Onze Taaltuin. Jaargang 2


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 2. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1933-1934


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Dialectstudie en syntaxis:
een overgangsklank

In de beschouwingen over Dialectstudie en Syntaxis is gebleken, dat de phonetische zinsvorm, de klank van den geheelen zin, een belangrijk kenmiddel moet zijn voor de onderscheiding van de logische en psychologische functies. Wij hebben bovendien het vermoeden uitgesproken, dat een dialect zal kunnen worden herkend aan een complex van kenmerkende zinsklankvormen. Er is nog een andere vrucht voor de methodiek van de taalkunde te plukken, en dan meer in het bijzonder voor de ‘phonologie’: de klankelementen van den zin die men ‘klinkers’, ‘medeklinkers’, ‘lettergrepen’ en ‘woorden’ pleegt te noemen, en die in de gangbare historische of beschrijvende ‘klankleer’ a priori worden aangenomen, ontleenen hun ‘inhoud’, hun beteekenis aan den zin en zijn synthese, en zij duiken op, verdwijnen of veranderen van vorm tengevolge van de veranderingen in den inhoud èn den vorm van den zin. Dit belangrijke beginsel der taalkundige methodiek wordt maar zelden op bevredigende wijze weerspiegeld in de beschouwing van de verschijnselen die in de phonetiek met ‘sandhi’ en ‘overgangsklanken’ worden aangeduid. Om het principieele belang der zaak wil ik hier even terugkomen op den opmerkelijken uitlooper van het negatieve ‘en’ in

[p. 45]

het Katwijksch, genoemd op blz. 6 van de vorige aflevering, de zin: ‘Toe ze bij de póort en kwàmme...’1) We zien hier nl. een ‘overgangsklank’, eigenlijk een ‘syllabe’ of zelfs een ‘woord’, dat in den bijzinsvorm is blijven hangen na volkomen ondergang van zijn oorspronkelijke beteekenis en functie. Voor de historische klankleer is zooiets van groot belang: de ontwikkeling van een nieuw ‘klank’element uit de syntactische constellatie. Maar voor de niet altijd besefte relativiteit van een ‘klank’verschijnsel is het geval niet minder leerzaam. Mijn Katwijksche zegsman nl. stelde vast, dat in plaats van ‘kwamme’ ook de oude vorm ‘kwàème’ bestaat. Bij herhaalde constructie van den zin bleek echter, dat bij ‘kwàème’ de toevoeging van ‘en’ niet mogelijk was. De zinsvorm was dan: ‘Toe ze bij de póort kwàème...’ Het accent van het werkwoord was bijna even ‘sterk’ en ‘hoog’ als van ‘poort’ en ook ‘quantitatief’ was het even ‘lang’ als dat van 't voorgaande woord. Er was dus keuze tusschen de twee rhythmische vormen: illustratie en illustratie; de klank ‘en’ handhaaft het evenwicht van den syntactischen klankvorm, d.i. accent + toonhoogte + quantiteit. Dat blijkt o.a. hieruit, dat bij plaatsing van een werkwoord als ‘kwamme’ in dezen bijzin aan het éinde van het zinsverband, dus nà den hoofdzin, de noodzaak om ‘en’ mee-te spreken nog dringender wordt. Bij die plaatsing van den bijzin is dan ook accent en toon van het werkwoord zwakker en lager. Ook blijkt ‘en’ overbodig, wanneer op het werkwoord nog een woord met zwaar accent vólgt, bij het schema illustratie; náast elkaar hooren we: ‘Toeze almaer weer bij de póort kwàmme zéure...,’ en ‘Toeze almaer weer bij de poort en kwamme...’ Zoo ook: ‘Toeze nae huis en ginge, regende-n-et’ en, nog noodzakelijker met ‘en’: ‘Et regende toeze nae huis en ginge’. Daarnaast, bij hulpw. + infinitief: ‘Toe ze nae huis ginge éte...’. Daarentegen weer: ‘Toe ze nae huis en ginge, om te éte’. In de derde plaats blijkt ‘en’ weg te blijven, niet alleen bij een zwaren, hoogen en langen werkwoordsvorm als ‘kwàème’, maar ook bij een éenlettergrepigen vorm ‘kwam’: ‘Toe ik bij de póort kwám, gaf ik 'n gil.’ ‘Ik gaf 'n gil toe ik bij de póort kwàm.’

Hetzelfde principe bepaalt de keuze van het ontkennende ‘iet’ mèt of zónder ‘en’: ‘Toeze iet óp en kwàmme2)...’, en ‘Toeze iet op wulde komme’. Variaties als de hier besproken zinnen komen wel zeer in aanmerking voor phonografische opneming en de dan mogelijke analyse van den zinsklankvorm.

G.S. OVERDIEP