|
|
|
| |
| | | |
Het Katwijksch. II
De overgang naar den ‘aanslag’ van een volgenden beginklinker wordt ook vergemakkelijkt door de ‘zwakke articulatie’ van een slot-explosief in het woordverband. Dat in het dialect van ouds zoo werd gearticuleerd1), blijkt o.a. uit mədien = metéen (uit med-ien). Zoo spreekt men thans ook een (waarschijnlijk stemlooze) d in het woordverband: ‘Hoe vord-istat?’ (= hoe ver is dat?) ‘Hij is heel vord-in də familie, da's mit chien zak orrətə (= erwten) tə bərollə!’ -1) Ik heb əhòòrd astat...’ Daarentegen een t voor oorspr. volgende h + klinker: ‘As ik də fok əklaert(h)eb.’ De d ook in de vormen van de 3de pers. enkv.: ‘Piet gaed óok.’ ‘Dan háád-ie haest.’ ‘Hij haad-ətmə uwel-əzâat.’ ‘Zə haad-ər òògətóou-ədaen (is overleden)’. Ook bij een stamvorm op -d:
‘Hij wòrd al bétər.’ Daarentegen wordt de 3de persoonsuitgang met een volgende begin-d verscherpt tot een ‘dubbele’ t (d.i. een t met lange èn krachtige afsluiting van de luchtstroom). ‘Hij záattan...’ (= hij zeit dan). Een ‘dubbele’ d hooren we in de constellatie van: ‘Er viel 'n pán van ddàk (= van 't dak). Een oude t wordt, voor een klinker, niet verzwakt: dat-ək e.a.
De oude d van vervoegde vormen kan als ‘overgangsklank’ worden toegevoegd. Men zegt: ‘Stae stil’, maar vóor een klinker krijgt het enkelvoud den uitgang van het meerv.: ‘Staed iet soo tə bevə!’ In het Zuid-Hollandsch is in diergelijke verbanden een -t gebruikelijk. In het Katwijksch ook wel: ‘Doeə-t-əm ən zaddooək in z'n mond!’ Ook ‘Dauwt əm ən zaddooək in z'n mond!’
De d tusschen twee klinkers in een woord is in het Katwijksch buitengemeen ‘vluchtig’ geweest: ‘Hij hâad ət íet bəleen (= bekend). besteen = besteden, de blaen van də bòòmə. vərboon grond (= verboden), 'k heb ət əm vərboon. ‘Wij gaen laen’ is nog de staande uitdrukking voor ‘het schip-laden voor de uitvaert.’ Zoo zou ‘mandən’ met een (ook Friesch-Saksische) nasaleering2), via ‘maodən’ tot maon (meerv.) hebben kunnen worden. Voor een begrafenis gaat de ‘doodbidder’ been: ‘Hij hâat bij ons iet əbeen’.
| | | |
Volslagen ‘anorganisch’ is de d in: ‘Hij traptədər op ər taen’ (hij trapte haar op haar teenen), een vorm die óok meer algemeen-Hollandsch is. Hier is volgens mijn zegsman voor zijn gevoel de d noodig voor het onderscheid met het praesens (trapt-ər). Algemeener-Hollandsch is ook weldərəs = wel ərəs, waar de d ontwikkeld kàn zijn uit de n van ‘een reis’. Zoo kàn ook in ‘Dər bendər zeuvə’ de d van -dər uit ‘daar’ zijn gebleven, echter ook wel voor -ər na de krachtig gearticuleerde n zijn geexplodeerd, zooals in woorden als klaandər (= kleiner) in Katwijk steeds het geval is.
Bij de spiranten is de Katteker nog meer dan bij de explosieven tot stemlooze vorming geneigd. In het woordverband hooren we de z, v1) en g meestal als krachtig gearticuleerde (dus dikwijls ‘lange’ of ‘dubbele’) s, f en ch, terwijl dikwijls voorafgaande en zelfs volgende explosieven eraan worden geassimileerd.
De s. ‘Isstáttədóktər?’ (= is dat de dokter). Hier werkt een oude vorm ‘ist’ misschien nog na. ‘Hij réssənàagə ‘wèl.’ (= hij redt zich wel). ‘Geunə-n-is betər asteuz'’ (= gene is beter dan deze). ‘Bess/saaidi’ (= ‘Best’ zei hij). ‘Zə vòeltəraagə wassláppies’ = ze voelt zich wat slapjes). ‘Néssjə zécht!’ (= net als je zegt). ‘'t Doesséer’ (= het doet zeer). ‘Dássschòet’ (= dat is goed). ‘Dássíess, dammíndər nòòdəgənis’ (dat is iets...). In ‘íess’ is -ts geassimileerd. Zoo ook: iesschoess =iets goeds, onverwasss = -verwachts. Ook -st: je wiss = wist, aanssənss = aanstonds. Ook -rs: kikfossə, d'âestə = de eerste; en -ns: leugəss.
De s vooraan, vóor een klinker, is zelfs lang niet altijd duidelijk verzacht tot z: ‘Sit nou iet tə suffə!’ Het komt mij voor, dat de Katwijker deze en ook anders gelegen s-klanken ietwat palataal uitspreekt, bij sterk affect, maar vooral (natuurlijk) in de buurt van palatale klinkers als de ie. Ook voor een k bij palatale klinker(s) is dit hoorbaar, en in de verbinding st, in de buurt van labialen en zelfs aan 't eind van een woord na ie of ui, bij sterk accent. Min of meer palataal zijn dus de s-klanken, in de volgende zinnen en woorden gecursiveerd: Toe uwassi stil. - uWees iet ààgəuwijss! - uWattə mmòòi huiss! - In ienss! - Van sins. - Passop, dassəjə-n-ietssien! - Assjiet op-ən-past! (= als je niet...). - 't Is iet ssuiver! - As kintheb əkər əweunt. - Maer díe dorss/sòò veul iettə zeggə! (= dorst, durfde). -
De f. Astie men hoet iet fínnə-n-ən ken... - Astie murrəgə nóg iet ən freet... - Hij hâad iet lang əleeff.
De ch. Dach chélt-noch-táer-əlaetə! (dat geld nog daar gelaten). - | | | | Opsən licchəm! - Da'ss nèchchóe ffoor jə (dat is net goed voor je). - Sech ət maer aerələk! -
Tusschen twee klinkers is zoowel een oude v als een oude f zwak gearticuleerd (c.q. stemhebbend?): 't Is ən benààuwdə halləv elləf! (= 'n bangerd of zwaartiller; misschien naar 't ‘spookuur’?) 't Wassóo dajj-íet ən uwíss ovvi léefdə. -
Van de consonantverbindingen ín het woord noemen we nog:
de sk (met een niet-praegnante k) is algemeen: Daer skrokki van (tusschen de r's ietwat palatale s). - Blijskop (blijdschap). - Hij lach wegəskolə (= verscholen). - Də stoel stong wegəskovə. - Een sterk expressief woord is ‘skiss’ = spichtig, eigengereid, vlug etc. (= schits in Ned. Wdb. XIV 729/38). - Zelfs in het woord nieuwskierəch (= = nieuwsgierig) is de sk doorgedrongen.
de verbinding van -sel met velaren wordt vermeden in dekkələs (= deksel)1), hengələs (= hengsel).
de ft nog in: əkoft (= gekocht) en aftərhuis, bij heel oude Kattəkərs.
de gn2) nog in: gniepərəg dee-d-i! (geniepig deed hij). gnorrə (= knorren), ze kreech chnorrə, gniezə = niezen.
Tenslotte: de k is geaspireerd in een affectieven zin als ‘Khindərə! Khindərə! uwat ən uwèèr!’
Een andere affectieve verscherping3) van den consonant vertoont de vorm tjenke = janken4), zeuren, met den naam tjenk = zeurpiet, ‘jengel’, o.a. in de door haar primitieve voorstelling en verbeelding ‘krachtige’, uitdrukking: ‘Die auwə tjénk ríjt mədə réggə-n-in!’
De h is bij den Kattəkər veilig. In éen woord valt hij wel eens af: ‘Oe uwéet jíj dat?’ - ‘Oe komttát nou?’ - Maar bij nadruk: ‘Hóe kòmttat!’ Het heet in Katwijk, dat de Noortəchərs en Skevəlingərs de h niet aankunnen zonder fouten, een verwijt dat taalburen elkaar wel méer naar 't hoofd slingeren: hier echter terecht.
Na dit overzicht van de karakteristieke klankverschijnselen, is er in de flexie, vooral in de vervoegingsvormen van het werkwoord, niet veel meer aan te wijzen, dat niet voor den ‘bescheiden’ lezer vanzelfsprekend is.5) Hierbij moet allereerst nog worden opgemerkt, dat het voornaamw. zij alleen voor vrouw. enkelv. gebruikelijk is; het
| | | | meervoud 3de pers. is: ze, heulie. De 2de pers. meerv. is jollie, jəlui.
De teg. tijd van hebben is: ik heb, jij (jə) heb, hij (zij) hâait of hâat; wij hebbə etc. Bij inversie: hâaitie of hâatie, hèuwe. De verleden tijd: ik hâai, jij hâai, hij hâai, wij hâaiə etc. Ook wel ik hadde etc., oudere vorm. Teg. tijd van worden: ik uwort, jij uwort, hij uwort, wij uwordə. Bij inversie: uword ik? uWor-jə? uWortie? uWordəwə? - Verl. tijd: ik uwier etc. Je wilt = jə uwull, je wou = jə uwauw; bij inversie: wil je = uwojjə?, wou je = uwauwjə? Je zult = jə zel, je zou = jə zâuw; bij inversie: zejjə en zâuwjə. Hij uwull, hij uwâuw; uwulldie? wauwdie? Jə durrəf, jə dorss; bij inversie durrəvjə, dorsə (palatale s)?
Een opmerkelijk werkwoord van Klasse II is tijə, tooch, ətogə: Zè uwə iet ántijə? = zullen we niet beginnen? Die vent tijt mə toch an ət ópspeulə! = begint op te spelen. Toe ben ək ant waarək ətogə = gegaan. Een oud verl. deelw. van klasse I is: Die vrauw is inəzegə = 1. flauw gevallen. 2. na herstel weer ingestort.
Een eigenaardige consequentie voor de vervoegingsvorm heeft de sterke neiging tot syncope van de d tusschen twee klinkers (zie blz. 241). Ik zei = ik zâai, meerv. we zâaiə; ik rijd = ik rij, meerv. we rijə. Maar ik reed = ik ree en meerv. we reenə. Zoo ook bij het oorspronkelijk zwakke werkw. vrijen in den verl. tijd: hij vree meerv. ze vreenə. Eveneens bij laden in den teg. tijd: wij laenə (den verleden tijd zal men hier ontwijken door òf het perfectum, òf het praesens historicum, met het hww. gaen bijv.) Ook bij den teg. tijd van verbieden = Katw. verbien: Ze verbiene dat niet; en den verleden tijd: Ze verboone-n-em datti...’
Mogelijk is in al deze vormen de uitgang -ə als meerv. teeken toegevoegd aan de organieke vormen rêen, lâen etc., toen de meervouds -n was afgevallen in 't algemeen, en -e het meervoudsteeken werd. (Vgl. elders wedoene, wegaene). Uit het laatste voorbeeld (Ze verboone-n-em) blijkt door de ‘overgangs’ -n, dat het gevoel voor de functie van de -n van verboon geheel en al dood is. Dragen heeft de vormen: dregə - drooəch - ədrogə. Slaan is: slaen - slooəch - əslegə.
Van opmerkelijke schikkingen der leden van samengestelde tijden noem ik: Hij hâat mə uwullə opsooəke (of:...opuwulləzooəke). Ik denk dati mə op hâat uwullə zooəke. Hij hâatjə uwullə zien zwemmə (ook:...zien uwullə zwemmə). Dat ssaudi hebbə mottə doen (of:...ədaen mottə hebbə). Hij zel uwel əmacht hebbə (of:... hebbə-nəmacht; zelden:...əmaggə hebbə). Hij zâu uw-ət nog ədaen hebbə (of: hij zâuwət nog zellə doen hebbə). As ək jou uwas, hâai ək íet əgaen (in voorwaardelijke zinnen, vgl. het boek over werkw. met hebben en zijn van Kern). Hij hâat hier iet əweest. -
| | | |
Belangwekkender is de Katwijksche vorm der verkleinwoorden en in verband daarmede die van den genitief der namen1). De verkleinwoorden hebben den uitgang -je (etje2)) kopje, zakje, huisje, lòòpje, slòòtje, voetje, bròòtje, montje, stompje, bòòmpje; kannetje, kommetje, ringetje. In het meervoud echter -ies, -jies, -tjies, koppies, zakkies, huissies, lòòpies, slòòtjies, voetjies, pòòtjies, bròòtjies, montjies; stompies, bòòmpies; kannetjies, pannetjies; kommetjies, ringetjies, droppeltjies. De enkelvoudige vorm op -ie, als loopie, koppie, komt in Katwijk a/Zee niet voor, die behoort bij de taal van ‘nae binnene’. Wel is in het Katteksch de adverbiale vorm op -ies gangbaar: strakkies, zacchies etc.
De -ie- in het meerv. der verkleinwoorden is klaarblijkelijk in het meervoud bewaard uit een in het dialect regelmatige nasaleering van -(k)in voor -s.
Deze typische -ies (-jies)vormen nu zijn ook gebruikelijk in de ‘verbogen naamvallen’ van eigennamen van deminutieven vorm. In subiectsfuncite heet het: Jáantje is ziek.’ Maar in andere naamvallen: ‘Hè jə Jantjies iet əzien?’ ‘Issət mit Jantjies goed?’ Zoo ook met namen op -ie (de uitgang die als verkleining in het enkelvoud niet voorkomt bij gewone zelfst. naamw.): ‘Hè jə Dirkies iet əzien?’ ‘Hè jə Aries iet ezien?’ ‘Issət mit Dirkies (Aries) goed?’ Deze ‘verbogen vorm’ is klaarblijkelijk de genitiefvorm. Terwijl deze genitief van namen op -(t)je en -ie dus den vorm van het meervoud der verkleinwoorden heeft, is hij bij de andere namen gekenmerkt door -ə. Zoo is bijv. de casusvorm van Aai (een ándere ‘Koseform’ van ‘Adriaan’ dan Arie) niet ‘Aaïes’, maar Aaiə. De verbogen vorm van Jan is Jannə, van Piet: Pietə; Jannə boouk, Pietə skoe. Van een samengestelden naam heeft alleen het laatste lid dit casusteeken -ə. We vinden dus de volgende verbuiging van ‘Krijn Hazenoot’:
Hier weunt Krijn Hazenoot.
Dat is Krijn Hazenootə huis.
Geef ət Krijn Hazenootə maer.
Ik heb Krijn Hazenootə-n-əzien.
't Is van Krijn Haezenootə.
Hij liep mit Krijn Hazenootə etc.
| | | |
Men zegt: ‘De vrouw die mit Jannə-n-ətrauwt is, mit Jan də maomaekərə’, terwijl hier de subjectsvorm Jan də maomaekər is. Ook de bijnaam neemt dus het casusteeken aan. Het is mogelijk dat in de ‘overgangs-n’ in ‘...die mit Jannə-n-ətrauwt is’ de ‘zwakke verbuigingsuitgang’ nog opduikt. De casusvorm is inderdaad nog na sommige klinkers -n. Niet van een naam als Anna (attrib. genitief: Anna's hoed, Anna d'r hoed). Maar men zegt: ‘Zə weunt daer bij də vurrəwər, bij Van Schien’, terwijl de subjectsvorm van dezen verwer ‘Van Schie’ is. Men zou kunnen onderstellen dat de genitiefvorm -ies zich vastzette ook voor datief- en accusatief-functies, omdat de genitief-e(n) bij andere namen tevens datief- en accusatief-uitgang was. Dit wat het feit der formeele analogie betreft: over de andere verbreidende ‘krachten’ zie blz. 247.
Een achterkleinzoon van een stamvader Teun, zal den naam dragen van: Wullem van Wullem van Leen Teunə. Wordt hij als kleinzoon voldoende benoemd geacht, dan zou het zijn: Wullem van Wullem (van) Leenə. Zijn grootvader zou ‘in 't korte’ Leen Teunə heeten. Heette de stamvader niet Teun maar Arie, dan zou de achterkleinzoon heeten: Wullem van Wullem van Leen (van) Aries1).
Vroeger werd de voornaam van zoo'n langen naam in de niet-subjectsfuncties verbogen (de achterste naam van den ‘stam’vader was ook in subjectsfunctie van den benoemde verbogen); tegenwoordig wordt de verbuiging van den voornaam in deze gevallen wel verwaarloosd. Wanneer iemand Piet heet en zijn moeder Nel, dan draagt hij den naam Piet van Nelle, zoo ook Jan van Bette, met een -e na het voorzetsel dus, naar den regel bovengenoemd. Deze vormen met vast van worden op een eigenaardige manier verbogen: zij blijven Piet van Nelle en Jan van Bette in de functie van lijdend voorwerp, maar in den attributieven genitief en in de functie van datief-object heet het: Piet van Nelles en Jan van Bettes. Volgens mijn zegsman zou men dezen vorm op -es óok in de functie van accusatief-object en na een voorzetsel en zelfs als subject bezigen, wanneer de naamdrager al heel oud is, of allang overleden en desondanks nog bekend. Zoo zou men van den reeds een halve eeuw overleden Piet van Nelle kunnen zeggen: ‘Den (!) Piet van Nelles hâad-ət əzâat!’ en zonder twijfel ook: ‘Ik ben bij Piet van Nelles əweest’. Maar met namen van jonge menschen ‘wil de -es niet lukken’ zelfs niet vlot in de datief-functie2).
| | | |
Behalve de namen vertoonen deze eigenaardige verbreiding van een genitief-vorm ook de voornaamw. wie en die, nl. in de oude vormen wies en dies: ‘Wies hoed is dat?’ (Ook: Wie z'n hoed).1) Ik weet iet, wies hoed dat is. Je ken əm toch wel? Wulləmə, dies huis of əbrand is?2) - En verder: Wie komt daer? Wies zag ik daer? Wies heb ik dáer nou? Wies hâati toe die guldə-n-əgevə? An wies hâati toe die guldə-n-əgevə. - ‘Wies pet hebbək nóu op? Aerendə? Dies past mijn iet.’
Eveneens dit aanwijzende (bepaalde) die3) in: ‘Kènjə Jaep Ouwəhandə?’ ‘Jae.’ ‘Nou, an dies heb ik ət əgevə’. Zoo ook: ‘Gijzə? Neen, dies ken ək iet voor dat werrək gəbruikə.’ -
Elke vergelijking gaat mank, vooral als middel tot ‘verklaring’. Het heeft dan ook weinig zin, met deze eigenaardige naamvormen te ‘vergelijken’ een verschijnsel in Slavische talen, nl. dat de genitiefvorm van namen van levende wezens in de accusatief-functie voorkomt.4) Liever constateer ik, dat de vorm op -ies ‘oorspronkelijk’ als genitief toekomt, zoowel aan die en wie als aan de verkleinwoorden. Van twee kanten uit zou deze zich dus over andere ‘namen’ hebben kunnen uitbreiden. Deze verbreiding van een ‘vorm’ over véle naamwoorden en vooral die over vele casusfuncties moet echter een ‘oorzaak’ hebben gehad, een psychische tendentie. Dat zou kúnnen zijn de primitieve neiging een levend wezen niet dírect te ‘noemen’. Die voorzichtige benadering in den taalvorm kán worden geconstateerd in den genitief met een bijgedacht substantief dat de ‘persoon’ omschrijft. Zooals men den in noot 4) genoemden Mnl. genitief van vrouwelijke persoonsnamen bij accusatief-functie wel zou kunnen verklaren uit bijgedachte aan een substantief als ‘minne’5) (c.q. ‘edelheid’ of ‘hoogheid’).
Een andere eigenaardige verbreiding van een uitgangsvorm valt ons op in den zin: ‘Ik foer voor ən halləf-fierəndaelsje’, hetgeen beteekent: ‘Als jongen kreeg ik ⅛ van de volle matrozengage’. Men zegt nl. ‘Hij vaert voor (ən) vierəndaels, voor drie vierəndaels, voor dord'alf vierəndaels (= ⅝).’ Het is mogelijk dat ook de vorm ‘voor drie vierendaels’ een ‘ellips’ is met het verzwegen of bijgedachte
| | | | woord ‘matroos’. Het eigenaardige is, dat deze vorm op -s in den verkleinvorm blijft gehandhaafd. Men zou op een dwaalspoor komen, wanneer men hier een piquanten deminutiefvorm op -sje vermoedde. Veeleer kunnen we de uitdrukking begrijpen als: ‘ik voer als halfvierendeelsjongetje’. Daarbij is het echter niet geheel ‘bevredigend’, dat de -s niet staat bij ‘'n half dael’, ‘'n drievierəndaelər’, ‘n dord'alvər’, etc.
Nu de belangrijkste klank- en flexievormen van het dialect zijn beschreven, laat ik eerst eens een stukje proza van een meer dan negentigjarigen visscher volgen. Het gesprek kwam op een oud gebouwtje in het dorp, de ‘brak’, een ‘barak’ dateerende uit den Franschen tijd1). Aan het stenogram is niets van beteekenis geretoucheerd.
‘In de brak weund' altijt auwe mense-n-in: aarem!2) Teunesje But, Aerent Houk, in Syme Sip. D'r sting 'n hâaning voor 't stuive, maer je kon d'r overheen kijke, zòò van de wurref3) optie huisies. Of huisies? - 't was âandelek íen huis, maer toch ofsonderlek weunde ze daer allegaer in. 'n Stik-of-fijf. Die huisies waere van-ddurrep4); hier de-n-ien, den âor dáer5). Ze weunde zòò kruiselings. Maer dat is allegaer auwerwess hòòr! Toe was ik nog 'n kint, 'n jaer of zös, zeuve. As je an de straet6) toe komt, daer weunde altijt Hubrecht. In weetje wie er nòg weunde, bij de brak? Auwe Huig Plas. Die hâad-er òòk 'n tijd eweunt, 'n tijt!!’
‘Maer hè-je nog ehòòrt-tat-er in de Fransche tijt 'n soldaet-uit-tebrak mee mos, assje offoer?’
‘'n Soldaet mee? Néeən, dat heb ik iet ehòòrt. Wèl datje oppasse moss assje ande wal was. Want as de zon onder was, dan mochj'iet mâer buite. Dan hâai-je, net iender as nou, jonges; jonges die twinteg, ien en twinteg jaer waere, die vreene7), dan gingeze 'saeves graeg nae de maaid. In dan mosse-ze nae de skuit-toe, gaen slaepe. Nou; zagge-net de Franse, dan waere ze wech, want-tie reene8) overal langs-testrant op-et-losse-paert. Dat heb-ik òòk in mijn jonge tijd hòòre vertelle, dat was 'n wâesvaeder; dat hâat seker zòo eweest datsse sente mosse haele op Kattə-binne of-sòò, toe wassi bij-'t tol. Toe kwamme d'r òòk twie Franse nae 'm toe. Die zâaie: “Of legge watjje heb!!”
| | | | In hij zâat: “'k Héb niks.” Hij pakt-tie-Franse-n-án - 't mot 'n wonder stààreke man eweest hebbe - in hij slae-sse zòò-dòòd-as-en stien! teuge-mekaar -an.Jae, vrouger hâai-je stààreke mènse. Zòò heb 'k eris fan me váeder ehòòrt...’
Ook een herinnering aan zijn vroegere ervaringen als schipper èn als jongen (± 1855) loopt uit op de verheerlijking van een ‘sterken man’: ‘Mijn âeste teelt - toe 'k foor-'t âest skipper wass - toe benne we voor 't âest nae Abberdeen eweest. Bij auwe Jaep Bente was 'n wegtwijzer omboort. Die brocht ons toe in Abberdeen, voor 't alderâest. Nou, lae-we-ris kijke: dat is òòk al 'n acht-en-söstech jaer eleen. Die nomde-we-n-‘et Beutje’: 't was-soo-nau-in-dan-'nkofferdij-man1). Want je nam toe gien hòògte2). Je vaerde op 'n kompasje in opte kleur van 't waeter. Toe haddewe van die klâane kompassies, die lagge somtijss in de chortton3). 'n Gròòt hangkompas sting d'r in 't ferónder, dat kwam nòòit an dek. Maer 't kompasje-van-'n gulde dat zwurrevde overal héen. As we dan 't land zagge mit 'n gelegenhaaitje4), dan gingewe weer an zâe hòòr, om de Noort-gunter. Want we waere bang voor 't lant (!). Laeter toe ginge-we snoffele5), toe wier dat beter: toe gingje hier is in snoffele, in daer is in snoffele, in zòò lâerde-je-dat. Wullem Zuijerduin ('t Beutje) was 'n rat fentje hòòr, rat!6) Je weet wel, dat 'k je al op-ənomt heb7), dat die slooupe kwamme bij de wal, mit-'t-ijs? Dan waere dat altijd 's winters de zâelui die ze loste. Die de viss fan de kòòpers ofhaelde8) mit-te-bòòt. Dan mosse ze'n glouw9) in 't ijs maeke, daer voer de bòòt-tan-deur. In die d'r in zatte, liepe d'r soms naest op 't ijs, altijd zóo dich'bij datsser iniens weer in-konne. Nou, toe waere z'eris, die ik je daer vertel10), in Jakob van Knelis van Baele.
Hè'je Keetjies ekend, Keejə11), die altijd musse-n-emaekt hâad? Kom, hoe hâa-sse-n-elével ehiete?... Kée van Jaepe Gerrisse. Nou, die d'r man was-et: 't was 'n gròòte vent, in 'n stààreke vent wass-et.
Toe krege-ze ongenouge mit mekoar. Toe moss-et Beutje... Nou, Jaekop van Baele die was íens12) zòó gròòt assət Beutje, in die hadde van die gròòte wante in 'n boezee13) an, want ze waere mit die slooupe14). - Toe wuldie (nl. 't Beutje) Jaekob van Baele skiete15). Dat is- | | | | soo-tusse-z'n biene-skiete; in dat wulldie lappe, 't Beutje; in hij (nl. Jaekop) pakt-em-zòò-achter-z'n gát, in hij skéért-em 'n end-wech1) datjjem omtrent íet-mâer zíen-en-kèn. Zòò'n staareke man wastat òòk! Dáer bij ‘de Zwáen’ wasset. Ik was nog-'n skooljonge, 'n jaer-ofacht-nege (!). Hij (Jacob van Baele nl.) hâad op-te-Engelse wal nog 't ongemak2) ekrege: toe iss-ie-ebléve3), alless-wech4)!’
De klank- en flexievormen zijn in ons overzicht geheel behandeld. Grooter bekoring gaat echter uit van woordenkeus en zinsvormen van deze verhalen van den volkstaalspreker, waarover thans nog.
G.S. OVERDIEP |
1)Een eigenaardig voorbeeld uit de kindertaal is de vocatief van den grootvader: ôbâe. Volwassenen noemen hem ‘gròòtəvaer’. De grootmoeder is bij de kinderen ôpoe, bij de volwassenen ‘gròòtje’. 'n Oud vrouwtje is ‘'n oud besje’.
1)Een eigenaardig voorbeeld uit de kindertaal is de vocatief van den grootvader: ôbâe. Volwassenen noemen hem ‘gròòtəvaer’. De grootmoeder is bij de kinderen ôpoe, bij de volwassenen ‘gròòtje’. 'n Oud vrouwtje is ‘'n oud besje’.
2)Tegenwoordig is de genasaleerde ao van aors = anders niet zóo dof en lang als de ao van m aon. Zie hierover blz. 206. Wanneer ik daar (r. 23 v.b.) zeg dat men aan m ao ‘dezen klank heeft gegeven’, dan bedoel ik den langen zéer doffen klinker; de nasale ao van aors kwam het woord mand in den tijd der bedoelde nasaleering organisch toe.
1)De v en de (bilabiale) uw liggen in het Katw. dus wel heel ver uiteen.
1)maaksel is in Katw. maks'aai.
2)met spiraut g. De afwisseling met kn als in gnorren-knorren wijst natuurlijk op vroegere explosief.
3)De bekende rest van het oude ‘praefix’ is nog in inegentig aanwezig.
5)We hebben o.a. reeds genoemd: zə zettədə, neer əzettəd etc. (=neergezet); den adhortatief gaeuwə; zə lâai = legde, zə zâai = zei; sturrəvə, stierəf, ə störrəvə, etc. Het teeken âa is een â zweemende naar de open o.
1)Deze genitief wordt in Van Ginnekens' Handboek even genoemd, in vergelijking met denzelfden vorm in het West-Brabantsch.
2)In den vorm -etje hoort men nog soms een palatalen klank als de Duitsche ch van ich. Men zou hier een bekende oude schrijfwijze -tgies volkomen haaksch vinden. Overigens moet worden opgemerkt, dat de t van (e)tjies niet als een duidelijke explosie hoorbaar is. tj is een scherp geartieuleerde jj.
1)De geslachtsnaam Aris(z) is hieruit voldoende duidelijk. Een aardige demonstratie vormen ook de namen van Kee = Keetje etc. in het verhaal op blz. 249.
2)Een gefixeerde naam op - es, als Piet van Nelles kàn ten slotte opnieuw worden verbogen met -ə: van Piet van Nelləsə.
1)Antwoord met een ‘genitief’: ‘Wel, Jaep ə!’
2)Zoodra het antecedent niet een bepaalde persoon noemt, zou het wies zijn: De man wies huis ov əbrand is. (Vgl. een zin uit het vertelsel, blz. 249): zie ook volgende alinea.
3)Niet het onbep. die, als in: Ik ben bij die en geune-n- əweest. Ik ben bij die əweest en bij die en zòò al mâer.
4)Of van vrouwelijke persoonsnamen in het Mnl.
1)Voor het gemak van zetter en lezer beperk ik zooveel mogelijk het aantal phonetische teekens. Overbodig zijn bijv. de bijzondere teekens voor bilabiale uw, de ə en de meeste nasaleeringen.
5)met handbeweging verduidelijkt.
6)de hoofdstraat, de eenige geplaveide ‘strata’ toentertijd,
1)'t Beu tje nl., die voer ook wel op een koopvaardijschip.
3)De ton met gort en karnemelk.
5)een typische ‘jagersuitdrukking’ voor ‘de gelegenheid’ in de havens enz. opnemen’.
10)genoemd heb, nl. ‘'t Beu tje’. ‘Die’ is dus de aanduiding van een bekend antecedent (zie blz. 247 2).)
11)N.B. de ‘verbuiging’ der namen, van Kee en Keetje.
13)'n ruige pool’, tegen koude, die maakte hem nog grooter.
15)nl. hem op z'n schouders nemen en achterwaarts omhoog werpen.
1)De groote Jaekop nam 't kleine Beu lje, toen 't z'n hoofd tusschen ‘Jaepe biene’ door stak, bij ‘z'n gat’ en wierp hem tusschen zijn beenen door.
2)= het ongeluk, nl. vergaan van 't schip.
|
|