|
|
|
| |
| | | |
Uit de tijdschriften. (September - Oktober).
De Gids. Sept. Een breed opgezette studie, met het opschrift Nederlandsche Poëzie, wijdt P.N. van Eyck aan het werk van J.H. Leopold, ‘de typische Nieuwe-Gids-dichter uit de neergaande periode der beweging’. Zijn Christusverzen, zijn Oosterlingen en zijn Cheops worden uitvoerig besproken en gekarakteriseerd.
De Nieuwe Gids. Sept. Met Een niet meetellend ‘beoordeelaar’ bedoelt W. Kloos de Katholiek geworden schrijver P. van der Meer de Walcheren, die zich in De Branding over de Nieuwe-Gids literatuur ongunstig had uitgelaten.
Okt. Het inleidende artikel van W. Kloos is gewijd aan Lodewijk van Deyssel, naar aanleiding van zijn Gedenkschriften. - J. Reddingius schrijft een uitvoerig artikel met veel aanhalingen over de beide dichtbundels (Vondelingskens en Op zachte vooi-zekens) van Alice Nahon.
Onze Eeuw. Sept. Aug. Heyting bepaalt zich in een opstel over Marcellus Emants voornamelik tot het karakter van deze schrijver, waarvan hij de hoofdtrek ‘volstrekte echtheid en eerlikheid’ noemt. Het werk wordt slechts in hoofdlijnen aangeduid: alleen zijn bemoeiingen met het toneel worden iets uitvoeriger besproken.
Groot-Nederland. Sept. H.P.L. Wiessing schetst de persoon-likheid van C.S. Adama van Scheltema, zijn populariteit en zijn teleurgestelde verwachtingen.
Okt. A. Defresne wijdt een artikel aan het jongste werk van Mevr. Roland Holst: De voorwaarden tot hernieuwing der Dramatische Kunst. Hij verwijt de schrijfster eenzijdigheid, tegen-strijdigheden en onjuistheden, maar keurt vooral het laatste gedeelte af, dat z.i. in een propaganda-geschrift ontaardt.
Elseviers Maandschrift. Sept. D. Th. Jaarsma beoordeelt vrij ongunstig de roman van A.M. de Jong: Het Evangelie van den Haat. - Jo de Wit bewondert Prutske van Stijn Streuvels.
Okt. H. Robbers herdenkt Lod. van Deyssel. - D. Th. Jaarsma beoordeelt een verzenbundel van de jonge Vlaming Urbain van der Voorde, De Haard der Ziel, waarin hij veel te prijzen vindt.
| | | |
Studiën, tijdschrift voor godsdienst, wetenschap en letteren. Sept. A. Reichling vervolgt zijn studie over Het Platonische denken bij P.C. Boutens, waarin hij o.a. nagaat, in hoeverre deze poëzie mystiek genoemd kan worden en welke invloed van het Christendom er in te bespeuren valt.
Okt. Aansluitend bij zijn vroegere studie, schrijift H. Padberg een beschouwing over Frederik van Eeden, de sociale hervormer. - A Reichling besluit zijn artikels over Het Platonische denken bij P.C. Boutens met een ‘Critische na-betrachting en samen-vattend overzicht’.
Stemmen des tijds. Sept. W. van Schothorst bespreekt het proefschrift van Ph.A. Lansberg: Proeve eener descriptieve methodiek van het onderwijs in de Nederl. Letterkunde aan de scholen voor M. en V.H. Onderwijs in Nederland, waarmede hij wegens de ‘lichtvaardige conclusies’ niet zeer ingenomen is.
Okt. O. Tazelaar besprekt de studie van Gerard Brom over De dominee in onze literatuur en Het leven van Guido Gezelle door Alois Walgrave.
De Beiaard. Sept. Gerard Brom bespreekt Huizinga's boek over Erasmus, waarin hij veel te prijzen vindt. Met nadruk wijst hij er op, hoeveel raadselachtigs er voor ons in deze figuur blijft, zowel wat zijn karakter als wat zijn invloed betreft. De vergelijking met Thomas Morus kan hij, volgens de schr., niet doorstaan. Voor ons ‘staat zijn licht voortaan bleek als de vlam van een lantaren in de zon.’
Opwaartsche Wegen. Sept. J. van Ham behandelt de Strijd over het toneel in de 17de eeuw. Hij wijst er op, dat in de 16e eeuw het toneel een krachtig middel is geweest tot verbreiding van de nieuwe leer, en dat in de zo vaak als de ‘goede oude tijd’ geïdealiseerde 17e eeuw de bloeitijd valt van ons toneel. De bestrijding van Calvinistiese zijde werd vertroebeld doordat er aan vastgekoppeld was de strijd tussen kerk en overheid, het verzet tegen Vondel's Katholieke kunst en de afkeer van de zedeloze klucht. Bovendien vergeet men dat onze bekendste Calvinistiese dichters: Huygens, Cats en Revius, voor het toneel geschreven hebben.
Okt. Uitvoerig bespreekt J. van Ham de ‘slotbundel’ Neerlandia van D. Wouters. Het literatuuroverzicht is z.i. te zeer afhankelik van enkele handboeken; de bloemlezing is te eenzijdig.
| | | | Dezelfde beoordelaar bespreekt beknopt Onze Letterkunde door A. Gratama, die hem eveneens onbevredigd laat, en de Prosodie der Voordrachtskunst van Balthazar Verhagen.
Oud-Holland XLI, afl. 5. Deze aflevering brengt het vervolg van de Onuitgegeven gedicten van Anna Roemers Visscher, bezorgd door Fr. Kossmann.
Tijdschrift voor Taal en Letteren, Julie-Aug. Gerard Knuvelder schrijft een oriënterend opstel Over dialektstudie, waarin samengevat wordt wat door Nederlanders op dit gebied in de laatste jaren tot stand gebracht is. - P. Gerlach Royen vervolgt zijn artikel over Kontaminatie met een afdeling over Homo-nymiteit. Daarin wordt met een reeks aardige voorbeelden aan-getoond hoe in 't Nederlands gelijkluidende woorden meermalen voor het taalgevoel één werden. - In de rubriek Boekbespreking beoordeelt H. Knippenberg de Neerlandia-Slotbundel van D. Wouters, die hij, als werk van een ‘vurig Protestant’ voor ‘andersdenkende Christenen’ onbruikbaar acht. - H. Linnebank bespreekt Gezelle's Zantekoorn en publiceert daarbij een onuitgegeven gedicht. - J. van Mierlo beoordeeelt ongunstig de Parijse dissertatie van A. Wautier d'Aigalliers, een Protestants theoloog, over Ruysbroeck l'Admirable. - Jac. van Ginneken beoordeelt het proefschrift van J.J. le Roux Oor die Afrikaanse Sintaksis, dat hem, vooral wat de stijl betreft, niet geheel bevredigt.
Tijdschrift voor Ned. taal- en letterkunde XLIII, afl. 2. A.A. Verdenius onderzocht De ontwikkelingsgang der Hollandse voornaamwoorden je en jij. Hij gaat uit van het nog onverklaarde feit dat in heb je, liep je de persoonsuitgang t ontbreekt. Dit is z.i.: alleen verklaarbaar als men aanneemt dat de verbinding ontstaan was, voordat er een zelfstandig voornaamwoord je bastond, m.a.w. dat het geheimzinnige Mnl. ji, dat nooit geschreven is - men vindt konsekwent ghi - ook niet bestaan heeft. Zijn konklusie luidt: ‘De vnw. je en jij zijn in enklise geboren, uit de enklise losgemaakt en tot zelfstandige vnw. geworden; de uitspraak heeft zich geleidelik ontwikkeld tot de klanken die wij nu kennen; ook de schrijfwijze heeft zich langs -gy, -gie, -ge-schrijfwijzen ten slotte gefixeerd in de spelling je, jij.’ Een aardige parallel is het dialektiese me hebbe, ontstaan naast hebbeme < hebbenwe. Steun voor zijn hypothese vindt de schrijver, behalve in de door Kloeke geschetste ontwikkeling
| | | | van de diminutiva, in Zuid-Nederlandse vormen (džie, dže, že), waar hetzelfde proces plaats heeft gevonden, maar waar de ontwikkeling nog niet zo ver is gevorderd als in het Hollands. - W. de Vries brengt nieuw materiaal bijeen, uit het Oudgermaans en uit dialekten, over De verkleinuitgangen in de Nederlanden. - G.G. Kloeke voegt daar een mededeling aan toe over Eigennamen op -tet. - J. Daniëls geeft een aanvulling bij Leendertz' bijdrage over Moortmisse. - W. de Vries vervolgt zijn reeks Etymologische Aanteekeningen (Vaal-Welven). - D.A. Stracke ontdekt wie met Meester Jufroet in den Reinaert (vs. 2955) bedoeld is, en stelt daardoor deze gehele passage in een nieuw licht. De beroemde theoloog Jofredus Andegavensis (1070-1132) heeft juist de stelling bestreden, die de pseudo-theoloog Nobel hem in de mond legt. Daardoor wordt een nieuwe satyriese trek aan de Reinaert toegevoegd. Er ligt een herinnering in aan de investituurstrijd. Op grond daarvan is de schr. zelfs geneigd, aan te nemen dat dit gedeelte van de Reinaert in de tweede helft der twaalfde eeuw gedicht is. Zowel Baldwinus als de latere afschrijvers hebben de plaats verknoeid.
Leuvensche Bijdragen XVI, afl. 2-3. Bijblad. Behalve mededelingen over Zuid-Nederlands dialektonderzoek brengt deze aflevering alleen boekbeoordelingen en -aankondigingen. Daaronder is een uitvoerig-gemotiveerde beoordeling van Stroomingen en Gestalten, van De Gaaf en Gris, door Frank Baur. In dit boek zou hij een breder plaats toegekend wensen aan de Zuid-Nederlandse letterkunde. Een andere grief is, dat de schrijvers z.i. te weinig vertrouwd zijn met de Middeleeuws-Katholieke levensen wereldbeschouwing, en dat hun boek de esthetiese behandeling van het kunstwerk en de kunst als zodanig voorbijgaat. - J. van Mierlo bespreekt de nieuwe uitgave van Justus de Harduijn's Weerliicke Liejden tot Roosemond, een ‘Renaissance-zonde’, waarvan de geestelike-dichter zelf spijt gehad moet hebben.
Verslagen en Mededeelingen der Kon.-Vlaamsche Academie. Nov. 1923. (nagekomen aflevering). Het grootste deel van deze omvangrijke aflevering wordt ingenomen door een geillustreerd Handwoordenboek voor de Bouwkunst en de Oudheidkunde, samengesteld door Leo van Puyvelde. - Een pedagogiese bijdrage van J. Jacobs is getiteld: Naar eene oplossing van het brandend vraagstuk betreffende het opstellen in het Nederlandsoh in de lagere Humanioraklassen.- Leonard Willems houdt een scherpzinnig
| | | | vertoog Over de Historische beteekenis van Boudewyn van der Looren's gedicht ‘De Maghet van Ghend’. Zijn konklusie luidt, dat het gedicht, geschreven omtrent September 1381, zonder his-toriese waarde is, maar een tot nu toe ongebruikt, gewichtig dokument als godsdienstig pamflet in de strijd die in Vlaanderen gewoed heeft tussen de aanhangers van twee pausen, de Urbanisten en de Clementisten.
Des. 1923 (nagekomen aflevering). J. Vercoullie betoogt dat ‘Den Antwerpschen truut’ (d.i. boerterij, scherts) etymologies in verband staat met tarten en trots. Naar aanleiding van de studie van J. Millardet: Linguistique el dialectologie romanes, Problémes et methodes bespreekt J. Vercoullie De overheerschende rol van de Klankleer in de Taalkunde. - Uitvoerig behandelt G. Ch. van Langenhove ' De Etymologic van Ontberen, Ohd. inbéran, Angs. Onberan en Odberan.
Maart. J.A. Goris brengt Nieuwe elementen voor de biographie van Jan van Boendale, waarvan de uitkomst is, dat het geboorte-jaar eer 1290 dan 1280 geweest zijn zal, terwijl hij in 1366 nog als clere in dienst van de stad Antwerpen is. De schr. meent twee administratieve autografen te kunnen aanwijzen. - Josef Jacobs stelt de vraag Werd de Volkstaal gewijzigd in den loop der tijden Op grond van een onderzoek van niet-litteraire ge- schriften uit de 16e en 17e eeuw meent hij dat het antwoord in hoofdzaak ontkennend zal moeten luiden. - A. Geerebaert publiccert de inleiding op zijn Lijst van de gedrukte Nederlandsche Vertalingen der oude Grieksche en Latijnsche Schrijvers waaraan hij vele jaren werkte. Zijn bedocling is, ‘een bijdrage te leveren tot de kennis van den invloed der oude klassieke letteren op de Nederlandsche literatuur, taal en cultuur’.
De Vlaamsche Gids, XVII, afl. 1. In de rubriek Hollandsche Letteren behandelt Franz de Backer in het biezonder Jaap van J. van Looy en De Gezegenden van Aart van der Leeuw, die bij de belangrijkste boeken van de laatste maanden acht. Verder bespreekt hij o.a. de 12e druk van de Nederlandsche Letterkunde van De Groot, Leopold en Rijkens, waarin hij de Zuid-Nederlandse letterkunde beter en ruimer vertegenwoordigd zou wensen.
Vlaamsche Arbeid. Aug.~Sept. O. Dambre geeft een Levensschets van Justus de Harduijn, gedeeltelik op grond van onuit-gegeven archiefstukken. - In de Kronieken geeft Jozef Muls zijn indrukken van De Gezelle-herdenking, die onlangs te Brugge
| | | | plaats vond. - Victor J. Brunclair spreekt zijn oordeel uit over de strijd tussen Van den Oever en Van de Voorde. - Paul van Ostayen bespreekt o.a. de verzenbundel De Voorhof van Paul Verbriggen en de Verzen van H. Marsman.
Museum. Okt. C.G.N. de Vooys beoordeelt ongunstig een weinig betekenend Mnl. teksuitgaafje: Pelagia, eine Legende in mittel-niederländischer Sprache door A.F. Winnell. - Een brede en belangrijke bespreking wijdt G.G. Kloeke aan de Niederdeutsche Forschungen van Chr. Sarauw, die de Mnd. toestand wil reconstrueren op grond van het materiaal uit de tegenwoordige Nederduitse dialekten, maar die deze taak sterk onderschat, omdat hij de ware betekenis en de problemen van de moderne dialektstudie niet doorgrondt.
Neophilologus X, afl. 1. W.J. Noordhoek gaat in een opstel Lavater und Holland nauwkeurig na, welke invloed Lavater hier te lande gehad heeft. Bijna al zijn werk werd in het Nederlands vertaald. De stichtelike geschriften werden in de breedste kring bekend; zijn dagboek werd nagevolgd door Feith, Van Alphen, Bellamy en Jacob van Loo; zijn physiognomie vond veel bewonderaars. Onder zijn korrespondenten treft men aan: Van Alphen, Tydeman, Hinlopen, Van Goens. De laatste stond, als geestverwant, tot hem in nauwe persoonlike betrekking, en werkte zelfs met hem samen. Ook de gedichten werden meermalen vertaald en nagevolgd: bij Ahazuerus van den Berg, Riemsnijder, Kasteleyn, J.P. Kleyn en Wolff en Deken is zijn invloed merkbaar. Na een korte opleving, tussen 1840 en 1850 geraakte Lavater in Nederland vergeten. - J.W. Bierma betoogt, in een beschouwing over Plautus' Aulularia, dat Euclio niet bedoeld is als een echte gierigaard, maar als een ‘rustelooze bezetene’, die pas tot kalmte komt, als hij door de afstand van zijn schat verlost wordt van zijn ziekelike angst. - K. Sneyders de Vogel bespreekt La Pensée et la Langue van F. Brunot. Het uitgaan van de gedachte en van de taalvorm leidt z.i. tot twee systemen, die beide recht van bestaan hebben. Dit verhindert niet dat hij dit werk zeer waardeert.
De Bibliotheekgids. Okt. Albert Verwey plaatst in een artikel over Erasmus zijn beschouwing van deze figuur als ‘type vanreine en zuivere geestelikheid’ tegenover die van Huizinga inzijn onlangs verschenen monografie. - M. Uyldert schrijft een In memoriam Jacob Israël de Haan.
C.d.V.
|
|
|