‘Vol’ met accusatief.
Onder de adj. die tegenwoordig 'n ace. regeren wordt vol genoemd, zonder de vermelding dat het in meer dan een opzicht van de andere verschilt. Het kan trouwens licht z'n eigen weg gaan, omdat het behoort in 'n andere sfeer: bij bijster, getroost enz. is steeds 'n persoon subj., bij vol gewoonlik 'n ding. De overige komen attributief niet voor of slechts in andere bet., behalve dat desnoods naast ‘De man is daar z'n leven niet veilig’ kan geplaatst ‘Hij is daar geen veilig man’; vol hoort men telkens attributief, gelijk vanouds. Maar het heeft, trouwens op te verwachten wijs, de vrije plaatsing verloren. Bij de anderen beveelt ook de plaatsing aan, de bep. obj. te noemen - ze is bij inspanning waard als bij i. lonend; vol water heeft de bep. achter. Terwijl verder, waar voor ongewone klem geen reden is, gelijkelik gezegd wordt de i. lónend en i. wáard1), hoort men (het schip was) vol wáter, ('n kamer) vol vólk [vw. koppelingen als 'n schipvol, kámervol, hándvol enz.], - behalve als men vol doet uitkomen. Het een en het ander zou ik toeschrijven aan invloed der praep. verbinding, om twee redenen. 1. Vol behoort semanties bij met en zonder: zonder volk heeft tot tegengestelde (oppositum contradictorium) met volk, tot omgekeerde (oppositium contrarium) vol volk. 2. Naast vol volk staat vol van volk; in andere uitdr. hoort men soms ook vol met...., vermoedelik
naar gevuld met.... Beide 1 en 2 konden de vooropplaatsing van vol bevorderen, de accent-ondergeschiktheid aan wat volgde veroorzaken.
'n Andere eigenaardigheid is zo niet verklaarbaar. Men kan nl. wel zeggen de, die inspanning waard, de inspanning van het voortschuiven waard, maar bij vol noemt de bep. steeds iets algemeens: men zegt vol water, vol bruin water, vol rietmussen, maar niet vol het, dat water. De soldaten van Napoleon verenigt onze voorstelling tot 'n groep; daardoor kunnen we zeggen vol soldaten van N.; doch vol kan niet zonder volgende praep. vóór deze soldaten. Bepaling door het individuele is evenzo buiten-