik geslacht de belangrijkste en oorspronkelikste vorm; daaruit is afgeleid 't vrouwlik
| | | | geslacht; terwijl als een vermenging en verbinding van manlike en vrouwlike vormen 't onzijdig geslacht optreedt.1) (zie blz. 311).
Uit Grimms opvatting van ‘geslacht in taal’ moest wel volgen, dat hij naar de betekenis van de woorden, dus strikt genomen naar de begrippen, m.a.w. eigenlik buiten de taal om ging groeperen - ten minste van ons standpunt kan er dadelik deze krietiek op volgen. Maar Grimm zat zelf soms al met zijn betekenis-groepen verlegen.
B.v. op blz. 368v. moet hij al bekennen: ‘Bei den einzelnen bäumen lässt sich der im thierreich deutliche grundsatz nicht geltend machen, dass grösse und stärke für männliches, kleinere gestalt für weibliches genus entscheide; gerade die höchsten und mächtigsten bäume sehen wir feminina. Auch den Griechen und Römern waren die meisten bäume weiblich.’2)
En nu zocht Grimm de reden daarvoor òf ‘in der beschränkteren lebensthätigkeit der unbeweglichen bäume im gegensatz zu den thieren’ òf - en hier past hij een vroeger door ons nog niet genoemd prinsiep toe - ‘wieder in volksmythen, die zusammenhang der bäume mit geisterhaften weiblichen wesen annahmen. Man erinnere sich der Dryaden, der deutschen holzweibchen und der heiligen frauenbilder aus baumstämmen.’
Nu kan men ten opzichte van dit laatste prinsiep wel met Scherer zeggen, dat de ‘mythologische Vorstellungen.... in ihrem letzten Grunde zusammenfallen mit den Vorstellungen, aus denen die Genusbezeichnung [volgens Grimms opvatting] entsprang’.3) Maar of we daaruit mogen gevolgtrekken, dat daarom die ‘Vorstellungen’ zelf te identificeren zijn, zal toch wel ontkennend moeten worden beantwoord. Zodat er niets anders overblijft, dan te konstateren, dat Grimm in plaats van zijn metafories prinsiep soms een ander, 't mythologiese, toepast; m.a.w. het eerste prinsiep is niet voldoende ter verklaring van 't ‘grammaticaal’ geslacht.
En erger nog: Grimm kon de groepering naar de betekenis van
| | | | de zelfstnw. niet eens ten einde brengen, waaruit volgt, dat zijn indelingsprinsiep verkeerd is, waarmee implicite zijn hele teorie buitelt. Hij kon namelik deze indeling volgens de betekenis alleen maar op de concreta toepassen; bij de abstracta - nauwkeuriger gezegd, bij de namen van onstoffelike begrippen - is hij genoodzaakt te erkennen: dierekt de betekenis van de afleidingen, indierekt de kracht van de analogie.
Hij zegt zo (op blz. 357): ‘Für das [genus] abstracter wörter mögen gewisse ableitungen besondere dienste leisten, weil dergleichen wörter oft nach der analogie gebildet und vermehrt werden und damit in der ganzen classe dieser formation das geschlecht bestimmt ist.’
Dienovereenkomstig deelt Grimm de abstracta in naar de vorm (vorming) van de zelfstnw.
En, merkwaardig: Was bij de concreta ‘im ganzen das genus weit unsicherer, weil die phantasie der sprache fast bloss mit den sachen spielte; hier [bij de abstracta] wird sie1) schon durch die formen und ableitungen gezügelt und gehalten.’ (blz. 478).
En zo kunnen we nu wel met volle overtuiging het oordeel van Delbrück over de teorie van Grimm onderschrijven, namelik ‘dass Grimm zu fassbaren und auch für andere überzeugenden Ergebnissen nicht gelangt ist.’2)
Ofschoon men zou menen, dat reeds door de belangrijke tegenspraak met zich zelf aan de grimmse teorie geen al te lang leven kon zijn beschoren, toch duurde het nog vrijwat jaren, namelik een goeie halve eeuw, vóordat de eerste krachtige wetenschappelike stoot ertegen zou worden uitgebracht.
Deze vrij lange tussentijd kan echter niet al te zeer verwonderen. In de eerste plaats was Jacob Grimm terecht een autoriteit van de eerste rang; en autoriteitsgeloof is zo iets menseliks, dat het ook in wetenschappelike kringen niet onbekend is. En dan ook: dat dichterlik overdragen van seksueel geslacht op alle onseksuele dingen (minus de abstracta!) en dit in taal uiten, en daarbij zo nodig nog wat mythologie te pas gebracht, was een al te verleidelike teorie voor geleerd en ongeleerd.
Sedert een jaar of 15 zijn intussen veler ogen open gegaan en is hoe langer hoe meer de mening gaan doordringen, dat de
| | | | hypotheze van Jacob Grimm over 't ontstaan van 't ‘grammaticaal’ geslacht ‘ein schöner Wahn’ is, zoals meer overigens aantrekkelike hypothezen van dezelfde Grimm, b.v. zijn tierfabel-hypotheze. En nu mag dan de jongste teorie er wat nuchter uit zien, ze zal toch, daarvan houd ik me overtuigd, de poëtiesere grimmse teorie eenmaal geheel verdrongen hebben in de wetenschappelike en daarna ook in de niet-wetenschappelike wereld.
* * *
In 't jaar 1888 stelde de leipziger professor Karl Brugmann in de Internationale Zeitschrift für allgemeine Sprachwissenschaft, hrg. von F. Techmer, IV (1889) blz. 100/9 zijn teorie over ‘Das Nominalgeschlecht in den indogermanischen Sprachen’ op, een teorie, die zich al sedert 1875 of '76 bij hem had gevormd, zoals hij in 1891 in de 15e bd. van Paul en Braunes Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur op blz. 524 meedeelt. 't Is waar, dat Brugmann meende, door z'n verhandeling slechts de richting te hebben aangeduid, die tot oplossing van het vraagstuk zou voeren, of, zoals hij in de Beiträge1) 't noemt, dat hij zijn opstel ‘nur erst für den anfang einer discussion ansehe’. Maar dit neemt niet weg, dat, al mag er op de door Brugmann voor 't indogermaans gelegde grondslagen geen gebouw zijn opgetrokken, zoals Grimm dit voor 't duits (resp. germaans2)) heeft gedaan, ja al moet ‘ein solches Unternehmen.... so gut wie resultatlos verlaufen’, zoals Delbrück meent,3) - dat het ferment uit zijn eerste verhandeling heeft gewerkt met de kracht van een nieuwe teorie, zodat tegenwoordig bijna algemeen het vraagstuk ‘geslacht in taal’ prinsiepiëel op de wijze van Brugmann wordt
beoordeeld en behandeld. In dit opzicht heeft Brugmann nagenoeg bereikt, wat hij zich met het publieceren van zijn artiekel had voorgesteld, t.w. ‘die überzeugung zu schaffen, dass die übliche herleitung des maskul. und femin. grammatischen geschlechts aus dem natürlichen ein unglaubwürdiges axiom ist.’4)
Zelf heeft hij aan 't slot van z'n opstel ‘Zur Frage der Entsteh- | | | | ung des grammatischen Geschlechts’ in de reeds genoemde Beiträge van Paul en Braune (blz. 523/32) een kleine koncessie aan de oude (grimmse) genusteorie gedaan. En anderen mogen nog iets verder of ook minder ver in dit opzicht gaan. Maar over 't geheel is verwezenlikt, wat in z'n Grundriss der Vergleichenden Grammatik II (1892) op blz. 1011) in deze woorden is vervat: ‘Die Meinung, der Urmensch habe, mit einem wunderbaren Maass von Einbildungskraft begabt, so ziemlich alles Unbelebte und Unsinnliche nicht nur als Person überhaupt, sondern auch nach einer bestimmten Seite hin sexualisiert angeschaut und daher stamme das ganze Nominalgeschlecht, diese Vorstellung sollte doch heutzutage abgethan sein.’
Dat Brugmanns teorie in de meer genoemde Grundriss van Brugmann en Delbrück is opgenomen, spreekt wel vanzelf; en tegelijk is hiermee opgegeven, dat Delbrück de opvatting van Brugmann over het ontstaan van 't ‘Nominalgeschlecht’ deelt.
Hier mag niet onvermeld blijven, dat Victor Michels in Zum Wechsel des Nominalgeschlechts im Deutschen I (1889), ofschoon ‘im Wesentlichen vor dem Erscheinen des Brugmann'schen Aufsatzes [in Techmers Internat. Zs. IV] geschrieben’, ‘das Problem von vornherein in derselben Weise ins Auge fasste’2); en dat hij in 1891 uitvoerig op de ‘zuerst von Brugmann ausgesprochene und von [ihm] acceptierte Hypothese’ terugkomt in 't opstel: ‘Zur Beurtheilung von Jacob Grimms Ansicht über das grammatische Geschlecht’ in Germania 36 (1891), blz. 121/36.
Verder dient hier te worden genoemd Rudolf Henning, die in z'n verhandeling ‘Über die entwicklung des grammatischen geschlechts’ in Kuhns Zs. (= Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung, begründet von A. Kuhn) 33 (1894), blz. 402/19 een vergelijk tracht te treffen tussen de teorie van Jacob Grimm en die van Brugmann. Het karakter van 't geslacht en z'n ontwikkeling in enkele afrikaanse talen en vooral in de hamitiese en semitiese taalfamielies wordt daarbij nagegaan, en wel met het volgende rezultaat: ‘wie viele fragen ungelöst bleiben mögen, so viel scheint mir klar zu sein, dass wir keinen grund haben, die arischen [= indogermaanse] geschlechter mit anderen augen als die hamitischen und semitischen anzusehen. Darauf hinzudeuten war der zweck dieser zeilen.... Die männlichen wesen sind wohl immer als männlich, die weiblichen als weiblich empfunden, obschon
| | | | dies in der grammatik erst sehr allmählich zum ausdruck kam. Andrerseits aber ist es nicht zu glauben, dass auch alle leblosen nomina von anfang an einem schrankenlosen und doch so inconsequenten personificationstrieb unterlagen. Wohl dachte der mensch der urzeit sinnlicher, und wenn er sinnliche vorgänge in seiner phantasie persönlich belebte, belebte er sie vermuthlich geschlechtlich, das bestätigen sprache und mythologie seit unseren ältesten überlieferungen. Aber schliesslich war eine grenze des zu belebenden vorhanden, welche zu fixiren wir ausser stande sind. Anzunehmen ist wohl, dass auch im Arischen das nominale genus von den natürlichen grundworten aus sich zum theil mittels pronominaler1) kennzeichen etappenweise weiter verbreitet hat. Und zwar sind innere beziehungen für die auftheilung mindestens ebenso wirksam gewesen als die grammatischen endungen. Einiges davon liesse sich auch jetzt wohl noch nachfinden. Jedenfalls vermag die analogie, an die Brugmann sich hält, den vorgang allein nicht zu erklären.’ (blz. 418/9). Opdat ieder zich enigsins met het bemiddelend standpunt zou bekend kunnen maken, is dit rezultaat in extenso meegedeeld en verwijs ik nog naar het rezumee met daaropvolgende korte krietiek van Kollewijn in dit tijdschrift jg. V (1895) blz. 217/8. Men zal 't opstel-zelf niet zonder nut lezen; maar of de bewijsvoering met z'n omhaal van niet-indogermaanse
talen2) overtuigen zal; en of men de rezultaten niet te vaag zal vinden, om de gewenste opheldering te geven over hetgeen op indogermaans gebied omtrent het ‘grammaticaal’ geslacht en z'n wording valt waar te nemen?.....
Eindelik mag hier niet worden verzwegen de kampioen voor de teorie van Jacob Grimm, namelik Gustav Roethe, de wederuitgever van Grimms Deutsche Grammatik.
In de voorrede van de 3e bd. van deze herdruk, blz. XXI/XXXI, verdedigt Roethe ‘nicht ohne Geschick und Eifer’3) de grimmse teorie tegen Brugmann. En naar aanleiding van Brugmanns
| | | | wederwoord in de reeds meergenoemde Beiträge van Paul en Braune laat Roethe ‘Noch einmal das indogermanische genus’ in de Anzeiger für deutsches Alterthum und deutsche Litteratur 17 (1891) blz. 181/4 als nadere verdediging van die teorie volgen.
Dit mag volstaan ter aanduiding van de plaats, die de teorie van Brugmann in de tegenwoordige wetenschappelike wereld inneemt; terwijl er tevens uit blijken kan, dat de rumor in casa van voor een tiental jaren voor 't minst in geschrifte bedaard is. Wie dan ook tegenwoordig nog betogend in de zin van pleitend voor de teorie van Brugmann optreedt, doet dit tegenover de populaire, nauwliks meer tegenover de wetenschappelike opvatting van ‘geslacht in taal’.
In 't volgende zal nu worden getracht, een voorstelling te geven van de teorie van Brugmann, om daarop verder voort te bouwen, zo nodig met hulp van geschriften, die eveneens op die teorie steunen.
In historiese tijd zijn op 't hele indogermaans gebied in de gewone (niet dichterlike) taal manlik en vrouwlik als zgn. spraakkunstige geslachten, - dus, al is 't niet uitsluitend, zo toch in de eerste plaats bij substantiva voor levenloze dingen - een nietsbetekenende vorm, die met de begripskategoriën ‘sterker, groter, enz.’ voor 't manlik en ‘zwakker, kleiner, enz.’ voor 't vrouwlik1) niets te maken heeft.2)
Wilde men werkelik een betekenis, in plaats van een secundaire functie aannemen in uitgangen, dan zou men uit konsekwentie van een ‘dier- of dierlike betekenis’ moeten spreken bij de griekse uitgang -phos in woorden als kólaphos ‘oorvijg’ of krótaphos ‘slaap aan 't hoofd’, omdat -phos min of meer produktief3) is geworden voor de vorming van diernamen (zoals élaphos ‘hert’, askálaphos ‘een soort van uil’, kóssuphos of kóttuphos ‘merel’); of van een ‘verwantschapsbetekenis’ bij de uitgang -er in bakker, arbeider, baker, akker, snipper, beker, polder, omdat -er min of meer
| | | | produktief is geweest ter vorming van verwantschapsnamen (vader, moeder, broeder, zuster, zwager; in 't duits nog: Vetter, Schwieger). Natuurlik denkt niemand aan zo'n konsekwentie.
Neen, de oerbetekenis van alle suffixen is ons onbekend.
Maar de woorden zelf - in hun geheel - hebben een betekenis. En de suffixen in 't indogermaans zijn als taalelement - als ik 't zo noemen mag - tot op de huidige dag van een zeer biezondere belangrijkheid. Zo zijn er, zover kan worden waargenomen, altijd suffixen geweest, die iets van de betekenis van 't hele woord en daarmee tevens natuurlik de taalkundige eigenschappen van 't hele woord - omdat deze meestal in de suffixen alleen waarneembaar vervat zijn - functioneel in zich als iets zelfstandig levends opnamen. Zo betekent tafeltje ‘een kleine tafel’. Het begrip ‘klein’, dus iets van de betekenis van 't hele woord, is functioneel vervat in het suffix -tje, zodat we ook kunnen spreken van een stoeltje voor ‘een kleine stoel’; en tevens heeft stoeltje door z'n suffix presies dezelfde taaleigenschappen als tafeltje (b.v. ze zijn onzijdig en vormen hun meervoud op s.).
Welnu, zo zijn er wel steeds woorden geweest, die namen waren van wezens, waarvan 't seksuele geslacht meer of min levendig in 't bewustzijn van 't sprekend indieviedu was. We hoeven maar te noemen man en vrouw. Zo kunnen als dikwels gebruikte woorden worden verondersteld in de oerindogermaanse periode mamā ‘moeder’ of genā ‘vrouw’ (vgl. got. qinô),1) twee woorden voor begrippen, waarvan 't seksuele geslacht levendig in 't bewustzijn van 't sprekend indieviedu was.
| | | |
Secundair kan zich nu met de uitgang -ā van deze woorden - en alleen bij indievieduen boven de puberteitsjaren; zie de laatste noot - de functie hebben ontwikkeld, dat ermee seksueel vrouwlike begrippen werden benoemd, omdat die woorden in hun geheel namen van seksueel vrouwlike wezens zijn.
Toen kon b.v. van een woord *ekuo(-s) ‘paard’, dat eerst alleen een diersoortnaam was, dus geen seksueel geslacht uitdrukte, naar analogie van mamā en genā, gevormd worden *ekuā voor ‘merrie’.
Vergelijk echtgenoot, dat voor ‘man’ en voor ‘vrouw’ kan worden gebruikt, dus geen seksueel geslacht hoeft uit te drukken, en het daarvan gevormde echtgenote voor de ‘vrouw’ alleen.
Zo kan er nu een reeks van woorden zijn ontstaan naast een paar al bestaande, waarmee inderdaad door de ontstane functie van 't suffix seksueel vrouwlike begrippen benoemd werden. 't Suffix ā was nu, zoals 't in de taalwetenschap heet, ter vorming van namen van seksueel-vrouwlike begrippen, produktief geworden, evenals - afgezien van de mate van produktieviteit - in 't nederlands de uitgang -tje (-je, -pje) en in 't duits -chen (-lein) produktief is ter vorming van verkleinwoorden.
Maar tevens kunnen er al heel wat woorden met dezelfde uitgang hebben bestaan, die geen seksuele begrippen uitdrukken,
| | | | dus b.v. voor levenloze begrippen. Die konden dus niets seksueelvrouwliks uitdrukken, noch in hun geheel, noch - secundair zomin als primair - in de uitgang. Maar die konden toch dezelfde taaleigenschappen hebben als de zoëven genoemde, evengoed als b.v. in 't nederlands (de) vreugde, (de) belofte, en dgl. dezelfde taaleigenschappen (van de Vries en te Winkel, b.v. de genitief enkv. (der) vreugde, belofte, echtgenote!) hebben als 't reeds genoemde (de) echtgenote.1)
En ook kon de uitgang van deze woorden min of meer produktief zijn geworden, nu vanzelf niet om iets seksueels uit te drukken, maar b.v. om onder de levenloze begrippen een zekere kategorie van abstracta te benoemen; laten we b.v. maar eens denken aan 't duitse suffix -ung - al vinden we dit ook niet bij woorden voor seksueel vrouwlike begrippen; dat doet er hier niets toe - en z'n ontzachlike functionele en woordvormende produktieviteit: (die) Erwartung, Hoffnung, Beseligung, Wirkung, Verbreitung, Wallung en honderde zo gevormde verbaalabstracta meer, die nog dageliks kunnen ontstaan, als ze er al niet zijn.
Uit het voorafgaande volgt, dat er dus eenmaal 4 groepen van zelfstnw. kunnen hebben bestaan, die dezelfde uitgang en daardoor dezelfde taaleigenschappen hadden; en wel:
| 1o | een paar woorden, die dat suffix oorspronkelik hadden en seksueel vrouwlike begrippen benoemden; |
| 2o | een groep van woorden, die dat suffix hadden aangenomen, om eveneens seksueel vrouwlike begrippen te benoemen;2) |
| 3o | enkele woorden, die datzelfde suffix oorspronkelik hadden en geen seksueel vrouwlike, maar levenloze begrippen benoemden; |
| 4o | een groep van woorden, die dat suffix hadden aangenomen, om eveneens levenloze begrippen, natuurlik tot dezelfde begripskategorie behorende als de vorige, te benoemen. |
Als we de scheiding in prototypen en nieuwvormingen verwaarlozen, komen we tot een samenvatting van de beide eerste en van de beide laatste groepen, en kunnen we dus kortweg zeggen, dat er voor twee verschillende kategoriën van begrippen
| | | | woorden van presies dezelfde vorming, en daardoor - ten minste in 't algemeen genomen - met presies dezelfde taalkundige eigenschappen bestonden, in casu voor de kategorie van vrouwlike wezens en voor een kategorie van levenloze begrippen. En houden we rekening zowel met de (schriftelike) overlevering op indogermaans gebied als met de nog levende indogermaanse talen, dan kunnen we er nog bijvoegen, dat de tweede groep woorden - in historiese tijd altijd! - heel wat groter is geweest dan de eerste.
Dat nu in de spraakkunst al deze woorden vrouwlik zijn genoemd, welke term wel waarschijnlik onder associatieve invloed van de begripsbetekenis van de eerste groep woorden (namelik die voor vrouwlike mensen en dieren) zal zijn ontstaan, kan niet bevreemden.1) En deze term was niets dan de naam voor een ‘Begleiterscheinung des Nomens’,2) dus een spraakkunstige term, waarmee zekere taalkundige eigenschappen van die woorden werden samengevat - en niet seksuele eigenschappen van de begrippen, die maar door een (klein) gedeelte van die woorden werden benoemd.
Toen nu eenmaal * equā met de betekenis ‘merrie’ in gebruik was, kan licht * equo(-s), dat eerst ‘paard’ betekende, dus de naam voor 't diersoort in 't algemeen was, als tegenstelling tot * equā ter benoeming van 't begrip ‘hengst’ in gebruik zijn gekomen, waarnaast de oude betekenis voor ‘paard in 't algemeen’ niet in onbruik behoeft te zijn geraakt (vgl. lat. equus ‘paard’ en ‘hengst’, equa ‘merrie’)3).
Ook hiervoor zijn er weer analoga in moderne talen te geven. Zo heeft blijkbaar echtgenoot oorspronkelik, evenals dit nog mogelik is, zowel ‘de vrouw’ als ‘de man’ benoemd; maar nadat ‘echtgenote’ voor ‘de vrouw’ was ontstaan, kon - als een secundaire betekenis- | | | | ontwikkeling - in tegenstelling daarmee ‘echtgenoot’ ook alleen ‘de man’ aanduiden, wat inderdaad voorkomt.
Ook aan 't duitse Hund en Hündin kan worden herinnerd. Hund, oorspronkelik en nòg de naam van de diersoort, kan, in tegenstelling tot Hündin voor ‘de teef’, ook ‘de reu’ betekenen.1)
Nu kunnen er, evenals equo(s), andere woorden een dergelijke secundaire begripswijziging - met of zonder behoud van de oorspronkelike betekenis - hebben doorgemaakt. En ook kunnen er heel wat woorden zijn geweest en steeds nieuwe zijn ontstaan met dezelfde uitgang als equo(s)2), om wie weet welke begrippen te benoemen; maar in elk geval woorden, die krachtens hun suffix dezelfde taalkundige eigenschappen hadden als equo(s). Die eigenschappen zijn dan gevoegelik in de spraakkunst samengevat onder de naam van manlik. Of nu door de indiese en griekse grammatici eerst ‘vrouwlik’ en dan ‘manlik’ of omgekeerd eerst ‘manlik’ en daarna ‘vrouwlik’ als techniese term zal zijn gecreëerd, dan wel of beide benamingen tegelijk onder associatieve invloed van de seksuele begripsbetekenis van een groep woorden zijn ontstaan, doet niets terzake - al kan men de laatste veronderstelling voor de waarschijnlikste houden -; genoeg is 't, dat beide termen voor bepaalde ‘Begleitererscheinungen des Nomens’ zijn ingevoerd, dat beide dus niets dan spraakkunstige termen zijn, waarmee zekere taalkundige eigenschappen van de zelfstnw.3) worden samengevat en niet seksuele eigenschappen van de begrippen.
Het mag nu duidelik zijn geworden, dat de betekenis van een woord4) secundair aan 't suffix van dat woord een functie kan verlenen, waardoor dit suffix produktief wordt, d.w.z. ter vorming van nieuwe woorden dient, die een verwante - onder éen kategorie samen te vatten - betekenis uitdrukken. En die nieuwe woorden zullendan taaleigenschappen bezitten, waardoor ze o.m. hetzelfde ‘woordgeslacht’ hebben als 't woord4), waarvan de analogiewerking uitging.
| | | |
En zo kunnen mettertijd wie weet hoeveel suffixen produktief zijn geworden en wie weet hoeveel woorden taalkundige verschijnselen gemeen hebben gehad, waardoor ze tot éen ‘woordgeslacht’ behoorden, zonder dat de begrippen voor de woorden met die suffixen hoegenaamd enige samenhang hadden met seksueel te onderscheiden levende wezens. Daar dit met de werkelikheid in de indogermaanse talen, van vroeger als van nu, geheel overeenkomt, kan het ‘kunnen’ van zoëven vrij in ‘zijn’ worden veranderd.
Als we b.v. tegenwoordig zeggen: In 't duits zijn de woorden op -heit, -keit, -schaft, -ung vrouwlik, dan wil dat zeggen - om maar de voornaamste taalkundige eigenschap te noemen, die ze tot vrouwlike woorden stempelt -: ze kunnen alle het lidwoord die voor zich hebben. Wie, die bij 't horen van die Wahrheit, die Dankbarkeit, die Freundschaft, die Erwartung, of bij welk woord ook met éen van deze uitgangen, de voorstelling van iets seksueel vrouwliks in 't bewustzijn zou kunnen roepen? Noch dierekt - door de begrippen zelf -, noch ook indierekt - associatief door b.v. die Frau - is daarvan sprake.1)
Noemt men in de duitse spraakkunst een woord als Bank of Last vrouwlik, dan bedoelt men daarmee presies hetzelfde als met de woorden op -heit. -keit, enz. van zoëven. Ook Linde, Eiche, Tanne, e. dgl. heten in de spraakkunst om dezelfde reden vrouwlik. En presies om dezelfde reden heten in de grammatica vrouwlik: Frau, Tochter, Mutter, Stute, Kuh, e. dgl. Want werden deze laatste woorden om een andere reden, en wel om 't seksuele begrip ‘vrouwlik’ genoemd, dan zouden Fräulein, Töchterchen, Weib, Mädchen, Kühlein, e. dgl. ook ‘vrouwlik’ in de spraakkunst moeten heten. En dat is toch in geen enkele grammatica het geval, al had ze ook de verstoktste aanhanger van de teorie van Grimm geschreven. Grimm deed 't trouwens zelf niet.
* * *
Maar, zou men kunnen vragen, is 't dan werkelik ondenkbaar, dat er voor 't minst enkele begrippen van levenloze dingen zijn gepersonificeerd, wat meer zegt, zijn geseksualizeerd?
In de eerste plaats is daarop te antwoorden, dat tussen personificeren en seksualizeren een grote afstand kan liggen en ook meestal ligt. Als b.v. een kind een stoel of tafelpoot, waaraan
| | | | 't zich stoot, personificeert, dan is daarmee nog niet gezegd, dat het seksualizeert.1)
En dan, zeker er werden en worden bij gelegenheid wel levenloze dingen gepersonificeerd, zelfs geseksualizeerd. Maar: de seksualizering, zoals we die in de mythologie en in de kunst kennen, is mischien altijd, zeker bijna altijd op 't taalkundig geslacht van 't woord terug te brengen en niet omgekeerd; d.w.z. de woorden voor die begrippen waren er al, ze hadden dezelfde taalkundige geslachtseigenschappen als prototype woorden voor seksueel duidelik onderscheidbare begrippen, en onder associatieve invloed van de begrippen, die deze prototype woorden uitdrukten, werden nu ook - dus in overeenstemming met het taalgeslacht van de woorden - de begrippen in kunst en mythe geseksualizeerd. (Vgl. het geval, op blz. 180/1 genoemd.). Zo is Selene ‘de maan’ in de griekse mythologie een vrouw, bij de Romeinen Luna evenzo:
| | | | de woorden selene en luna zijn grammaticaal vrouwlik. Maar bij de Germanen is (der) Mond een man, de man of broeder van (die) Sonne als vrouw of zuster, waartegenover bij de Grieken Helios ‘de zon’ als man werd voorgesteld, evenals bij de Romeinen Sol: de beide laatste woorden hebben manlik taalgeslacht. Elke poging, de disharmonie in die seksualizatie uit werkelik seksuele - of uit de door Grimm genoemde (zie blz. 165 hiervóor) - eigenschappen van ‘de zon’ en ‘de maan’ te verklaren, zal toch wel schipbreuk moeten lijden. Was er harmonie in de zo juist genoemde voorstellingen, dan zou een verklaring ten minste niet reeds a priori onmogelik hoeven te zijn, wat bij de bestaande disharmonie toch 't geval is. Een verklaring daarentegen, waarbij 't taalkundig geslacht als 't prius wordt aangenomen, maakt het verschijnsel volkomen duidelik.
Evenzo is zeker Hupnos ‘de slaap’ bij de Grieken als man voorgesteld - de slaap is de broeder van de dood - door de woordvorm, in overeenstemming met b.v. Theos ‘god’, waarvan 't begrip seksueel manlik was.
Op die manier werd blijkbaar meestal, zo niet steeds geseksualizeerd bij personificaties en zo gebeurt 't nog - of wellicht juister: want zo gebeurt 't nog. Zo was bij de Ouden Eros of Amor of Cupido een jongeling of knaap, daarentegen in 't duits heet 't al in de middeleeuwen ‘Frau’ Minne en die Liebe is nog ‘eine Königin’ - alles in overeenstemming met het grammaticaal geslacht van de woorden. Goethe noemt die Phantasie ‘meine Göttin’; waarom niet b.v. ‘einen blühenden Jüngling’, als 't niet onder de middelike invloed van 't woordgeslacht was?1) En waarom wordt engel (vgl. der Engel) nog altijd als een manlik wezen voorgesteld?2)
Denk ook eens aan de vrouwlike beelden voor de ‘vrouwlike’ woorden: justitia, musica, fortuna, enz. Alleen uit kunsttradietie is 't te verklaren, dat die begrippen nog gereld als vrouwen in beeld worden gebracht, ofschoon we spreken van het recht, das Recht, das Glück.
En ook aan Vater Rhein en aan de Donauweibchen kan wellicht in dit verband worden herinnerd (vgl. der Rhein, die Donau).
Zo las ik eens in een wetenschappelik werkje van een jonge man, die blijkbaar een verheven gestemd ogenblik had: ‘Hier zagt nicht nur die Empfindung, nein auch ihr Bruder, der keckere Verstand, bleibt wenige Schritte weiter ratlos stehen.’
Waarom 't vroegere anders voorgesteld als 't nu nog dageliks
| | | | gebeuren kan en gebeurt? De schrijver van 't eind van de 19e eeuw heeft toch waarlik niet die Empfindung naast der Verstand in 't duits ingevoerd? Neen, die woorden waren er al en onwillekeurig was voor hem, toen hij die begrippen door z'n fantazie personificeerde en ze als ‘Geschwister’ zich voorstelde, die Empfindung = ‘die Schwester’ en der Verstand = ‘der Bruder.’1)
En als daarbij nog aan de voor alle tijden en volkeren onomstotelike waarheid wordt herinnerd, dat kunstuiting niet maar zonder meer te identieficeren is met taaluiting, of wel kunstuiting in taal met algemene taaluiting, dat 't eerste altijd iets heel biezonders is tegenover de algemeenheid van 't laatste, dan zal de inwerking van kunstuiting op taaluiting zeker wel - zo er al sprake van kan zijn - als uiterst gering moeten worden gedacht; zodat er ook in dit opzicht niet te denken valt aan een algemene seksualizering van die levenloze dingen, die in een of andere indogermaanse taal met woorden worden benoemd, waarvoor de spraakkunst manlik of vrouwlik geslacht boekstaaft.2)
Dus zo hebben we in 't ontstaan van de grote groepen van ‘manlike’ en ‘vrouwlike’ zelfstnw. wel niets anders te zien als een zuiver psychies-mechanies taalproses (analogiewerking), waarbij alleen voor een zeer gering aantal woorden enig verband met seksueel te onderscheiden begrippen niet onmogelik is; - in tegenstelling met de voorstelling van Jacob Grimm, die 't hele germaanse (en indogermaanse) mensdom oorspronkelik voor zo iets als dichters-in-taal hield. Op deze grimmse poëtiese tijd
| | | | past Michels wel met recht de woorden van Leonore von Este in Goethes Tasso toe: ‘Die schöne Zeit, sie war so wenig als sie ist.’1)
* * *
De hoofdzaak ter kenschetsing van hetgeen onder ‘geslacht in taal’ wel moet worden verstaan, is hiermee afgedaan. Maar overbodig zal 't daarom niet zijn, ook iets te zeggen over het ontstaan van 't onzijdig woordgeslacht, waardoor het wezen van dit taalgeslacht evenzeer zal worden opgehelderd als 't geval was bij het manlik en vrouwlik taalgeslacht, toen de wording daarvan werd behandeld.
A priori kunnen we nu wel veronderstellen, dat dit geslacht evenzeer op psychies-mechaniese wijze zal zijn ontstaan; maar nu natuurlik zonder enige de minste samenhang met de seksuele geslachtsonderscheiding, waarmee echter oorspronkelik enig verband met andere betekenis-kategoriën niet hoeft te zijn buitengesloten.
En inderdaad heeft Joh. Schmidt in Die Pluralbildungen der indogermanischen Neutra (1889) zulk ontstaan zeer waarschijnlik gemaakt. Met een eenvoudig in schema behandeld voorbeeld, ontleend aan Der Formenbau des französischen Nomens van Gustav Körting (1898), hoop ik dit proses voldoende te kunnen verduideliken.2)
De latijnse stam jugo ‘juk’ (een o-stam) verboog oorspronkelik wel, zoals alle manlike zelfstnw. van die vorm:3)
enkv. 1 *jugus, 2 jugi, 3 jugo, 4 jugum.
mv. 1 *jugi, 2 jugorum, 3 jugis, 4 *jugos.
De accus. enkv. drong in de nomin., mischien omdat de acc. meer gebruikt werd dan de nom., mischien ook naar analogie van de oorspronkelike verbuiging van een s-stam als corpus, dat in de nom. en ook in de acc. *corpus luidde, dit laatste om de onmogelikheid van corpus + (accusatief-) m.4) Zodat nu 't enkv. van de stam jugo luidde: 1 jugum, 2 jugi, 3 jugo, 4 jugum.
Een dergelijke gelijkwording van de nom. enk. aan de acc.
| | | | vinden we op pronominaal gebied in 't middeleeuws middelduits, waar in 't vrouwlik enkv. 1 die, 2, 3 der, 4 die al voorkomt in plaats van 1 diu, enz.; in 't nieuwhoogduits bestaat uitsluitend die voor nom. en acc. enkv. vrouwlik, zoals bekend. 't Zelfde geldt van 't bijvoeglnw.
Ook in 't brabants dialekt kan men horen, niet alleen den aannemer is er geweest, maar ook den dokter is er geweest. In 't eerste geval zou n ter vermijding van hiaat kunnen worden verklaard, maar niet in 't tweede voorbeeld, waar wellicht de n naar analogie van de hiaat-n uit 't eerste voorbeeld (en dgl. m.) in de nom. is gedrongen.
Maar om tot jugo terug te keren: Wellicht bestond er naast deze stam een vrouwl. ā-stam, dus *juga, als collectiefbegrip;1) dit werd dan in 't enkv. verbogen: 1 juga, 2 *jugae, 3 *jugae, 4 *jugam.
Dit laatste paradigma werd syntakties met een enkelvoudig werkwoord gekonstrueerd, zoals b.v. ndl. het volk is opgestaan, het vee loopt in de wei, het geboomte staat in volle bloei en had daardoor - en gesteund door de (al is 't ook niet in elk opzicht overeenstemmende) betekenis - grammaticale verwantschap met het ontstane paradigma jugum, enz., waarin de nom. gelijk was geworden aan de acc. Die gelijkwording van nom. en acc., maar hier (wellicht weer onder andere wijzigende, resp. beschermende paradigma-invloeden) acc. gelijk aan nom.2), had nu ook licht in 't paradigma juga plaats, zodat ontstond 1 juga, 2 *jugae, 3 *jugae, 4 juga.
| | | |
En van de andere kant kon nu wegens de ‘meervoudige’ betekenis van dit paradigma licht in de beide andere naamvallen aansluiting aan 't meervoud van jugum plaats vinden, waardoor ontstond: 1 juga, 2 jugorum, 3 jugis, 4 juga.
Zodat nu het volledige paradigma was geworden: enkv. 1 jugum, 2 jugi, 3 jugo, 4 jugum, meerv. 1 juga, 2 jugorum, 3 jugis, 4 juga, dat inderdaad in 't overgeleverde latijn zo voorkomt en in de spraakkunst neutrum heet.
Dit is dus, zoals men ziet, een proses, dat heeft plaats gehad op 't gebied van 't numerus ('t getal) en niet eens op 't gebied van 't genus, laat staan, dat een seksueel begripsgeslacht er mee kon worden in verband gebracht.
Dat nu, na 't ontstaan van enkele neutra op de hier ontwikkelde wijze, de analogie - dit psychies-mechaniese proses - een grote rol begon te spelen, hetzij alleen door de woordvorm, hetzij in verband met bepaalde betekenis-kategoriën, is zeker geen te gewaagde veronderstelling. Denken we maar eens aan de konstante ‘onzijdigheid’ van de zelfstnw. met de zgn. verkleiningsuitgang in 't nederlands en 't duits.
Ten gevolge van een numerus-proses is - en dit mag de mogelikheid van dergelijke taalprosessen nader illustreren - in 't duits die Thräne ontstaan, dat in 't middelhoogd. nog der trahen, der trân (waarmee de nieuwhoogd. vorm der Thran zou overeenkomen heette. Door de betekenis moest wel veelvuldig worden gebruik het meervoud die trahene, die trehene, die trêne (nieuwhoogd. vorm die Thräne). De enkelv. woordvorm kon in vergetelheid geraken door 't zeldzame gebruik ervan, en er ontstond daardoor een zekere syntaktiese onzekerheid of verwardheid, als men nu toch het enkv. begrip wou uitdrukken; dan gebruikte men namelik nu ook het eigenlik meervoudige die Thräne. (vgl. Weihnachten sind en Weihnachten ist schön gewesen: in beide konstrukties hetzelfde Weihnachten!). Maar toen naast: Die Thräne laufen herunter ook Die Thräne läuft herunter gebruikt kon worden, werd blijkbaar na enige tijd die Thräne als vrouwl. enkv. gevoeld wegens het lidwoord en naar analogie van de vele zo gevormde woorden (op -e) en moest daaruit wel volgen het ontstaan van de nieuwe meervoudsvorm: die Thränen.1)
En hiermee genoeg over ontstaan en wezen ook van 't onzijdige
| | | | woordgeslacht.1) Aan enig verband met seksueel begripsgeslacht is daarbij in geen geval te denken en is ook, blijkens de ‘sprekende’ term zelf, nooit gedacht. Als de andere termen (manlik, vrouwlik en ook geslacht zelf) in even goede zin ‘sprekende’ termen waren, dan zouden ze zeker taalwetenschappelik niet zo'n sta-in-de-weg geweest zijn en in zo vele spraakkunsten en bij het onderwijs nog zijn.
* * *
Ook bij de uiteenzetting over het ontstaan van 't onzijdig geslacht kon, zoals we zagen, de betekenis niet geheel buiten beschouwing blijven. Maar de inwerking ervan was toch slechts een middelike en de hoofdfaktor in die ontwikkeling was duidelik de vorm. Bovendien was 't de betekenis-kategorie ‘veelvoud’ (meestal met de grammaticale kategorie ‘meervoud’ korresponderend) en geensins een seksuele betekenis, die in aanmerking kwam.
Iets dergelijks was bij 't verloop van der Trahen tot die Thräne waar te nemen.
En zo kan in meer gevallen een of andere betekenis-kategorie blijkbaar ingewerkt hebben op 't ontstaan, of liever op 't verloop van de woordgeslachten, zoals ons die in historiese tijd, dus ook tegenwoordig, bekend zijn. Een paar voorbeelden mogen hier volgen.
In 't frans is été manlik; maar 't latijnse aestatem2), waaruit été is ontstaan, was vrouwlik. In 't algemeen zijn de woorden van gelijke vorming als aestatem (zoals veritatem e.a.) ook in 't frans vrouwlik gebleven. Dat été daarop een uitzondering vormt, is wel niet anders denkbaar dan door de invloed van de nauwe verwantschap van z'n betekenis met die van de manlike woorden printemps en hiver (en automne?). Zei men b.v. Le dernier printemps a été beau, dan kan licht daarop zijn gevolgd: Et le dernier été aussi, of: Et l'été a été beau aussi, i. pl. v. la en belle.3)
Zuiver taalkundig, dus als een abstractie, los van de menseziel, is taalwording onmogelik. Hieraan dient men steeds indachtig te
| | | | zijn, ook al blijft kortheidshalve gewoonlik de psychologiese faktor in taalwording ongenoemd. Daarom heb ik hier een interpretatie gegeven van een taalkundige formulering als b.v. ‘été, féminin en latin, devient masculin d'après printemps, hiver.’ (Vgl. Arsène Darmesteter, Cours de Grammaire historique de la langue française, Deuxième Partie, 1894, blz. 56). Bij Thräne (blz. 184) deed ik al iets dergelijks. Zonder meer of min veelvuldig gebruik van de prototypen in werkelike taaluiting (dus in syntaksiaal verband), m.a.w. alleen door begripsverwantschap, zijn analogievormingen toch wel niet denkbaar.1)
In 't nederlands kennen we de diernamen de schildpad, de hermelijn, de bever; maar daarnaast de stofnamen: het schildpad, het hermelijn, het bever, wat zeker niet uit de vorm van die woorden is te verklaren, want die is in beide gevallen gelijk. 't Ligt voor de hand, dat begripsverwantschap met het hout, het goud, het ijzer van invloed bij 't ontstaan van 't onzijdig geslacht moet zijn geweest (resp. nog is). Zo ook kan worden herinnerd aan de stofnamen: het diamant, het doek, het draad, het hoorn, (of horen), het kurk naast de voorwerpsnamen: de diamant, de doek, de draad, de horen (of hoorn), de kurk (vgl. de stok, de das, de jas, de hoed, de naald, enz.)2).
En zo zouden er meer voorbeelden uit de indogermaanse talen zijn te noemen. Maar, al kan voor 't geslacht van enkele woorden of woordgroepen een of andere betekenis-kategorie - hetzij dan ‘seksueel geslacht’, hetzij ‘het kleine’ of ‘de jaargetijden’, of welke kategorie ook - van middelike invloed zijn geweest, eventueel nog zijn, tegenover de vèroverwegende invloed van de vorm (= vorming) op wording en verloop van 't taalgeslacht komt dat niet zeer in aanmerking.
Wat duidelik is waar te nemen in samenstellingen als die
| | | |
Kaisereiche evengoed als die Eiche (niettegenstaande der Kaiser), der Birnbaum evengoed als der Apfelbaum (niettegenstaande die Birne) is prinsiepiëel van toepassing op suffixen.
En daarom heet 't ook die Eiche, die Linde, die Birne, die Woche, die Liebe, alles omdat die woorden op e uitgaan. Om dezelfde reden, dus om de vorm, zijn als regel de latijnse neutra in 't frans manlik, als ze in de enkelvoudige vorm tot franse woorden zijn geworden, en vrouwlik, als ze in de meervoudige vorm die overgang hebben doorgemaakt.1) En zo kan in 't algemeen van 't frans worden gezegd, dat 't als regel ‘ganz mechanisch’ naar de vorm twee soorten van zelfstnw. onderscheidt: ‘Substantiva auf -e, welche den Artikel la, bezw. die Adjectivform auf -e zu sich nehmen, und Substantiva irgend welcher anderen Endung, welche mit dem Artikel le und mit der nicht auf -e ausgehenden Adjectivform sich verbinden’.2) Daarom is poudre en cendre, ofschoon de korresponderende woorden in 't latijn manlik waren (: pulvis acc. pulverem en cinis acc. cinerem), evengoed vrouwlik als rose en table, die hun geslacht van uit 't latijn hebben behouden.
* * *
Zo zijn dan nu op 't gebied van 't geslacht in taal bij de uiteenzetting van de teorie van Brugmann, met behulp ervan en erop voortbouwende, enkele gevallen verklaard. En met die teorie is de verklaring van nog heel wat meer gevallen gegeven, terwijl ze de ideële mogelikheid voor verklaring ook van tot nu toe onverklaarbare gevallen biedt. Dit laatste moet voor ieder duidelik zijn, die overtuigd is van de prinsiepiële juistheid van genoemde teorie.
En als er nu in moderne indogermaanse talen, waarin taalkundige geslachtsonderscheiding duidelik bij 't zelfstnw. waar te nemen is, geen regels voor 't geslacht van heel wat woorden zijn te vinden of als er uitzonderingen moeten worden gekonstateerd, dan kan in 't gunstigste geval de geschiedenis van die woorden eerst de vereiste opheldering geven over hun vorm (resp. vorming), omdat er door de tijd heel wat suffixen - hoofdzakelik onder invloed van klemtoon - òf met andere tot éenzelfde suffix geworden òf geheel verdwenen zijn. En wanneer ook na 't raadplegen van de taalgeschiedenis 't geslacht van vrij wat woorden nog onverklaarbaar
| | | | is, zo is dit nog geen reden om in een hypotheze heil te zoeken, die ‘auch nicht den Schatten einer Möglichkeit’1) ter verklaring biedt. Met de prinsiepiële onhoudbaarheid van zo'n hypotheze vervalt ook z'n waarde voor de metode van onderzoek. Metodiese onderzoekingswaarde van een hypotheze of teorie heeft tot voorwaarde prinsiepiële juistheid: beide hoedanigheden zijn onafscheidelik met elkaar verbonden. Eerst waar men zich overtuigd mag houden van de prinsiepiële juistheid van een hypotheze - wat weer afhankelik is van de omvang en diepte van kennis -, kan de hoop worden gekoesterd, dat een ‘ignoramus’ van de vorsers niet tevens een ‘ignorabimus’ zal zijn.
't Spreekt vanzelf, dat ‘het ontstaan van 't woordgeslacht’ in de striktste zin van 't woord evenmin kan worden verklaard als ‘het ontstaan van taal’: de oorsprong der dingen is niet te verklaren.
En zodra er in de taalwetenschap met behulp van de psychologie iets te verklaren valt, gelden de woorden van Wundt (Völkerpsychologie I 2, blz. 584): ‘die Voraussetzung eines Zustandes, in welchem der Mensch nicht nur der Sprache, sondern, was damit notwendig gegeben wäre, auch aller der Eigenschaften entbehrt hätte, aus denen sie hervorgehen musste, eine solche Voraussetzung ist für sie [: die Psychologie] eine leere Fiction, mit der sich nichts anfangen lässt, well sie [: die Voraussetzung] die Bedingungen beseitigt, mittelst deren die Existenz der Sprache überhaupt zu begreifen ist. Kann die Sprachpsychologie nur innerhalb der Sprache ihren Standort wählen, indem sie die thatsächlichen Entwicklungsformen derselben psychologisch zu analysiren und zu interpretiren sucht, so gibt es aber für sie ein besonderes, von dieser Untersuchung abzuscheidendes Ursprungsproblem überhaupt nicht.’
Er is dan ook alleen getracht, uit het voorhanden taalmateriaal - of uit zulk materiaal, dat door wetenschappelike reconstructie als eenmaal bestaan hebbend kon worden aangenomen - met behulp van de psychologiese metode de faktoren voor geslachtswording in taal op te sporen. Daarvoor was 't nodig als axioma aan te nemen - zolang de taalverschijnselen daarmee niet in tegenspraak kwamen; en dit gebeurde inderdaad niet -, dat in 't algemeen de psychiese faktoren, die nu werken of werken kunnen, ook vroeger hebben kunnen werken: alleen de biezondere uitingen in taal zijn naar tijd en volk verschillend. Maar van 't bekende,
| | | | dat is van 't tegenwoordig waarneembare, moest worden uitgegaan. En evengoed als we zagen, dat er tegenwoordig in taal geen geslachtsonderscheiding hoeft te bestaan bij de zelfstnw. ('t engels!), kan dit worden aangenomen voor een vroegere tijd; en het taalmateriaal scheen zelfs die veronderstelling noodzakelik te maken. M.a.w. ‘geslacht in taal’ is een secundaire, geen primaire, dus geen inherente eigenschap van taal. Maar waar ‘geslacht in taal’ eenmaal was waar te nemen, daar moesten de psychiese faktoren voor de wording ervan worden opgespoord.
Die faktoren werken blindelings en over 't geheel onbewust - dit laatste in de alledaagse betekenis van 't woord te nemen -. Alleen wanneer 't taalgevoel reageert tegen ongewone taaluiting of bij zgn. onzekerheden in taaluiting en bij 't ontstaan van nieuw taalmateriaal kan het onbewuste min of meer bewust worden - wat vanzelf niet in de betekenis van taalwetenschappelik bewust is op te vatten. En juist uit zulke gevallen, waarin dus de ziel als 't ware in beroering, in actie komt, zijn de psychiese faktoren te putten.
Maar afgezien van zulke gevallen, neemt elk mensegeslacht het taalmateriaal van een vroeger geslacht over, zonder dat daarbij de psychiese faktoren in actie komen, die eenmaal bij 't ontstaan ervan gewerkt hebben: dus geheel op psychophysies-mechaniese wijze. 't Oerindogermaanse kind kreeg evengoed het toen voorhanden taalmateriaal kant en klaar van zijn ouders en omgeving als het tegenwoordige.
Er is alleen rekening te houden met de feitelike taaltoestand: waar geen ‘geslacht in taal’ bestaat, kan 't ook niet worden verklaard; alleen eventueel voor z'n verdwijning kan men trachten een verklaring te geven. En dit laatste gebeurt dan ook inderdaad evengoed als voor 't verschijnen ervan.
Om aan te tonen, dat de muren, die op de jongste hypotheze zijn opgetrokken, steviger psychiese grondslagen hebben als die van 't geslachtspaleis van Jacob Grimm, is in het voorafgaande het oogmerk steeds hoofdzakelik op prinsiepiële uiteenzettingen gericht geweest, zowel bij de behandeling van wat onder ‘geslacht in taal’ is te verstaan als bij de verklaring van de wording ervan - resp. z'n verdwijning (zoals 't latijnse neutrum) -.1) Voor- | | | | beelden in 't biezonder kan ieder naar believen en uit elke hem bekende indogermaanse taal en taalperiode vermeerderen; evenzo groepen van voorbeelden, die biezondere gevallen in 't grote geheel vormen.
En staat men dan - door de duisternis, waarin de geschiedenis van 't woord, resp. van de wording en verwording van 't suffix is gehuld, of ook wegens het weinige taalmateriaal - niet zelden voor een non liquet, zo kan de aanhanger van de nieuwste teorie zich al dadelik daarmee troosten, dat ook Jacob Grimm niet alles in biezonderheden kon verklaren. Bovendien kan hij uit inzicht overtuigd zijn en blijven, dat de prinsiepiële juistheid van deze teorie door die onvolkomenheden in de historiese taalkennis volstrekt niet wordt aangetast.
‘Nog viel bleibt ruhigem Fleisse zu thun und manches Wirrsal zu klären. Aber hoffen dürfen wir, dass sich die heutige Forschung in richtigen Bahnen bewegt’, schreef Michels een tiental jaren geleden (in Germania 36, blz. 135). Op de laatste passus in die uitspraak komt 't aan. En daar de toen geuite hoop tot nu toe niet teleurgesteld is, mogen de ‘richtigen Bahnen’ tegenwoordig aan de taalman, ook al is hij geen taalvorser, niet meer geheel vreemd zijn.
Als dit artiekel deze en gene belangstellende baanwijs mocht hebben gemaakt, zou 't doel ervan bereikt zijn.
J.G. Talen.
|
1)Ik verwijs hier o.m. naar Pauls Grundriss der germanischen Philologie I (1891), blz. 681, waar Jan te Winkel in z'n ‘Geschichte der niederländischen Sprache’ zegt: ‘Dadurch ist in der Umgangssprache der Unterschied zwischen männl. und weibl. erloschen..... Nur für das sächliche Geschlecht mit dem abweichenden Artikel het hat der Niederländer noch Gefühl.’ Evenzo in de 2e uitgaaf (Sonderabdruck) van 1898, blz. 872.
2)Dat in 't frans het neutrum van vroeger (d.w.z. van 't latijn) niet meer bestaat en daarentegen de noorse talen en 't nederlands het vroegere onderscheid tussen masculinum en femininum niet meer kennen, is hier van geen belang.
1)Het tegenwoordig heersende gebruik van lidwoorden is eerst in latere eeuwen ontstaan. Hetzelfde geldt van de romaanse talen; 't latijn kent nog geen lidwoorden. 't Grieks daarentegen kende al 't bepalend lidwoord.
‘Lidwoord’ gebruik ik hier en in 't volgende als regel voor ‘bepalend lidwoord’ en ook gewoonlik voor ‘lidwoordsvorm’, als de duidelikheid er niet onder lijdt.
1)Ik schrijf geen woordeboek-artiekel over 't woord geslacht; daarom ga ik de betekenissen van dit woord, hetzij die uit 't dageliks leven, hetzij die op enig wetenschappelik gebied, met stilzwijgen voorbij, wanneer ze geen waarde hebben voor de verduideliking van 't begrip ‘geslacht in taal.’
1)Over het gebrekkige van onomatopoietiese taaluitingen ten opzichte van de wezenlike gelijkheid van die uitingen en de geluiden zelf, vgl. o.a. W. Wundt, Völkerpsychologie I l, blz. 253, noot 2 en de daarbij behorende tekst op blz. 251/4.
1)In 't Woordenboek der Nederlandsche taal van de Vries, X, kol. 2239, kan men lezen, dat deze grammaticale term 'eerst in het begin der 18 de eeuw in gebruik gekomen' is en ze 't eerst gebruikt werd door A. Moonen in z'n Nederduitsche Spraekkunst van 1706. Aan onzijdig ging generley of geenderley (letterlike vertaling van 't latijnse neutrum) als term vooraf.
2)Vgl. wat Jacob Grimm daarover zegt, aangehaald hierna op blz. 152 noot 4.
3)In 't voorbijgaan wil ik nog even wijzen op de onderscheiding van een bedrijvend, lijdend en mediaal geslacht op 't gebied van de werkwoorden, waarbij evenwel verwarring met seksueel geslacht niet te vrezen is; evenmin als b.v. bij de onderscheiding van manlik en vrouwlik rijm op 't gebied van de versleer, ofschoon hier de geslachtsnamen in klank weer geheel overeenkomen met de seksuele geslachtsbenamingen. De enig mogelike en inderdaad bestaan hebbende (en nog bestaande) verwarring van seksueel geslacht met woordgeslacht is geweest op 't gebied van het zelfstandignaamwoord (resp. voornaamwoord).
1)Zie Deutsches Wörterbuch von Jacob u. Wilhelm Grimm op Geschlecht, 4. Bd. 1. Abt. 2. Teil, kol. 3910. - 't Franse genre en 't engelse gender mogen hier in 't voorbijgaan worden genoemd.
2)Ik mag hier wel verwijzen naar m'n opmerking in T. & L. VII, blz. 27/31.
3)En toch heeft Grimm zelf door z'n geslachtsteorie zo zeer tot die verwarring meegewerkt!
4)Met 't nederlandse
kunne, dat etymologies met 't genoemde gotiese en oudhoogd. woord overeenkomt, zou de moeilikheid volstrekt niet zijn opgeheven, omdat het in betekenis ook weer met ‘sexus’ overeenstemt.
1)Nog eens veroorloof ik me, aan T. & L. VII 27/31 te herinneren. - Het zondigen tegen dit metodies prinsiep heeft ook in de ‘lagere’ wetenschap de verderfelikste gevolgen. - En wat zo juist van 't ongelukkige woord ‘geslacht’ gezegd is, geldt evenzeer van de termen ‘manlik’, ‘vrouwlik’ (en ‘onzijdig’). Ook Wundt ( Völkerpsychologie I 2, 21) maakt de opmerking, dat ‘die alten grammatischen Bezeichnungen des “Masculinum, Femininum und Neutrum” entschieden ungünstig auf die Erkenntnis [des] ursprünglichen Sinnes [derselben] gewirkt’ hebben.
2)'t Is geheel onnodig in 't volgende alleen met het lidwoord te opereren, te meer, omdat er in onze taal geen verschillende lidwoordsvormen ter onderscheiding van 't zogenaamd manlik en vrouwlik woordgeslacht zijn. - Er wordt trouwens in al 't volgende over het taalkundig begrip ‘geslacht’ heel in 't algemeen gehandeld, waarbij 't niet mogelik zou zijn, alleen door lidwoordvoorbeelden te bewijzen of te verduideliken. Toch zal alles dienen ter verklaring van 't geslacht van het zelfstnw. 't Geslacht van de voornw. (in de eerste plaats de persoonlike) met betrekking tot de door hen aangeduide begrippen zal door me worden geraadpleegd, waar ik dit voor nodig houd, maar kan hier niet een onderwerp voor biezondere behandeling zijn: daarvoor verwijs ik naar Kollewijn in T. & L. V, blz. 217/28 en naar enkele regels in Pauls Prinzipien der Sprachgeschichte 1898 2, blz. 246/7. Dat de voorbeelden ook niet tot onze taal kunnen beperkt worden, zomin als tot de tijd, waarin wij leven, spreekt eveneens vanzelf.
1)Deze en de daarmee te vergelijken volgende groep van duitse zelfstnw., die ter aanduiding van 't seksueel vrouwlike begrip door bepaalde
suffixen van andere zelfstnw. zijn gevormd, die (meestal) seksueel manlike begrippen benoemen, heten in de taalwetenschap ‘gemoveerde feminina’. Zie nog blz. 156 en 157 noot 1.
2)In 't nederlands is een dergelijke redenering niet mogelik, omdat daar geen ‘manlik’ en ‘vrouwlik’ door 't lidwoord wordt onderscheiden. Hier kan alleen worden waargenomen, dat broertje en zusje, koninkje en koninginnetje, onderwijzertje en onderwijzeresje, enz. het lidw. het verlangen, en niet, zoals broer en zus( ter), koning en koningin, enz. met de kunnen worden gezegd.
3)Dat het bepalend lidwoord uit 't aanwijzend voornw. is ontstaan (resp. uit aanwijzend en persoonlik voornw., zoals in 't nederlands; vgl. o.a. Jan te Winkel ‘Gesch. der niederl. Sprache’ in Pauls Grundriss 1891, blz. 677; 1898 2, blz. 866), is geen reden, om 't hier niet als iets spraakkunstig zelfstandigs te behandelen.
4)Vgl. J. Grimm, Deutsche Grammatik III (1831), blz. 311: ‘Das geschlechtsverhältnis haftet nirgends dauernder als am pronomen der dritten person, gewissermassen einem typus für die ganze declination. Dialecte, in welchen sich die genusformen zumeist abgeschliffen haben, wie der
dänische und englische, bewahren sie daher noch wenigstens in dem pronomen han, hun, det, he, she, it’. - Vgl. ook Kollewijn, T. & L. V, blz. 219/20.
5)Omdat de andere voornw., die in 't duits drie geslachten onderscheiden kunnen, in 't nederlands, analoog aan 't lidw., maar twee vormen kennen, dus daardoor al geen ‘manlik’ en ‘vrouwlik’ kunnen aanduiden.
1)Dat verkleinwoorden ook heel anders gevormd kunnen worden, zien we b.v. in 't latijn, waar de verkleiningsuitgang in drie vormen voorkwam, (- lus, - la, - lum), al naar gelang 't grondwoord manlik, vrouwlik of onzijdig was, zodat het geslacht van 't verkleinwoord daar hetzelfde was als dat van 't grondwoord.
2)Aan ‘het kleine’ ook bij levenloze dingen, dus op een terrein, waar aan seksuele geslachtsonderscheiding niet te denken valt. Maar dit geval heeft geen waarde voor m'n bewijsvoering.
3)In 't voorbijgaan wil ik hier even wijzen op een begrip, dat, hoewel zonder uitwerking op de woordvorm, toch
het woordgeslacht verandert. Het is 't begrip ‘verachting’, dat z'n uitdrukking vindt in dat heer bij ons en in das Mensch (voor een vrouw) in 't duits. 't Geval is zeldzaam, maar merkwaardig genoeg, omdat het, met andere weinige gevallen (zie blz. 156 ( aide) en blz. 186 ( schildpad, enz.)) bewijst, dat sommige begrippen - of juister: begripskategoriën - dierekt, d.w.z. zonder verandering van woordvorm, op het woordgeslacht van invloed kunnen zijn; dubbel merkwaardig, omdat aan analogiewerking wel niet te denken valt: ik ken ten minste geen prototype.
1)Hier kan al weer de vrouw niets pozitiefs bewijzen, wegens de gelijkheid van lidwoord ( de) bij zelfstnw. zowel voor seksueel manlike als vrouwlike begrippen.
2)Is een negatief bewijs, te vergelijken met het wijf. Vgl. laatste noot.
Niet meer zo sterk sprekend, maar psychologies daarom niet geheel van onwaarde, zijn voorbeelden als de volgende: Een vrouw kan zeggen: Ik ben hier de baas. Maria Stuart zegt in de beroemde parkscene tot de omgeving van koningin Elizabeth:
‘Regierte Recht, so läget ihr vor mir
Im Staube jetzt, denn ich bin euer König.’
3)Hier mag er aan worden herinnerd, dat in 't frans enfant in 't enkelv. verband kan houden met het seksuele begripsgeslacht, maar in 't meerv. in geen geval, b.v. Charles est un enfant soumis. Marie est une enfant soumise. Maar: Marie et Louise (evenals: Charles et Jean, of: Charles et Marie) sont de bons enfants. 't Begrip ‘kind’ heel in 't algemeen drukt 't frans uit door 't manlike un enfant (b.v. Jouer comme un enfant.)
1)In 't frans bestaat in 't meervoud onderscheiding van manlik en vrouwlik geslacht op pronominaal gebied ( ils, elles; ceux, celles, enz.), in 't nederlands nauwliks (sporadies haar, ' r, d'r naast hun), in 't duits en engels niet. 't Onzijdig geslacht, dat in 't frans helemaal niet voorkomt, wordt nergens in 't meervoud uitgedrukt.
2)Vgl. Wundt, V ölkerpsychologie I 2, blz. 420.
1)Vgl. blz. 152, noot 1. -
Voor 't tegenovergestelde taalverschijnsel ( man naast vrouw, vader naast moeder, stier naast koe e. dgl., benevens nog andere gevallen als beter naast goed, vergeleken met mooier naast mooi e.a. m) tracht Hermann Osthoff de benaming in te voeren ‘Suppletiverscheinung’ of samenvattend: ‘Suppletivwesen’. Zie Hermann Osthoff, Vom Suppletivwesen der indogermanischen Sprachen, Heidelberg 1900.
2)Suppletiverscheinung! Zie vorige noot.
3)Hier kan ik natuurlik weer nederlandse voorbeelden geven.
3)Hier kan ik natuurlik weer nederlandse voorbeelden geven.
1)Een zogenaamd zuiver taalproses is vanzelf in z'n wezen ook van psychiese aard - de phyziologiese faktor, zoals die bij klankwijzigingen in aanmerking komt, blijft in de materie ‘geslacht in taal’ als niet bestaande verzwegen -; maar de term drukt uit, dat de materiële begrippen langs psychiese weg er niet op influenceren, dat het dus een geheel formeel proses is.
1)Vgl. Lambert ten Kate, Aenleiding tot de Kennisse van het Verhevene deel der Nederduitsche Sprake I blz. 396, aangehaald hierna op blz. 160.
1)Uit de voorrede tot de Altgermanische Metrik van Ed. Sievers 1893.
2)En graanhandelaar? Vgl. Lambert ten Kate door Dr. A. van der Hoeven, blz. 3.
3)Zo wordt het aantal in de ‘Inhoud’ opgegeven.
4)Vgl. hiervóor blz. 159 noot.
1)‘Rakende den Oorspronk der Geslagten bij de Naemwoorden die uit haer Natuer geene Kunne erkennen’, zoals aan de rand van blz. 397 staat opgetekend.
1)Ik weet wel, dat er geen grens kan worden getrokken tussen begrippen, die ‘dichterlik’ kunnen zijn en zulke, die 't niet kunnen zijn. 't Aannemen van ‘ondichterlike’ begrippen draagt daarom een aprioristies karakter. Maar toch zal 't wel niet moeilik vallen om in 't biezonder begrippen te noemen, die hetzij met zekerheid, hetzij met grote waarschijnlikheid als ‘ondichterlik’ kunnen worden aangemerkt.
2)Aangehaald in de Litteraturgeschichte des achtzehnten Jahrhunderts von Hermann Hettner 1879 2, 5 e deel, blz. 61, waar een korte, maar treffende waardering van Herder als heraut van de moderne taalwetenschap voorkomt.
3)Aangehaald in de Geschichte der Germanischen Philologie von Rudolf von Raumer, 1870, blz. 279.
1)Vgl. hiervóor blz. 159. - Ook mag hier de volgende opmerking een plaatsje vinden: ‘Entweder ist das geschlecht natürlich oder bloss grammatisch. Bei dem unselbständigen, sich immer auf ein subst. beziehenden adj. und pronomen kann überall nur von dem grammatischen die rede sein.’
1)Door Grimm uitdrukkelik vermeld op blz. 345 met verwijzing in een noot naar: ‘G. de Humboldt sur la nature des formes grammaticales et sur le génie de la langue chinoise. Paris 1827. p. 12. 13.’ - Overigens is de verdienste van Wilhelm von Humboldt op dit gebied van geen betekenis; vgl. Victor Michels in Germania 36, blz. 135/6.
2)En dit gebeurt nog. Zo zegt o.a. een bekend frans ‘grammairien’, E. Bourcier, in La Simplification de la syntaxe française (Revue des Lettres françaises et étrangères, Oct.-Déc. 1900): ‘Je n' apprendrai rien à personne en disant que notre langue est une de celles qui ont poussé le plus loin l'analyse de la pensée’. Dr. Salverda de Grave, die deze woorden in De Nederl. Spectator 1901, no. 4, aanhaalt, laat er terecht op volgen: ‘De taal is dus een denkend wezen!!’ -
Nog een voorbeeld van Grimms bedenkelike opvatting is, wat op blz. 344 voorkomt: ‘Das natürliche geschlecht umfasst eine, im vergleich zu den übrigbleibenden, sehr geringe anzahl von wörtern. Bei den meisten und den ihnen zum grund liegenden begriffen konnte die sprache gar keine wirklichen geschlechtsverhältnisse wahrnehmen, oder es muste ihr selbst da, wo sie noch wahrnehmbar waren (wie bei vielen thiernamen, denen man bloss grammatisches geschlecht zuschreiben darf), wenig daran gelegen sein, sie physisch hervorzuheben.’
3)Niettegenstaande zijn opmerking, hiervóor op blz. 150 geciteerd.
4)‘Ausdrücke für das höchste wesen, die götter und göttlich verehrten elemente und naturerscheinungen.’ (blz. 348).
1)‘Anderen sprachen geht.... das.... neutrum ab, namentlich der.... celtischen, litthauischen and sämmtlichen romanischen. Sei es, dass sie diese form entweder.... nie entwickelt, oder, wie die romanischen, fahren gelassen haben.’ (blz. 313); en op blz. 548: ‘Nicht allein der roman. sprache, auch den celtischen (galischen), litthauischen.... gebricht das neutrum. Ob es ihnen stets gemangelt hat, oder anfänglich eigen war und erst später verloren ging? verdient geprüft zu werden.’
Grimm beperkte zich in hoofdzaak tot 't germaans.
1)Ik doel hier op de verscheidenheid van kenmerken, die door Grimm worden opgesomd (z. blz. 165 hiervóor).
2)Zie hiervóor blz. 164/65.
4)De opvatting van Lambert ten Kate, dat eigenlik het neutrum bij alle namen van levenloze begrippen te verwachten was, had zeker meer raison d'être als de gewrongen verklaring van Grimm. - Hier mag ook nog een plaatsje vinden, wat Grimm op blz. 315 zegt: ‘urbedeutung des neutrums scheint, dass es die unentwickelung des geschlechts, nicht gerade geschlechtslosigkeit bezeichne. Daher wird das junge, dessen geschlecht sowohl männlich als weiblich sein kann, sich aber noch unwirksam darstellt.... durch das neutrum ausgedrückt.’ Zeker een niet minder gewrongen verklaring als de zoëven aangehaalde in de tekst.
1)Hier horen we dus iets puur over de vorm, zoals later ook bij de abstracta (vgl. hierna blz. 168
2)Als in 't lat. dit volgt uit 't vrouwlike arbor, dat ‘er steeds bij gedacht kon worden’, hoe moet dan de verklaring wel luiden voor 't duits met z'n manlike ‘Baum’? Wat op de ene taal past, is daarom nog niet op een andere van toepassing, kan worden geantwoord. Dat is juist. (Vgl. blz. 171, noot 2.) Maar is 't dan werkelik bewijsbaar waar, wat van 't latijn wordt gezegd, of is 't mischien maar een soi-disant verklaring? Er is al van m'n leven zoveel met een franse slag uitgemaakt op 't gebied van taal! Vgl. Delbrück in de Grundriss der Vergleichenden Grammatik van Brugmann en Delbrück III, blz. 91.
3)Jacob Grimm 1885 2, blz. 217/8.
1)namelik de fantazie - wat zeker als zodanig wel weer een psychologiese onmogelikheid mag worden genoemd, maar waarin overigens een kiem van waarheid ligt opgesloten, die eerst in de brugmannse teorie tot een plant zou opschieten.
2)Brugmann und Delbrück, Grundriss der Vergleichenden Grammatik, III 1, blz. 97.
1)Vgl. aan 't slot van de verhandeling ( Beiträge 15, blz. 530).
2)Vgl. de noot op blz. 165 en Michels, Germania 36, 124.
3)Brugmann und Delbrück, Grundriss der Vergleichenden Grammatik III 1 (1893), blz. 98. - Trouwens Grimms gebouw is voor een zeer gewichtig gedeelte (de abstracta!) ook maar op zand gebouwd, om van Grimms standpunt te oordelen. Voor ons heeft natuurlik deze vleugel juist de stevigste grond onder zich. Vgl. noot 1 op blz. 168 hiervóor.
4)Aan 't slot van 't artiekel in Techmers Zs. (blz. 109).
1)Reeds 1889 in druk verschenen. Die 2 e bd. kwam in 2 helften uit, waarvan het gezamenlike tietelblad 't jaartal 1892 (toen de 2 e helft verscheen draagt. 't ‘Vorwort’ bij de 1 e helft is zelfs al op 1 Oktober 1888 afgetekend.
2)Zie Germania 36 (1891), blz. 121.
1)De pronomina zouden eerder als de substantiva een geslachtsonderscheiding hebben gehad. ‘Die nomina bedürfen weniger eines grammatischen geschlechtes als die pronomina. Sie haben.... ihren substantiellen wurzelsinn, den die pronomina, welche nur beziehungen andeuten, entbehren. Deshalb ist das geschlechtliche unterscheidungs- oder verdeutlichungsbedürfuiss an den beziehungsworten auch zuerst zum ausdruck gekommen’. Henning, t.a. pl. blz. 414.
2)Die voor de indogermaanse talen natuurlik niets dierekt bewijzen. Ze kunnen alleen steun geven aan een verklaring op indogermaans gebied, door te laten zien, hoe iets ontstaan zijn kàn. (Vgl. Joh. Schmidt, Die Pluralbildungen der indogermanischen Neutra, blz. 11 en hiervóor noot 2 op blz. 167.)
3)V. Michels, Germania 36, blz. 121.
1)Vgl. hiervóor blz. 165.
2)De begripskategorie ‘kleiner’ vinden we b.v. wel functioneel in de verkleiningsuitgangen, zoals in mannetje, vrouwtje, hondje, tafeltje, steentje, leugentje, aardigheidje. Zo kunnen als regel van alle zelfstnw. verkleinwoorden worden gevormd, als 't begrip daartoe aanleiding geeft. - Dat die uitgang van verkleinwoorden ook wel eens andere functies kan hebben, (b.v. 't uitdrukken van ‘lief’, ‘bemind’) en soms ook wel eens helemaal geen meer (b.v. meisje tegenover jongen, 't duitse Kaninchen) merk ik in 't voorbijgaan op, en verzwakt geensins het karakter van die uitgang als verkleiningsuitgang.
3)Zie voor de betekenis van deze term blz. 174.
1)Ik waag hier de veronderstelling, dat zelfs zulke woorden alleroorspronkelikst wel geslachtsloos moeten zijn geweest in de zin van: dat iets seksueels in betekenis daarmee zou zijn verbonden, evengoed als dit nòg 't geval is, wanneer kinderen (beneden de puberteitsjaren zeker!) de woorden moeder of vrouw uitspreken. Dit laatste is een psychologiese waarheid, waaraan niemand kan twijfelen. En zou 't - zonder daarmee het stikdonkere gebied, dat ‘de oorsprong van de taal’ heet, te betreden - te gewaagd zijn aan te nemen, dat in geen geval de volwassenen alleen, maar wel degelik ook de kinderen tot het ontstaan van taal in de volledige betekenis van 't woord hebben meegewerkt en nog meewerken? Zo kan immers een kind van zekere leeftijd, dat al van z'n omgeving heeft overgenomen tafeltje, stoeltje, boekje, hondje, poesje, enz. enz., voor de begrippen ‘ kleine tafel’, kleine stoel’, enz., zeer goed op een gegeven ogenblik spreken van een oliefantje, dat 't voor 't eerst naast een grote oliefant in de diergaarde ziet, zonder oliefantje ooit van z' omgeving te hebben gehoord. (Of wil men liever, omdat oliefantje al een bestanddeel van onze taal is, ‘het ontstaan van taal’ aanvullen met
‘resp. de instandhouding van taal’? Prinsiepiëel maakt dit hier geen verschil.) 't Begrip ‘klein’ is aanwezig in 't bewustzijn van 't kind van reeds jeugdige leeftijd. Maar 't begrip ‘seksueel geslacht’ wordt 't kind bij lange na niet zo vroeg bewust als 't begrip ‘klein’ en 't is zelfs bij volwassenen in 't algemeen nooit zo intensief bewust als 't dierekt in de ogen springende begrip ‘klein’.
Waaruit ik de konkluzie meen te mogen trekken, dat de mens jaren lang (als kind) over een aardig tal alledaagse woorden beschikt voor seksueel te onderscheiden wezens, zonder dat die seksuele onderscheiding in de ziel, in 't bewustzijn nog plaats heeft gehad. Een jong kind onderscheidt vader en moeder, broer en zus, oom en tante, man en vrouw, jongen en meisje waarlik niet seksueel, maar naar heel andere als seksuele kenmerken.
Wie 't hiermee eens is, zal in de tekst ‘sprekend indieviedu’ opvatten als ‘sprekend indieviedu boven zekere jaren’ en hij zal ook dan nog ‘de levendigheid van 't bewustzijn van seksueel geslacht’ zeker niet overschatten.
Wat ik aan 't begin van deze noot op psychologiese gronden veronderstelde, vindt blijkbaar steun van zuiver taalkundige zijde, want ‘das geschlecht war ursprünglich in der sprache nicht vorhanden, was daraus hervorgeht, dass die ältesten weiblichen ausdrücke [die verwandtschaftsnamen] keine geschlechtszeichen an sich tragen’, zegt Fr. Müller in z'n Grundriss der Sprachwissenschaft III 2 (1887) blz. 526, aangehaald door Henning t.a.pl., blz. 402, waar tevens is opgegeven, dat reeds Schleicher in z'n Compendium der Vergleichenden Grammatik der indogermanischen Sprachen 1861/2 (1876 4) aannam en ontwikkelde, ‘dass in einer ältern sprachepoche der idg. ursprache das genus ohne bezeichnung war und erst im laufe der zeit durch secundäre hilfamittel die genera am nomen gesondert wurden.’
1)Voor de taaleigenschappen zouden in 't duits betere vergelijkingen kunnen worden gemaakt; b.v. ( die) Muhme en ( die) Eiche, ( die) Freude; maar voor de woordvorming (vgl. echtgenote van echtgenoot) laat 't duits ons in de steek.
2)Als de teorie van Brugmann hiermee juist is weergegeven, dan blijkt daaruit, dat ze niet alleen een verklaring voor 't zgn. spraakkunstig geslacht en z'n wording geeft, maar dat ze ook helder licht laat vallen op 't begrip en de wording van ‘geslacht in taal’ in 't algemeen. 't Komt me voor, dat de opschriften van Brugmanns beide verhandelingen en de inleiding van z'n əerste artiekel dit alleen maar schijnen te weerspreken.
1)I. pl. v. vrouwelik had evengoed moederlik de term kannen zijn. - Wetenschappelike termen zijn wel steeds ‘bewuste scheppingen’, wat intussen geen associatieve beinvloeding hoeft uit te sluiten.
2)Vgl. Brugmann und Delbrück, Grundriss III 1, blz. 3. - Ik wenste bij deze gelegenheid naar de hele ‘Einleitung’ (blz. 1/88) van Delbrück in de genoemde Grundriss III te verwijzen; alsmede naar H. Steinthal, Geschichte der Sprachwissenschaft bei den Griechen und Römern, Berlin 1890/1 2, voor onze materie meer bepaaldelik naar I 136, 364/70 en II 244 en 307/10 (op de laatstvermelde blzz. meer in 't biezonder de functie van 't artiekel volgens de oude griekse grammatica).
3)Ook 't suffix - iē (- ī) moet al in 't oerindogermaans de functie hebben gekregen, woorden te vormen, die seksueel vrouwlike wezens benoemden, b.v. * wlki ‘wolvin’ naast * wlko(- s) ‘wolf’. Maar de behandeling van éen suffix in de tekst is voldoende; en omdat met 't ā-suffix een duideliker voorbeeld was te geven, heb ik dit gekozen.
1)Prinsiepiëel dezelfde, maar in facto de omgekeerde betekenisontwikke ling heeft blijkbaar Katze doorgemaakt, dat als diersoortnaam oorspronkelik en nog in gebruik, na de vorming van Kater voor 't manlike dier en in tegenstelling daarmee ter benoeming van 't vrouwlike dier in gebruik kwam. - Van Huhn vergeleken met Hahn wordt hetzelfde aangevoerd door Michels, Germania 36, 133. Hetzelfde kan van ons kip tegenover haan worden gezegd. Vgl. nog hiervóor blz. 156/57.
2)Namelik - o; de s is de uitgang van de nominatief.
3)Evenals van bijvoeglnw. en van voornw.; - maar daarover kan hier worden gezwegen.
4)Of van woorden natuurlik. Met ‘woord’ of ‘woorden’ wordt, als er geen onduidelikheid door kan ontstaan, zelfstnw. bedoeld.
4)Of van woorden natuurlik. Met ‘woord’ of ‘woorden’ wordt, als er geen onduidelikheid door kan ontstaan, zelfstnw. bedoeld.
1)Personificaties, allegoriën en dichterlike metaforen blijven hier buiten beschouwing; daarover later nog iets (z. blz. 178/81).
1)Verondersteld natuurlik, dat werkelik 't kind uit zich zelf stoel of tafelpoot beknort alsof 't mensen waren, en 't geen napraten is van hetgeen iemand uit z'n omgeving het voorgepraat heeft. 't Kan ook die voorwerpen als dieren behandelen (b.v. als hond of poes). En vooral moet er bij in 't oog worden gehouden, dat de jeugdige ziel in zulke gevallen niet met abstracties als ‘de mens’ (of ‘een man’ of ‘een vrouw’) of ‘de hond’, enz. opereert, maar met heel bepaalde voorstellingen; men moet maar eens opletten, als 't kind met poppen of ook met andere levenloze dingen speelt, die het personificeert. En dit geldt prinsiepiëel van alle personificatie, ook die van volwassenen: daaruit is ook alle allegoriezering en mythenvorming in z'n oorsprong te verklaren.
Bovendien is 't hier de plaats, er uitdrukkelik op te wijzen, dat door de menselike fantazie niet alleen wordt verpersoonlikt, maar ook ‘verzakelikt’, als me dit woord (in navolging van 't duitse ‘versachlicht’) veroorloofd is. Michels wijst daarop in de vroeger genoemde Germania (36, blz. 129/30): ‘Der Krieger ist uns ein Arm in der Schlacht, ein Degen, eine Kriegsgurgel, ein foudre de guerre, u.s.w. Eine bekannte Classe zusammengesetzter Substantiva, die allen indogermanischen Sprachen gemeinsam, beweist, dass Benennungen wie “der Rosenfinger” für die Göttin der Morgenröthe in die Zeit der Spracheinheit zurückgehen. Die Wolke erscheint mythologischer Vorstellung nicht bloss als ein Mann, auch als ein Mantel, die Sonne als ein Auge, oder als ein siegglänzender Schild in der Wetterschlacht, oder als ein goldener Wagen.’ En ook aan Goethes ‘Gedichte sind gemalte Fensterscheiben!’ mag hier worden herinnerd.
Eindelik, in verband met hetgeen in deze noot al van 't kind werd gezegd, de fantazie ‘verdierlikt’ ook, als me ook dit woord is veroorloofd. Een erg bewegelik kind kan een veulentje of een jong geitje worden genoemd, (ook in 't duits: ein Füllen). En de Belgen kennen ‘de Leeuw van Vlaanderen’. Vgl. ook eigennamen als Vos, Beer, Wolf, Hond, Leeuw e.a.m. ten opzichte van hun ontstaan.
1)Vgl. Michels, Germania 36, 122.
2)Wèl merkwaardig, als we daarbij denken aan de toepassing van dit woord alleen op de vrouw, niet op de man (in de verliefdetaal b.v.).
1)'t Spreekt vanzelf, dat, afgezien van de mythologie en de tradietionele kunst, seksualizering niet absoluut ondenkbaar is, die disharmoniëert met 't woordgeslacht, al zou ik er ook geen voorbeeld voor kunnen noemen en zal dit geval zeker wel tot de zeldzaamheden behoren.
En waar een begrip wordt geseksualizeerd, waarvoor een woord met onzijdig taalgeslacht bestaat, daar heeft de fantazie natuurlik vrij spel. Op deze wijze kan worden verklaard (als er ten minste geen invloed van 't duits heeft gewerkt met z'n der Verstand) ‘Mijnheer Verstand’ in een bekend gedichtje van Heye: Hand en Hoofd, waarin een vers zo eindigt: ‘En ied'ren dag vier’ ‘Juffrouw Hand’ | Haar trouwfeest met ‘Mijnheer Verstand’. (Vgl. ndl. het verstand!).
Wat hier van de neutrale zelfstnw. is gezegd, geldt ook - ik herhaal: als er geen invloed van tradietie bijkomt - in alle gevallen, waar geen grammaticaal manlik en vrouwlik wordt onderscheiden, dus b.v. in 't nederlands en in 't engels.
2)Bij de neutrale substantiva is de mogelikheid van ‘seksualizering’ vanzelf helemaal buitengesloten. Zie vorige noot.
2)Dit voorbeeld komt ook bij Joh. Schmidt voor, op blz. 20 en 35/6; maar de wijze van behandeling daar was minder goed over te nemen als die bij Körting.
3)Niet overgeleverde vormen worden gewoonlik boven voor aan de opgegeven vorm van een sterretje voorzien. Reeds enkele blzz. vroeger kwam dit teken voor; maar nu eerst is voor de duidelikheid een verklaring ervan onmisbaar.
4)Körting, t.a.pl. 120. - Joh. Schmidt (t.a.pl. 36) meent, dat ‘der accusativische ursprung [van de nominatiefvorm] gar nicht erwiesen sei’. Maar in zijn uiteenzetting wil hij de mogelikheid wel toegeven; dat kunnen wij in onze uiteenzetting dan zeker ook wel doen.
1)Dat enkelvoudige woorden meervoudige begrippen kunnen uitdrukken, is bekend genoeg. Bv. het vee, het volk. En met het voorbeeld in de tekst zou in de verte kunnen worden vergeleken het geboomte naast de boom, het gevogelte naast de vogel, waarin het collectivum ook een andere uitgang en een ander geslacht' heeft als het enkelvoudige begrip (het voorvoegsel ge kan hier ons onverschillig zijn). - Uit Joh. Schmidt, Die Pluralbildungen, neem ik een paar voorbeelden, vergelijkbaar met juga-jugum, ter nadere illustratie over: oudhoogd. loupa [‘een verzameling bladeren’?] hoogd. ‘Laube’ ‘Laubhütte’, ‘priëel’, vrouwl. naast oudhoogd. loup hoogd. ‘Blatt’ onzijd. (en lat. terra ‘Gelände’, dan ‘land in 't algemeen’, naast oskies terùm ‘einzelnes Grundstück’) (t.a.pl. blz. 10 en 20).
2)Welke invloeden hebben gewerkt, is dikwels, ja meestal niet met zekerheid op te geven. En 't komt hier ook eigenlik op de aard van die invloeden niet aan. - In 't ndl. is bij 't lidw. ook de acc. aan de nom. gelijk geworden in 't manlik enkv. (: de), wat een analogon tot het zo juist in de tekst genoemde verschijnsel vormt. Vgl. o.a. van Helten, Middelnederl. Spraakkunst § 352 (en Museum VIII, kol. 250) en Stoett, Beknopte Middelnederl. Spraakk. I § 146. Overigens is mij iets, dat op een verklaring voor dit proses lijkt, niet bekend. Körting (t.a.pl. 121) glijdt er over heen. En Joh. Schmidt (t.a.pl. 35/6) bekent geen verklaring er voor te weten.
1)Voor meer dergelijke voorbeelden zou verwezen kunnen worden naar Victor Michels Zum Wechsel des Nominalgeschlechts im Deutschen I 1889, blz. 52/7. - 't Laatste stadium van 't geschilderde proses heeft niet meer op 't gebied van 't ‘getal’ (numerus), maar op dat van 't ‘geslacht’ plaats, zoals men zal hebben opgemerkt.
1)Of 't onzijdig geslacht, hetzij bij 't zelfstnw., hetzij bij de zelfstandige voornw., ooit meer in 't biezonder met de begripskategorie levenloze dingen' heeft in verband gestaan, schijnt niet te kunnen worden vastgesteld, ja zeer twijfelachtig. In de tegenwoordige indogermaanse talen is 't over 't algemeen niet het geval. (Maar vgl. 't gebruik van 't eng. it!).
2)Dit is de accusatief-vorm; daaruit, en niet uit de nominatief heeft zich été ontwikkeld. Zie de franse historiese spraakkunsten.
3)Dat zo iets niet zo maar op eens en over 't hele taalgebied verspreid zich heeft vastgezet, spreekt van zelf. Voor de prinsiepiële faktoren van zulke historiese prosessen zie Pauls Prinzipien.
1)Wat veelvuldig gebruik van prototypen vermag, zien we b.v. aan 't duitse des Nachts ( nachts), dat alleen is te verklaren door de veelvuldig onder presies dezelfde syntaktiese omstandigheden voorkomende (adverbialen): des Morgens ( morgens), des Abends ( abends), des Nachmittags ( nachmittags). Waartegenover onder variërende syntaktiese omstandigheden (als zuiver zelfstnw. met z'n naamvallen) geen analogie heeft gewerkt, zodat die Nacht is gebleven naast der Morgen, Abend, Nachmittag.
2)Of in deze laatste groep voorbeelden de prioriteit aan de stof- of aan de voorwerpsnamen toekomt, laat ik hier, wijl van geen prinsiepiëel belang, onbeslist, maar houd ik voor verschillend naar gelang van 't begrip.
Aan de posterioriteit van de stofnamen in de eerste groep voorbeelden valt zeker wel niet te twijfelen.
1)'t Zou me te ver voeren, dit hier alles te ontwikkelen. Ik verwijs o.a. naar Köörting, t.a. pl. § 20 en 21.
2)Zie Körting, t.a. pl. blz. 135. - De eerstgenoemde ‘vrouwlik’, de laatstgenoemde ‘manlik’, zoals bekend.
1)Namelik de hypotheze van Jacob Grimm; zie Michels, Germania 36, blz. 131.
1)Ik wenste hier nog nadrukkelik te wijzen op de prinsiepiële uiteenzettingen over ‘geslacht in taal’ bij Hermann Paul, Prinzipien der Sprachgeschichte 1898 3, blz. 241/7 en bij Wilhelm Wundt, Völkerpsychologie, Erster Band, Zweiter Theil, blz. 15/24.
Volgens Wundt is ‘aller Wahrscheinlichkeit nach’ oorspronkelik ‘nicht das natürliche Geschlecht, sondern die einfache Werthunterscheidung, die Gegenüberstellung einer höheren und einer niederen Classe von Objecten massgebend’ geweest bij de zogenaamde geslachtsonderscheiding in taal!....
Wie geeft zekerheid?
Maar 't is al zoveel waard, als men zich heeft geëmancipeerd van de bestaande terminologie, want die heeft ‘entschieden ungünstig auf die Erkenntnis’ van de oorspronkelike betekenis ervan gewerkt (z. blz. 151 noot 1).
Ook hier zou 't einde van alle wijsheid wel kunnen zijn, dat men niets wist. ‘Maar men moet weten waarom’. -
|
|