De Nieuwe Taalgids. Jaargang 85


auteur: [tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De


bron: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 85. Wolters-Noordhoff, Groningen 1992


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 71]

Vaderlandse heldinnen in belegeringstoneelstukken

Marijke Meijer Drees

 
Heldinnen stonden eer als onbeweeghde posten.
 
De faem van vrouwen roemt, die stad en volck verlosten.
 
(Gijsbreght van Aemstel, vss. 1725, 1726)

Over de belegeringen van Haarlem (1572/73) en van Leiden (1574) zijn in de zeventiende en de achttiende eeuw meerdere toneelspelen geschreven. In dit artikel vraag ik aandacht voor twee bijzondere vrouwen in deze stukken, vrouwen die als heldinnen van het vaderland een zekere populariteit hebben genoten.

De eerste is de nog steeds bekende Kenau Simons Hasselaar, de aanvoerster van een vrouwenbataljon dat dapper meehielp Haarlem te verdedigen. Als zodanig is zij uitgebeeld op bijvoorbeeld het reusachtige historieschilderij van J.H. Egenberger en B. Wijnveld uit 18541; een vergelijkbaar tafereel van de hand van Charles Rochussen was onlangs nog te zien op de tentoonstelling ‘Helden van het Vaderland’ in het Amsterdams Historisch Museum.2 De tweede heldin is Magdalena Moons. Zij was de vrouw die de stad Leiden gered had door haar verloofde, de Spaanse legerleider Valdez, van een voorgenomen bestorming af te houden. En voor haar gold, aldus een bewonderaar in 1826, dat zij ‘geen moed noch leven, maar, wat oneindig meerder zegt, hare liefde aan het Vaderland ten offer bracht’.3

Echt langdurig geliefd zijn deze heldinnen niet gebleven. Al in de tweede helft van de negentiende eeuw werd hun voorgeschiedenis kritisch bestudeerd en werden mythe en werkelijkheid van elkaar gescheiden. Voor Magdalena Moons leidde deze ontluistering tot vergetelheid, van Kenau is alleen de naam bekend gebleven en een associatie met onvrouwelijk gedrag. De ‘waarheid’ over deze eens zo gevierde vrouwen mag dan sinds de negentiende eeuw bekend heten, over de minstens zo interessante mythologisering weten we nog maar weinig. Voordat Kenau en Magdalena tot de canon van vaderlandse heldinnen konden toetreden hebben zij onder meer in de toneelliteratuur gefigureerd. Maar in welke rollen en waardoor werden die bepaald? Hieronder laat ik zien hoe de uitbeelding van de twee vrouwen tot ontwikkeling is gekomen in het zeventiende- en achttiende-eeuwse toneel.

Dit onderzoek sluit gedeeltelijk aan bij een veel uitgebreidere studie naar het

[p. 72]

beeld van vrouwen in de Franse moralistische literatuur uit de eerste helft van de zeventiende eeuw.4 De auteur bespreekt een discussie die in die tijd in Frankrijk gevoerd werd (door mannen) over de kwaliteiten van de vrouwelijke sexe, en laat zien dat deze tot een opwaardering van de vrouw leidde. Men schreef lovend over de femme forte, de heroïsche of sterke vrouw en er verschenen werken als de Gallerie des femmes fortes van Pierre Le Moyne (1647). Dat waren becommentarieerde uitstallingen of catalogi van sterke vrouwen uit de klassieke en bijbelse oudheid en de eigen geschiedenis. Maar wat verstond men onder sterke vrouwen? De auteur vertelt dat dit vertegenwoordigsters van het zwakke geslacht waren die zich desondanks onderscheiden hadden door de een of andere vorm van moed, een deugd die als typisch mannelijk werd aangemerkt.5 Patriottisme was bijvoorbeeld zo'n deugd. Vrouwen als de Hebreeuwse Judith of de Franse Jeanne d'Arc hadden daarin uitgeblonken en kregen zo een plaats in de vrouwencatalogi.6 Deze en andere femmes fortes hebben tevens model gestaan voor heldinnen in Franse tragedies uit de onderzochte periode.7

Bestonden er in de Nederlandse literatuur dergelijke sterke vrouwen? Het antwoord is positief: ook hier te lande is in de zeventiende eeuw de vrouwelijke sexe opgewaardeerd en verschenen er moralistische verhandelingen en catalogi over sterke of anderszins lovenswaardige vrouwen. Wat de precieze inhoud van deze werken is, is evenwel nog nauwelijks bestudeerd.8 Dat is jammer, want een eerste verkenning levert interessante gegevens op.

Een laat zeventiende-eeuws voorbeeld van een vrouwencatalogus is de Galerye der uitmuntende vrouwen of derzelver Deugden en Ondeugden, in Byschriften en Sneldichten vertoont, met Verklaaringen en Konstplaaten verrijkt [...] van de Groningse medicus Ludolf Smids. Dit werk verscheen in 1690 en is voor een groot deel geïnspireerd op de hierboven genoemde Gallerie van Le Moyne. Smids' catalogus is onderverdeeld in vijftien hoofdstukken en ieder hoofdstuk draagt een titel waaruit blijkt om welke categorie sterke vrouwen het gaat. Zo heet het eerste hoofdstuk ‘Liefde voor het Vaderland’. Wat dat precies betekent spreekt blijkbaar vanzelf want er wordt geen toelichting bij gegeven. Wel vinden we in dit hoofdstuk vrouwen geportretteerd als Judith (‘dragende het hoofd van Holofer-

[p. 73]

nes op de hand’), Jaël (‘gereed om Sisera te dooden’) en Jeanne d'Arc (‘gewapend, met een vaandel in de vuist’). Alle drie vrouwen die hun stad of volk van onderdrukkers verlosten.

Een vroeger voorbeeld is Van de wtnementheyt des vrouwelicken geslachts, geschreven door een Dordtse medicus, Johan van Beverwyck. Dit boek dateert van 16399 en biedt een mengeling van een zogenaamde vrouwenlof en een catalogus.10 Er zijn drie afdelingen: ‘Van de Nature der Vrouwen’, ‘Van de Geleertheyt, ende Wysheyt der Vrouwen’ en ‘Van de Deughden der Vrouwen’. De laatste is hier van belang, omdat sterke (in de zin van patriottische) vrouwen erin centraal staan. Van Beverwyck betoogt ‘Dat de Liefde des Vaderlants een yegelijck aengeboren is ende dat om het selvige voor te staen inzonderheyt blijckt de vromigheyt [ = moed] der Vrouwen’ (p. 534). Even later werkt hij deze stelling verder uit en worden we erop geattendeerd wat ‘liefde voor het Vaderlant’ precies betekent (p. 535):

Het Vader-lant noemen wy met Cicero, daer wy geboren zijn, ende daer wy ons borgerrecht hebben, voor welckers welvaert wy alles behoren op te setten, jae ons leven self te laten. T'welck wy lesen met geen minder vromigheyt van de Vrouwen als van de Mans gedaen te zijn. Want haer Vaderlant van den vyant bestormt zijnde, hebben sy kloeck-moedelick beschermt; ende hetzelvige door de tyrannen overvallen zijnde, met raet, middelen ender handt in vryigheyt gestelt.

Het gaat hier om het vaderland in de zin van de geboortestad, dus niet in de ruime betekenis van geboorteland die wij er nu aan toekennen. Vervolgens draagt Van Beverwyck exempla aan ten bewijze van zijn stelling: eerst Hebreeuwse (waaronder we opnieuw dat van Judith aantreffen), Griekse en Romeinse en daarna ‘eenige exempelen, die onsen tijt wat nader zijn’. Dat zijn niet alleen Italiaanse, Franse en Duitse vrouwen, maar ook Nederlandse. Want, zoals Van Beverwijck het formuleert, ‘Ons lant is mede niet ontbloot van Vrouwen, die een Soldaetshert voor 't Vaderlant aennemen’. Een voorbeeld dat hij hier vermeldt is dat van de Haarlemse vrouwen onder aanvoering van ‘een seer eerbare weduwe, 46 jaren oudt, die sy Capiteyn Kennau noemden, ende dede met schieten, ende ander wapenen grote schade onder de Spaensche’ (p. 552).

Het moge dus duidelijk zijn dat men ook in de Nederlanden bekend was met het type van de sterke patriottische vrouw, de vrouw die uit liefde voor haar eigen stad of eigen volk moedig tegen vijanden streed. We zullen nu zien welke rol voor dit type is weggelegd in de belegeringstoneelstukken over Haarlem en Leiden.

Kenau: mannenmoed

Kenau treedt nog niet op in het vroegste zeventiende-eeuwse toneelstuk over het beleg van Haarlem, Haarlemse belegeringhs treur-bly-eynde spel uit 1619. Dit stuk werd geschreven door de Haarlemse jurist Goverd van der Eembd, die toen nog gewoon lid was van rederijkerskamer De Wyngaertrancken (in 1620 was hij

[p. 74]

factor).11 Er treden alleen anonieme vrouwen op (‘Eerste vrouw’, ‘Tweede vrouw’) en die klagen voornamelijk over de ellende in de uitgehongerde stad of bespreken nieuwtjes die zij van strijders op de stadswallen vernomen hebben. Toch klinkt in een regieaanwijzing wel iets door van moedig gedrag van de vrouwen: ‘Eenighe Soldaten ende Borgeren willende ter poorte uyt-loopen, worden van hare Vrouwen achter-haelt, ende gheschut’ (fol. Diij 2v). Dit doet denken aan het exempel van de vrouwen van Weinsberg, een gedenkwaardig geval van echtelijke liefde dat te vinden is in bijvoorbeeld Heinsius' Spiegel vande doorluchtige vrouwen (1606) en op Haarlemse vrouwen wordt betrokken in een mogelijke bron van Heinsius, de Batavia van Hadrianus Junius (1588).12

Van der Eembds toneelstuk heb ik hier toch vermeld omdat er in 1660 een omgewerkte versie van verscheen van de hand van Steven van der Lust, de toenmalige factor van De Wyngaertrancken. De titel luidt Herstelde hongers-dwangh, of Haerlems langh en strenghe belegeringhe, ende het overgaen der selver stad, door het scherpe swaerdt der ellenden. Kenau maakt hierin haar toneeldebuut als ‘Hollandtsche Heldinne’, zoals in de spelerslijst vermeld staat. Haar aandeel in de handeling blijkt weliswaar klein te zijn - ze is geen heldin in de zin van hoofdrolspeelster - maar niettemin opvallend. Anders dan de andere, anonieme vrouwen in het stuk, wordt Kenau gepresenteerd als een vrouw die zich gedraagt op een manier die eigenlijk niet past bij haar sexe. ‘Al ben ick maer een Vrouw 'k en vrees den Spanjaert niet’, lezen we als ze voor het eerst optreedt (II, 1, fol. C). Die klaarblijkelijke paradox wordt in een latere scène verder uitgewerkt (II, 4, fol. C3). Eerst noemt Kenau twee beroemde voorbeelden van vrouwen zonder vrees uit de bijbel: Judith en Jaël. Judith bevrijdde de stad Betulië van de Assyrische belegeraars door eigenhandig hun bevelhebber Holofernes in zijn tent te onthoofden; Jaël doodde Sisera, de aanvoerder van een leger dat tegen de Israëlieten streed, door hem terwijl hij sliep een tentpin door zijn hoofd te slaan. Vervolgens wordt ook zichtbaar gemaakt dat Kenau als een moedige vrouw beschouwd moet worden. Onder het motto ‘Het Mannen-hart dat gelt, en niet de dracht van kleeren’ schort zij haar ‘rock’ op tot een ‘broeck’. Op die manier ‘geharnast’, zoals zij het zelf uitdrukt, begeeft ze zich onder de strijders op de stadswallen.

Tot zover Kenau in haar hoedanigheid van ‘Heldinne’. Maar we hebben gezien dat ze in de spelerslijst als ‘Hollandtsche’ aangekondigd wordt. Wat betekent dat ‘Hollandtsche’ precies? Zou het kunnen duiden op een voorstadium van het vaderlandse besef dat Kenau in de vroege negentiende eeuw werd toegeschreven? Wanneer Kenau iets van dat besef laat blijken, heeft dat meestal betrekking op Haarlem en de Haarlemmers. Maar vooral in situaties waarin ze andere Haarlemmers moed inspreekt, lijkt ze soms toch ook iets ruimer te denken. In het derde bedrijf, wanneer het beleg al ruim een half jaar aan de gang is, richt Kenau zich tot twee moedeloze Haarlemmers, een burger en een soldaat. De soldaat vertelt dat hij heen en weer geslingerd wordt tussen hoop en vrees, de burger heeft de moed al helemaal verloren. De laatste beroept zich op twee exempla van uitgemoorde steden

[p. 75]

(Zutphen en Naarden) om duidelijk te maken dat ook voor Haarlem geldt dat weerstand bieden geen zin meer heeft. Kenau reageert dan aldus:

 
De bloedtschrick en gewelt dat moedight den Hollander
 
Tegen den Spaenschen Draeck; en hoe hy wreeder Moort,
 
Hoe hem meer tegenstant en gewelt komt aen boort:
 
Hoe de Tyrannen meer vrouw-schenden, branden, woeden,
 
Hoe dat al meer verhardt de Nederlands ghemoeden;
 
(III, 13, fol. F2)

Opvallend zijn hier de woorden ‘Hollander’ en ‘Nederlands’.13 De moedeloze Haarlemmers dienen volgens Kenau te bedenken dat het Hollandse of Nederlandse gemoed zich verhard als het onderdrukt wordt.

Ik ga over naar de Beleegering van Haarlem uit 1739, een treurspel uitgegeven door Willem Hessen, wederom een factor van De Wyngaertrancken (die zich toen, blijkens de titelpagina, ‘'t Kunstgenootschap In Liefde Boven Al’ noemde). Kenau heeft er eveneens een rol in, kenmerkend voor haar optreden zijn opnieuw moed en strijdlust en de paradox van kracht in zwakheid komt weer naar voren. Maar in dit toneelstuk zijn het mannelijke personages die hierop wijzen, terwijl Kenau zelf met behulp van ingenieuze beeldspraak haar moed en strijdlust als ‘rede’lijke complementen van een blijkbaar typisch vrouwelijke eigenschap presenteert: die van kuisheid. De eerste keer dat zij optreedt (in III, 2) verantwoordt ze haar gedrag als volgt tegenover twee burgemeesters en de gouverneur van de stad, Ripperda:

 
Zie hier een edele Vrouw, wiens hart door vrindlyke oogen
 
Ontvonkt is en geperst door teedere meededoogen;
 
Aan wie de kuisheid als een blinkend krijgshelmet
 
Verstrekt een waapenschild, om na de maagdewet
 
Te leeven voor het oog van myne Buurgenooten:
 
Maar zeederd onze Stad zo schriklyk is beschooten,
 
En dat vervloekt gedrogt zig teegens ons gekant,
 
Gaf my de dapperheid het Slagzwaard in de hand,
 
De liefde voor de Stad, ontstak myn zuivre leeden
 
En schoot my 't Harnas aan, waarop ik door de reeden
 
Geliefkoost wierd, als zy voor 't kwynend Neederland,
 
My stak een mannehart hier onder deze band,
 
In zulken krygsgewaad gestooken, zal ik toonen
 
Wat moed myn ziel beheerst, wat Vrouwen dat hier woonen,
 
Wy zyn drie honderd sterk, getroost en wel gemoed,
 
[...](p. 34)

Gewoonlijk geeft kuisheid mij een schild, zegt Kenau, maar sinds Haarlem zo wordt belaagd gaf dapperheid mij een slagzwaard, deed liefde voor de stad mij een harnas aantrekken en stak de rede mij, ten behoeve van het kwijnende Nederland, een mannenhart onder de riem. Zo militant en zelfbewust redeneerde Kenau in

[p. 76]

1660 nog niet. Een nieuw gegeven is ook, dat zij optreedt als woordvoerster van driehonderd moedige vrouwen.

In dit stuk zijn het Ripperda en de burgemeesters die duidelijk maken waarom Kenau zich eigenlijk niet in het strijdgewoel moet begeven. Het is weliswaar verheugend Kenau als ‘Batavische Amazoon en pronkbeeld aller Vrouwen’ te aanschouwen, zegt Ripperda bijvoorbeeld, maar ze geeft in wezen toe aan een ‘drift’ die tot algehele onrust zou kunnen leiden en daardoor zou ‘de staatszorg’ nog groter worden; ze doet er beter aan ‘de Vrouwen kunst’, die haar ‘eygen’ is weer te ‘beminnen’ (p. 35). Oorlogvoeren is een taak van mannen, vrouwen hebben hun eigen verantwoordelijkheid (die wordt overigens niet nader omschreven): ‘'t Voegd Mannen tot den stryd, en Vrouwen tot haar pligt’ (t.a.p.). Maar hoe de mannen ook redeneren, Kenau houdt voet bij stuk: ‘'k Zal toonen, dat ik ben, o Holland! een Heldin // Die voor de Vryheid streid’, p. 36). Het enige verweer dat de mannen dan nog rest is scepsis: laat ‘de blyken van uw daaden’ dan maar eens zien, ‘t'Word tyd, Mevrouw, ga heen en gespt het Harnas aan’ krijgt Kenau uiteindelijk te horen (p. 36). Nu, dat wil ze wel. Meteen begeeft ze zich naar het Spaanse legerkamp en doorsteekt daar eigenhandig de Spaanse bevelhebber Romero (in IV, 3). Anders dan haar voorgangster uit 1660, maakt deze Kenau haar moed en strijdlust dus niet alleen retorisch kenbaar, maar voegt ze de daad bij het woord. De liquidatie vindt plaats voor Romero's legertent, een gegeven dat tot drie keer toe vermeld wordt (p. 52, 53, 54). Daardoor doet Kenau's optreden sterk denken aan dat van (bijvoorbeeld) de illustere Judith, al komt die naam in dit stuk niet voor.

Ten slotte valt op dat deze achttiende-eeuwse Kenau, ook al wordt ze ‘Haarlemsche Heldin’ genoemd (in de spelerslijst) en ook al spreekt ze meermalen over ‘myn Haarlem’ of ‘de liefde voor de Stad’, duidelijk blijk geeft van een ‘Hollands’, ja zelfs ‘Nederlands’ saamhorigheidsgevoel. Zojuist citeerde ik al de zinsnede ‘'k Zal toonen dat ik ben, o Holland! een Heldin // Die voor de Vryheid streid’. Hier zouden tal van aanvullingen op te geven zijn, vooral ontleend aan het vierde bedrijf. Daar gaat Kenau alvorens Romero om te brengen eerst met hem in discussie, waarbij voortdurend patriottische gevoelens worden uitgesproken. (p. 49-51). Kenau heeft het niet alleen over ‘myn Haarlem’, maar ook bijvoorbeeld over ‘een Hollands gemoed’, dat geen slavernij kan gedogen, over ‘Neederland’, dat de Spaanse tiran nooit meer trouw zal bieden, en over ‘ik bescherm myn Landen’ (= gewesten). En, als Kenau vervolgens aan de burgemeesters trots verslag doet van haar daad, wijst ze aldus op het nut van haar verdienste (p. 53): ‘Zo groey en bloey den Staat, van 't kwynend Neederland’.

Er is nog een tweede achttiende-eeuws treurspel waarin Kenau optreedt: De belegering van Haerlem, geschreven door baronesse Juliana Cornelia de Lannoy en in 1770 in Amsterdam uitgegeven. In dit toneelstuk heeft Kenau een dochter gekregen, die de echtgenote is van Ripperda en op zeker moment door de Spanjaarden gevangen wordt genomen. Deze laatste, fictieve gegevens worden verantwoord in een ‘Voorreden’. Het was, zo lezen we daar, noodzakelijk het tragische verhaal over Kenau's dochter in te voeren om bij de toeschouwer een zo sterk mogelijk medelijden op te wekken en om Kenau's optreden te motiveren. Ik citeer nu de betreffende passage helemaal, ook omdat er duidelijk uit wordt dat een patriottisch gekleurde hartstocht in dit treurspel moest overheersen:

[p. 77]
[...]ik had een geval noodig, bekwaam om dat innig meededogen in te boezemen, 't welk met zoveel vermaak verzeld is [...] de algemene nood was hier niet genoegzaam toe: het schynt toch dat een medelyden 't welk zich naar zo veele voorwerpen te gelyk uitstrekt, door die verdeeling zelve een gedeelte van zyne kracht verliest; ook kon ik den wreeden staat der Burgery niet anders dan by verhaal te kennen geeven: ik moest dan wel myn toevlucht tot de vinding neemen, en iets bedenken 't geen de oogen des Aanschouwers treffende, zo veel meer indruk op hem maakte. Kenau Hasselaer, eene Weduwe van 46 jaaren, heeft drie Dochters gehad, die toen huwbaare jaaren konden bereiken: ik besloot derhalven één derzelven aan 't lot van Ripperda te verbinden, om door dit middel op het einde van het Stuk een aandoenlyk Tooneel te weeg te brengen; ik zeg op het einde van het Stuk, want dewyl de liefde voor het Vaderland en voor de Vryheid, de heerschende drift in myn Treurspel moest zyn, was het niet raadzaam haar ten eersten te voorschijn te brengen. [...] Ik trok uit dit alles nog een ander voordeel: het gaf my de gelegenheid om Kenau aan het Stuk te binden, 't geen my zonder dat ten uitersten moeijelijk zou zyn geweest.

Even verder volgt dan de reden waarom we in dit treurspel Kenau niet zien vechten:

Inmiddels beleeven wy thans geen' tyd, waarin men met toegeevendheid zou zien dat ik haar te voorschyn bragt om voor de oogen der Aanschouwers met den Vyand te vechten, gelyk in het Treurspel van den zelfden naam door het Kunstgenootschap: In Liefde Bovenal: ik moest dan haare belangens veréénigen met die van een der Hoofdpersonaadjen, 't welk ik op deeze wyze [namelijk door Ripperda haar schoonzoon te laten zijn - mmd] gevoeglyk heb kunnen doen.

Een vechtende vrouw laten zien zoals dat gebeurt in het de schrijfster blijkbaar bekende treurspel uit 1739, strookte in 1770 blijkbaar niet meer met de heersende fatsoensnormen.

In het stuk krijgt Kenau's heldinnenrol een iets andere invulling dan in de vroegere toneelstukken. Behalve uit de voorreden, valt dat ook op te maken uit de lijst van personages. Kenau wordt niet meer als ‘heldinne’ aangeduid maar als ‘weduwe’. De volgende naam in de lijst is die van ‘Amelia, Dochter van Kenau, Gemalin van Ripperda’. Kenau krijgt hier dus, zij het impliciet, ook de kwalificatie ‘moeder’ toebedeeld. In het eerste bedrijf hoort Kenau al dat haar dochter in het Spaanse legerkamp gevangen wordt gehouden en onmiddellijk begint zich een conflict af te tekenen tussen enerzijds de liefde voor haar dochter, ‘Natuur’ genoemd, die haar zegt de strijd te staken en met de vijand te onderhandelen, en anderzijds de liefde voor het vaderland, die haar gebiedt tot het bittere einde door te vechten. Het vaderland omvat de gehele Republiek14 en bij dit vaderland legt Kenau de prioriteit: ‘Die Dochter, die ik 't meest na 't Vaderland bemin’ (p. 29). Toch weerspiegelt haar monoloog aan het eind van het tweede bedrijf duidelijk dat zij door een innerlijke crisis wordt beheerst (p. 32):

 
O Hemel! sterk myn deugd; 'k heb alle uw hulp van nooden.
 
't Is thans geen Dwingland wiens pooging ik bestry:
[p. 78]
 
Natuur in al haar kracht ... Ach! welk een weerparty!
 
[...]
 
Vergeef me, o Vaderland! vergeef me die vervoering!
 
Myn ziel, hoe fel verscheurd, weet wat haar pligt gebiedt:
 
'k Beraad my tusschen u en myne Dochter niet:
 
Maar ik moet, slechts gewoon uw glori te bedoelen,
 
U ziende in zulk' een nood, my eigen' ramp gevoelen?
 
[...]
 
Natuur, verscheur myn ziel, maar krenk' haar grootheid niet!

De tweestrijd tussen natuurlijke liefde en liefde voor het vaderland blijft Kenau heel lang kwellen. Maar haar vaderlandsliefde overwint en culmineert in het laatste bedrijf zelfs in totale zelfopoffering. Haarlem is dan ingenomen, Kenau's schoonzoon Ripperda ter dood gebracht, haar dochter Amelia dreigt van verdriet te sterven, en alle Haarlemse gezagsdragers staat executie te wachten. In die uiterste nood probeert Kenau nog te redden wat er te redden valt. Ze biedt zichzelf als offer aan in ruil voor het leven van de stadsbestuurders. Maar daarbij heeft ze het toch ook nog weer even over haar gezin. ‘Hoor Kenau dan in 't eind voor Haerlems helden spreeken’, zegt ze tot de Spaanse aanvoerder Toledo; koel uw wraakzucht dan tenminste alleen op mij, want ik heb toch ‘niets voor my noch myn Gezin te vraagen’ (p. 73).

Ik vat het voorgaande samen. De heldinnenrol van Kenau maakt in de zeventiende- en achttiende-eeuwse toneelstukken over het beleg van Haarlem in twee opzichten een ontwikkeling door. In de eerste plaats is er de kwestie van de sexe. Aanvankelijk is Kenau een mannelijke vrouw die zich zelfs als man moet uitdossen om aan moed en strijdlust te kunnen toegeven. In de vroege achttiende eeuw wordt een zekere vervrouwelijking van haar rol in gang gezet. Haar als mannelijk geafficheerde moed en strijdlust blijken nu voort te komen uit kuisheid, de vrouwendeugd bij uitstek. De vervrouwelijking van Kenau's rol heeft zich voortgezet in het laatste treurspel, waarin Kenau haar heldinnenmoed als weduwe en moeder bewijst.

De tweede ontwikkeling betreft het patriottisme dat Kenau vertegenwoordigt. In alle stukken geeft zij blijk van een zeker saamhorigheidsbesef. In 1660 zijn de contouren ervan nog vrij vaag: Kenau's patriottisme lijkt nog hoofdzakelijk gebonden zijn aan de stad Haarlem. In 1739 laat Kenau blijken tot de Hollandse gemeenschap te behoren en voor de vrijheid van die gemeenschap mee te strijden. In 1770 strekt haar patriottisme zich uit tot de hele Republiek.

Tot zover de heldin Kenau. Maar hoe verging het haar Leidse wapenzuster? We zullen zien hoe zij zich tot concurrente van Kenau heeft ontwikkeld.

Magdalena: vrouwengeschrei

Aanvankelijk kondigt haar concurrentiepositie zich nog helemaal niet aan. Er is namelijk in de vier vroegste zeventiende-eeuwse belegeringsdrama's over Leiden (uit 1606, 1626, 1630 en 1645)15 geen spoor van Magdalena te bekennen, al treden hierin wel anonieme vrouwen op. Magdalena betreedt het toneel pas in 1646, in de tweede, uitgebreide versie van een stuk dat buitengewoon veel drukken en opvoe-

[p. 79]

ringen zou gaan beleven, Belegering ende het ontset der stadt Leyden [...] van Reinier Bontius. Magdalena verschijnt hierin onder de naam Amelia, als ‘byzit van Baldeus’, het liefje van de Spaanse legerleider Valdez, zoals in de lijst van personages staat. Amelia heeft een klein aandeel in de vijftiende ‘Wtkomst’: ‘Amelia zijn [d.i. Valdez'] Boel, komt in den rouw’ (fol. E2 1r.) staat er boven deze scène. We lezen dan hoe zij in het holst van de nacht Valdez huilend komst smeken om zijn ‘Eedt’ gestand te doen en Leiden, waar veel familie van haar woont, niet te bestormen. Valdez geeft onmiddellijk toe, wimpelt de protesten van zijn ondergeschikten af (‘om so een Vrouw, verdruckt ghy's Konings eer // En schent u eygen faem’) en neemt Amelia mee naar zijn tent om daar de nacht met haar door te brengen. Exit Amelia, in de rest van het stuk komt ze niet meer voor en er wordt ook niets meer over haar gezegd. Er is dus weliswaar sprake van een vrouw die met haar tranen haar Spaanse geliefde weet te vermurwen, maar ze wordt denigrerend omschreven als ‘byzit’ en het hiermee synonieme ‘boel’. En, als toneelpersonage is zij eigenlijk maar van weinig belang, want de aandacht van de lezer wordt in feite gericht op Valdez. Hij vertegenwoordigt in deze scène het type van de legerleider die, ondanks vermaningen van zijn ondergeschikten, zijn plicht verzaakt voor zomaar een minnares.

In uitgaven van Bontius' toneelstuk die in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw zijn verschenen, is de uitbeelding van Amelia een heel klein beetje veranderd. Haar tekstaandeel blijft zo bescheiden als het was, maar in sommige - dus niet alle - uitgaven wordt zij in de personagelijst als ‘M.M. Edele joffrouw’ geïntroduceerd. Een curieus voorbeeld van zo'n uitgave is ‘den lesten, besten en geheel verbeterden en vermeerderden Druck’, in 1659 te Leiden verschenen bij J.Z. Baron. Hierin vinden we voorin een korte inhoud, met daarin volgende passage:

[...] een Edele Jonckvrouw M.M. (ten huwelijck versocht van den voorsz. Baldeus en naemaels met hem wettelijck getrout, leest Strada) treckt inder yl uyt 's-Gravenhage, by hem in 't Leger, brengt te weeg, dat hy 't stormen staeckt, en last yder een in zijn oude form te trecken, belooft met eden haer de Stadt geen leet te doen, neemt afscheyt, en doet haer geley tot de Hoorenbrugge.16

M.M. zijn de initialen van Magdalena Moons, die nu in moreel opzicht gerehabiliteerd wordt, al was dat blijkbaar nog niet voldoende om haar naam voluit te kunnen noemen en haar in het stuk onder haar eigen naam te laten optreden (ze heet nog steeds Amelia). M.M. was niet het liefje van Valdez, maar zijn verloofde en

[p. 80]

later wettige echtgenote.17 En, nadat haar missie is volbracht neemt Valdez haar niet meer mee naar zijn tent, maar doet hij haar uitgeleide. Ook dit detail past bij de morele rehabilitatie: voor haar huwelijk sliep Magdalena nog niet met Valdez. In het toneelstuk is de betreffende scène aan deze gegevens aangepast, maar verder niet van karakter veranderd. Al is Magdalena's persoonlijke reputatie nu dus enigszins opgevijzeld, ze blijft slechts het repoussoir van de zich misdragende Valdez; een heldinnenrol is nog steeds niet voor haar weggelegd.

Daarop moeten we wachten tot 1711.18 Dan verschijnt in Rotterdam van de hand van Kornelis Boon het treurspel Leiden verlost. Het is helemaal gesitueerd in het legerkamp van Valdez en ‘Magdaleene, een edele Juffer’ speelt er als heroïsche redster van Leiden een hoofdrol in naast Valdez. Om duidelijk te maken dat we Magdalena als heldin moeten zien, geeft de auteur een inmiddels bekend signaal: hij laat Magdalena een vergelijking maken met andere beroemde heldinnen (in II, 1). Een van hen, ‘een Hebreeuwsche wedu’ oftewel Judith, zijn we al tegengekomen bij de bespreking van Kenau. De andere heldin is Jeanne d'Arc (‘een Lotharingsche maegt’), die haar roem dankte aan onder meer het feit dat zij als aanvoerster van een krijgsmacht het door Engelsen belegerde Orléans ontzette. Als Magdalena zichzelf met deze heldinnen vergelijkt benadrukt zij het vrouwelijke van haar kracht (p. 282):

 
'k Ontzet zoo wel een' stat van dage, als zy weleer,
 
Met stael niet, maer geween, een vrouwelyk geweer.

Anders dan b.v. Judith, die een zwaard gebruikte, zal zij met een vrouwelijk wapen haar stad ontzetten: tranen.

Er is nog iets wat uit de vergelijking naar voren komt: Magdalena presenteert zich nadrukkelijk als van Hollandse afkomst. Judith was een ‘Hebreeuwsche’, Jeanne d'Arc een ‘Lotharingsche’, Magdalena een Hollandse (‘ik, spruitende uit Hollantschen bloede’). Dit aspect, het bewustzijn tot de Hollandse gemeenschap te behoren, komt nog duidelijker naar voren in een scène waarin ze tegenover Valdez staat (III, 3). Zij houdt hem dan voor wat er gebeurt als hij toch besluit de bestorming door te zetten. U zult dan wel overwinnen, zegt ze, maar mij ten offer zien vallen aan uw wraak, want ik zal zelf voor de poort staan ‘om uwe legermachten, met onverschrokken moede eerlang daer af te wachten’ (p. 328). De verwantschap met Kenau is hier onmiskenbaar en in het vervolg van haar betoog benadrukt Magdalena haar verbondenheid met Holland aldus (p. 329, 330):

 
Gy hebt Hollanders voor. een volk, het geen, voorhenen
 
Deez' lantstreek vindend onbewoont, die heeft met eenen
 
Naer zich genomen naer die redelyke wet
[p. 81]
 
Der reedelyke natuer, en zich hier neer gezet.
 
Een volk, dat des zoo vry van oirsprongk, liever 't leven
 
Altyt eew uit eew in ten beste wilde geven,
 
Dant 't duldde een hooft, het geen het lichaem dwong; 'k laet staen
 
't Geen aen het vry gemoet te stout de hant dorst slaen.
 
Een volk, noit afgestreen, tot aen de doot te vreezen.
 
Een volk waer Magdaleene uit roemt te zyn gerezen.
 
Een volk, 't geen Romen, schoon 't al de aerd wrong in den mont
 
Den toom van zyn gewelt, op zynen vryen gront,
 
Met welke sporen 't dat bereed, den kop deed stooten,
 
Tot het daer van nu was erkent voor bontgenooten.

Magdalena attendeert Valdez hier op de vrijheidszin van de Hollanders, die zij verklaart uit hun verre verleden, de Bataafse tijd. Nooit zullen Hollanders zich onder een eenhoofdig gezag voegen, nooit zullen zij gewetensdwang verdragen, zoals zij al tegenover Rome hebben laten zien (een toespeling op de opstand van de Batavieren onder leiding van van Claudius Civilis).

Een minstens zo patriottisch gekleurde glansrol heeft Magdalena in het laatste treurspel dat hier besproken wordt. Het beleg der stad Leyden, geschreven door Lucretia Wilhelmina van Merken, verscheen te Amsterdam in 1774, het jaar waarin het tweede eeuwfeest van Leidens ontzet werd gevierd. In dit toneelstuk verblijft Magdalena, aangekondigd als ‘verloofde Bruid van F. Valdez’, in Leiden, ten huize van burgemeester Van der Werf, van wie zij de nicht blijkt te zijn (p. 66, 67).

Al in het eerste bedrijf wordt duidelijk dat Magdalena haar liefde voor Valdez ondergeschikt acht aan het welzijn van Nederland. ‘Maar schoon ik hem bemin, gy weet hoe diep myn harte // In 't heil van Neerland deelt’, zegt zij tegen haar vertrouwelinge, de dochter van Van der Werf (p. 19) en een bedrijf later, in de eerste ontmoetingsscène met Valdez, benadrukt zij haar vaderlandsliefde opnieuw. Ik heb u niet verzwegen, zegt ze tegen haar verloofde, ‘dat niets het vaderland by my ooit op kan weegen’ (p. 42). In het derde bedrijf wordt haar op instigatie van Van der Werf officieel verzocht om bij Valdez het behoud van Leiden te bepleiten (III, 6). Aangezien ze als ‘Nederlandsche vrouw’ haar ‘pligten’ kent, stemt ze toe. Uit de lovende woorden van stadssecretaris Van Hout blijkt dan dat Magdalena als patriottische heldin met de Haarlemse Kenau kan wedijveren en haar mogelijk zelfs kan overtreffen (p. 69):

 
Heeft Kenau Hasselaar haar' naam den tyd ontrukt,
 
Door Haarlem vóór te staan in 't kloek doch vruchtloos stryden?
 
Wat eer wacht u, indien gy Leyden kunt bevryden!

Deze passage brengt tevens een verschil met het vorige treurspel aan het licht: Magdalena wordt niet meer tegen Kenau afgezet als de typisch ‘vrouwelijke’ tegenover de ‘mannelijke’ heldin. Bij de discussie met Valdez gebruikt ze overigens een argument dat opnieuw de gedachte aan Kenau oproept (en dat we ook al kennen uit het stuk van 1711): zij zal zich persoonlijk aan de stadswallen posteren als Leiden bestormd mocht worden (III, 9, p. 76).

[p. 82]

In het laatste bedrijf ten slotte, wordt Magdalena betrokken in de lof die het Leidse stadsbestuur krijgt van geuzenleider Boisot. Tegen Magdalena zegt hij (p. 113):

 
Zo lang men Leydens naam met lof in Neerland noemt,
 
Worde ook uw deugd en naam door 't nageslacht geroemd!

Magdalena's heldinnenrol in dit treurspel is hiermee voldoende weergegeven. We hebben gezien dat Magdalena de ‘deugd’ representeert in de zin van de boven alle persoonlijke belang uitstijgende liefde voor het vaderland.

 

Concluderend: Magdalena Moons blijkt pas in 1711, dus veel later dan Kenau, in de rol van heldin ten tonele gevoerd te zijn. Het zo populaire toneelstuk van Bontius (uit 1646 en nog jarenlang herdrukt) waarin Magdalena als ‘byzit’ van Valdez optreedt, zal in de zeventiende eeuw de heroïsering van Magdalena wel in de weg hebben gestaan.19 Maar wat hier de verklaring ook van moge zijn, vanaf het moment dat Magdalena wèl als heldin wordt uitgebeeld blijken Kenau en zij zich vanuit een verschillend vertrekpunt tot hetzelfde type sterke vrouw te ontwikkelen. Dat type wordt bepaald door twee deugden: de liefde binnen het huwelijk of gezin (Magdalena als bruid, Kenau als weduwe en moeder) en de liefde voor het vaderland. Dit laatste is ook bij Magdalena een saamhorigheidsbesef dat in het vroeg achttiende-eeuwse stuk overwegend Hollands van kleur is, terwijl het zich in 1774 tot de hele Republiek uitstrekt.