[p. 303]

Hoe goed en hoe fout is Van Dale

‘Als jouw moeder joods was,’ zei hij, ‘dan ben jij dus zelf ook een jood’. Meteen trof het hem onaangenaam dat woord ‘jood’ uit zijn eigen mond te horen. Misschien mochten alleen joden het gebruiken, na alles wat er was gebeurd, misschien rustte er een taboe op ...?
Harry Mulisch, De Ontdekking van de Hemel

H.J. Verkuyl

II Hoe fout is van Dale?1

2.0 Inleiding.

De feitelijke aanleiding voor dit tweede deel van mijn artikel ligt in een uitspraak van een van de hoofdredacteuren van Van Dale 12, H. Heestermans, als commentaar op een punt aan de orde gesteld door de interviewer in het oktobernummer van Onze Taal 61(1992) en door deze samengevat in de woorden: ‘Aan racistische en andere kwetsende woorden is voor het eerst het label <beledigend> toegevoegd. Van Dale heeft daarmee een primeur in het Nederlands taalgebied’.2 Heestermans:

 

(1)Ik vind dat noodzakelijk. De woorden die je opneemt, stammen uit de samenleving, de ideeën over die woorden ook. We zetten wel bij een woord dat het vulgair is, of informeel, of archaïsch, en ik vind dat Van Dale het ook moet weergeven als mensen zich door een woord gegriefd voelen. Ik heb vrij lang met joodse mensen gesproken over het woord jood in de geïncrimineerde betekenis - ‘woekeraar, afzetter, al te handige zakenman’. Velen van hen vinden dat ik dat woord moet schrappen. Maar dan zeg ik altijd: dan moet ik ook andere woorden schrappen, zoals boer. Bovendien zou ik door de betekenis van dat woord te schrappen de taalwerkelijkheid geweld aandoen. Dan zou Van Dale lijken op een Russisch geschiedenisboek, dat bij elke nieuwe regering de geschiedenis herschrijft. Bovendien kun je nu tegen iedereen zeggen die dat woord gebruikt: in Van Dale staat dat het beledigend is. Bij jezuïetenstreek staat nu ook dat het beledigend is. Bij vloeken als een Turk ook, omdat de Turken het als beledigend voelen.

 

Ergerlijk is de onzorgvuldige, onprofessionele en onwaarachtige manier waarop Heestermans ingaat op een serieus probleem. Onzorgvuldig, omdat hij joodse

[p. 304]

mensen3 in de mond legt ‘... dat ik dat woord moet schrappen’ terwijl er natuurlijk had moeten staan ‘...dat ik de [geïncrimineerde] betekenis van dat woord moet schrappen’, zoals hij zelf ook in tweede instantie zegt; onprofessioneel omdat taalkundig gesproken de ‘geïncrimineerde betekenis’ niet valt onder een regulier betekenisbegrip: stereotypering is niet hetzelfde als betekenistoekenning; onwaarachtig, omdat Heestermans het probleem toespitst op één woord, het woord jood, terwijl er ruim zestig in het geding waren.

Bovendien was hem bekend dat niet alleen het taalgebruik van woordenboekgebruikers anti-semitisch kan zijn maar ook dat van woordenboekmakers. Heestermans negeert in (1) de portee van de taalkundige analyse die ik in 1991 aan de uitgever van Van Dale heb toegestuurd. Die analyse was geschreven omdat Mevrouw E. Rafalowitch uit Amsterdam mijn hulp had ingeroepen bij haar strijd om betekenisomschrijvingen met een voor joden krenkende strekking uit Van Dale te krijgen. Ze botste daarbij telkens weer op tegen de zo bekende taalkundige spiegel: ‘Van Dale doet niets anders dan weergeven wat in de samenleving leeft’. Geïrriteerd als ik was over de inadequaat gevoerde discussie over het woord jood in Van Dale in de jaren zeventig en tachtig - had ik mij nooit echt grondig verdiept in de kwestie zelf, maar na bestudering van het kopijmateriaal (voor Van Dale 12) dat Mevrouw Rafalowitch van Heestermans toegestuurd had gekregen, begon ik in te zien dat er veel meer aan de hand was dan wat de discussie over het woord jood indertijd boven tafel had gebracht. De werkelijke problematiek lag niet daar, zoals ik nu zag, maar veeleer bij het niet besproken joden-. Ik kwam tot de conclusie dat er in Van Dale wel degelijk sprake was van een vorm van anti-semitisme waarop het spiegelargument niet van toepassing is. In de vorm van een notitie ging mijn analyse naar Van Dale. Ruim de helft van de lemmata met joden- in Van Dale 11 is nu verdwenen of veranderd.4

Ik had aan de uitgever van Van Dale geschreven dat ik mijn analyse verder stil wilde houden en die stilte zou ook niet verbroken zijn als Heestermans in (1) serieus was ingegaan op een voor lexicografen en ook taalkundigen serieus probleem. Daarom pak ik het probleem nu in het openbaar aan: het ooit ingeslopen en nog niet geheel verwijderde restant van anti-semitisme in Van Dale. Onder de aanname dat aan individuele redactieleden van Van Dale 1 t/m 12 geen anti-semitisme is toe te schrijven (een aanname die wel voor discussie openstaat maar die ik hier verder niet in de discussie wil betrekken5), zijn er twee hoofdoorzaken aan te wijzen voor het opnemen van de schrikbarende definities van discriminatoir gebruikte woorden die ik hieronder zal behandelen: (i) het registersysteem is niet goed opgezet: het

[p. 305]

vertoont dezelfde feilen van inconsistentie en onvolledigheid als gesignaleerd in deel I; (ii) de definities van registerlabels als (figuurlijk), (beledigend), (oneigenlijk), (minachtend), (scheldwoord), etc., zijn ver beneden peil. Deze aanname - die het mogelijk maakt om de verklaring van de ontsporingen te zoeken in een gebrek aan lexicografisch niveau, of in desinteresse, onnadenkendheid, etc. - sluit echter niet uit dat een gebruikte omschrijving wel degelijk een discriminerende werking kan hebben. En dat is een redactie aan te rekenen.

2.1 Is oneigenlijk hetzelfde als figuurlijk?

Een discussie over discriminatoir taalgebruik kan snel de taalkundig verkeerde richting opgestuurd worden. Dat laat Balk-Smit Duyzentkunst (1971) zien. Het artikel verzet zich tegen de omschrijving (2), die voorkomt als een van de betekenissen vallend onder de derde hoofdbetekenis van het woord jood, nl. ‘3. kleinhandelaar van israëlitische afkomst, uitdrager’. Deze betekenis is omschreven als:

 

(2)(oneig.) woekeraar, afzetter, bedrieger: ik zou bij zo'n jood niet willen kopen.

 

Balk-Smit Duyzentkunst (1971) werd geschreven ten behoeve van een rechtszaak in 1970 aangespannen tegen de uitgeverij Van Dale en het was bedoeld ter ondersteuning van de eis om (2) uit Van Dale 9 te verwijderen. Het artikel had geen (juridisch) effect. De rechter gaf Van Dale gelijk. Toch werd (2) in Van Dale 10 geschrapt. Een andere betekenisuitleg - in Van Dale 8 nog ondergebracht onder betekenis ‘2 israëliet (na de verstrooiing van het joodse volk)’ - werd van ‘vaak als smaadnaam of scheldwoord gebruikt’ veranderd in:

 

(3)met versch. toevoegsels voorheen als smaadnaam of scheldwoord gebezigd, en, met zinspeling op zekere eigenschappen die vaak aan joden worden toegeschreven, ook (evenals in vrijwel alle Europese talen) voor: afzetter of woekeraar; al te handige zakenman.

 

Om een of andere reden komt de tekst in (3), die vrijwel ongewijzigd in Van Dale 12 is terechtgekomen, mij nogal aandoenlijk braaf voor. Voorheen als smaadnaam? Of in het verleden als smaadnaam, zoals in Van Dale 12 staat? Kom nou. Werd het gebruik van jood als scheldwoord plotseling iets van vroeger? Had Van Dale zijn registrerende spiegelfunctie op slag verloren? Of heeft Kruyskamp na de affaire in 1971 die hij juridisch gewonnen had, een soort omschrijving gemaakt à contrecoeur, om van de zaak af te zijn? Ik denk het eigenlijk wel. Het zou namelijk verklaren waarom er in 1976 - Van Dale 10 - vrijwel niets werd veranderd in de reeks van ongeveer zestig woorden beginnend met joden-. Die woorden lagen namelijk buiten schot in de discussie van 1971. Van Dale 10 laat alleen het woord jodenwoeker vallen dat er in 1872 hoogstpersoonlijk door J.H. Van Dale in was gezet.

Als het waar is dat (2) verdween door de deining in 1970, dan is dit gebeurd op oneigenlijke gronden, zoals ik wil laten zien. Balk-Smit Duyzentkunst (1971) richt zich op het ‘(oneig.)’ in (2) en identificeert dat met ‘(figuurlijk)’. Dat is onjuist. Van Dale 9 zelf definieert oneigenlijk als: ‘niet in eigenlijke zin genomen; figuurlijk, overdrachtelijk’. Daaruit volgt niet: oneigenlijk = figuurlijk. De omschrijving niet in eigenlijke zin genomen geeft Kruyskamp voldoende ruimte om zijn handen in

[p. 306]

onschuld te wassen. Balk-Smit Duyzentkunst vaart een verkeerde koers, zoals blijkt uit haar (4):

 

(4)Zoals hiervóór is betoogd moet er onderscheid gemaakt worden tussen creatief en ‘versteend’ figuurlijk gebruik. In beide gevallen is er sprake van een term, x, die wordt toegepast op iets dat ‘eigenlijk’ (bij versteend gebruik: ‘oorspronkelijk’) niet ‘x’ is. Dus: vlinder niet op een vlinder, maar op een wispelturig mens, ezel niet op een ezel, maar op een dom mens, kameel niet op een kameel, maar op een draverig, sjouwerig mens, biljartbal niet op een biljartbal, maar op een kaal hoofd, koude kak niet op koude kak, maar op gedragswijze, enzovoort. Het centrale punt in mijn betoog is dat het woord jood in de ‘ongunstige zin’ (met name van ‘woekeraar, afzetter, bedrieger’) uitsluitend wordt toegepast op de joden zelf; dat men alleen joden kan ‘uitschelden’ voor ‘jood’. (1971: 118f.)

 

Deze passage roept om te worden opgenomen in een leerboek logica, als oefening om denkfouten op te sporen. Het door de schrijfster zelf gecursiveerde deel volgt namelijk in het geheel niet uit het voorgaande. Elementaire verzamelingentheorie is al genoeg om dit te laten zien. Past men met de definitie van het label (fig.) zoals toegepast in (4) het woord vlinder figuurlijk toe op een wispelturig mens, dan volgt absoluut niet dat vlinders daarmee worden geplaatst in de klasse van wispelturige mensen, net zo min als koude faecaliën terecht komen in de klasse van gedragswijzen. De betekenis (2) plaatst joden echter wel in de klasse van woekeraars, afzetters en bedriegers. En dat is nu precies het verschil.6 Als het label (fig.) al bruikbaar is, dan kan in (2) geen sprake kan zijn van figuurlijk gebruik en daarmee vervalt het argument in (4). Op de onjuistheid van de bewering dat jood in de betekenis (2) alleen kan worden toegepast op de joden zelf kom ik hieronder nog terug.

Er is nog een logische fout in (4). Kale mensen worden wel eens uitgescholden voor biljartbal, maar als Van Dale zegt: ‘biljartbal (fig.) kaal hoofd’, dan worden daarmee niet biljartballen beledigd; kaalhoofdigen worden beledigd door het woord biljartbal op hen toe te passen.7 In Van Dale 9 staat bij ezel ‘(fig.) dom mens, domoor’. Hier staat toch wat Balk-Smit Duyzentkunst (1971) meent te lezen in (2), nl. figuurlijk gebruik van ezel. Desondanks is het moeilijk in te zien dat hiermee

[p. 307]

ezels worden beledigd: domoren worden uitgemaakt voor ezel.8 In (2) worden - bij interpretatie van (oneig.) als ‘(fig.)’ - woekeraars en bedriegers voor jood uitgescholden, niet andersom. Met andere woorden, als (oneig.) gelezen zou moeten worden als (fig.), dan zou bij consistent gebruik van (fig.) definitie (2) niet zijn opgenomen, maar dan zou bij woekeraar, etc. ‘(fig.) jood’ hebben moeten staan. Daarmee zouden joden dan zijn beledigd op grond van de interpretatie van (fig.). Kruyskamp wilde de informatie in (2) hebben staan bij jood. Het (oneig.) in (2) ligt dichter dan (fig.) bij wat hij vermoedelijk op het oog had, maar doordat de definitie van oneigenlijk in Van Dale 9 zelf zo vaag is, komt men er niet echt goed achter en is alleen ernstige kritiek op de kwaliteit van de gegeven informatie op haar plaats.9 Maar dat (oneig.) iets anders uitdrukt dat het (fig.) van Balk-Smit Duyzentkunst (1971) is zeker.

2.2 Stereotypering.

Stel dat het empirisch noodzakelijk is de informatie-eenheid ‘jood (X) woekeraar, afzetter, bedrieger’ op te nemen, dan ontstaat de vraag: Welke operator X beschrijft correct de relatie die tussen het woord jood aan de ene kant, en de woorden woekeraar, afzetter en bedrieger aan de andere kant bestaat voor de personen die het woord jood in deze betekenis gebruiken?

In (2) wordt vastgelegd dat joden voor diegenen die het oneigenlijk gebruiken een deelverzameling vormen van de klasse van woekeraars etc. Als men (2) zou lezen als (2'):

 

(2')(stereotyperend) woekeraar, afzetter, bedrieger

 

ontstaat er taalkundig gezien een geheel ander verhaal dan Balk-Smit Duyzentkunst (1971) vertelde. Stereotypering is het isoleren van één eigenschap uit een verzameling van eigenschappen en deze eigenschap laten optreden als representant voor die verzameling. Stereotypen voor een volk of voor een bevolkingsgroep werken al snel pejoratief. Zo is the ugly American ontstaan, de zuinige Nederlander, de domme Belg (of Pool als je in Duitsland woont), de woekerende jood, de lompe boer, etc. De tolerante Nederlander, de genereuze Amerikaan, de joodse vioolspeler en arts zijn er natuurlijk ook om te laten zien dat stereotypen soms de andere kant uitwerken, maar je moet er erg mee blijven uitkijken. Dat horen lexicografen te weten. Ze wisten het niet of wilden het niet weten.

Als de discussie over lemma (2) in termen van stereotypering was gevoerd, dan zou het enige argument dat wel ergens op lijkt in Balk-Smit Duyzentkunst (1971; 1989), nl. dat Kruyskamp bij rooms, calvinist, neger, Duitser, etc. in Van

[p. 308]

Dale 9 geen ‘(oneig.)...’ had staan, direct centraal zijn komen te staan. Overigens kon hier op geantwoord worden dat bijv. in Van Dale 8-11 bij jezuïet ‘(fig.) dubbelhartig, doortrapt’ stond en dat in Van Dale 8-10 bij neger nog stond:

 

(5)1. persoon behorend tot één der zwarte rassen van Afrika, gekenmerkt door een donkere huidskleur, kroeshaar, platte neus, etc .... 3. (fig.) hatelijk persoon: een neger van een vent.

 

Kruyskamp gaf dat antwoord wijselijk niet (bij mijn weten althans), want daarmee zou hij zich behoorlijk in de vingers hebben gesneden, ook al omdat het woord blanke er wel erg blanco in voorkomt met ongemarkeerde informatie dicht bij de ondergrens: ‘iemand die tot het blanke ras behoort’.10

Daarmee komen we aan het laatste aspect van (2) dat uitgelicht moet worden. Het maakt het echt aantoonbare anti-semitische element in de lexicografische omschrijving zichtbaar. Balk-Smit Duyzentkunst (1971) interpreteert de toelichtende zin (6) los van de vraag of de spreker joods of niet-joods is.

 

(6)ik zou bij zo'n jood niet willen kopen.

 

Daardoor blijft de kern van de kwestie uit het zicht, nl. dat het probleem van Van Dale 9 met (2) gelegen is in een stilzwijgende identificatie met een ongemarkeerde meerderheid. Er zijn voor (6) twee interpretatieklassen, gegeven een niet-joodse spreker: (a) de spreker karakteriseert een niet-jood als een woekeraar, afzetter of bedrieger, en daarom noemt hij hem jood en wil niet bij hem kopen. De zin illustreert een weerzinwekkend gebruik van het woord jood door een niet-jood beledigend toegepast op een niet-jood; (b) zo'n jood heeft betrekking op een bepaalde joodse handelaar in die-en-die straat, of op joden met die-en-die specifieke eigenschappen of gedragingen. In dit geval betekent (6) iets anders, nl. dat ik als niet-jood bij die specifieke jood of bij die subcategorie joden niet wil kopen. Dit sluit niet uit dat de spreker bij andere joden wel wil kopen. Hoewel (b)

[p. 309]

‘minder erg’ is of kan zijn dan (a), is het gebruik van (6) in beide interpretatieklassen sterk te ontraden. Iemand die joods is en die (6) gebruikt, zal zo'n zin tegenwoordig alleen ironisch of als grap en/of in een zeer beperkte context gebruiken.11

Samenvattend: de interpretatie van (oneig.) moet dus meer in de richting worden gezocht van stereotypering. Dat opent de vraag of de lexicograaf afstand neemt van stereotypen of zich er mee identificeert. Maar niet alleen in de definities duikt het probleem op: ook door de keuze van de voorbeelden kan een identificatie met een ongemarkeerde meerderheid plaatsvinden.

2.3 Argumenten voor de directe spiegelfunctie.

Er zijn twee mogelijkheden waarover lexicografen beschikken als zij discriminerend taalgebruik registreren: (i) ze doen of hun neus bloedt, d.w.z. ze registreren objectief, zoals dat dan heet; (ii) ze nemen er afstand van door het als zodanig te karakteriseren. Van Dale heeft al meer dan honderd jaar de strategie in (i) gevolgd.12 Voordat de analyse van de lemmata met joden- aantoont dat Van Dale voor en na WO II anti-semitisch besmet was en nu nog steeds is, wil ik eerst ingaan op de argumenten die vaak worden gebruikt om discriminerende woorden in een woordenboek op te nemen. Ze komen meestal op het volgende neer:

 

amen moet taalgebruikers toegang geven tot in onbruik rakende of geraakte woorden waarvan ze de betekenis niet meer kennen;
bVan Dale is de vrucht van wetenschappelijk werk;
cVan Dale wordt geacht te registreren. Elk woord dat gebruikt wordt, moet worden opgenomen;
dals de werkelijkheid minder fraai is moet de lexicograaf die niet wegmoffelen. Als er discriminatie is, verschijnt die dus in een woordenboek. Een woordenboek is een spiegel van de samenleving.

 

Op elk van deze argumenten is wel iets af te dingen, omdat er schijnargumentatie mee wordt gevoerd.

Argument (a) klink solide, maar is dat niet. Van Dale bestrijkt het taalgebruik van de laatste honderd à honderdvijftig jaar. WO II heeft een duidelijke cesuur veroorzaakt in het algemene gebruik van woorden als jodenjongen, joden (als werkwoord), de jood, joodje, etc.13 Deze kunnen nu namelijk niet met goed fatsoen zo maar op papier worden gezet, terwijl het honderd jaar geleden blijk baar nog wel kon.

[p. 310]

Houdt Van Dale dit woordgebruik bij? Zo ja, hoe bepaalt Van Dale dan dat een woord als jodenbaard nog zo vaak voorkomt dat het opgenomen moet worden? Zoals woorden als kasteel, raadsheer en functie al lieten zien, heeft Van Dale niet de middelen om te registreren of te beslissen in welk decennium van deze eeuw een woord in onbruik is geraakt. Het legt niet per woord vast hoe vaak het nog gebruikt wordt. Dat leidt tot onzorgvuldige informatie. Bijv. jodenbuurt wordt niet meer gebruikt in de betekenis die Van Dale 12 er nu nog aan geeft. Kortom, argument (a) is niet echt sterk. Sterker nog, het riekt naar bedrog omdat Van Dale soms rommelt met zijn bronnen. Zo staat in Van Dale 6 uit 1924 als eerste betekenis van het werkwoord joden: ‘1. (gemeenz.) sjacheren, handelen: wat hebt jelui weer te joden?...’. Het citaat komt uit een bron, moeten we aannemen. In Van Dale 7 uit 1950 staat precies dezelfde betekenis, maar nu met het citaat wat heb jullie weer te joden. Het citaat is simpelweg aangepast aan het moderne taalgebruik. Hiermee sjachert Van Dale bedenkelijk met zijn spiegelfunctie: het houdt een uitstervende betekenis in leven door te suggereren dat er courant gebruik aan ten grondlag ligt. En dit is niet het enige geval. De hierboven besproken zin Ik zou bij zo'n jood niet willen kopen heeft in Van Dale 4 (1898) tot en met Van Dale 6 (1924) gestaan als Ik zou bij zoo'n jood niet willen koopen. Ook hier werd in Van Dale 7 de informatie over de tijd waarin de zin werd gesignaleerd, verdoezeld.

Argument (b) berust op een misverstand dat ontstaat door deftigdoenerij en dat tegelijkertijd deftigdoenerij mogelijk maakt. Niet alles wat nauwkeurig wordt geregistreerd, is wetenschappelijk te noemen. En niet elke verzameling heeft wetenschappelijke waarde. Van Dale is niet een wetenschappelijk werk, het is hoogstens en idealiter een wetenschappelijk verantwoord werk, al roept het gezien de kwaliteit van de gegeven informatie de vraag op welke wetenschap er aan ten grondslag ligt. De taalwetenschap? Nauwelijks. De lexicografie? Dat is geen wetenschap, zoals Van Dale zelf keurig meldt. Ook kan het heil niet komen van de wetenschappen die leverancier zijn van veel van de beschreven termen, zoals deel I liet zien. Een en ander betekent dat elk beroep op het wetenschappelijke karakter van Van Dale voor het opnemen van een woord, nogal verdacht is, en prematuur zolang de basisprincipes van de opbouw en de organisatie van het werk niet kristalhelder zijn aangegeven.

Argument (c) is verdacht. Een woordenboek dat elk bestaand of gebruikt woord registreert, is een illusie. Tal van gebruikte woorden (samenstellingen bijvoorbeeld) worden niet geregistreerd. Het WNT (Woordenboek der Nederlandsche Taal) streefde naar globale volledigheid, maar dat ging duidelijk niet goed omdat het werk nooit af dreigde te komen. Van Dale is er hoogstens een afgeleide van en heeft ook niet dezelfde doelstelling als het WNT. Theoretisch is het al moeilijk te verdedigen dat elk aangetroffen woord in principe zou moeten worden geregistreerd, maar als er praktische keuzes moeten worden gedaan, vervalt de kracht van het argument. Het staat lexicografen dus vrij om woorden weg te laten. Zodra dat gebeurt, is er de mogelijkheid om van de opgenomen woorden meer en betere informatie te geven over hun betekenis en over hun al dan niet specifieke gebruik (zie deel I van dit artikel). Daar komt nog bij dat iemand die een woord niet kan vinden dat in onbruik is geraakt, vroegere drukken van Van Dale kan raadplegen, of het WNT, en binnenkort naar wij allen hopen een betrouwbare databank. Van Dale wordt niet minder wetenschappelijk als er een aantal niet, of nauwelijks, of slechts in zeer beperkte kring gebruikte woorden uit wordt gehaald, zeker die

[p. 311]

waarvan de betekenis compositioneel kan worden vastgesteld.14

Met argument (d) moet men erg uitkijken. Het is een mogelijk verschuilargument: men kan zich schuldeloos beroepen op de boze realiteit. Maar het argument keert zich tegen zichzelf: de samenleving bevat ook krachten tegen discriminatie en die moeten ook weerspiegeld worden als dit argument opgaat. En daar hoort men lexicografen nooit over.

Samenvattend, men kan nogal wat vraagtekens zetten bij de veelgehoorde lexicografische stelling dat een woordenboek moet registreren, d.w.z. objectief moet spiegelen wat er in de samenleving leeft. Die stelling komt voort uit gemakzucht of kortzichtigheid: wie haar als grondslag neemt voor de lexicografie negeert het simpele feit dat vooronderstellingen de hand sturen van degenen die de definities van de woorden schrijven. Ze bepalen de keuze van de woorden in de betekenisomschrijvingen. Daardoor zijn ze onthullend: ze brengen ons, achter de objectieve spiegel om, bij de verborgen meningen van de lexicograaf. Enkele voorbeelden uit de woorden met joden- als eerste lid van een samenstelling zijn voldoende om dit te laten zien.

2.4 Wat een jodenstreek!

Het meest aperte geval van anti-semitisme in de reeks joden- is jodenstreek. Veelzeggend is dat het pas in 1950 zijn intrede deed in Van Dale: Kruyskamp zelf heeft het met nog enkele andere toegevoegd aan de in 1924 al behoorlijk gegroeide reeks met joden-.15 In Van Dale 7 staat jodenstreek als ‘streek (als) van een jood, bedriegerij’; in Van Dale 10 is bedriegerij veranderd tot bedrieglijke streek, terwijl Van Dale 12 streek (als) van een jood heeft weggelaten en volstaat met ‘(bel.) bedrieglijke streek’. Dit gebruik van (bel.) is een pleister op de wonde, of beter, een doekje voor het bloeden. Als een niet-jood A een niet-jood B uitmaakt voor iemand die een jodenstreek heeft uitgehaald, zal B zich beledigd kunnen voelen.16 Het is die uitwerking van het gebruik van jodenstreek op een hoorder die Van Dale verantwoordt door (bel.). Maar dat nu is niet het type belediging waar het in deze analyse om gaat: het gebruik van het woord jodenstreek is beledigend en krenkend voor mensen die niet in de interactie tussen A en B betrokken zijn. En dat effect valt niet binnen het bereik van ‘(bel.)’. Heestermans' geruststelling in (1) dat hij in Van Dale 12 (bel.) heeft toegevoegd en dat hij daarmee ‘joodse mensen’ tegemoet komt, slaat dus nergens op. Maar dit voorlopig terzijde; eerst moet de omschrijving van Kruyskamp wat nader bekeken worden.

[p. 312]

Om een of andere reden vind ik het gebruik van ‘als van’ in Kruyskamps definitie van jodenstreek discriminerend werken, maar sommige taalkundigen die ik hierover raadpleegde, wijzen er op dat het ook in onschuldige definities voorkomt, zoals bijv. in Johanneïsch dat beschreven wordt als ‘van, als van de apostel Johannes’, of in kindergezicht ‘gelaat van een kind of als van een kind’. Zo'n omschrijving zou inderdaad kunnen worden afgekort tot ‘gelaat (als) van een kind’. Dus, streek (als) van een jood moet opgevat worden als ‘streek van een jood of als van een jood’. Dat vastgesteld hebbend kan men toch niet anders concluderen dan dat Van Dale 7 discrimineert in de slechte zin van dat woord. Stel, een jood A levert een andere jood B een streek. Heet dat voor A en B een jodenstreek? Nee, natuurlijk niet. Is het werkelijk zo lastig om in te zien dat de handeling van A voor B (of voor beiden) gewoon een streek heet?17 Kruyskamp wist dat natuurlijk ook of liever kon dat weten (maar het meest waarschijnlijk is dat hij er niet goed over heeft nagedacht, want zoiets hoefde toen blijkbaar niet). Zijn definitie heeft daarom betrekking op de volgende twee klassen van situaties: (i) A haalt een streek uit met een niet-jood C; (ii) C haalt een streek uit met een niet-jood D. Pas dan is er volop sprake van een jodenstreek in de zin die Kruyskamp bedoelde, want degene die de streek levert, is of gedraagt zich dan als een jood. De stilzwijgende maar toch onmiskenbare uitsluiting van de streken tussen A en B uit de betekenis van jodenstreek verraadt het taalgebruik van een (hier impliciet niet-joodse) meerderheid: in jodenstreek zit als betekeniselement verscholen dat wat te omschrijven is als: ‘iets dat iemand met een niet-jood (d.w.z. met iemand uit onze meerderheid) uithaalt’. De definitie is in feite geschreven voor niet-joden.

Discriminatie in de slechte betekenis van dat woord, is de ongefundeerde projectie van iets slechts op mensen uit een andere cultuur of van een ander ras. Die projectie is in het duister gelaten in de betekenis die Van Dale 7-11 geeft, maar zij is wel aanwezig; de asymmetrie is absoluut niet verdisconteerd en zo krijgen joden niet alleen verkeerde maar ook krenkende betekenissen voorgeschoteld. De omschrijving is gegeven vanuit een meerderheidsstandpunt dat ongemarkeerd wordt meegegeven, met als onontkoombare stellingname dat een bepaald soort streken karakteristiek is voor joden en niet voor die meerderheid.

De lexicograaf registreert hier niet louter, hij is door de gekozen formulering zelf verantwoordelijk voor discriminatie, want hij gaat mee met de vooronderstelling dat joden een bepaald soort streken zouden hebben. Hij kan zich niet langer meer beroepen op zijn spiegelfunctie, want joden die Van Dale raadplegen hebben evenveel recht op correcte informatie als niet-joden, zoals niet-blanken evenveel recht hebben op goede informatie als blanken (In de periode-Kruyskamp was dat, zoals ik liet zien, niet het geval). Als de lexicograaf echt zijn spiegelfunctie wil uitoefenen zou hij in dit geval hebben moeten zeggen ‘toegedicht aan, toegeschreven aan’. Door dit niet (of althans niet systematisch) te doen, verraadt hij zich en heeft hij geen schuilplaats meer, hem geboden door ‘(oneig)’. Hij heeft zich blootgegeven in en aan zijn anti-gevoel, of geborneerdheid, of niet-schuldeloze slordigheid. Zoals gezegd, de meest recente poging van Van Dale om de critici op

[p. 313]

dit punt tevreden te stellen, loopt uit op een mislukking: (bel.) is, zoals ik liet zien, niet toereikend. Het probleem dat derden worden gekwetst, wordt simpelweg niet opgelost.

Er blijven nog achtenvijftig woorden ter nadere beschouwing over. Ik zal ze hier niet één voor één behandelen, omdat de algemene conclusie al snel te trekken valt, maar er zitten nog enkele behoorlijk foute krenten in de niet al te kosjere pap van Van Dale 7-11 die behandeling verdienen.

Jodenbaard: ‘baard als van een jood’. Wat betekent dit? Heeft elke jood een baard?

Jodenjongen wordt uitgelegd als ‘joodse jongen’. Deze betekenis stond nog ongekwalificeerd op een kopijuitdraai van Van Dale gedateerd October 1990, 09:31:11 waarop ik mijn analyse baseerde, dat wil zeggen, zonder de operator (min.) die in de tussentijd is toegevoegd en die nu Van Dale 12 staat. Wat is het verschil tussen (bel.) en (min.)? Het wordt niet uitgelegd: geldt de minachting de jongen die zo wordt genoemd? Of wordt er (ook weer) via de band gespeeld?

Jodenneus wordt in Van Dale 7-11 omschreven als ‘geprononceerde neus als van een jood’. Deze definitie staat niet in Van Dale 6 uit 1924, maar is er net als jodenstreek door Kruyskamp hoogstpersoonlijk aan toegevoegd in Van Dale 7, vijf jaar na W.O. II, en zij is zo blijven staan tot en met Van Dale 11. Wie zou denken dat met het schrappen van een groot aantal woorden met joden- deze ook zou zijn verdwenen, vergist zich: Van Dale 12 geeft ‘kromme neus (als) van een jood’. Kruyskamp kijk, we rijden zonder handen.18 Het is werkelijk verbluffend te zien dat hier elke aanduiding - (fig.), (oneig.), (bel.), (min.), etc. - ontbreekt, ondanks mijn waarschuwing voor impliciet meegegeven vooronderstellingen.

Taalkundig gesproken is het lexicografisch gebruik van de adjectiefconstructie ‘(als) van een N’, waar het substantief N een groep mensen aanduidt, nogal dubieus als definitie vanwege de onduidelijkheid over de vraag welk soort kwantificatie wordt toegepast. Mijn ervaring is dat ik al mijn gezag als linguist nodig heb om doorsneegebruikers van Van Dale ervan te overtuigen dat de omschrijving kromme neus van een jood enige ruimte overlaat voor de mogelijkheid dat er joden zonder kromme neus zijn. In die voor Van Dale welwillende interpretatie (‘zou Van Dale werkelijk zo stom zijn universeel te willen kwantificeren?’) wordt er een zgn. existentiële kwantor (uitdrukkend: ‘sommige’) aangenomen, waardoor wordt geïmpliceerd dat er ook joden zijn zonder kromme neus en niet-joden met een kromme neus. Hoe men het ook wendt of keert, voor die interpretatie is een abnormale hoeveelheid semantische acrobatiek vereist. Veel natuurlijker is het de omschrijving ‘P van een N’ als een vorm van universele kwantificatie te lezen, d.w.z. als de beschrijving van een eigenschap P die aan alle joden toekomt. Dat had Van Dale moeten weten.

Nu kromme neus als van een jood. Deze omschrijving kan niet anders impliceren dan dat (alle) joden kromme neuzen hebben: in ‘zoals een jood heeft’; wordt een alkwantor meegegeven, of nog erger een stigmatiserend stereotype. Bovendien komt hier ook weer de zwijgende meerderheid om de hoek kijken: iemand die een ‘kromme neus als van een jood’ heeft is zelf niet-joods. Hier gaat hetzelfde verhaal

[p. 314]

weer op als bij jodenstreek. Anno 1992. Is Van Dale smakeloos met dit soort beschrijvingen? Ja. Is Van Dale hardleers? Ja ook, getuige het citaat (1). Terwijl er toch een onmiskenbaar verschil is tussen joden en boeren, zou men zeggen, ondanks het feit dat beide groepen slachtoffer is van meerderheidsstereotyperingen. Is dit verschil opgemerkt door Van Dale? Ja zeker. In Van Dale 8-12 komen ongeveer drie maal zoveel samenstellingen met boeren- voor als met joden-. En geen van de boeren-woorden is omschreven met behulp van ‘als van’ of ‘(als) van’, terwijl er toch een behoorlijk aantal negatieve betekenissen wordt gesignaleerd of gegeven (boerenjongen, boerenkinkel, boerenmeid, boerenplunje, boerenstoet, etc.). Ook al kan ik het niet echt hard maken, ik denk toch dat het pejoratieve effect van het gebruik van ‘als van’ en ‘(als) van’ eens nader moet worden bekeken voordat het weer als lexicografisch lapmiddel wordt gebruikt, inclusief Johanneïsche kindergezichtjes.

2.5 Het effect van een advies.

In mijn notitie aan Van Dale adviseerde ik om de volgende woorden (uit de toen voorhanden kopij) te schrappen:

 

(7)jodenbaard (in de hier besproken betekenis), *jodenbet, *jodenchristen, #jodenfooi, *jodengeloof, #jodenjongen, *jodenkaas, *jodenkind, *jodenlawaai, #jodenman, #jodenmensen, jodenneus, #jodenlijm (in de betekenis ‘spuug’), *jodenslaatje, #jodenstreek, jodentaal, *jodentabak, jodentoer, jodenvolk, *joderig.

 

De met een asterisk aangegeven woorden in (7) zijn uit Van Dale 11 geschrapt. Dat wil zeggen, 9 van de 19 woorden zijn verdwenen, terwijl de vijf met # gemerkte woorden in Van Dale 12 een toevoeging van het type (bel.) of (min.) hebben gekregen. Geen slechte score dus: met 14 van de 19 is iets gedaan. Terwijl de resterende 5 in Van Dale 13 zullen sneuvelen of zullen worden verbeterd. Tenminste, dat neem ik aan want wat er nu nog staat is niet zo fraai. Het woord jodenvolk staat in Van Dale 12 omschreven als ‘volk der joden’, wat fout is. Volk der joden (wat bijbels klinkt) heeft niet noodzakelijkerwijs de minachtende connotatie van jodenvolk. Deze connotatie is ook aanwezig in zigeunervolk. Dat woord wordt in Van Dale 12 omschreven als ‘1. volk van de zigeuners; 2. (fig.) zwervend bedelaarsvolk’. Fout. En nog steeds dat (fig.). Tegenwoordig kan men niet of slechts in zeer speciale conteksten nog het compositum zigeunervolk gebruiken zonder een negatieve connotatie mee te geven.19 Om maar niet te spreken van bedelaarsvolk als uitleg ervan. Jodenneus heb ik al besproken, dus blijven over jodentaal, en jodentoer. Tegen jodentaal ‘Jiddisch’ had ik bezwaar vanwege de veel te korte uitleg: is Jiddisch een jodentaal of is jodentaal een andere (denigrerende?) naam voor Jiddisch? En de omschrijving van jodentoer (‘moeilijk, lastig werk waar veel geslepenheid en overleg bij te pas komt’) beviel me ook niet,

[p. 315]

zoals veel omschrijvingen van Kruyskamp en zijn voorgangers in deze sector mij absoluut niet bevallen.

In (8) staat de lijst met woorden waarvan ik vond dat ze konden worden gehandhaafd, sommige ervan na aanpassing van de betekenisomschrijving.

 

(8)*jodenbloempje, *jodenboon, *jodenbrood, jodenbuurt, jodendom, jodengenoot, *jodengoud, jodenhaat, jodenhoed, jodenhoek, #jodenkerk jodenkers, #jodenketting, jodenkoek, *jodenkoffie, *jodenkriek, jodenkruid, jodenmoord, *jodennootje, *jodenpaasbrood, jodenrecht, #jodenpek, jodenster, jodenvervolging, jodenwet.

 

Daarbij schreef ik dat er in (8) nog zoveel onbenullige informatie zit dat die er nog wel uit kon. Hoe zou dat toch komen? Is dat het taalgebruik, of de taalwerkelijkheid? Of is het de lexicograaf?

De met een # gemarkeerde woorden hebben nu een toevoeging (veroud.) of (bel.) gekregen. De met een asterisk gemerkte items, die wel voorkwamen in de Van Dale-kopij van 1990, ontbreken in Van Dale 12. Voor sommige, zoals jodenpaasbrood is dat jammer, want de betekenis van dat woord is niet zo goed af te leiden uit zijn samenstellende delen. Dat geldt voor jodenbloempje (Japanse sierstruik), en andere. Het is lastig keuzes te maken als je zelf niet joods bent. Zo kan ik niet zo goed bepalen of het nu gesneuvelde jodengoud wel of niet discriminerend is. Maar is het voor Van Dale zo lastig om deskundigen op dit gebied te vinden die bereid zijn om een goed advies te geven?20

Nog een enkele opmerking over (8). Het woord jodenkoek stond in Van Dale 8-10 beschreven als ‘koek van ongezuurd deeg, matse’. In Van Dale 11 werd dit veranderd in:

 

(9)1. grote, platte, ronde koek, die in punten wordt gesneden en zò verkocht of gepresenteerd; 2. platte, ronde koek, zò groot dat die niet hoeft te worden verdeeld.

 

In Van Dale 12 staat ‘grote, platte, ronde koek’.21 Wat een dynamisch bedrijf is de lexicografie toch. Het zindert van de nieuwe inzichten. Het zou de moeite waard zijn uit te vissen hoe (9) ooit tot stand gekomen is, en wat de redactie op het oog had met de beschrijving ‘zò groot dat die niet hoeft te worden verdeeld’. Er is een onschuldige interpretatie, nl. dat betekenis 2 wordt gesteld tegenover 1, maar die is zo geforceerd dat men moet denken aan onbenul of kwaadaardigheid.

Ook jodenbuurt lijkt me incorrect behandeld. Voorzover mij bekend wordt het woord niet meer of niet zonder meer gebruikt als ‘buurt, wijk in een stad waarin in

[p. 316]

hoofdzaak of uitsluitend joden wonen’. Dat komt doordat de jodenbuurt tegenwoordig meer voorkomt als eigennaam voor de buurt in bijvoorbeeld Amsterdam waar vóór WOII in hoofdzaak joden woonden. Dat gebruik van de term ontbreekt vreemd genoeg, terwijl ook niet is aangegeven dat je jodenbuurt niet zo maar kan gebruiken in de door Van Dale gegeven betekenis, net zo min als je nu kunt spreken over een turkenbuurt of een marokkanenbuurt zonder een negatieve connotatie mee te geven (ik kom op dit punt hieronder nog terug).

Ik eindigde mijn advies aan Van Dale met de zin: ‘Kortom, hier ligt een mooie taak voor de huidige hoofdredactie: het lexicografische onkruid van vorige generaties lexicografen te wieden. Het woord is aan Van Dale’. Van Dale adverteert zichzelf nu met het laatste woord, maar het zal duidelijk zijn dat dit niet kan gelden voor deze kwestie: er zal nog een hartig woordje gesproken moeten worden, met als voornaamste obstakel de grenzenloze kortzichtigheid (en indirect kwaadaardigheid) die uit Heestermans' opmerking in (1) over Russische geschiedenisboeken naar buiten kruipt. Je zou toch Van Dale eens willen helpen!

2.6 Christen-, joden-, turken-, klote-, lul- en andere lidmaten.

De vorming van samenstellingen uit zelfstandige woorden of woordgroepen is een heel nuttig productief regelmechanisme van het Nederlands. Het heeft echter in voorkomende gevallen minder prettige semantische neveneffecten. Niemand zal daarin aanleiding vinden het mechanisme ter discussie stellen. Dat zou ook ridicuul zijn. Op het moment echter dat men gevormde samenstellingen gaat registreren, kan men zich niet onttrekken aan deze problemen. Een lexicograaf hoort met het oog te kijken van iemand die Nederlands heeft leren spreken en die Van Dale gebruikt om zijn woordenschat te vergroten. Denk aan Prins Claus uit de jaren zestig, sjeik Rabani uit de jaren zeventig, en aan ambassadeur Von der Gabelenz uit de jaren tachtig. Ik kan me voorstellen dat zij woorden klotetroep en klotestreek opvingen en bij onze taalautoriteit wilden nagaan wat ze betekenen, in de veronderstelling dat een lexicograaf zijn woorden toch niet zomaar loslaat op Nederlands sprekende buitenlanders. Toch gebeurde dit in Van Dale 11 wel nog met klotetroep, kloteweer, klotewerk, etc. Van Dale bewees zijn lezers toen een slechte dienst door geen informatie te geven over het register22. In Van Dale is dat veranderd, maar niet voor jodenneus. Taalkundig gesproken is dit woord correct opgebouwd uit samenstellende delen, maar dat er in dit type samenstelling systematisch een pejoratieve betekenis ontstaat, is minstens net zo empirisch als het vaststellen dat het voldoet aan samenstellingsregels.

In mijn advies aan Van Dale stelde ik voor het weglaten van een aantal woorden met joden- vergezeld te laten gaan van het opnemen van informatie over dit voorvoegsel zelf. Taalkundig gezien is het namelijk opvallend dat joden- bestaat naast het adjectief joods, terwijl soortgelijke paren niet of nauwelijks bestaat met ieren- en iers, of zweden en zweeds, maar wel met belgen- en belgisch. Een beetje

[p. 317]

wetenschappelijk geöriënteerde lexicograaf zou dus een trefwoord voor joden-opnemen gedefinieerd als bijvoorbeeld (10):

 

(10)als eerste lid in een samenstelling om aan te geven dat iets of iemand op joden betrekking heeft of iets met joden te maken heeft. In verreweg de meeste gevallen heeft een samengesteld woord met joden- een negatieve d.w.z. discriminerende of beledigende inhoud, zoals in jodenjongen, jodenstreek, jodenkaas, etc. Dit geldt niet alleen voor joden-, maar ook voor turken-, christen-, belgen-, etc.

 

Met een dergelijke definitie had de hoofdredactie van Van Dale 12 toch kunnen duidelijk maken dat er semantisch iets eigenaardigs aan de hand is als men een samenstelling wil maken met als eerste lid de naam van een volk, ras of godsdienstige groep. Dat kan eenvoudig worden aangetoond met de voorbeelden in (11).

(11) Zij is een Amerikaanse vrouw Zij is een Amerikanenvrouw
  Dat is een Russische grap Dat is een Russengrap
  Dat is een Belgische jongen Dat is een Belgenjongen
  Dat is een joodse mop Dat is een jodenmop
  Dat is een Turkse vrouw Dat is een Turkenvrouw
  Dat is een turkse buurt Dat is een turkenbuurt
  Dat is een joodse wijk Dat is een jodenwijk
  Dat is een christelijke jongen Dat is een christenjongen

Het is zo simpel als je het wilt zien. In elk van de paren heeft de samenstelling een semantisch effect dat duidelijk tendeert naar een pejoratieve interpretatie, zeker vergeleken met het adjectivisch gebruik van het eerste lid.

Mijn advies aan Van Dale was om dit mechanisme duidelijk te maken via lemmata als (10). Ook als Van Dale wil vasthouden aan zijn spiegelfunctie, is (10) een heel adequaat hulpmiddel om dit type taalgebruik te signaleren. Daarmee behoudt elke Nederlander namelijk het recht om woorden discriminerend te gebruiken, maar hem wordt wel de mogelijkheid onthouden zich daarbij te beroepen op Van Dale. Van Dale 12 weet natuurlijk dat zoiets kan, want bij klote-staat (12), en bij lul- staat (13):

 

(12)(vulg.) (als eerste lid in samengestelde zn. met ongunstige bet.) ter aanduiding dat het in het tweede lid genoemde hoogst vervelend, onaangenaam, minderwaardig is, syn. kanker-, klere-, pest-, pokke-, rot-, snert-, takke-, tering-, tyfus-: klotebaantje, klotegevoel, klotegriet, klotehuis, klotekerel, klotekinderen, kloteregen, kloteschool, klotestreek, klotetroep, kloteweer, klotewerk, klotewijf
(13)(vulg.) (als eerste lid in samengestelde zn.) ter aanduiding dat het in het tweede lid genoemde geringschattend wordt gekwalificeerd als iets onbenulligs, syn. klere-, klote, rot-: lulhannes, lulopmerking, lulsmoes.

 

Van Dale heeft zich in (12) duidelijk uitgeleefd: het beste lijkt niet goed genoeg. Was het dan zoveel moeite om iets soorgelijks te doen bij joden-? Waarom weigert Van Dale als het gewezen wordt op de mogelijkheid om een lemma als (10) te

[p. 318]

maken? En waarom komt Heestermans in (1) dan weer aan met die lulsmoes23 als zou hij met (10) ‘de taalwerkelijkheid geweld aandoen’? Iets deftiger: waarom ziet hij zelf niet dat er een consistentieprobleem ontstaat: waarom wel (12) en (13), maar niet (10)?

2.7 Compositionaliteit, discrimineren, beledigen en spiegelen.

In Webster (1974) wordt het substantief Jewess als volgt beschreven:

 

(14)a Jewish woman or girl; term avoided by those who regard the -ess suffix as patronizing or discriminatory

 

Ook hier wordt gespiegeld, maar opnieuw is Webster (1974) superieur aan Van Dale door bij de betekenisbeschrijving te vermelden dat je het woord beter niet kunt gebruiken. Misschien spiegelt Van Dale zich aan P.C. Paardekooper. Deze vindt:24

Wie geen leek is op taalkundig gebied weet dat de plicht van een woordenaar bestaat uit het registreren van de woordenschat, niet uit schiften of beoordelen ervan. Hij neemt dus vieze woorden op die preutse mensen ergeren, vloeken die orthodoxe mensen te vuur en te zwaard bestrijden, antipapistische woorden die rooms-katholieken irriteren, seksistische woorden die feministen in de gordijnen jagen, antisemitische waarover de Stiba zich boos maakt....

Paardekooper verengt het woordbegrip tot woordvorm. Men moet daarom ‘Hij neemt dus vieze woorden op ...’ eigenlijk lezen als ‘Hij neemt dus vieze trefwoorden op ...’, etc. Trefwoorden (d.w.z. vormen) laten zich natuurlijk gemakkelijk opnemen, maar dat is toch iets anders dan het omschrijven van betekenissen. Met betekenis heeft Paardekooper zich echter nooit bezig willen houden, dus ook niet met de vraag hoe je registreert.

Rik Smits (De Volkskrant 12 september 1992) vindt dat Van Dale zich declasseert door het schrappen van 28 pejoratieve samenstellingen met joden-: ‘Wie pretendeert de woordenschat op te tekenen, mag eenvoudig niets schrappen of negeren, nooit’. Het is niet duidelijk of Smits hiermee de discrepantie tussen de pretentie en het schrappen aanvalt (in dat geval zou zijn kritiek terecht zijn), maar het kan natuurlijk nooit het hele verhaal zijn. Zoals Smits het nu verwoordt, lijkt het alsof ook hij uitsluitend trefwoorden op het oog heeft. Zijn uitspraak

[p. 319]

behandelt in dat geval Van Dale als een wat veredelde Woordenlijst25, niet als een hulpmiddel om betekenissen uit te leggen.

Stel dat beiden gelijk hebben met hun stelling dat globale volledigheid (zoals gedefinieerd in deel I) moet worden nagestreefd. Dan nog geldt dat een grote klasse woorden niet hoeft te worden opgenomen, met name die samenstellingen waarvan de betekenis volledig of voldoende kan worden afgeleid uit de samenstellende betekenissen. Met ‘voldoende’ wordt hier bedoeld ‘voldoende verwijderd van de ondergrens en redelijk dicht bij de bovengrens’, in de zin die hieraan gegeven is in Deel I. Deze strategie is ook zichtbaar in Van Dale 12. Zo staat er bij voetbalveld als uitleg: ‘-’. Dat wil zeggen, Van Dale vindt dat de betekenis ervan direct wordt begrepen uit die van voetbal en die van veld. Op soortgelijke wijze hoeft de feitelijke betekenis van jodenbaard en jodenneus bij een correcte beschrijving van joden- niet te worden vastgelegd, net zo min als die van voetbalveld. Alleen als samenstellingen een niet-compositionele betekenis hebben (bijv. jodenbaard ‘moederplant’) en/of een uniek makende connotatie, moet een woordenboek dat natuurlijk melden, met de juiste registerkeuze.

Wordt Van Dale een zedenmeester als hij doet als Webster in (14)? Nee, natuurlijk niet, net zo min als hij zedenmeester is in (12) en (13). Men kan lexicografen niet verwijten dat er discriminatie is, dat er vooroordelen zijn, dat mensen elkaar beledigen, of dat ze vulgair zijn. Men zou lexicografen zelfs moeten verwijten als zij alle sporen van discriminatie, schelden, vulgariteit buiten het woordenboek zouden houden. Wie zou flensen willen missen? Niemand, want als men het tegenkomt, moet men er informatie over vinden. Men kan in dit geval hoogstens kritiek hebben op Van Dale als hij flensen omschrijft als ‘(volkst.) geslachtsgemeenschap hebben’. De operator ‘(volkst.)’ is bij het ontbreken van een inzichtgevende definitie namelijk weinigzeggend, temeer omdat het verschil met (vulg.) niet duidelijk wordt gemaakt. Taalkundig is in dit verband alleen de vraag interessant of Van Dale er in slaagt goede operatoren te vinden waarmee een bijzondere gebruikswijze van het woord helder en eenduidig wordt aangegeven.

Het woord discrimineren lijdt onder het feit dat het eigenlijk betekent ‘(neutraal) onderscheiden’; terwijl onderscheiden meestal melioratief gebruikt wordt, heeft het eerste een vrijwel uitsluitend pejoratief gebruik. Toch is discrimineren in de neutrale zin, nl. dingen als niet gelijk of gelijkwaardig behandelen, fundamenteel voor de organisatie van onze cognitie en het mag derhalve geen enkele verbazing wekken dat het diep is doorgedrongen in ons taalgebruik. In Verkuyl (1974) staat een voorbeeld van het soort van discriminatie waarvan men er per dag tientallen kan tegenkomen, aan beide zijden van de streep. Eind jaren zestig was het gebruik van bruin brood nog niet zo wijdverbreid als nu en als je dan een broodje bestelde bijv. met ‘Een broodje osseworst’, kreeg je vrijwel altijd een wit broodje, terwijl er ook bruine lagen. Als bruine-broodjes-eter werd ik gediscrimineerd, doordat de verkoopster automatisch van een meerderheidsstandpunt uitging: een broodje is een wit broodje. Tegenwoordig spreekt men van een defaultwaarde: een minderheidswens moet gemarkeerd worden.

[p. 320]

Het ontstaan van een defaultwaarde is essentieel voor elke discriminatie in negatieve zin (vul Nederlander in voor (wit) broodje en het werkt al, zoals het kaffer-voorbeeld liet zien).26 Sterker nog: geen discriminatie zonder defaultwaarde voor het ongemarkeerde deel. Als de computer aangaat met een bepaald programma A geopend in plaats van met een ander programma B, is dat een vorm van discriminatie: B wordt automatisch gemarkeerd. Het gaat vaak niet eens om getalsmatige meerderheid: wie automatisch met Hilversum 4 wakker wordt op de wekkerradio discrimineert de rest van de muziekwereld. Dat er gerookt mag worden, zonder dat aan niet-rokers wordt gevraagd of die er bezwaar tegen hebben, is een vorm van discriminatie, etc., etc.

Ieder individu maakt bewust of onbewust altijd deel uit van talloze (vaak wisselende) meerderheden en minderheden, in alle delen van het bestaan. Dat maakt de lexicografische arbeid zo ingewikkeld, maar het moet toch niet onmogelijk zijn passende oplossingen te vinden voor dit probleem. Het lijkt wel of Van Dale noch in het heden - zie (1) - noch in het verleden, gezien heeft dat er een probleem is. Het is Kruyskamp niet kwalijk te nemen dat (of: als) hij tot een blanke, niet-joodse meerderheid behoorde, wel dat hij deze meerderheid een defaultwaarde gaf onder het mom van wetenschappelijke objectiviteit. Wel is het zijn opvolgers aan te rekenen dat zij niet goed hebben nagedacht over de kwalijke kanten van het zo nuttige default-mechanisme: in de jaren zeventig en tachtig is er in de vakliteratuur voldoende over gepraat. Lexicografen gaan niet vrij uit als zij hun delicate positie ten opzichte van raciale minderheden niet goed inschatten en zich stilzwijgend identificeren met de ongemarkeerde meerderheid die zich tegenover een gemarkeerde minderheid aftekent.

Er zullen ongetwijfeld personen zijn, die vermoeid uitroepen: ‘ja maar als je eenmaal begint om de wensen van alle meerderheden en minderheden te verdisconteren, dan is het einde zoek; dan komt er nooit een woordenboek of het wordt het terrein van fundamentalisten, en zo’. Ik denk dat dat behoorlijk meevalt. Lemmata als (12) en (13) gaan de goede kant op, maar wat in Van Dale ontbreekt is een consistent geheel van bruikbare registertermen. Een goed uitgekozen systeem van labels en standaardformuleringen in definities (van het type (14)) kan redelijk bevredigend werken, vooral als er een behoorlijke uitleg van de problematiek wordt gegeven in het Voorwoord. Een eerste grote schoonmaak is nodig voor het gebruik van pejoratieve woorden voor ras en volk. Daarvoor kan men lemmata gebruiken zoals (10), met een bijbehorend registerlabel. Let wel, ik zal de laatste zijn die wil dat Van Dale bepaalt of een woord mag worden gebruikt of niet. Maar degene die het gebruikt, moet wel middelen in handen krijgen om te weten of er iets mee aan de hand is. Daarvoor is een woordenboek, onder andere.

2.8 Conclusie.

Van Dale zit dus goed fout. Dat vijf jaar na de oorlog niemand Kruyskamp naar de keel is gevlogen - (fig.) althans - voor zijn omschrijving van jodenneus en jodenstreek, het wijst op een tolerantie die men onverschilligheid mag noemen, of andersom. Verbazingwekkend is het achteraf te zien dat de discussie

[p. 321]

rond 1970 zich uitsluitend op het woord jood heeft gericht. Daarmee kwam Kruyskamp goed weg. Nog verbazingwekkender is dat een hoofdredacteur die met die troep zit opgescheept en die er bovendien nog voor werd gewaarschuwd dat het spiegelargument niet opgaat het toch presteert de waarschuwing niet te begrijpen. Het kan bijna niet anders dan dat de hoofdredacteur die gaat over de letter J, niet erg geïnteresseerd is in taalkundige argumenten. De gewraakte omschrijvingen zijn het gevolg van onkunde van de verantwoordelijke lexicograaf op het gebied van de taalwetenschap, die hem allang middelen in handen heeft gesteld om taalkundig verantwoorde en maatschappelijk correcte betekenisomschrijvingen te geven.27 In dit geval valt die houding van het negeren van wetenschappelijke inzichten onder de noemer van onverantwoordelijk gedrag.

3 Algemene conclusies voor wat betreft I en II

Wie zou willen denken dat de kritiek in deel I en deel II uitsluitend afbrekend zou zijn bedoeld, vergist zich. De kritiek is bedoeld om er toe bij te dragen dat Van Dale niet alleen het beste van alle mogelijke woordenboeken blijft, maar ook eindelijk eens een echt goed woordenboek wordt. Vandaar de volgende aanbevelingen:

 

de uitgever van Van Dale doet er goed aan Van Dale 13 niet te laten verschijnen voordat hij er zeker van is dat de feilen die hier in deel I en II werden aangetoond, systematisch worden gerepareerd op basis van een ‘draaiboek’ waarin alle te hanteren ordeningsprincipes vastgelegd zijn;
er dient een strategie te worden ontwikkeld waaruit zowel de keuze van de trefwoorden als de vorm van hun betekenisomschrijving kunnen worden afgeleid;
consistentie, correctheid en lokale volledigheid dienen voorrang te krijgen boven globale volledigheid; het is in dit stadium van de geschiedenis van Van Dale belangrijker hem te ontdoen van slechte of kwalijke omschrijvingen dan hem uit te breiden met woorden als barokcantate en baantjestrekker;
ontwikkelingen in het taalgebruik moeten beter worden gevolgd;
Van Dale dient te werken met hulpredacties per wetenschapsgebied, zoals bijvoorbeeld Webster doet. Dat zou een einde kunnen maken aan de amateuristische wijze waarop Van Dale informatie over vaktalen behandelt;
het systeem van aanduidingen van ras en volk moet worden herzien;
in het algemeen moet het registersysteem drastisch worden verbeterd;
er moet onmiddellijk een eind worden gemaakt aan het voornemen van Heestermans om Van Dale op te sieren met literaire citaten.
[p. 322]

Bibliografie:

Balk-Smit Duyzentkunst, F. (1971), ‘Bedrieglijke lexicografie of het artikel “jood” bij Van Dale’. In: De Gids 134, 115-120.
Balk-Smit Duyzentkunst, F. (1989), ‘Het woord “jood” en het anti-semitisme’. In: De Gids 152, 192-195.
Heestermans, H. (1992), ‘Een bachtrompetje doet me meer dan een baarkruk’. In: Onze Taal 61, 216-218 (Interview door Peter Burger).
Robert, P. (1973), Le Petit Robert; dictionnaire alphabétique et analogique de la langue française. SNL: Paris.
Van Dale 1: hoofdredactie I.M. Calish en N.S. Calish 1864.
Van Dale 2: hoofdredactie J.H. Van Dale 1872.
Van Dale 3: hoofdredactie J. Manhave 1884.
Van Dale 4: hoofdredactie H. Kuiper, A. Opprel, P.J. van Malssen 1898.
Van Dale 5: hoofdredactie P.J. van Malssen jr. 1914.
Van Dale 6: hoofdredactie P.J. van Malssen jr. 1924.
Van Dale 7: hoofdredactie C. Kruyskamp en F. de Tollenaere 1950.
Van Dale 8: hoofdredactie C. Kruyskamp 1961.
Van Dale 9: hoofdredactie C. Kruyskamp 1970.
Van Dale 10: hoofdredactie C. Kruyskamp 1976.
Van Dale 11: hoofdredactie G. Geerts en H. Heestermans, met medewerking van C. Kruyskamp 1984.
Van Dale 12: hoofdredactie G. Geerts en H. Heestermans 1992.
Verkuyl, H.J. (1974), ‘Gaf hij haar een zoen of kreeg hij een kus van hem?’. In: TABU 4, 25-31.
Webster (1974), New World Dictionary of the American Language. 2nd College Edition.

Appendix: Over het registersysteem in Van Dale.

Bij de analyse van (oneig.) in (2) viel mij op hoe inadequaat het gebruik van registerlabels in Van Dale eigenlijk is. Hoe meer je er op gaat letten, hoe meer ongerechtigheden zie je. Niet alleen worden de registers slecht gedefinieerd, maar ook worden de labels inconsistent gehanteerd. Het lijkt me van belang om hier taalkundig nader in te gaan op het labelgebruik in Van Dale. Mijn eerste conclusie zal zijn dat in komende drukken van Van Dale de registerinformatie systematisch zal moeten worden opgeschoond (de boel opschonen: ‘door doortastende maatregelen in orde brengen’). Mijn tweede conclusie is: beter geen dan misleidende registerinformatie. En de derde conclusie: (fig.) is een niet goed te gebruiken registeraanduiding.

Bij het registergebruik gaat het om de informatie-eenheid: ‘T, (X) B’, waarbij T het (tref)woord, B de betekenisbeschrijving en (X) het label is. Het label (X) bevat de ‘bereiksoperator’ X, die een systematisch verband moet leggen tussen T en B. X bepaalt het gebied, de situaties, de condities, etć. waarin B als betekenis van T functioneert: (fig.) beperkt de betekenis van T tot het figuurlijk taalgebruik, (min.) tot spreeksituaties waarin iemand T minachtend gebruikt, etc.

Formeel gesproken lijkt het eenvoudig om het operator-gebruik in het schema ‘T, (X) B’ precies vast te leggen, maar de praktijk is aanzienlijk ingewikkelder. Een probleem is dat het trefwoord T zelf een (betekenisloze woord-) vorm is waaraan de betekenis B wordt toegekend. Als men dus zegt dat een woord W een combinatie is van een vorm en een betekenis, dan zou men dus eigenlijk moeten zeggen:

 

(15) W = <T, B>

[p. 323]

d.w.z. een woord W wordt gedefinieerd als de combinatie van woordvorm T van W en de betekenis B van W. Maar zo'n op zich genomen taalkundig correcte en ook heldere definitie maakt geen schijn van kans, want het woord woord wordt in het Nederlands heel anders gebruikt.28 Iedereen wil kunnen en zal blijven zeggen: ‘Het woord bank heeft twee betekenissen’ terwijl men volgens de definitie zou moeten zeggen: ‘de woordvorm bank is te verbinden met twee verschillende betekenissen. Maar niemand doet dat, ook Heestermans in (1) niet. Men zegt nu eenmaal dat een woord twee betekenissen heeft en werkt dus met een woordbegrip waarin T het woord zelf is en waarin B zit opgeborgen. In een woordenboek is B er als het ware uitgelicht.

Volgens (15) zijn er twee woorden bank: 1bank ... zitmeubel ..., en 2bank ... financiële instelling ...’. Verrassend is nu dat Van Dale op precies deze wijze twee woorden bank geeft. Maar zoals zo vaak, hij past dit procédé niet systematisch toe. Zo worden bij afgaan achttien betekenissen gerangschikt onder één trefwoord in plaats van dat achttien woorden 1afgaan, ... , 18afgaan ... zijn opgenomen. Toegepast op het bank-voorbeeld zou de afgaan-ordening leiden tot: bank ... 1. financiële instelling ... 2. zitmeubel ..., waarbij het woord bank dus twee betekenissen heeft. Dit is in Van Dale de meest gebruikelijke vorm: zo staat de betekenisomschrijving (3) in Van Dale 10 onder jood ... 2. israëliet ... opgenomen.

Strikt genomen is de operator X pas nodig bij een specifieke betekenisrelatie tussen 1 en 2. Wil een lexicograaf bijvoorbeeld verantwoorden dat bank voor geldbank zich uit bank voor zitbank heeft ontwikkeld, dan staat er iets als: ‘bank ... 1. zitmeubel..., 2 (bij uitbreiding) financiële instelling...’. Daarmee wordt dan een historisch verband gegeven. Maar meestal geeft X een systematisch verband aan: X = gewestelijk, figuurlijk, scheikundig, scheldwoord, beledigend, etc. De aard van dat verband is in het algemeen zeer lastig te achterhalen. Wie zal zeggen of in afronden ...1 geheel of gedeeltelijk rond maken ... 2 aan het geheel een voorkomen van rond geven ... 3 (m.betr.t. getallen of bedragen) er zoveel bijvoegen of aftrekken dat ze uit een geheel aantal eenheden bestaan ..., de tweede en derde betekenis op een informatief zinnige wijze zijn voortgekomen uit de eerste? En heeft die informatie zin in een woordenboek als Van Dale? Heeft het zin om de eerste betekenis van vliegen aan vogels toe te kennen en de tweede aan vliegtuigen met een of andere verbindende X als operator? Is het erg zinnig is om de relatie tussen bank1 en bank2 in de vorm van een label (X) op te nemen, als dit verband er ooit was, maar al eeuwen niet meer bestaat (en in het Nederlands mogelijk zelfs nooit bestaan heeft omdat het gaat om een leenwoord)?

Er ontstaan dus allerlei echt moeilijk op te lossen problemen voor degene die de betekenissen en betekenisnuances van woorden systematisch wil beschrijven. Enig mededogen met de lexicograaf is wel op zijn plaats: het is uitermate lastig om relaties tussen betekenisomschrijvingen in termen van operatoren te systematiseren. Maar dat ontslaat Van Dale niet van de plicht om toch het gebruik van een operator voor het hele woordenboek precies vast te leggen en te streven naar een

[p. 324]

systematiek die de inrichting van de betekenisbeschrijvingen uniformeert. Juist omdat het zo lastig is, mag worden verwacht dat Van Dale in het voorwoord duidelijkheid verschaft over de wijze waarop operatoren worden toegepast. Dit nu, is niet zo. Belangrijke labels als (oneig.), (fig.), (min.), etc. zijn in het geheel niet gedefinieerd, terwijl ze wel gezag meekrijgen. Het ontbreken van informatie over de operator X in het voorwoord moet dus worden goedgemaakt in het woordenboek zelf, nl. bij de betekenisbeschrijving van het nederlandse woord X. Dit gebeurt niet, of niet voldoende. Ik zal dat laten zien aan de hand van de labels (gez.) en (fig.). Het woord gezegde wordt uitgelegd als:

 

(15)vaste, idiomatische verbinding van woorden, met figuurlijke betekenis, die geen werkwoord bevat, en dus nooit op zichzelf een zin vormt: gezegden zijn b.v.: een vrolijke Frans, met hart en ziel, een open deur, groen en geel; spreekwoorden en gezegden

 

Toch staat er bij ontvangen ‘(gez.) iemand met open armen ontvangen’, en bij stok (gez. gew.) de kinderen zijn weer op stok. Gezegd moet worden dat Van Dale vrij krampachtig zijn richtlijn in (15) probeert vast te houden door een (nogal onnatuurlijk) onderscheid aan te brengen tussen gezegde (woordgroepen zonder werkwoord) en zegswijzen (zinnen), maar blijkbaar lukt dat niet steeds.29

Dat (fig.) inadequaat wordt gebruikt, kan ook bijna niet anders als de betekenis van het woord figuurlijk (16)30 is en die van letterlijk (17).

 

(16)zich van [een (in de taal) niet-rechtstreekse uitdrukking, beeldende omschrijving] bedienend ... je moet dat figuurlijk opvatten, niet letterlijk
(17)overeenstemmend met de letters, met het geschrevene precies zoals het er staat, zonder de minste afwijking of vrijheid: een letterlijke vertaling, weergave; letterlijke overeenkomst; de letterlijke opvatting; iets letterlijk vertalen; iets al te letterlijk opvatten;

 

Los van de gefixeerdheid op schriftelijk taalgebruik, geeft (17) geen informatie over letterlijk taalgebruik tegenover figuurlijk taalgebruik. Met (16) en (17) als definities valt koeien als aanduiding voor koeien èn stieren onder figuurlijk taalgebruik. Ook wordt woordenboek door zijn definitie - ‘boek waarin de afzonderlijke woorden van een taal [...] en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis [...] zijn opgenomen’ -, figuurlijk gebruikt zodra blijkt dat ‘de afzonderlijke woorden van een taal’ er niet allemaal in staan. Zinnen als Vogels vliegen en Mira vliegt naar Amerika worden figuurlijk omdat er pinguins zijn en die kunnen niet vliegen, omdat Mira in feite naar New York vliegt en het

[p. 325]

gebruik van Amerika een niet-rechtstreekse aanduiding is, of omdat strikt genomen Mira zit of in het vliegtuig loopt tijdens de vlucht.31

Een kernprobleem is dat Van Dale niet (voldoende) eenduidig vastlegt wat de operator fig. doet in het registerlabel (fig.) in ‘T, (fig.) B’. Wordt T in ‘T, (fig.) B’ figuurlijk gebruikt, of wordt B figuurlijk gebruikt? In deel I werd een citaat besproken waarin A. Roland Holst een schip figuurlijk karakteriseerde als paard der zee. Zou een woordenboek bij ‘versteend’ figuurlijk gebruik (18) geven, dan moet fig. gelezen worden als: ‘de figuurlijke benaming voor een schip is paard’; staat er (19) dan moet fig. iets betekenen als: ‘paard wordt figuurlijk toegepast op een schip’.32

 

(18)schip (fig.) paard, met name in paard der zee
(19)paard (fig.) schip, met name in paard der zee

 

Voor beide mogelijkheden valt wel wat te zeggen, maar Van Dale mag natuurlijk niet zowel (18) als (19) bevatten: fig. moet asymmetrisch werken.33 In dit geval is dat niet zo. In het algemeen respecteert Van Dale de asymmetrie-eis, maar toch heb ik bij vluchtige inspectie paren à la (18) en (19) kunnen vinden waar deze eis wordt geschonden: bijv. valstrik/hinderlaag, ontvangen/onthalen en bijkomen/inhalen. Dus bij bijkomen in de betekenis van gelijk komen met staat ‘(fig.) inhalen’ en bij inhalen staat ‘(fig) gelijk komen’. Fraai is het niet.

Welk van de twee - (18) of (19) - moet worden opgenomen, hangt af van de vraag hoe men (fig.) wil laten opereren in een label. Van Dale lijkt een keuze te hebben gedaan. Hij volgt klaarblijkelijk de gedachte dat de essentie van de lexicografische operator fig. is dat aan een object - in dit geval een schip - op een bepaalde wijze (zie voetnoot 6) de naam van een ander object gegeven wordt. Dat houdt in dat (19) en niet (18) moet worden opgenomen: bij de naam paard wordt uitgelegd dat het vergelijkend kan worden toegepast op schepen (schepen en paarden zitten beide in de klasse van voertuigen). Het (fig.)-gebruik bij ezel is inderdaad zo gemodelleerd: ‘ezel (fig.) dom mens, domoor’, zegt dat de naam ezel figuurlijk wordt toegepast op domoren. Inconsistentie doet zich op dit punt voor in (20) - (22).

 

(20)ontwikkelen (fig.) (van zaken) groeien
(21)hinderlaag (fig.) valstrik
[p. 326]
(22)valstrik (fig.) verraderlijke poging om iem. in moeilijkheden te brengen of ten val te brengen, in het ongeluk te storten

 

In plaats van (20) zou men mogen verwachten ‘groeien (fig.) (van zaken) ontwikkelen’ of nog beter: (fig.) kan worden weggelaten. In (21) is hinderlaag gedefinieerd als de figuurlijke benaming voor een valstrik, maar bij valstrik in (22) staat dat het een figuurlijke benaming is voor hinderlaag (in de letterlijke betekenis ervan).

Een ander belangrijk probleem voor Van Dale vormen gevallen als stokpaard, waar de betekenis ‘onderwerp waarover iem. bij voorkeur pleegt uit te weiden...’ niet als figuurlijk wordt aangemerkt, maar in een aparte definitie wordt opgevoerd, terwijl er niet meer of minder aanleiding toe is dan bij ezel. Dit probleem doet zich voor bij honderden trefwoorden. De kern van het probleem is dat Van Dale geen middelen heeft om een onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld ‘zeer versteend’, ‘nogal versteend’, ‘nauwelijks versteend’, ‘nog levend’, etc. Dit heeft er in de loop van de tijd toe geleid dat aanduidingen als (fig.) willekeurig werden uitgedeeld. Men kan dit zelf nagaan: een willekeurige steek proef van een trefwoord met, zeg, meer dan vijf betekenissen is voldoende om dit te laten zien: men moet dan simpelweg de gevallen vergelijken waarin (fig.) voorkomt met die waar (fig.) achterwege blijft.

De ellende blijft niet beperkt tot (fig.). Van Dale 12 definieert ook een veelgebruikt label als (gewestelijk) niet in het Voorwoord en wie daarom kijkt bij gewestelijk, ziet direct waarom dit soort woorden zonder nadere toelichting niet kunnen worden gebruikt als registerlabel:

 

(23)(van woorden, uitdrukkingen, enz.) slechts in een bepaalde streek gebruikelijk, niet in de algemene taal gangbaar, syn. dialectisch

 

Hier wordt regionaal taalgebruik op één lijn gebracht met ‘niet voldoen aan bepaalde normen van de “algemene taal”’. Wat dit laatste begrip inhoudt, het wordt niet duidelijk gemaakt noch bij algemeen noch bij taal. Geen taalkundige gebruikt de algemene taal als vakterm en het is lexicografen niet aan te raden dat wel te doen. Daarbij komt nog dat dialectisch niet synoniem is met niet in de algemene taal gangbaar. Als liefdeverklaring wordt gedefinieerd als ‘(gew.) liefdesverklaring’ ontstaat de vraag in welk dialect dit woord wordt gebruikt. Met dit alles diskwalificeert (23) zichzelf als mogelijke definitie van een registerlabel. Dat de hoofdredactie van Van Dale de definitie van woorden die fungeren als labels, niet goed heeft doorgelicht, blijkt uit het feit dat (23) in Van Dale 12 veranderd is ten opzichte van Van Dale 8-11. Dit betekent dat zelfs verandering in het gebruik van een belangrijk registerlabel niet wordt vermeld.

Samenvattend, de operator fig. is niet goed bruikbaar in een woordenboek, zeker niet bij een zo hopeloos vage definitie als (16).34 Het bezwaar van een te vage definitie geldt ook voor alle andere label-operatoren. Mijn advies aan Van Dale 13 is (fig.) zoveel mogelijk te schrappen of althans te beperken tot welgedefinieerde gevallen, en het gebruik van alle operatoren in een samenhangend systeem te vast

[p. 327]

te leggen dat in het Voorwoord wordt uitgelegd. Al met al lijkt mij de conclusie gerechtvaardigd dat de opname van (2) voor een deel is toe te schrijven aan het lichtvaardig - en ook, onnozel - gebruik van labels door Kruyskamp - hij was het die in 1950 (oneig.) er in (2) bijzette, in 1924 stond het er nog ongeclausuleerd in. Onnozelheid pleit soms vrij, maar ik zou het bepaald niet ter verdediging van Kruyskamp of Van Dale willen aanvoeren, omdat het hier nogal kwaadaardig uitpakt.