De Nieuwe Taalgids. Jaargang 34


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 34. J.B. Wolters, Groningen / Batavia 1940


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 87]

Elckerlijc, het dal sonder wederkeeren, en de mystiek.

I.

Bij het zoeken naar mogelijke bronnen van Elckerlijc lag het voor de hand op verhalen te wijzen, waarin vriendschap in de ure des gevaars onbetrouwbaar bleek.1). Verder wees Dr. A. Burssens op een exempel van ± 1470, dat een zo treffende overeenkomst heeft met het toneel tussen Elckerlijc en Tgoet, dat hij dit een sterk bewijs acht voor de prioriteit van het Nederlandse zinnespel in de bekende Elckerlijc-Everymanquaestie2). Er bestaan echter zulke essentiële verschillen tussen deze verhalen en ons spel, dat men gerechte twijfel mag koesteren, of we hier wel met werkelijke bronnen te maken hebben. Dat de ene vriend de andere in moeilijke omstandigheden in de steek laat; dat een tot de dood toe zieke man moet ervaren, dat zijn rijkdom hem deze keer niet vermag te helpen, hoewel hij misschien de beste artsen wou laten komen - het is op zichzelf niet zo bijzonder. Merkwaardig is echter wel wat in Elckerlijc gebeurt: de hoofdpersoon vraagt namelijk aan Gheselscap mede de dood in te gaan, evenals aan Tgoet, dat dus een heel andere rol moet vervullen dan hem beter te maken. Erg voor de hand liggend lijkt deze vraag niet, misschien zou men zelfs geneigd zijn te zeggen: enigszins onnozel. Hoe komt onze auteur aan deze voorstelling van zaken?

Het was me lange tijd onmogelijk hier een antwoord op te geven, tot ik voor kort Colijn Caillieu's Dal sonder Wederkeeren of Pas der Doot las, uitgegeven door professor Paul de Keyser, waarin ik de bron voor ons spel meen te zien. De prioriteitskwestie wordt daardoor, gesteld dat dit juist is, echter niet definitief opgelost, omdat het genoemde werk een vertaling is van het Franse Le Pas de la Mort van Amé de Montgesoie, dat

[p. 88]

even goed de schrijver van Everyman tot voorbeeld heeft kunnen dienen.

Een ‘Pas d'armes’ was in de vijftiende eeuw een sportgebeuren van grote betekenis. Men bouwde een fictief romantisch geval op, waarbij b.v. een ridder, die een bepaald schild aanraakte, zich verbond tot een tweekamp1). Het ‘Pas der Dood’ nu is een litteraire navolging daarvan. Voor de ingang van ‘'t Dal sonder Wederkeeren’ heeft vrouwe Dood haar paviljoen opgeslagen. Twee ridders staan tot haar dienst: Accident en Anticque, die het reglement van de tweekamp hebben opgesteld; al wie een der twee schilden, die aan een dorre boom bij de Fontein der tranen hangen, aanraakt, zal de noodlottige strijd moeten beginnen.

Enkele van de regels voor de tweekamp zijn voor ons van belang. Zo zal niemand hulp mogen verlenen aan een strijder: ‘niemant sal daer comen te baten / Sinen gheselle’.2) Niemand mag zich laten vergezellen door wat hij liet heeft:

 
Ende elc sal moten laten sijn amye2)
 
 
 
Men salse in dit pas droeflic sien beswaren,
 
Als si deertsch goed en deere moten laten.
 
Gout / silver / juwelen / naer ons verclaren,
 
En rekeninghe hier af gheven3)

Hier treffen we dezelfde elementen als in Elckerlijc aan, doch in een verband dat natuurlijker aandoet: het spreekt vanzelf, dat men in de ridderlijke strijd zich niet laat helpen. We vinden hier de prototypen van Gheselscap en Tgoet. Bovendien merken we op, dat er, evenals in Elckerlijc, gesproken wordt van rekenschap geven, niet alleen in het laatste citaat, maar ook elders:

 
Want na den ontfanc behoort men te rekene4).

De overeenkomst tussen beide werken gaat evenwel veel verder. De voornaamste punten daarvan moge ik op deze plaats vermelden. De dood zegt tot Elckerlijc:

[p. 89]
 
Oec moetti aen nemen, sonder verdrach,
 
Een pelgrimagie, die niemant en mach
 
Weder keeren in gheender manieren.1)

Daarbij past de titel van het vergeleken werk: ‘Dal sonder wederkeeren.’ Ook wordt er van een pelgrimage gesproken:

 
Elc mensce is een pelgrim die hier present is2)

Aan de andere kant vindt men de titel van Elckerlijc in deze dodendans:

 
Ghi siet nu elckerlijc welde soecken
 
In allen substancien/in drinken/in eeten,3)

Tgoet brengt de mens ten verderve; als de bezitter gestorven is, gaat het over aan een ander om die te bedriegen:

 
Daer om tgoet kenne ic der sielen dief:
 
als ghi nu van hier zijt, dat en mach niet lieghen,
 
Soe wil ic eenen anderen bedrieghen,
 
Ghelijc ic dede voer uwen tijt.4)

Dezelfde gedachte in het Dal sonder wederkeeren:

 
Dus ist een dwaesheyt quaet van fatsoene,
 
Die rijcheyt die der werelt gegheven is,
 
Die metten snoden pleecht haren sin te doene,
 
Ende daer na der ghiericheyt toe ghesereven is.5)

Elckerlijc begint met een uitvoerige klacht van God over de vele zonden der mensen, reden waarom Hij de Dood laat komen. Hetzelfde motief vinden we in het andere werk. Uitvoerig spreekt Ouderdom over de onrechtvaardigheid die de wereld regeert6), over de vele wantoestanden op aarde7; het zuiveringswerk van vrouwe Dood wordt door de levenden niet geacht8 en daarom besloten Ongeval en Ouderdom een ‘pas d'armes’ uit te schrijven ter ere van vrouwe Dood en om de mensen te leren sterven9). Het peinzen over de dood kan de zondige ziel genezen10).

Elckerlijc wordt als een rijk, mooi gekleed man voorgesteld:

[p. 90]
 
nochtans sijnse soe door
 
Ende verblent int aertsche goet1)
 
 
 
Elckerlijc, waer sidi op weghe
 
Dus moey?2)

In het Dal sonder Wederkeeren wordt herhaaldelijk gezegd, dat de strijders met de Dood hun pracht en praal moeten afleggen. (Zie o.a. het citaat op blz. 88). Op de uiterlijke schoonheid heeft de schrijver het blijkbaar vooral voorzien. Met de bovenstaande regels uit Elckerlijc kunnen we o.a. nog vergelijken:

 
Ghi siet die tgoet hebben/in eenen vercloecken,
 
Ghi siet som seer snode/met rijcken habiten beseten3)

Belangrijker is een ander punt van overeenkomst. Elckerlijc wordt niet alleen door mensen en aards bezit in de steek gelaten, ook van allerlei eigenschappen moet hij afstand doen. Kracht en de vijf zinnen o.a. begeven hem bij het sterven, hoewel ze anders beloofd hadden. Met het weggaan van de eerste kan men vergelijken uit het Dal sonder Wederkeeren:

 
Therte vergruwelt alsmen yemant sterven siet,
 
Als die siele uuten lichaem moet scheden:
 
Seenuen ende aderen breken dan door tverdriet
 
Die tsamen accoort hielden/in slijfs beleden.4)

De (vijf) zinnen worden evenwel met name genoemd:

 
Alle bevoelijcke sinnen onbesweken
 
Moten te niete gaen bi sdoots termijnen,
 
Twesen/dopsien/thoren/en spreken
 
Triecken/smaken/dlacchen/en grijnen,
 
Den lust/den sanck moet al verdwijnen5)

Elckerlijc vindt alleen de deugd bereid om als reisgezel met hem mede te gaan, wat duidelijk de bedoeling van dit spel weergeeft. Evenzo is het Dal sonder Wederkeeren een voortdurende opwekking tot de deugd, b.v.:

 
Die om u peysde.....
 
Elck sou schuwen/daer hem duecht af ontgaen is
 
En die duecht hanteren/ende die sonden vlien6),
[p. 91]

of aan het slot:

 
Dies elck aenveerde sonder lange te slapene
 
Eendrachtige minne/met lijdtsamige duecht1),

Maar niet alleen een opwekking tot de deugd: ook de verzekering dat de deugd - en iets anders wordt eigenlijk niet genoemd - de eeuwige zaligheid zal verlenen:

 
Die gheene die tot ons gecomen/hebben
 
Te werck gestelt memorie/sin/en reden,
 
Daer si veel duechden met angenomen hebben,
 
Om onsen ruyden pas te betreden.
 
Al die haren tijt tot salicheyt besteden
 
In heylicheden met volmaecter duecht,
 
Die juge sal alle dese overleden
 
Gheven sinen loon ter eewiger vruecht.2)

Tot zover de hoofdpunten van de inhoud. Er zijn echter ook in details punten van overeenkomst aan te tonen. Al wordt het woord simonie in Elckerlijc niet genoemd, het feit vindt men duidelijk aangewezen in:

 
dat si alle zijn vermaledijt,
 
die god copen oft vercopen
 
Ende daer af ghelt nemen met hoopen.3)

Vergelijk daarmee:

 
Ter ander siden sal Simonie
 
Met die vander kercken sijn uutblasen4)

Naast de klacht in Elckerlijc over een slecht sexueel leven der priesters:

[p. 92]
 
Si gheven den sondaer quaet exempel
 
Haer kinder lopen in den tempel,
 
Ende som sitten si bi wiven,
 
In onsuverheyt van liven.1)

kan men stellen:

 
Noch die prelaten en sullen niet meer ghedogen
 
Dat die priesters handelinge int ghelt hebben,
 
Noch meyskens houden/daer si ghewelt hebben2)

Op een andere plaats doet Elckerlijc alstand van zijn aardse goed, onmiddellijk nadat Vroetscap tot hem heeft gesproken, vrijwel de enige woorden die deze figuur zegt3). Nu is het wel zo, dat Vroetscap niet een duidelijk omschreven raad geeft, alleen maar zegt, dat ze tot alle deugd zal raden, doch dit gevolg is opmerkelijk in verband met een plaats uit het Dal sonder Wederkeeren:

 
Dus is hi onwijs/die hier veel eertsch goet
 
Besit/des menich is die verhevene,
 
Mits dat al weder ter eerden comen moet.4)

Samenvattend meen ik te mogen beweren, dat Elckerlijc onder invloed van het Dal sonder Wederkeeren is gevormd: de titels van beide werken geven daartoe aanleiding; de figuren van Gheselscap en 't Goet vindt men in aanleg in het laatst genoemde stuk, terwijl het enigszins eigenaardige verzoek aan Gheselscap en de andere figuren in Elckerlijc om mede de dood in te gaan en hun weigering daarop er een natuurlijker voorbeeld vinden; ook wordt er de nadruk gelegd op het verderfelijke karakter van Tgoet; de vijf zinnen vindt men er bij name, kracht bij omschrijving genoemd; in beide werken is sprake van een pelgrimage en van rekening afleggen en wordt de mens ingeprent deugdzaam te zijn; verder zijn er nog punten van overeenkomst in detail.

Kan de tijd van ontstaan niet een bezwaar zijn? Hiervan is weinig met zekerheid te zeggen. De oudste druk die wij van Elckerlijc kennen, is van 1495. Het stuk zal wel vroeger zijn geschreven, doch men kan slechts gissen hoeveel5). Professor Paul de Keyser veronderstelt, dat Amé de Montgesoie zijn

[p. 93]

Pas de la Mort omstreeks 1457 te Brussel schreef en schrijft even verder over ‘een bewijs dat de vertaling van Colijn Caillieu in 1493 reeds oud moest zijn, wellicht tot de jaren '60 kan opklimmen’. Wanneer dit alles niet te ver bezijden de waarheid ligt, zou beïnvloeding heel goed mogelijk zijn.

Een andere vraag is die van de verhouding Elckerlijc-Everyman. Dat zowel het Pas de la Mort als het Dal sonder Wederkeeren in de Nederlanden ontstonden, pleit voor de prioriteit van Elckerlijc. Zo goed als we dan echter moeten aannemen, dat de schrijver van Everyman Nederlands moet hebben gekend, moeten we het mogelijk achten, dat híj zijn stuk naar het Dal sonder Wederkeeren heeft gevormd. Deze aanname berust evenwel op ingewikkelder verhoudingen en is daarom m.i. minder waarschijnlijk.

Ook zou men kunnen denken, dat de Engelsman naar de Franse tekst werkte en dan later zelf in het Nederlands vertaald werd. Uit de vergelijking van het Pas de la Mort met het Dal sonder Wederkeeren kan men niet goed opmaken, welk van beide werken ten voorbeeld heeft gediend. Misschien pleit voor de Nederlandse tekst, dat daarin vaker de deugd genoemd wordt, niet alleen in de vertaling,1) maar vooral ook in wat er aan toegevoegd is2); verder behoefde ‘voyageur’ niet noodzakelijk door ‘pelgrim’ vertaald te worden3) en misschien ‘chascun’ zelfs niet door ‘elckerlijc’4). Enig gewicht zou men kunnen toekennen aan de reeds geciteerde plaats over het ten verderve voerende karakter van het bezit:

 
Dus ist een dwaesheyt quaet van fatsoene,
 
Die rijcheyt die der werelt gegheven is,
 
Die metten snoden pleecht haren sin te doene,
 
Ende daer na der ghiericheyt toe ghescreven is.5)

De Franse tekst stemt in dit toch wel belangrijke trekje minder goed met de voorstelling van zaken in Elckerlijc overeen:

 
Doncques, fol et de fachon male
 
Est en ce monde ung riche né
 
Qui voit sa fin au povre egale
 
Et a rapine est adonné;
[p. 94]

M.i. is dit echter te weinig om als bewijs te kunnen dienen, dat het Dal sonder Wederkeeren en niet het Pas de la Mort als direct voorbeeld gediend heeft, al verlegt het de waarschijnlijkheid wel iets naar deze kant.

Concluderende lijkt me dus de eenvoudigste en daarom de meest aannemelijke gang van zaken deze, dat de schrijver van Elckerlijc het Dal sonder Wederkeeren als voorbeeld heeft gehad en later door een Engelsman vertaald werd, maar een andere toedracht blijft heel goed mogelijk. Het wijst echter in dezelfde richting als de resultaten van de meeste latere onderzoekers, die de prioriteit van Elckerlijc steeds meer waarschijnlijk achten.

II.

Een andere vraag is: hoe heeft de schrijver van Elckerlijc het gegevene uitgewerkt?

Men heeft zeer treffend gewezen op de symmetrische bouw van het stuk: de bekering wordt voorafgegaan door de ontmoeting met vier buiten de mens gelegen figuren en gevolgd door de confrontatie met vier innerlijke, tenminste in de mens gelegen eigenschappen1). De dichter is hier zeer doelbewust te werk gegaan; naast Gheselscap en Tgoet, die hij in zijn voorbeeld vond, plaatste hij nog Neve en Maghe, naast Vijf Sinnen en Cracht evenzo Schoonheyt en Vroetscap. Als centrale figuur liet hij Duecht optreden, waarbij hij Kennisse en Biechte groepeerde. Een deel van deze personages vonden we reeds in het Dal sonder Wederkeeren evenals de gedachte, dat zij, uitgezonderd Duecht, de stervende voor God geen bijstand zullen verlenen. Dat de vraag van Elckerlijc aan Gheselscap, Neve, Maghe en Tgoet, mede de dood in te gaan, eigenlijk een merkwaardige vraag is en het probleem heel anders stelt dan in de door Dr. Endepols en Dr. Burssens medegedeelde verhalen, merkten we reeds op en we vonden de verklaring in de navolging van het Dal sonder Wederkeeren, waar het verbod van bijstand in een ridderstrijd wel meer natuurlijk klonk.

Intussen is het opmerkelijke van deze symmetrie, dat het tweede

[p. 95]

deel niet noodzakelijk bij het eerste behoort, zoals dat wel het geval is bij een symmetrisch bouwwerk, waarbij het ene deel zonder het andere een zonderling stuk zou zijn en allerminst een geheel. In ons spel is dit anders: we zouden ons best kunnen voorstellen dat na het bevestigend antwoord van Duecht op Elckerlijc's vraag: ‘Duecht, hebdi ons rekeninghe claer?’1) de passage van de Heilige Communie en dan het slot, het sterven volgde. Er is, dunkt me, zo'n wezenlijk onderscheid tussen de figuren van Gheselscap, Neve, Maghe en Tgoet aan de ene, en van Schoonheyt, Cracht, Vroetscap en Vijf Sinnen aan de andere kant, dat men zonder meer de laatste niet als een noodzakelijk complement van de cerste zal beschouwen, hoe belangrijk juist het tweede deel ook is. Men zou het misschien zo kunnen formuleren: de ontmoetingen met de eerste vier zijn alle practische ervaringen, die met de laatste vier zijn meer uitingen van theoretische bespiegeling.

We weten dat de dichter van Elckerlijc de figuur van Vijf Sinnen in zijn voorbeeld vond en in zekere zin, hoewel niet met name genoemd, ook die van Cracht. Dat hij daarbij Schoonheyt liet optreden is begrijpelijk. Deze eigenschappen zijn, zo zouden we zeggen, het sterfelijke lichaam eigen en niet de ziel. Is dat echter ook het geval met Kennisse en Vroetscap, die eveneens vindingen van de dichter van Elckerlijc zijn? Zijn dit geen geestelijke eigenschappen, die ons leven ten goede leiden en ons dus voor God kunnen helpen?

De heer Michels, die ook over deze vraag nadacht, sprak op een Philologen-congres de mening uit, dat Vroetscap ‘staat buiten iedere betrekking tot het hogere zieleleven; hij is de alledaagse levenswijsheid’.2) En over Kennisse vinden we in het congresverslag vermeld: ‘Dat Kennisse ten slotte ook van El. heengaat, beduidt niet, dat het de ziel in het ander leven aan intellectuele vermogens zou schorten, maar dat er aan die zijde slechts één ding van belang is, Duecht namelik.’2) - Op deze manier is het probleem eenvoudig opgelost. Het komt me echter voor, dat men zo redenerende het begin van het spel over 't hoofd ziet. Elckerlijc is bang voor de dood en vraagt, of hij iemand mag meenemen. Dat mag hij doen, ‘waer yemant so koene, dat hi die vaert met u bestonde’ (vss. 138/9). Het gaat

[p. 96]

er in eerste instantie dus niet om, of die andere al of niet door God als voorspraak geteld wordt, maar of hij mee wil gaan. Tenslotte komt dit wel op hetzelfde neer, doch dit meewillengaan mag men niet verwaarlozen, wat de heer Michels met Kennisse toch doet. Verder stelt zijn formulering ook de figuur van Vroetscap m.i. niet in het juiste licht.

Er zal, dunkt me, wel niemand willen ontkennen, dat de schrijver van Elckerlijc o.a. wil betogen, dat voor God eigenlijk slechts de deugd van belang is. Wanneer dit echter alléén zijn bedoelen was, dan maken Vijf Sinnen, Cracht en Schoonheyt een enigszins zonderlinge indruk: zou er iemand gemakkelijk op het idee komen, dat lichamelijke kwaliteiten de mens voor Gods oordeel van nut kunnen zijn? Welke indruk moet het hier op aarde achterblijven van deze drie op de toeschouwer maken? Dat zal toch wel die zijn van Elckerlijc's teleurstelling, omdat alles waaraan hij zo gehecht was, hier op aarde moet achterblijven. We staan hier m.a.w. voor de belangrijke vraag, wat het essentiële van de menselijke ziel is en dus na de dood blijft bestaan, en wat slechts met ons stoffelijk op aarde zijn samenhangt en dus met het lichaam te niet gaat. Maar wanneer we deze vraag voor de drie genoemde figuren stellen, mogen we hem bij Kennisse en Vroetscap niet uit de weg gaan.

Dat we het probleem op deze wijze moeten stellen, lijkt me ook daarom aannemelijk, omdat de schrijver van Elckerlijc een goed theoloog moet zijn geweest. Het is m.i. niet denkbaar, dat hij in een kwestie, die reeds zovele pennen in beweging had gebracht, een voorstelling van zaken zou geven, die van zijn mening in dezen een afwijking vertoonde. M.a.w.: als hij bepaalde eigenschappen of geestesfuncties niet met Elckerlijc laat meegaan, moet dit in overeenstemming met zijn overtuiging dienaangaande gedacht zijn.

 

(Slot volgt).

G. Kazemier.