De Nederlandsche Spraakkunst (Etymologie) van Cosijnte Winkel zegt in § 187: ‘In de spreektaal en lossere schrijftaal gebruikt men in plaats van den tweeden naamval des bezitters, indien die voorafgaat aan het substantief, dat er door bepaald wordt, soms den eersten naamval, gevolgd door het bezittelijk voornaamwoord. Mijn neef zijn huis is mijns neefs huis, Jan zijn pet is Jans pet.’ Maar wie de naamval beschouwt als de vorm die de betrekking van een woord tot een zin of tot een ander woord aanduidt, kan in bovenstaand voorbeeld die jongen nooit eerste naamval noemen. Veeleer voelt men de woorden die jongen en z'n als een geheel, met de betekenis van een genitief. Maar dan staat die jongen tot z'n in de betrekking van antecedent en dus niet in de eerste, maar in géén naamval.
Iets dergelijks hebben we in een zin als: ‘Mijn vader, als die er zich mee bemoeit, die zal het wel gauw uitmaken.’ Hier kan wel beredeneerd worden dat mijn vader onderwerp is van uitmaken, maar hij die zo'n zin uitspreekt voelt die woorden niet als onderwerp. Dat wordt duidelik als we ons de zin denken als weerslag op een andere, bijvoorbeeld:
‘Je vader moest eens weten, hoe hier geknoeid wordt’ - ‘O, mijn vader, als die er zich mee bemoeit’ enz. De tweede spreker begint maar weer met die vader te noemen, om er later, als hij zijn zin gekonstrueerd heeft, op terug te kunnen wijzen. Men zou hier alleen kunnen beweren dat vader in de eerste naamval stond, omdat het niet in de tweede, derde of vierde staan kan. Zuiver taalgevoel neemt het woord waar als los, op zich zelf staand; als 't ware als samentrekking van de gehele gedachte die daarna uitgedrukt wordt. Nog sterker is dat in een (voor velen ‘foutieve’) zin als: Mijn vader, als die zich er mee bemoeien wilde, dan zou het wel gauw uit zijn.
Als iemand uitroept: Mijn hoofd! of: Dat arme kind! dan kán hij bedoelen mijn hoofd doet pijn, ik heb mijn hoofd gestooten, raak mijn hoofd niet enz. of: dat arme kind is te beklagen, wat is dat arme kind ongelukkig, denk aan dat arme kind, enz. En nu kan de spraakkunstschrijver ons weer vertellen, dat de zin eerst volledig