De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8. J.B. Wolters, Groningen 1914  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 135]

Kroniek en kritiek.

Wetenschappelik onderzoek der Zuidoostelike Dialekten.

Door Prof. Dr. Jos. Schrijnen, Dr. Jac. van Ginneken en J.J. Verbeeten is een breed onderzoek op touw gezet naar de Zuidoostelike dialekten van ons land. De vragenlijsten, die niet minder dan vijftig bladzijden druks beslaan, zijn verzonden, met een cirkulaire, die door inhoud en strekking ook voor onze lezers van groot belang is, en die wij dus grotendeels hier overnemen:

 

De dialekten gaan een wissen ondergang tegemoet en hierop maken de zuidoostelijke dialecten geen uitzondering. De uitbreiding der verkeersmiddelen, de ontwikkeling van het onderwijs, het groeien der sympathie voor de bewoners der noordelijke provincies, de versterking van het gevoel der nationale eenheid, vooral ook de vlucht, in den laatsten tijd genomen door perswezen en industrie vervagen en verplaatsen de grenzen van vroegere taalverschillen en verhaasten op onmiskenbare wijze den dood van het taaleigen, ook in de zuidoostelijke gewesten. Het is hier niet de plaats na te gaan, in hoever voor- en nadeelen tegen elkaar opwegen. Wij konstateeren slechts het feit, en dit feit valt niet te keeren. Maar de volstrekte zekerheid en onveranderbaarheid van dit feit moet ons aansporen, te redden wat te redden valt, zoo trouw en nauwkeurig mogelijk op te teekenen den geheelen taalschat der dialekten, zoolang deze nog in leven zijn. Het is niet ons doel, bouwstoffen bijeen te brengen voor een waardig monument op hun graf. Wij wenschen te verzamelen met de piëteit en de belangstelling van jongeren, volijverig elk woord opvangend uit den mond van een eerbiedwaardig en betrouwbaar getuige uit lang vervlogen dagen. De steun van de Vereeniging tot bevordering van de beoefening der Wetenschap onder de Katholieken in Nederland heeft dit onderzoek mogelijk gemaakt; voor dien steun betuigen wij gaarne openlijk onzen dank.

* * *

De kennis der zuidoostelijke dialekten is van groote waarde. Zij is het om het karakteristieke van den volksaard; om de wisselwerking

[p. 136]

tusschen het taaleigen en de Nederlandsche algemeene taal of kultuurtaal, die niet slechts op het taaleigen inwerkt, maar ook herhaaldelijk idiotismen overneemt; om het licht, dat zij werpen op de geschiedenis der Germaansche talen in het algemeen en van het Oostnederfrankisch in het bijzonder; op taalverschijnselen van den meest algemeenen en vèrstrekkende aard. Want de algemeene taalkunde kan nergens beter ter school gaan bij het formuleeren van wetten of het verklaren van verschijnselen dan bij het levende taaleigen. Zij bewijst onschatbare diensten aan algemeene klankleer, vorm- en woordvoegingsleer, beteekenisleer, kultuurhistorie en volkskunde. Een nauwlettend onderzoek van het taaleigen der zuidoostelijke streken kan een maatstaf worden bij het onderzoek van andere Nederlandsche dialekten, en is daarom beslist van nationaal belang.

Veel is reeds gedaan voor de kennis van onze Nederlandsche en in het bijzonder van de Limburgsche dialekten. Maar de onderzoekingen moeten ten deele aangevuld, ten deele verbeterd, ten deele gekontroleerd worden. Zij moeten definitief worden met aanwending der beste experimenteele en grafische hulpmiddelen en met toepassing van de methode, die op nauwkeurig bewerkte isoglossenkaarten de grenzen van elken klankovergang, elke constructie en alle merkwaardige idiotismen aangeeft. Een overtuigend bewijs van 't doeltreffende dezer werkwijze geeft de isoglossenkaart van 't N.W. Veluwsch dialect in het Handboek der Nederlandsche Taal, van Dr. J. van Ginneken.

De grondlegger van de taalgeografische methode is J. Gilliéron, Directeur de conférences aan de Ecole des Hautes Etudes te Parijs. Met onvermoeiden ijver heeft deze taalvorscher onder medewerking van E. Edmont het taaleigen van 639 Fransche gemeenten onderzocht. Gaston Paris had den impuls gegeven door zijn wensch: ‘Il faudrait que chaque commune d'un côté, chaque forme, chaque mot de l'autre, eût sa monografie, purement descriptive, faite de première main, et traitée avec toute la rigueur d'observation qu'exigent les sciences naturelles’. De Atlas Linguistique de la France 1902-1910 bestaat uit 1800 blinde kaarten, waar elk der onderzochte dialekten zijn rangnummer heeft. Iedere kaart is gewijd aan een enkel woord; de vorm, dien het bedoelde woord in het taaleigen aanneemt, is bij het rangnummer geplaatst. Elk woord vertegenwoordigt een groep van klankverschijnselen, of kan beschouwd worden als type op semasiologisch gebied. Soms vindt men ook kleine zinnetjes (b.v. ou vas-tu? moi je ne les aide pas.)

Wij leeren hier, hoe elk woord zijn eigen geschiedenis heeft. Wij

[p. 137]

zien, welk een gewichtige invloed bij de verspreiding van taalwijziging of verandering van beteekenis wordt uitgeoefend door de kultuurcentra als Parijs en Bordeaux, door natuurlijke taalgrenzen als de Rhône, door historische vluchteilanden als het hertogdom Bourgondië. Afgezien van het waardevolle der noteering zelf biedt de taalgeografische methode het voordeel op overzichtelijke wijze aan te toonen het verband der taalkundige feiten onderling en hun verhouding tot territoriale gesteldheid of geschiedkundige ontwikkeling; zij vergunt ons door te dringen tot het maatschappelijk substraat der verschijnselen en bewijst aldus onwaardeerbare diensten aan de sociale taalkunde.

De verschijnselen, die wij wenschen na te gaan en kartografisch toe te lichten, liggen deels op het gebied der klankleer; de nauwkeurige fonetische bepaling en de historische ontwikkeling van klanken, palataliseering, nasaleering, vokaalrekking of -vermindering, sandhiverschijnselen enz. Inzonderheid zullen wij onze aandacht vestigen op het syllabische, zoo mogelijk ook op het woord- en zinsaccent; - deels liggen zij op het gebied der vormleer: geslachten, meervoudsvormen, praeterita; - deels zijn zij van sociologischen, historischen, syntaktischen en lexikologischen aard: familiale taalkringen, constructies, woorden, plaats- en eigennamen, volksuitdrukkingen en spreekwoorden. Ook wordt gevraagd naar de eigenaardigheden van een boerenhuis.

Men ziet het: ons program is zeer omvangrijk. Maar wij rekenen vast op den steun van allen, die iets voelen voor hun bont gedifferentiëerde volkstaal. Wij dienen de handen ineen te slaan en ons te spiegelen aan den ijver, waarmee onze oostelijke naburen juist nu de uitvoerige vraaglijsten invullen, die bouwstoffen moeten aanbrengen voor het groote Rheinische Wörterbuch, ook voor ons doel zoo uitermate nuttig; want wij mogen de aangrenzende Duitsche en Belgische dialekten geenszins uit het oog verliezen. Slagen wij naar wensch, dan zal al aanstonds een direkte vrucht van onzen gemeenschappelijken arbeid zijn een nauwkeuriger karakteristiek, verdeeling en begrenzing onzer dialekten, een juister bepaling hunner onderlinge verwantschap en van hun betrekking tot de verwante Nederlandsche, Belgische en Duitsche idiomen. Naderhand kan de gegaarde woordenschat worden uitgebreid en uitgewerkt tot een Limburgsch Idioticon.

Men veroorlove ons te eindigen met de woorden van Gaston Paris, die Gilliéron tot motto nam:

Cette moisson est à peine commencée sur notre sol et déjà pour plus d'un coin on a laissé passer la saison favorable; les épis sont arrachés, ou au moins bien éclaircis. Que tous les travailleurs de

[p. 138]

bonne volonté se mettent à l'oeuvre; que chacun se fasse un devoir et un honneur d'apporter au grenier commun, bien drue et bien bottelée, la gerbe qu'a produit son petit champ.

 

Met grote ingenomenheid zien we, dat hier de hand krachtig aan de ploeg geslagen wordt. Zal dit voorbeeld navolging vinden? Wij herinneren er aan dat N. van Wijk in dit tijdschrift (V, blz. 80) De leemten in onze dialektkennis blootlegde, en daarbij nadrukkelik wees op de noodzakelikheid dat het kontinentale Zuid-Hollands, dat tussen het oorspronkelik Friese Noord-Hollands en de andere ‘Fries-Frankiese’ dialekten in ligt, nauwkeurig wordt beschreven. Uitstel is hier nog gevaarliker dan in het Zuiden. Wie neemt het initiatief? Ligt het niet op de weg van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde? Wanneer dan het onderzoek even breed en degelik opgezet wordt, is er alle kans van slagen.

Taalopgaven Onderwijzers-Examen 1914.

De 1e Inspectie, waar wij meer dan eens ons mochten verheugen over een bredere kijk op de dingen, staat, wat het taalkundig gedeelte van het schriftelik werk betreft, bovenaan. De kandidaten mogen naar keuze een opstel maken uit twee zeer rijke en gelukkig gekozen onderwerpen. De gegeven tijd is 2 uur. Voor de 4 commissies zijn de opgaven dezelfde. Dit is ook het geval voor de 3 commissies in de 3e Inspectie. Hier werd een vrije vertelling gevraagd naar aanleiding van ‘Pleuntje’ van N. Beets. (Tijd 1½ uur). Nog werd verlangd, het schrijven van een sollicitatie-brief, en de verklaring van een 4-tal uitdrukkingen (samen 1 uur). In de 2de Inspectie echter hebben de 6 commissies het noodig geacht, geheel verschillende opgaven te doen. Men vraagt er in 2½ uur niet minder dan een paraphrase, een opstel en een dictee. Met het oog op de gegeven tijd zijn de onderwerpen alle niet even gelukkig, en waarom hier dictees met opzettelik aangebrachte moeielikheden moeten worden gegeven, terwijl elders in den lande het voldoende wordt geacht, de grammatiese kennis van de kandidaten uit het overige schriftelike werk te benaderen, is niet duidelik. Het ergste maken het Utrecht met een kakografie en Den Haag met een invuloefening. Natuurlik is het ook een manier, om achter de waarheid te komen. Maar de commissies dienen toch te weten, aan wat voor dressuur zij op deze wijze voet geven, en daardoor bevorderen, wat zij, blijkens de veelvuldige klachten in hun verslagen, zo gaarne zouden willen bestrijden. Of werkt hier een hogere druk?

J.K.