De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7. J.B. Wolters, Groningen 1913  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 36]

Het etymologisch woordenboek van Dr. N. van Wijk.

De etymologie geeft de geschiedenis der woorden, of anders gezegd, zij laat zien dat de eene vorm van een woord den anderen heeft vervangen, totdat de vorm in gebruik is gekomen wiens geschiedenis men heeft willen onderzoeken. Bij dat opsporen van de vroegere vormen kan men verder of minder ver in het verleden achteruitgaan. Het woord tarra komt, zooals men het pleegt uit te drukken, uit het Arabisch. Men heeft nagegaan, dat deze in het Nederlandsch gebruikte vorm ontleend is aan het Romaansch, en dat de Romaansche vormen zijn ontstaan uit een Arabischen. Misschien zal men nog vermelden bij welk verbum het Arabische substantief behoort, maar omtrent de oudere geschiedenis van dit werkwoord zal men zeker niets zeggen.

De meeste Romaansche woorden zijn vervormingen van Latijnsche; heeft hij eenmaal laten zien dat b.v. fr. père uit lat. patrem is ontstaan, dan zal de Romanist zich om de oudere vormen van lat. pater verder niet bekommeren. Waarom staakt hij hier het onderzoek? Hij heeft hier een inderdaad zeer natuurlijk rustpunt gevonden. Het Latijn is een doode taal die nog zeer voor ons leeft. Er is zooveel van bewaard, dat de geleerden zich van het Latijn en van de wereld waarin het werd gesproken een vrij heldere voorstelling kunnen maken: pater is nagenoeg even verstaanbaar als père. Was er een taal bekend waarvan het Latijn rechtstreeks als een jongere vorm kon worden beschouwd, en was die taal even goed bewaard als het Latijn zelf, dan zou men allicht even verder willen gaan door ook nog den vorm te noemen die in die taal met lat. pater overeenkwam.

Aangezien echter die oudere vorm niet onmiddellijk is gegeven, kan men er alleen over redeneeren met behulp van de vergelijkende grammatica, ook van geheel andere Indogermaansche talen. Daarmede komt men tot een geheel nieuwe studie, die de Romanist allicht aan anderen zal willen overlaten: immers hij heeft al moeite genoeg aan het opsporen der Latijnsche vormen. Soms gaat het gemakkelijk en komt hij tot een Latijnsch woord dat nog bewaard is. Maar soms ook moet hij, aan de klankwetten gehoorzamende, een Latijnschen vorm onderstellen dien men nog nergens heeft gevonden: hij zal

[p. 37]

tevreden zijn wanneer hij op dit beperkte gebied zich verdienstelijk kan maken. Men zie b.v. het nieuwste etymologische woordenboek der Romaansche talen, het nog niet voltooide van Meyer-Lübke: zijn de woorden van Latijnsche afkomst, dan staat een Latijnsche vorm aan het hoofd der artikelen, en die vorm is het eindpunt.

Wil men spreken over de etymologie van zoon, dan zou men kunnen opmerken dat aan zoon is voorafgegaan mnl. sone, en het daarbij laten. Dit doet men niet, omdat men gemakkelijk in de verschillende Oudgermaansche dialecten bewijzen vindt voor een algemeen-Germaansch woord dat men in zijn zgn. stamvorm kan aanduiden met sŭnu-; en men meent een regel te mogen stellen, volgens welken b.v. een nominatief van dezen stam inderdaad in het Mnl. moet worden tot sone. Nu is echter die ééne Oudgermaansche taal waaruit alle Oudgermaansche dialecten zijn voortgekomen, niet bewaard, en van het Oudgermaansch dat rechtstreeks aan onze middeleeuwsche dialecten is voorafgegaan, in de eerste plaats van Oudnederfrankisch, heeft men geen voorstelling die in duidelijkheid kan vergeleken worden met de voorstelling die men heeft van het Latijn. Vandaar dat die herleiding van Nederlandsche vormen tot Oudgermaansche vaak niet zooveel heldere voldoening geeft als die van Romaansche vormen tot Latijnsche. Men komt niet aan in een zoo goed bekende wereld. De historische grammatica der Germaansche talen heeft van den beginne af veel moeten reconstrueeren door middel van de vergelijkende methode, waarbij ook van andere groepen van het Indogermaansch moest worden gebruik gemaakt. En zoo komt het, dat het doctoraal examen in de Nederlandsche Letterkunde kennis eischt van ‘de beginselen van het Sanskrit’ en van ‘de beginselen der vergelijkende Indo-Germaansche taalwetenschap in het algemeen en der Germaansche in het bijzonder’. Wordt hier te lande ooit een doctoraat in de Romaansche letteren verkrijgbaar, dan zal men de eischen daarvoor zeker anders hebben geformuleerd.

Die verschillende vormen der grammatische studie, het gevolg van den verschillenden aard der gegevens, hebben van zelf een verschillenden opzet van de etymologische woordenboeken ten gevolge. Want een etymologisch woordenboek is eigenlijk een werk van toegepaste grammatica. De woorden, die in alphabetische orde worden behandeld, stellen een of meer problemen voor die met behulp van de taalregels moeten worden opgelost. Evenals men in de grammatica der Germaansche talen zoo licht komt tot reconstructie van voorhistorisch Germaansch met behulp van niet-Germaansche talen, zoo pleegt men ook in etymologische woordenboeken van een Germaansche taal ver

[p. 38]

achteruit te gaan. En zóó is het ook in het werk van den heer Franck, thans opnieuw uitgegeven door den heer van Wijk. In een groot aantal artikelen over jongere woorden is natuurlijk van een ver verleden geen sprake, maar wel in vele artikelen over de zuiver-Germaansche elementen in onze taal. De heer van Wijk heeft uit den overvloed zijner kennis veel meegedeeld wat slechts door een kundig Indogermanist zooals hij zelf is kan worden gewaardeerd. En het is misschien te vreezen, dat minder ervaren lezers daardoor eenigszins worden afgeschrikt. Dit zou jammer zijn.

Men moet de kunst verstaan zich van een boek te bedienen. Behalve werkjes die voor één bepaalde soort van leerlingen opzettelijk geschreven zijn en die deze dan maar in hun geheel hebben te bestudeeren, worden er ook - gelukkig - boeken uitgegeven waarvan men reeds dadelijk kan genieten, maar ook gestadig meer naarmate men in kennis vooruitgaat. Zulke boeken hebben een heilzamen invloed. Ook de nederigste student in de historische studie van het Nederlandsch, en die met het Oudgermaansch nog niet innig is vertrouwd, zal het werk van den heer van Wijk met evenveel genoegen kunnen raadplegen als hij die de geleerdste combinaties kan beoordeelen.

Er is slechts ééne soort van lezers die zullen worden teleurgesteld. Er zijn in iedere taal woorden die de aandacht trekken van het groote publiek, woorden die in het dagelijksch leven een zekere vermaardheid hebben of hadden, woorden die komiek of plat zijn en die men niet goed kan ontleden, woorden als b.v. bollebuisje, duivekater, fiets, ploert en vele andere. Onder deze zijn er waarvan het zeer moeilijk is iets te zeggen. Een eenigszins geoefende leerling begrijpt dit, de minder ontwikkelde niet zoo licht, en hij zal den schrijver misschien verwijten dat deze verwaarloosd heeft wat een lezer in de eerste plaats verlangde. Ik meen mij te herinneren dat soms over etymologische woordenboeken is gesproken als over ‘volksboeken’, waaruit ieder de schatten zijner moedertaal beter kon leeren kennen. Dat is dunkt mij een zeer onnauwkeurige voorstelling. Want die etymologica kunnen alleen gebruikt en gewaardeerd worden door hen die reeds een zekere systematische kennis bezitten. De taal waarin die boeken worden geschreven, kan niet veel anders zijn dan de beknopte min of meer internationale terminologie waartoe het Duitsch heel wat meer heeft bijgedragen dan het Nederlandsch. En spreekt men van den rijkdom der taal, daarmee bedoelende de talrijke analogieën volgens welke nieuwe en zeer verstaanbare woorden kunnen worden gevormd, dan moet men zeggen dat van de meeste dier vormen in een etymologisch woordenboek geen gewag wordt gemaakt, omdat zij

[p. 39]

voor de etymologische studie van geen belang zijn. De etymologie van goedheid is zonder twijfel deze, dat het - volgens de gebruikelijke manier van zeggen - een afleiding is van goed met het achtervoegsel -heid. Doch zulke etymologieën blijven onvermeld, van hoeveel belang ook het woord goedheid moge zijn.

Een etymologisch woordenboek is dus bestemd voor hen die min of meer in de algemeene taalkunde en in de studie der grammatica zijn geoefend. En zij kunnen veel leeren uit de etymologie van woorden waarvan - zooals men zegt - de etymologie onbekend is. Want die laatste uitdrukking is zeer vaag. Zij beteekent soms dat men absoluut niets over de geschiedenis van een woord weet te zeggen; soms ook dat men, ondanks een vrij groote bekendheid met allerlei vormen, niet kan komen tot een formatie die aan het woord dat men beschouwt een geheel ander aanzien geeft. In dien zin zegt men b.v. dat de etymologie van vader onbekend is. Want immers men kent er zooveel vormen van in verschillende talen, dat men in de conventioneele teekens kan aanduiden welken stamvorm het woord vader in het Indogermaansch heeft gehad. Maar die stamvorm, waaraan men nog altijd geen andere beteekenis kan geven dan die van vader, is niet met zekerheid te ontleden: waardoor aan dien vorm die beteekenis is gegeven, dit weet men niet. Wil men nu zeggen, dat de etymologie van vader onbekend is, dan is die onbekendheid toch van een andere soort dan b.v. bij fiets. Nu is dit woord zeer jong, zijn nog onbekende geschiedenis is kort; van woorden die langer hebben bestaan, zijn allicht meer vormen gegeven, en daarmede kan de leerling zich oefenen.

Hij neme b.v. het artikel Brons. Het grootste deel daarvan bestaat in een vermelding van zeer geleerde gissingen omtrent de oudere geschiedenis van ital. bronzo. Die gissingen, noodzakelijkerwijze zeer beknopt voorgedragen, gaan hem te hoog. Indien hij zich nu laat afschrikken en het artikel ongelezen laat, omdat men van brons ‘toch ook alweer niets weet’, dan doet hij onverstandig. Want hij moet zijn aandacht geven aan de eerste drie regels. Hier leest hij dat fr. bronze komt van ital. bronzo. Daarbij zal hij bedenken, dat dit ‘komen van’ meer dan één beteekenis kan hebben. Een woord kan door vreemdelingen zijn gehoord en min of meer nauwkeurig door hen worden nagezegd, of de geschreven vorm kan worden overgenomen en min of meer op inheemsche wijze worden uitgesproken. Aangezien z in het Italiaansch iets geheel anders voorstelt dan in het Fransch, zal hij gissen dat fr. bronze is ontleend aan de geschreven taal. Indien bij ons - zooals hij leest - het Fransche woord althans

[p. 40]

niet later dan in de 16de eeuw werd overgenomen, dan zal de oudste vorm wel zijn geweest bronze (hetzij nagezegd of nageschreven).

Wil hij dan ten overvloede nog het artikel Brons van den heer Muller raadplegen in het Ndl. Wdb., dan ziet hij ook nog uit de 18de eeuw een voorbeeld van den vorm op e. Die e is langzamerhand verdwenen, en brons heeft een s die aan het einde uit z is ontstaan, anders dus dan b.v. in den nom. gans, waarin de s altijd s is geweest.

Hij gaat zich nu de vraag stellen, of de z in het bnw. bronzen dezelfde z zal zijn als die van den ouderen vorm bronze, dan wel of bronzen in later tijd is gevormd naast brons, eenigszins in analogie met een bij ons regelmatige z als in ganzen naast het enkelv. gans. Hij gevoelt dat het hiervoor van belang zou zijn te weten hoe oud bij ons het adj. bronzen reeds is. Zoo vindt hij in die drie regels de aanleiding tot allerlei bespiegelingen.

Valt zijn oog op het daaraan voorafgaande artikel Bron, dan zal hij niet juist letten op wat de heer van Wijk in het tweede gedeelte betoogt, maar hij zal zich laten herinneren aan de regels voor de metathesis van r in het Nederlandsch; waarna hij ook andere artikelen zal lezen die voorbeelden van deze metathesis geven: hij zal dan b.v. zien dat sport (uit sporte), in Noord-Nederland een gewone vorm, wat de plaats van de r betreft, schijnt te gelijken op mnl. verde, dat wij niet hebben naast vrede. Hij zal dan willen beproeven in hoeverre hij hier door eigen onderzoek verschillende gevallen kan onderscheiden.

Hoe regelmatiger een Nederlandsche vorm van onzen tijd past bij oudere vormen die bekend zijn, des te minder woorden heeft men noodig om het verband aan te toonen. De etymoloog heeft voor den eenigszins deskundigen lezer dan slechts die verschillende vormen te noemen. Te allen tijde echter komen er in een taal vreemde woorden (of men zou zich een volk moeten voorstellen dat in een algeheele afzondering leefde). Die vreemde woorden worden van zelf aan de vormen van de eigen taal geassimileerd, en het hangt af van een aanvankelijk verschil in phonetische eigenaardigheden of die assimilatie meer of minder gemakkelijk gaat. In elk geval, hoe vroeger het vreemde woord is opgenomen, des te moeilijker zal het formeel van nog vroeger inheemsche woorden zijn te onderscheiden. Indien het Fransche woord cerise op dit oogenblìk in onze Hollandsche spreektaal kwam, dan zou het voorloopig een vorm hebben die zeer weinig van den Franschen vorm verschilde; mettertijd zou het verschil zeker toenemen, want de Hollandsche vorm zou veranderingen ondergaan waartoe de Franschen in hunne taal niet geneigd zouden

[p. 41]

wezen. Een oudere vorm van fr. cerise is reeds in het Oudgermaansch gekomen, en een Oudgermaansche vorm is bij ons door regelmatige veranderingen geworden tot kers. Een heel andere Oudgermaansche vorm, de naam van een ander gewas, is op een andere wijze ook kers geworden (het tweede lid van tuinkers). Van het eerste Oudgermaansche woord weet men nu dat het aan het Romaansch is ontleend, van het tweede weet men verder niets. Maar bestudeert men de Nederlandsche vormen op zich zelf, dan doet dit verschil voorloopig niets ter zake: althans men moet in de eerste plaats het Nederlandsche woord beschouwen in verband met het Oudgermaansch. Men zal opmerken, dat kers, cerise (uit kerse) bij ons als meervoud heeft kersen en niet kerzen, waaruit men zal afleiden dat de Germaansche vorm niet een enkele s heeft, zooals b.v. baars, mv. baarzen. Eerst dan zal men, in verband met de gegevens van het Romaansch, trachten te bepalen welke uitheemsche vorm in het Oudgermaansch gekomen is.

Men moet niet zeggen dat ‘wij’ het woord priester uit het Grieksch hebben, al is het ook waar dat presbuteros achtereenvolgens in allerlei vormen is veranderd en dat ndl. priester ook in een van die reeksen voorkomt. Voor ons is priester in de eerste plaats een vorm die regelmatig past bij Oudgermaansche vormen als ohd. prêstar en priestar. Men zou even goed kunnen zeggen, dat ‘wij’ lila hebben uit het Perzisch. Doch de waarheid waarvan ‘wij’ in de eerste plaats nota moeten nemen is deze, dat lila bij ons een vrij jong woord is, ontstaan uit fr. lilas, en dat wij het uitspreken met den klemtoon op de eerste lettergreep. Dit laatste is niet zonder belang, want wij denken terstond aan andere Fransche woorden van twee lettergrepen als b.v. billard, citron enz., die bij ons het accent op de tweede hebben gehouden. Men zal b.v. stellen, dat fr. lilas eerst onveranderd is uitgesproken, dat dus eerst is gezegd lilá, en dat de spelling lila bij personen die het woord niet kenden uit de gesproken taal, aanleiding heeft gegeven tot de uitspraak líla, want deze komt beter overeen met onze eigen gewoonten.

Een woord als flerecijn (mnl. fledercijn) zal ieder onwillekeurig voor een oorspronkelijk Fransch woord houden, doch het beteekent jicht, en er is geen Fransch woord van die beteekenis, dat bij ons op de meest natuurlijke wijze tot flerecijn zou worden. Men houdt flerecijn intusschen voor identiek met fr. pleurésie of een daarmede verwanten vorm (de heer Salverda de Grave noemt Fr. W. 355 ook ofr. pleuresin); en de heer van Wijk verzuimt niet in het kort bestek dat hij zich moet getroosten, den Westvlaamschen term

[p. 42]

fleurecijnwater te noemen. Want deze beteekent het vocht dat een lijder aan pleuris soms wordt afgetapt. Die term is van belang omdat er uit kan blijken, dat men om de beteekenis jicht niet al te veel moet geven. Inderdaad, hoe grooter de formeele bezwaren tegen een etymologie worden, des te meer heeft men er op te letten dat de althans de beteekenissen geen bezwaar opleveren.

De vorm pleuris zelf is bij ons ook niet glashelder, en bij den heer van Wijk hadden wij daarover gaarne een enkelen regel meer gelezen, omdat wij meenen dat de lezer een vraag zal stellen die in het artikel niet wordt beantwoord. Is pleuris bij ons ‘blijkbaar verkort’ uit een vorm, nagenoeg gelijk aan fr. pleurésie? De heer Salverda de Grave vraagt (Fr. W. 372): ‘verkort uit pleurisis?’. De vorm pleuris schijnt echter reeds vrij vroeg ook elders te zijn voorgekomen, althans Du Cange heeft een voorbeeld met den ablatief pleure, dien hij (of zijn vervolger) dan ook bij een nominatief pleuris brengt. Misschien mag men aannemen dat pleuris uit de taal der medici in het Nederlandsch is gekomen: met de verkorting zouden wij dan niet hebben te maken.

Zoo behoeft een Nederlandsch etymoloog zich ook geen bijzondere moeite te geven voor den term scheurbuik. In het Mnd. komt voor schorbûk, en blijkbaar heeft men, denkende aan buik, een term veranderd dien Kiliaan noemt in den verlatijnden vorm scorbotus; van wege Nederlandsche en Romaansche vormen verwacht men ook scorbutus. De heer van Wijk vermeldt ook eenige minder gewone Nederlandsche vormen, b.v. scheurbot, dat past bij scorbotus. Wellicht is scheurbuik niets dan de verhollandsching van mnd. schorbûk. De heer van Wijk vermeldt dan ten overvloede nog wat men over de etymologie heeft gegist, en vestigt er de aandacht op dat men niet te spoedig moet gelooven aan een verband met schurft. Een zeer korte verwijzing naar het artikel van den heer Vasmer zou den lezer wel van dienst zijn geweest, doch is zeker weggelaten als een inconsequentie. Voor de volledigheid had kunnen vermeld zijn het synonieme blauwschuit, blijkbaar ook door ‘volksetymologie’ ontstaan: de ziekte heeft als een van hare kenmerken blauwe vlekken, vooral op de beenen (zie plaatsen uit van Beverwijck in het Ndl. Wdb.); schuit beteekent hier niets. Men zou een oogenblik de vraag kunnen stellen, of scheurbuik en blauwschuit misschien verhaspeld zijn uit twee vormen die oorspronkelijk dicht bij elkaar stonden, en vooral door eene metathesis van consonanten verschilden.

Wij hebben slechts door eenige voorbeelden willen doen zien, hoe leerzaam het Etymologisch Woordenboek ook voor hem kan zijn die

[p. 43]

zich vooral tot het Nederlandsch moet bepalen. Men moet niet klagen over de beknoptheid: een veel grooter en veel duurder boek zou veel minder lezers hebben gevonden. Wanneer men in het artikel Barouchette leest, dat het in het Ndl. is gevormd van fr. barouche, dan zal men zeggen dat dit barouche, dat toch zeker ook een vrij modern woord moet zijn, allesbehalve een gewoon woord is: de lezer kent het niet, en vindt het dan ook niet b.v. bij Hatzfeld-Darmesteter. Doch men kan gerust beginnen met op den schrijver te vertrouwen; en gaandeweg zal men begrijpen dat hij zulk een artikel niet schrijft zonder het hierboven genoemde werk van den heer Salverda de Grave te raadplegen: zie ald. blz. 347, en ook 336. Barouchette wordt nu zelden meer gebruikt; binnen kort zal misschien landaulette een gewoon woord zijn, maar dit is gevormd naast het reeds internationale landaulet.

A. Kluyver.