|
|
|
| |
| | | |
Leven en Dood.
(Vervolg van blz. 154).
5. Congruentie-Discongruentie.
Als het Hollands geslacht niettemin laag wordt geschat, is dat vooral in konservatieve kringen. Daar moet taal niet op de eerste plaats levend zijn maar deftig, deftig als de meest deftige koets in Nederland, de lijkkoets, zwart rococo. Die krulletjes van buiten zijn dan heel fraai, maar wat daarbinnen huist....! Echt Louis Quinze, zuiver 18-eeuws is zo'n lijkkoets: deftige vorm, dode inhoud. Zo was ook veel 18-eeuwse taal. Vooral door middel van de congruentie, d.i. de gelijkschakeling op het punt van persoon, naamval, getal en.... geslacht, op vier manieren dus gelikt (zoals het wel van schilderijen heet); maar ook ons vers en ons proza was zo in de achttiende eeuw, zodat een dichter zelf moest waarschuwen: ‘Lik er het leven niet uit!’
Die waarschuwing kan men nog altijd tot de Nederlandse congruentie-vrienden richten, met tweekeer de bijvoeging: ‘Lik de taal niet nog dooier dan die al is!’ één keer geldt die waarschuwing dan de congruentie, een tweede keer het geslacht-zelf.
Wat de congruentie betreft, die is uiteraard iets doods; als we het ‘likken’ noemen, is dat een term die nog te zeer iets vitaals inhoudt, want likken doet een dier of mens als levend wezen, maar wie automatisch congrueert, doet dat als een dood wezen. Dit moet even apart worden verklaard. Sommige dorpen zijn beroemd om een Echo; die woont daar dan in een gemeenteput, of bij een oude vestingmuur; en de beroemdheid is dan gegrond in het wonder dat een dood ding hetzelfde geluid maakt als een levend; men laat dan ook die Echo ‘spreken’, tweekeer, vierkeer, zeskeer. Is er echter onder de toeristen een psycholoog, dan ontroert dat niet hem; naar de luisteraars kijkt hij wel, met grote ogen zelfs, maar de echo laat hem koud want die leeft niet, 't is een studieobjekt voor de physicus, 't is een automatische reflex op geluid, weliswaar iets dynamisch maar toch star, dood. Zo dood-dynamisch is congruentie te achten. Als een Fransman la of cette (vache) heeft gezegd, zegt i daarna est brune, en even automatisch zegt een Nederlander vaak zwarte als hij het over boeke heeft (over dit n-loze boeke zie De N. Taalg. I 213). Die e van boeke lèèft want het heeft zìn zo te spreken, de e drukt iets logisch uit. Dat doet echter de e van
| | | |
zwarte niet, want al waren er ook duizend van die zwarte boeke, kleur is er dan toch maar één, zwart; vandaar dat de Nederlander niet zegt: die boeke zijn zwarte. Ook zegt i niet: die koe is bruine, want zomin als de kleur direkt met het spraakkunstig Getal heeft te maken, is hier de kleur afhankelijk van het Geslacht. Toch zien we soms de kleurnaam door het Geslacht beïnvloed (: een bruin kalf, een bruine koe) en evenzo door het Getal (: bruine kalvere). Die zinloze Congruentie is dan misschien te vergeven als een starre bestendiging van een oud gebruik dat oorspronkelijk misschien toch wèl doel had; nl. in die oude tijd kan die e van bruine en zwarte een hulp zijn geweest bij de grammaticale koppeling van die kwaliteiten aan de betreffende substanties. Begrijpelijk! want overal, ook buiten taalterrein, komt uiterlijke gelijkheid ten goede aan innerlijke eenheid; vooral als die innerlijke eenheid abnormaal sterk moet zijn, wordt de uiterlijke gelijkheid te hulp geroepen (denk aan de uniformen van het priesterdom, van het klooster, het leger); maar ook zal die uiterlijke gelijkheid van veel nut kunnen zijn, als de innerlijke eenheid nog jong is en dus nog sterk moet wòrden (denk aan de zo krasse insignes en uniformen in de jongste Staten). Welnu, zo'n jonge eenheid is op taalgebied te konstateren onder volken die intellektueel nog kind zijn; in hun taal is dan de zinseenheid nog zwak; uiterlijke steun is dan gewenst op zoveel mogelijk punten. Ik kan mij dus voorstellen, dat eens ook in ons thans zo intellektuele Westen veel congruentie is nodig geweest en dat toen de Fransen hun huidig ce(s) livre sont noir gezegd hebben met twee duidelijke echo's op de s van ces; misschien hebben toen ook de Nederlanders in die trant gesproken, ongeveer: die boeke zijn
zwarte. (Bij deze redenering heb ik mijn verzwakte herinneringen aan Middelnederlands, Gothisch e.d. opzettelijk niet verlevendigd).
In die oude tijd had een spraakkunstige die e van zwarte zelfs als iets ‘levends’ kunnen nemen, inzover nl. die e toen een steun was voor het leven van de volzin.
Is daarvan misschien ook heden nog sprake? Zit zo misschien ook in de e van een ouwe man contra een oud wijf nog enig indirekt leven d.w.z. is ook dìe congruentie-e nog altijd een steun voor de syntaktische eenheid? Zeker is, dat pakkende voorbeelden van dit congruentie-‘leven’ beter zijn te zoeken bij volken waar de syntaktische eenheid nog uitermate zwak is o.a. bij volken met een nog weinig ontwikkeld denkvermogen, bijv. bij zeker kaffervolk, de Zoeloes; daar kan in een zelfde syntaktisch geheel vierkeer geëchood worden op één geslacht (Zie voorbeelden in Taal en Letteren V 275, waar het bekende Progress in Language werd besproken). Dat wil daarom niet zeggen, dat de Fransen die de herhaalde e in cette vache est brune niet willen prijsgeven (zelfs niet de letter s in ces livres sont noirs), daarom nog altijd veel van Kaffers hebben; want in Romanen is de faktor ‘Uiterlijke Vorm’, ook buiten taalterrein, iets van sterk doorwerkende kracht (Poussin en Larousse
| | | | zijn dan één). Niettemin kan ook dìe kracht iets stars worden en zo werkelijk iets ‘doods’; een Fransman zelf zag dat eens in, en al sprak hìj toen als grammaticus slechts van ‘subtilités et contradictions’, ik zou toen van ‘onzin’ hebben gesproken (Larousse en 2 volumes i.v. grammaire).
Aan de Franse kant ligt het Zuidnederlands, ook ons Brabants en Limburgs, en ook daar is de congruentie nog ‘levendig’, zegt Van Mierlo, vooral inzake geslacht. Dat toonde Royen eens duidelijk aan met een paradigma uit het Heerlens dialekt: einc nuje sjtek (mannel.), ein nuj mutsj (vrouwel.), ei nuu pak (onz.), resp, hê, ze, et (De N. Taalg. XIX 273). Is die Heerlense uiterlijkheid nu een bewijs dat in het Zuiden het syntaktische denkvermogen nog altijd veel oude steuntjes hard nodig heeft? Of is het een bewijs dat die Zuiderlingen veel vormkracht bezitten? In elk geval is het geen bewijs dat hun vormkracht hier meer dan oude starheid is, nog minder een bewijs dat het geslacht er levend is, dus zin heeft; ik althans begrijp niet waarom er een muts een ander geslacht moet hebben dan een stok; en ook hoorde ik nog nooit door een Limburger dat ‘fraaie’ geslachtsraadsel verklaren, zelfs niet door Schrijnen. Wel heeft die, kort voor zijn dood, de verklaring die Van Ginneken van het raadsel gaf, medeondertekend, maar dat was toen wel duidelijk een afscheid van het leven, want Van Ginneken's verklaring is de raadselachtigheid-zelf, de onzin in persoon. (Daarover later apart!).
Maar juist dat puzzle-achtige is soms voor mensen aantrekkelijk, vooral voor sommige jonge mensen en ook voor oudere in een tijd dat de mensheid zich met insignes en uniformen verjongt en dan de herleefde belangstelling in taalpuzzles gebruikt als profane franje voor herlevende religies. Dat geeft dan een taalkundige bond tussen verschillende theologen, bijv. tussen Slotemaker en Van Ginneken. Beide grijsaards voelen zich dan taalkundig weer groen en fris, groen als gymnasiasten; ook zij gaan dan in congruentie ‘hèt Leven der Taal’ zien, ja ‘het Wezen der Taal’; en na dan, analoog aan het kerkelijke en parlementaire Pater amat filium, gedikteerd te hebben: De vader bemint den zoon, gaan zij dat taal-‘leven’ nog vèrder regelen, door voor die congruentie ook nog een meer mysterieus geslacht te zoeken, het Zuidelijke: Vader kocht de muts omdat zij zo fraai was.
Met hun zucht om mysterieus te ‘regelen’, maken officiële geleerden de taal op een tweede manier nog dooier dan die op sommige punten al is. Sinds lang dood is bijv. in Holland de orde (als dat levend was, zou het thans luiden het orde); tamelijk dood is er ook sinds lang het hert (als dat springlevend was, zou het luiden de hert); dood wordt nu het geslacht in Holland over een hele linie: allerlei voorwerpen (muts, tafel, kerk enz.) worden nu in het woordenboek met een v ge- | | | | merkt en met een dood voornaamw. (zij en haar) beëchood.
Gelukkig echter krijgt die nabootsing van het zielloos vreemde bij voorbaat een tegenwicht in een versterkt leven van het eigene. Dat is nu aan te tonen, trapsgewijs. Eerst wordt de herhaalde dood (te konstateren in het hert dat weg is) teruggebracht tot een enkele dood, als nl. van dat hert gezegd wordt: hij (of die) is weg, ook zo van het paard: hij (of die) is in de stal. Reeds lang is dat herlevingsfeit ook onder gymnasiaal ziende mensen bekend in de volgende vorm: Het lid A heeft bedankt omdat hij verhuisd is. Zelfs de rector van die mensen, Van Mierlo, vindt dat dan goed; 't is slechts een ‘schijnbare onregelmatigheid’, verontschuldigt hij dan, ja, die kwijtschelding maakt hij zelfs volledig, met latijn: ‘congruentia ad sensum’, spreekt hij dan (Levende Talen No. 100, blz. 201). Welnu, dat sensum (d.i. zin, i.c. taalleven) betracht een Hollander niet alleen jegens personen, ook jegens dieren en dingen betracht hij weleens zin, algemene zin zelfs; dat is dan wel het meest logisch, filosofisch zelfs (zie hiervoor, blz. 152)1). En niet alleen dat dan behalve het hert en het paard ook het mes met die of i wordt aangeduid (Zo klapt i dicht) en ook het linker- of rechterbeen (Wat is die gezwòllen!), maar ook gebruiken Hollanders dan dat die attributief: Die ene is gezwollen, die andere niet, ja, zo'n levend die
| | | | kan zich vlak voor het substantief plaatsen: die been, die hert; dan heeft dus dat voornaamwoord z'n benodigde levensruimte uitgebreid over een plaats die voor het dode voornaamwoord gereservèèrd was, de plaats van het lidwoord. Zo brutaal kunnen natuurlijk alleen vitale kleuters zijn. ‘Al te brutaal!’ zal Van Mierlo zeggen. Hij heeft misschien gelijk. Maar waar is het leven nièt brutaal, althans niet bruut! Wat het geslacht betreft, werd die bruutheid zelfs eens geexploiteerd door Van Mierlo's confrater Van Ginneken; die deed zijn officiële geslachtsregeling leven in de overmacht van het mannetje op het wijfje. Gelukkig echter is zelfs in die sfeer soms te zien, dat ‘bruut’ en ‘bruut’ twee is. Ook daar is naast bruut geweld nog brute drang, zelfs lieve drang, ook onder dieren, en dan is het dus tòch nog altijd ‘bruut’ d.i. animaal. In die zin zijn alle levende wezens enigzins bruut. In hoge mate hun kinderen; vandaar in die kleinen de sterk primaire vitaliteit, vandaar ook dat in de kindertijd allerlei elementair taalleven zich sterk doet gelden o.a. logische analogie, logische syncope1), logisch geslacht.
Steeds logischer, d.i. konsekwenter. Immers men hoort kleuters niet alleen zeggen die paard en die been, maar ook de paard.2)
De leek meesmuilt dan: Die kleutertaal is kromtaal, net iets als Afrikaans; de rechte taal vindt men niet bij de kinderen
| | | | maar bij de ouders, het rechtst nog bij de voorouders, het allerrechts bij de voorvoorouders; dat is ook de mening van Drs. Meertens, de bekende dialektoloog. Maar de vakman denkt: ‘Die kleutertaal is gerijpte taal, prima Nederlands; 't is vitaliteit die niet onnodig geremd werd door nette traditie of dooie taaltechniek’. Aan de pedagoog gunt die vakman natuurlijk het genoegen, een kompromis te bedenken tussen de oude netheid van de ouders en het nieuwe leven van de kinderen, zoals ook een dialektenbureau dat hulp en geld behoeft, een wijs kompromis kan zijn tussen vulgair en wetenschappelijk taalbegrip; maar als vakman kan men natuurlijk alleen de waarheid betrachten en dan kan men in zake geslacht zijn lof op de kleutertaal goeddeels handhaven, en samenvatten als volgt: Moderne kleuters is het te doen om logica-analogie (die is op hol → die paard zal verongelukken), niet om anti-logische congruentie (het paard is op hol → het zal verongelukken); een en ander is een bewijs dat in de kindergeest de syntaxis meer innerlijk werd, dus rijpte en aldus aan zekere rijping van het denkvermogen beantwoordde.
Exposanten van kindertekeningen moesten dit eens bedenken; want in dat bewonderde tekenwerk zit altijd nog veel onbeholpenheid; geavanceerde kleutertaal daarentegen is te prijzen als taalvaardigheid (uiterlijk en innerlijk), een vaardigheid, zo spontaan en sterk, dat die zich niet doden laat door de drie weloverwogen regels van de volwassenen nl. 1o een dood lidwoord moet dood blijven, 2o het voornaamwoord moet zich naar dat lidwoord voegen, ‘congrueren’; 3o het taalideaal is dus in het Zuiden te zoeken, bij Vlamingen, Brabanders en Limburgers.
Dit idealisme van Noorderlingen mocht indertijd te vergeven zijn, toen Holland in zake wetenschap tamelijk onmondig was en daarom voor een nieuwe bijbel (zijn Statenbijbel) een ‘wetenschappelijke’ basis zocht bij Vlaamse translateurs; thans is Holland een jaartje ouder. Daarom kon het nu diè provincie zijn waar eindelijk een werkelijk wetenschappelijke studie van het geslacht werd ondernomen, geen ‘officiële’ studie zoals Van Mierlo aanraadt, maar een vrije, die begint a) met een onderzoek naar de natuurlijke geslachtsvormen, b) met een onderzoek naar hetgeen de sprekende mens bij het gebruik van die vormen denkt en voelt, dus beleeft. - Wel was het daarna een Zuiderling die op de voorgrond ging treden (op verzoek van de Noorderling Terpstra) in een boek met veel vertoon van
| | | | geleerde termen en namen van geleerden, dus ietwat Spaans-Brabants; maar toch was het tegelijk die Zuiderling die toen op de meest juiste, ja scherpe wijs het jarenlange onderzoek van de Hollanders samenvatte in deze zeven woorden: in zake geslacht is het voornaamwoord primair (en niet, zoals men altijd meende, het substantief met z'n versteende lidwoord). Die konklusie werd toen zelfs geldig geacht buìten Nederland, - dank zij de mondiale invloed van de Brabantse geleerde -; maar toch blijf ik die konklusie het meest evident achten op meer beperkt gebied, nl. daar waar het geslacht het meest levend is, o.a. in Holland.
Mogen we daar ten slotte ook niet Van Mierlo aan onze zijde zien? Acht ook hij het niet als S.J.-man een schone taak, de mensen een Inhoud te doen waarderen boven een lege Vorm; een ziel boven een lichaam; een algemene aard naast een biezondere; levende woordinhoud boven automatische woordtechniek, boven domme kracht. ‘Het gaat zo geheel anders in deze wereld’, zal ook hij weleens uitroepen, ‘vooral tegenwoordig!’ Inderdaad! de volkskrant reserveert meer kolommen voor boksers dan voor geleerden, onder de geleerden is Keesom meer gezien dan Kollewijn, en toen dan ook onlangs in een Vereniging van filosofen werd uitgeroepen: ‘We moeten ons intellekt vertrappen,’ gold dat weer niet de physica of de chemie maar de meer geestelijke wetenschappen, de filosofie incluis. Moet tot zo'n zelfmoord nu ook de Grammatica besluiten? Er is wel enige reden voor. Immers terwijl iemand als de Nederlandse geoloog Van der Lijn van aanzien tot aanzien steeg naarmate hij meer keien vond, zou iemand die in het Nederlands geslacht steeds meer inhoud zou ontdekken, veel kans krijgen op de keien te komen, zò botst dat geesteswerk tegen de deftige traditie die op taalgebied diploma's en een eigen haard verschaft. Heus, ik kan Van Mierlo's ijver voor ons ‘officieel’ geslacht niet prijzen; er zit, net als in zijn Zuidnederlands geslacht, te weinig ‘ad sensum’ in, te weinig van het ‘psyche nikai’. En toch zou hem de betreffende psychologie als studie niet moeilijk gevallen zijn als hij er zich eens aan gewijd had; die psychologie toch is meermalen geprezen om de duidelijkheid, vooral om de ‘tallooze goedgekozen en fijn geschifte voorbeelden’. (Grondbeginselen enz. door Jac. v. Ginneken blz. 134).
| |
6. Chaos. Kosmos.
Moeilijker wordt die psychologie, als we ingaan op Van Mierlo's verwijt: Uw Hollands geslacht is een chaos; o.a. de abstractie, die daar volgens U onzijdig is, vind ik er soms mannelijk. Waar bijv. de Hollander Bierens de Haan het over ‘het denken’ heeft (let wel: ‘het denken’!), daar schrijft hij gladweg: niets dan hij
| | | |
zelf kan beslissen over de klaarheid en dus niets dan hij zelf kan de waarheid vaststellen. (Gesch. v.h. wijsgerig denken blz. 15 - Baarn 1915). En behalve zo 'n abstractie is in Holland ook een voorwerp afwisselend een hij en een het, ja de stof is haast even dikwijls een hij of het als een ze. Allesbehalve een kosmos!
Maar is niet juist het chaotische een kenmerk van het Leven? Waarmee zette eens de kosmos in? Met het licht! Maar licht is levenloos, iets voor de physica. Geen wonder dat eens een schilder (Hans Thoma) de Schepper van het licht afbeeldde met Zijn hoofd in.... een geometrische draadfiguur. En ook het àndere kosmische, het hele planetenstelsel, dat natuurlijke uurwerk, die regelmaat-in-persoon, het Automatisme-zelf, 't is allemaal iets voor de physicus!
Maar wat kwam eerst veel later dan het licht uit de chaos, ja het laatst van al? De levende mens. Geloof niet, dat die laatkomer al uìt de chaos is! hij zit er nog goeddeels in; en zou hij er helemaal uit willen, dan zou hij zijn natuur verkrachten en ziek worden. De natuurleer omtrent de mens is dan ook niet op de voornaamste plaats physica, ook niet physiologie maar psychologie. En die weet dan soms weinig raad met ‘wetmatigheid’, ‘natuurwetten’ en andere planetaire dingen.
Met het sterk chaotische hangt er het duidelijk evolutionaire samen; geestesleven is dan nog ‘erger’ dan dierenleven d.i. momenteler. Darwin's leer strijkt nog over eeuwen, onze taalleer betipt seconden; de ene seconde is bij ons de vrouw een ‘vrouw’, de andere keer een ‘mens’, een derde keer een ‘ding’, en zo wipt dan ook het geslacht resp. van ze op i, van i op het; ja, als de vrouw ‘vrouw’ blìjft, kan toch nog het voornaamwoordelijk geslacht dezelfde sprongen maken, van ogenblik tot ogenblik. Taalleer moet hier wel duidelijk vergankelijkheidsleer zijn en veranderlijkheidsleer (niet idealiter maar realiter!). Om dat in te zien, is natuurlijk een kei te koppig, ook te weinig intelligent; vooral onze beroemdste kei, de Amersfoortse, zal over onze taalleer wel slecht te spreken zijn: ‘Populair!’ zal hij wel meesmuilen, ‘helemaal niet netjes, een janboel!’ Trouwens, wat is voor die kei aller keien nìet een chaos? Zelfs het zo ordelijk convent van Van Mierlo S.J. zal wel door zijn banvloek getroffen worden, want ook daar is nog leven en beweging. Alleen de stènen van dat convent zullen genade in zijn ogen hebben gevonden, ook nog wel iets in de mensen die tussen die stenen huizen, nl. datgene in hen wat het meest op steen lijkt, hun geraamte; vooral in de
| | | | oudsten onder hen; want oude knoken zijn het meest verkalkt en dus ook het meest bereid, zich in handen te stellen van de grote chemicus, de ordelijke Dood. Maar de andere lichaamsdelen, vooral die op gelei lijken, longen, lever, neen, dat is allemaal nog te graag ‘chaos’, bovenal het zo vlottende bloed, symbool van het Leven-zelf!
Zo vlottend bleek hierboven het geslacht. En wie daar dan over rouwt, zoals Van Mierlo en zijn Amersfoortse vriend, die moet zijn troost maar niet bij het ‘leven’ gaan zoeken, want dan gaat hij, - dat is nu wel gebleken -, bij de duivel te biecht.
Tenzij hij door ‘leven’ alleen het secundaire leven verstaat en dan het primaire verwerpt, als iets ‘kwaads’. Daartoe heeft natuurlijk ieder het recht; het duivelse en het hemelse is nu eenmaal iets van geloof en zo is er ook taalgeloof. Maar verwerping en waardering van taal kan ook vrucht zijn van wetenschap d.i. van onderzoek; dit zetten wij thans voort, na eerst het voorafgaande in een conclusie te hebben samengevat: Het chaotisch karakter van het Hollands geslacht belet ons, daar kortweg ‘logica’ in te zien of ‘systeem’; hoogstens is een ‘kìem van logica’ te constateren of een ‘systeemkìem’. Slechts wie dan zijn object onder een vergrootglas plaatst, zoals wij in de paragraaf Inhoud deden, kan een ogenblikje in de waan komen, dat de kiem reeds tot wasdom kwam, ja hij kan dan in die waan volharden, zoals Hoogvliet en Van Ginneken, resp. in Die sogenannten Geschlechter usw. S. 60 (- Den Haag M. Nijhoff 1913) en in Grondbeginselen enz. blz. 138. Dit tweede boek is erger dan het eerste, want de Schr. maakt er de theoretisch vergrote logica nog groter, door er praktijk van te maken, een praktisch onmogelijke praktijk, overigens zeer passend bij zijn andere doordraverijen.
Niettemin moet het denkbeeld ‘logica’, ‘systeem’ of ‘kosmos’ de voornaamste werkprikkel blijven. Practisch effect evenwel heeft die prikkel het meest buìten de grammatica nl. in de lexicologie. Als het daar over de juiste woordkeus gaat, betreft dat de noemwoorden en dan hoeft het ideaal ‘juistheid’ geen utopie te blijven, want in de wereld van de noemwoorden is de logica-kiem reeds van nature tamelijk wel ontwikkeld; bijv. geen enkele volksman zal last hebben van de taalgril, zijn scheermes ook eens schaar te noemen of omgekeerd. Zo'n zelfde man weet zelfs op psychologisch terrein nl. waar het gemoedszaken betreft, zeer juist te zijn, ja raak (getuige de gevleugelde woorden!). Altìjd zo precies is 's mensen woordkeus als het vaktermen
| | | | geldt en dan zowel onder handwerkslieden als onder geleerden; in beide kringen is de samenval van woordvorm en woordinhoud zo exact en permanent als de hermetische sluitingen in een chemisch laboratorium; in dat levenloos milieu kan het Denken volkomen systematisch geschieden; ook zo in de wereld van de noemwoorden; maar in de wereld van de aanduidende woorden blijft de eenheid van Denken-en-Systeem een utopie, vooral wat het geslacht betreft. Slechts twee vormpjes bereiken dan de exaktheid van de noemwoorden nl. zij en hij; vooral het eerste is doorlopend synoniem te achten van het betreffende noemwoord (vrouw), dat voornaamwoord zij heeft dan echter een volle klank zoals de noemwoorden wei en kei. Maar i en ze zijn bijna klankloos en ze zinken dan niet alleen fonetisch weg in de wereld van het kleine maar ook logisch: ze worden dan systeemzwak, net als het kleine in de stòffelijke wereld, de atoomelementen; ze worden dan kortweg ‘onbegrijpelijk’ voor de ordelijke denker, ‘al te spontaan!’
(‘Spontaan’ noemde ook eens een physicus het atoomelement dat, buiten alle berekening om, een onverwachte sprong maakte. Daarmee trouwens strookt, dat de physici de voorstelling, als zou de samenstelling van een atoom iets als een ‘planetenstelsel’ zijn, alleen nog maar per traditie handhaven. En dan blijkt dus ook het licht iets ‘levends’? En dan nadert dus dit uiterst kosmische ding het ander uiterste, de chaos? 't Zou kunnen. In de wetenschap zijn op slot van rekening geen radicale tegenstellingen, tenzij in zover ook wetenschap geloofselementen bezit d.i. aprioristische elementen, maar deze kunnen weleens falen).
(Wordt vervolgd).
Ph.J. Simons.
|
1)Douwes wil daar maar niet aan! In De Vacature besluit hij zijn psychologische of pedagogische recensie (die ik graag lees), bijna altijd met een kritiek op de auteur z'n taal, en als die dan een kind met hij heeft aangeduid zonder dat uit het verband te zien is dat het een jongen geldt, dan schrapt Douwes die fout met zijn blauwe potlood aan. ‘Fout’? Is niet elk kind, zo goed als een paard en een stoel, een voorwerp (dus een hij) in grammaticale zin? Die zin moet zich vaak veel algemener betonen, dan men in het dagelijks leven (en in de volksschool) graag ziet; daar houdt men meer van biezondere zin, het meest van de allerbiezonderste, de zin voor sexe; van jongetjes
en meisjes heeft men er de mond vol. En zelfs als men er toch speciaal aan grammatica doet, dus behalve aan sexe of aan ‘geslacht’ ook nog aan getal en naamval, tijd en persoon, ook dan is men vaak te biezonder. Dan hecht o.a. Douwes veel te veel waarde aan de buigingsvormen die men eens met z'n dagelijks taalbegrip uitvond. De taalrealiteit is vaak heel anders: persoon- en tijdloos (bijv. vint), zo goed als sexeloos, getal- en naamvalloos. De ‘verbetering’ van die realiteit gaat vaak te ver en wordt altijd veel te gewichtig geacht. Als het goud van de taal in die verbeteringen bestond, zou men onze Gouden Eeuw thans eer een Blikken Eeuw moeten noemen.
1)Dat muziek dan tot m'ziek wordt, is te begrijpen: wie denkt bij dat woord nog aan een of andere muze? Even logisch was eens de syncope van paraveredus tot paard, van ' t mag schien tot misschien, thans bij kinderen m'schien. Op dat punt verdient de pedagogische ‘Commissie ter bevordering van een meer verzorgd mondeling taalgebruik’ wel een kritiekje. Niet uit het oogpunt van netheid (van ‘beschaafdheid’, zegt een Haagse winkeljuf), maar uit het oogpunt van leven. Zeker! ook dat leven is vaak net, zelfs netjes, tot zwak toe; maar 't is ook vaak nìet netjes, zelfs bruut, tot sterk toe. (Zolang bovenstaande syncopen niet besproken zijn uit het
oogpunt van Leven en Dood Hfdst. Klank en Letter, kan verwezen worden naar ‘Taalevolutie en Patriotisme’ in De N. Taalgids XIX 27; daar werd het Leven als Zin dus als Logica besproken naar aanleiding van Knappert's nette ‘patriotische’ kritiek op gezegde syncopen).
2)Rombouts: De Psychologie der Kleutertaal 123. De vervanging van het en dat door de en die is niet altijd een kwestie van (levend) geslacht. 'k Hoorde meermalen een kleuter die tegen alles wat men hem voorhield, Die! riep, onverschillig of het een stof of een voorwerp was, alleen gedreven door de verrassing: ‘Alwèèr wat anders!’
|
|