De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31. J.B. Wolters, Groningen / Batavia 1937


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 193]

Uit de praktijk van de voornaamwoordelijke aanduiding.
Een statistische bijdrage.

De lezers van ons tijdschrift weten sinds vele jaren, door opstellen van Ph. J. Simons, van Gerlach Royen, dat de voornaamwoordelijke aanduiding in het Nederlands ons voor velerlei ingewikkelde problemen plaatst: er is verschil tussen Noordelijk en Zuidelijk spraakgebruik, tussen spreken en allerlei schrijfstijl; men heeft de letten op ‘aanduiding’ tegenover ‘vervanging’, op de aanduiding door demonstratieven of door het vage ‘het’, op veelvuldige niet-aanduiding en de oorzaken daarvan.

Voor de grondige studie van al deze vraagstukken zou men èn de historische ontwikkeling èn de hedendaagse praktijk moeten nagaan. De spoedopdracht van Minister Slotemaker de Bruine aan een speciale kommissie bood geen gelegenheid om voldoende materiaal te verzamelen. Z.E. wilde weten a) welke regels zouden moeten gelden voor ‘de voornaamwoordelijke aanduiding van of met betrekking tot mannelijke personen en mannelijke dieren’.

b) ‘in hoeverre ook voor andere dan de onder a bedoelde woorden de speciale regels zullen kunnen gelden, die daarvoor worden aanbevolen.’

De eerste vraag levert geen moeilijkheden op, maar de formulering van de tweede vraag is niet gelukkig. De bedoeling moet zijn: welke substantieven, behalve namen van levende mannelijke wezens, worden met hij en zijn aangeduid? In de gedachtengang van de Minister is de vraag waarschijnlijk zó te vertalen: Noem mij groepen van ‘mannelijke zelfstandigheden’, waarmede ik mijn Koninklijk Besluit kan verduidelijken en uitvoerbaar maken, zodat bij die woorden ook de naamvals-n gered wordt.

Deze verborgen bedoeling verklaart tevens, waarom niet gevraagd werd aaar de aanduiding met zij-haar of met het. Nadrukkelijk wordt ook de opdracht beperkt tot ‘de hedendaagsche Nederlandsche schrijftaal’. Elk deskundige mist ook een derde, principiële vraag: In hoeverre bestaat er congruentie tussen de nominale classificatie (d.w.z. de drie, of twee, taal- kundige ‘geslachten’) en de voornaamwoordelijke aanduiding? Leken gaan er ten onrechte van uit, dat er een volstrekte congruentie bestaat, of tenminste behoorde te bestaan.

[p. 194]

Voor een objektief-wetenschappelijke beantwoording van de tweede ministeriële vraag volgen hier enkele statistische gegevens, deels met hulp van leerlingen bijeengebracht. Het zijn slechts steekproeven, in veel opzichten leerzaam, omdat niet alleen de aard, maar ook de frequentie van de voornaamwoordelijke aanduiding met hij-hem-zijn, naast zij-haar van belang zal blijken. Verrassend was voor mij vooral het onderzoek van enkele oudere auteurs, bij wie men een veelvuldig gebruik van hij en zij zou verwachten. Niet geteld werd de aanduiding van onzijdige substantieven (met het-zijn) en van alle meervouden, omdat daar slechts het pers. vnw. zij (ze) mogelijk is, terwijl het vrouwelijke possessief haar naast hun zeer zeldzaam is, en bij jongere auteurs vrijwel ontbreekt.

Voorop gaan een zestal auteurs uit het midden van de negentiende eeuw:

In Potgieter's Blauwbes (13 blz.) vond ik slechts 10 aanduidihgen van deze soort: éénmaal hem (bij zomer), 2 maal zijn (bij jak en genie), 2 maal zij, ze (bij inleiding, radeloosheid), 2 maal hare (bij Republiek en poëzie) en 3 maal die(n) (bij de l, weerzin, kreet).

In Alberdingk Thym's De organist van den dom (24 blz.) werden slechts 7 mnl. en vr. woorden aangeduid, waaronder 2 maal hij-hem (bij weg en tabbaard), 1 maal zijn (bij geest), 4 maal ze, haar (bij zon, harp, stad en spreuk).

Bij Bosboom-Toussaint: fragment van 20 blz. uit de Leicester-cyclus 13 aanduidingen, waaronder geen mnl. en 5 vrouwelijke (bij verhouding, intentie, magistraat, partij en - foutief! - bij dolk) tegen 6 maal die (bij bond, tegenwerking, souvereiniteit, inkwisitie, handel, bekwaamheid, terwijl de stedennamen Amsterdam en Utrecht (door personificatie?) met haar aangeduid werden.

Bij Schaepman: Alb. Thijm (in ‘Menschen en Boeken’). Op 10 blz. geen enkele aanduiding met hij of zijn; het vrouwelijke haar kwam 2 maal voor: bij kunstvaardigheid en - foutief - bij zinsbouw. Daarnaast 3 maal het meerv. vr. haar (bij wetenschappen, Middeleeuwen, scholen).

Bij N. Beets: Het doen door laten: op 13 blz. geen enkele mnl. aanduiding, en slechts 2 vrouwelijke (bij spreuk, fortuin) + 2 vrouwelijke meerv. haar. Eénmaal deze (bij maatschappij).

Bij Busken Huet: P.C. Hooft (Lit. Ph. en Kr. I): op 10 blz. éénmaal hij (bij brief) naast 5 maal zij-haar (bij vervoering, tegenkanting, genegenheid, editie, ader).

[p. 195]

Uit de oudere tijdgenoten koos ik een vijftal; van ieder onderzocht ik ongeveer 10 bladzijden, met de volgende uitkomst:

Kloos: Inleiding op Perk: 10 aangeduide woorden, waarvan 6 met het possessief haar (n.l. fantasie, uitdrukking, menschheid, poëzie, literatuur, school), 3 met het possessief zijn (n.l. roem, geur, toestand), 1 met het pers. vnw. zij (school). Gevallen van hij, hem ontbreken.

Verwey: Het leven van Potgieter: éénmaal zij (stad), 5 maal haar (bij leer, kamer, eeuw, overheid, schets). Geen mannelijke aanduiding.

Van Deyssel: Nieuw Holland: 9 aangeduide woorden, waaronder 6 met vrouwelijke vnw. zij, haar (bij taal, literatuur, voorspelling, overtuiging, kunst, mode), eenmaal zijn (bij geest); 2 maal die (twijfel, afkeuring). Geen hij of hem.

Van Eeden: Gorter's Verzen (Stud. I): 4 aangeduide woorden, waarvan 3 met zij, haar (n.l. kunst, reeks, menschheid); eenmaal zijn (bij ritus); geen hij of hem.

Couperus: Kindersouvenirs: op 19 blz. zijn slechts 5 woorden aangeduid, waaronder 3 met die (badkamer, ziel, figuur); éénmaal zij (ziel), eenmaal hem (sigarenkoker).

Voor definitieve gevolgtrekkingen zijn deze fragmenten en dus ook de getallen te klein, maar er blijkt opnieuw uit

10 dat (behalve bij voorwerpsnamen) de mannelijke aanduiding bij abstracta vrijwel niet voorkomt;

20 dat de frequentie van de vrouwelijke aanduiding bij de verschillende auteurs uiteenloopt, en in nauw verband staat met hun stijl. Dat geldt vooral voor het haar-gebruik, dat voor sommigen blijkbaar onmisbaar is, terwijl anderen er een spaarzaam gebruik van maken.

Een voorlopig onderzoek bij een jongere generatie toonde aan dat er ook schrijvers zijn, bij wie de geslachtelijke voornaamwoordelijke aanduiding uitzondering is, of vrijwel niet voorkomt. Daarvoor raadpleegde ik de drie bundels Het Nieuwe Nederlandse proza in novellen. Enkele cijfers volgen hier:

Van Schendel: De Luistervink: geen mnl., 5 vr. aanduidingen (gracht, ondeugd, neiging, nieuwsgierigehid, kruik).

Aart van der Leeuw: op 12 blz. 6 aangeduide woorden, waarvan 2 mnl. met hij en zijn (n.l. hemel en zomer), 4 vr. (n.l. voornaam, bloem, natuur, stem).

Werumeus Buning: geen mnl., 4 vr. aanduidingen (roos, wereld, sloep, zee).

[p. 196]

Frits Hopman: geen enkele aanduiding!

A. Roland Holst: geen mnl. of vr. aanduiding op 8 blz.! slechts 2 maal die (bij stem en ring).

Albert Kuyle: op 5 blz. 3 aanduidingen: haar bij kust en wevervogel(!); die bij reep.

Een opmerkelijke tegenstelling vormt

Carry van Bruggen: met 10 aanduidingen op 12 blz. waarbij geen enkele vrouwelijke, maar 6 mannelijke (dag, avondwind, zomerwolk, wind - met personificaties! - trein, stad) en 4 maal die (bij buik, toren, dag, murmeling).

Bij al deze becijferingen beperkten wij ons, gelijk reeds nadrukkelijk opgemerkt werd, tot de aanduiding van enkelvoudige woorden òf door hij, zijn òf door zij, haar. Statistisch heeft dit een bezwaar: de verhouding tot het totale aantal aanduidingen: bij onzijdige woorden, bij meervouden, maar vooral ook door voornaamwoordelijke bijwoorden, komt niet uit. Wij beschikten echter over volledige gegevens voor één geheel werk: De Waterman van A. van Schendel. Daarin komen, behalve de aanduiding van levende wezens, 168 gevallen voor. Opmerkelijk is nu dat daarbij 77 voornw. bijwoorden zijn. Van een hij-aanduiding werd maar één geval aangetekend (bij gulden), naast 9 maal zij en haar. Deze getallen worden overtroffen door het aantal demonstratieven, n.l. 10 maal die en 3 maal deze.

 

Een kleine steekproef in geschriften van geschiedschrijvers, van wie telkens een tiental bladzijden onderzocht werden, leverde de volgende uitkomst:

  hij, hem zijn zij haar
R. Fruin........ 0 0 3 republiek vloot partij 1 school
P.J. Muller..... 1 raad 1 staat 4 unie commissie vereeniging legermacht 2 republiek vloot
P.J. Blok...... 0 0 3 benoeming partij reductie 3 republiek vloot partij

[p. 197]

  hij, hem zijn zij haar
G.W. Kernkamp. 1 indruk 0 4 methode soort welsprekendheid redevoering 2 soort wetenschap
J. Huizinga...... 0 0 1 cultuur 4 vraag handeling categorie theorie
P. Geyl......... 1 stijl 1 stijl 3 werkzaamheid philologie kerk 3 vrijheid begrenzing oudheid

Ten slotte geven wij nog dergelijke gegevens, opgetekend uit akademische redevoeringen van taalgeleerden, telkens op een tiental bladzijden.

  hij, hem zijn zij haar
A. Kluyver...... 0 0 2 analogie belangstelling 2 maatschappij natuur
J.W. Muller..... 0 2 stand adel 2 letterkunde taal 2 letterkunde benaming
F. Stoett........ 0 0 3 studie romantiek taal 3 taal spraakkunst renaissance
J.H. Kern...... 1 taal 1 taal 0 0
Jac. van Ginneken 0 0 3 linguistiek wetenschap psychologie 7 linguistiek wetenschap psychologie taal verdeling school eisch

[p. 198]

  hij, hem zijn zij haar
C.G.N. de Vooys 0 2 roman taal 0 0
J. Wille......... 0 0 5 vraag kunst bewijsvoering scheiding poëzie 4 wetenschap analyse historie mythologie
G. Royen........ 0 0 2 linguistiek koinè 2 taal wetenschap
G.G. Kloeke.... 0 0 0 0
A.A. Verdenius.. 0 0 1 taal 2 jeugd taal

De lezer die het geduld gehad heeft, deze getallen te bezien en te vergelijken, zal met mij verwonderd zijn over de geringe frequentie van de onderzochte aanduiding: bij de meeste auteurs minder dan één geval per bladzijde. De mannelijke pronomina zijn ze erschaars: voor ons taalgevoel zijn ze bij abstracta te ‘persoonlijk’, te ‘menselijk’. De herhaaldelijk voorkomende mannelijke substantieven (bij historici b.v. oorlog, strijd, staat, tijd, bloei, enz., bij taalkundigen: regel, naamval, vorm, invloed, uitleg, enz.) worden gewoonlijk niet aangeduid of met die.

Vrouwelijke pronomina zijn talrijker. De kommissie-Van Haeringen1) toonde dus een juister inzicht dan de Minister, door juist de aandacht te vestigen op bepaalde woordgroepen, waarbij de vrouwelijke aanduiding in hedendaagse geschreven taal min of meer gebruikelijk is.

Intussen lijkt het mij niet onbedenkelijk, daaraan voorschriften voor het onderwijs te ontlenen. Invuloefeningen met hij of zij zouden het onvermijdelijk, soms taalbedervend, gevolg zijn. Het veelvuldig gebruik van zij en haar achten sommige schrijvers onmisbaar, doch anderen voelen er geen behoefte aan, en drukken

[p. 199]

zich niet minder duidelijk uit. In de oratie van Kloeke b.v. wemelt het van vrouwelijke woorden als taal, overlevering, opvatting, gevolgtrekking, vergelijking, gissing, opschuiving, methode, dialektgeografie, ontwikkeling, aanleiding, verklaring, uitspraak, maar geen van die woorden wordt pronominaal aangeduid of vervangen! Eenzelfde verschijnsel merkten wij op bij litteratoren. Men zal moeilijk kunnen volhouden dat een ‘verarmde’ stijl ontstaat, waar deze pronomina ontbreken. Omgekeerd zal geen taal- en stijlkundige een vermijding of bestrijding van het zijhaar-gebruik aanbevelen, overtuigd dat dit gebruik ten nauwste met bepaalde stijlbehoefte samenhangt. Het gepaste gebruik dient hij te eerbiedigen; het ongemotiveerde gebruik en het misbruik zal geweerd moeten worden. Er bestaat namelijk een onnatuurlijke toepassing van zij en haar, voortkomend uit verschillende oorzaken. Bij vertaling uit het Frans en het Duits wordt vaak elle en sie klakkeloos in zij overgebracht. Journalisten tonen een voorkeur voor zij, waar in idiomatisch Nederlands het vereist is, b.v.: ‘De fascisten en de monarchisten zullen in één partij worden verenigd. Zij (lees: Het) zal de enige partij van het rebellen-Spanje zijn.’ Of, nadat over een opvoering gesproken is: ‘Zij (lees Het) was een belangrijke praestatie.’

Eigenaardig is ook het misverstand dat in verzorgde stijl de aanduiding en vervanging door die te ‘spreektaal’-achtig zou zijn. Vroeger hebben wij reeds opgemerkt, dat met volle klem vooropgeplaatst, haar onmogelijk, en die soms onvermijdelijk is. Maar ook de beste letterkundige taal, sinds de zeventiende eeuw, levert voorbeelden. Uit Verwey's Proza tekende ik o.a. aan: ‘Zij lokken die (de stem) dan ook tot zich’; ‘Hoezeer die (de voordracht) dramatisch was’; ‘Hij trachtte die (de idee) waar te maken.’

Geheel on-Nederlands lijkt mij een constructie, die ik bij H. Roland Holst herhaaldelijk aantrof, nl. een voorzetsel met zaaknaam in plaats van het voornaamwoordelijk bijwoord, b.v. van boeken gezegd: in hen lezen, of van poezie: met haar ingenomen zijn.

Uit dit alles blijkt dat ook in de schoolgrammatica een te simplistische behandeling van de voornaamwoordelijke aanduiding schadelijk kan zijn.

C.G.N. de Vooys.