|
|
|
| |
De anlautende schr- in het algemeen beschaafd
Wanneer men de beschaafde taal als norm voor de schrijftaal neemt, dan is de vraag van prof. Wille in zijn Taalbederf door de School van Kollewijn (Amsterdam 1935), bl. 15, gewettigd: ‘wélk beschaafd en wáar? In heel Nederland? Zuid en Noord? In Holland? In een deel van Holland?’ En dan bespreekt hij met name de konkurreerende uitspraak van srijven en schrijven en besluit: ‘Ik twijfel niet, of ten aanzien van schr zullen vele beschaafde taalgebruikers gaarne de volle uitspraak weer gewoon en liefst algemeen zien worden; en zeer weinigen zullen niet liever eenigen aandrang zien uitoefenen in die richting, dan kans te loopen mettertijd in schrijven, schrikken, schrap, schroom de ch te zien afschaffen’.
Natuurlijk, wie de beschaafde spreektaal als norm voor de schrijftaal neemt, moet het Algemeen Beschaafd volgen, zooals dat is overgeleverd en nog door het grootste of althans door een aanzienlijk gedeelte in Noord en Zuid gesproken wordt; ik zeg nog: waardoor ik echter geenszins wil te verstaan geven, dat bepaalde lokale afwijkingen het ooit tot een volledige zege zouden moeten brengen. Ook bedoel ik natuurlijk niet het dialekt, maar de taal, die de dialektsprekers als algemeen-beschaafde omgangstaal bezigen; slechts bekrompenheid kan deze twee dingen met elkaar verwarren. In die taal zegt men nooit van den wijn, dat ze zuur is - toch ook erg sexueel! - en van de zon, dat hij steekt. In die taal zegt men zonder ooit te weifelen, in het elders door mij aangeduide gebied: de boom is vannacht omgewaaid, en niet: den boom, maar: ik pluk een appel van den boom. Met euphonie heeft dit niets te maken. Het Bovenmoerdijksch is hierin zijn eigen weg gegaan. Maar gaat het nu aan, de innovaties van enkele provincies, hoe Beschaafd die dan ook zijn mogen, voor de algemeen-beschaafde schrijftaal als verplicht voor te schrijven?
| | | |
Zulk een innovatie is ook de vervorming van schr tot sr, oorspronkelijk in anlaut, dan ook analogisch op den inlaut overgebracht. Hieromtrent diene het volgende. De anl. groep sr-, die o.a. het Indo-Iraansch heeft, b.v. skr. srávati ‘hij stroomt’, mogen wij, nu ook het Tochaarsch ze waarschijnlijk gekend heeft, zie Wilh. Schulze e.a., Tocharische Grammatik, bl. 8, evenals het Hittietisch, b.v. in sra ‘op’, wel als oorspr. algemeen Indo-europeesch erfgoed beschouwen.
Op den duur schijnt deze klankkombinatie echter fonetische moeilijkheden te hebben opgeleverd en men heeft op velerlei wijze getracht daarin te voorzien. In het Grieksch werd anl. sr- tot hr-, b.v.
έω, corc. ρhογαισι (G.D.I. 3189). Het Oeritalisch veranderde sr- tot pr-, en dit werd verder tot fr-, b.v. lat. frigus < *srigos. Waar in het Latijn alleen s- als vertegenwoordiger van sr- optreedt, hebben wij hoogst waarschijnlijk met ideur. sigmatische en asigmatische doubletten te doen; zie ook Brugmann, Grundr. I2, 2, bl. 762. Onze Germaansche voorouders zijn merkwaardiger wijze in deze eenzelfden weg gevolgd als de Slaven en de Thrako-Phrygiërs - natuurlijk kan hier slechts van elementaire verwantschap sprake zijn - en hebben een t ingelascht, iets meer wetenschappelijk uitgedrukt: bij hen zette de spirans zich als homorgane explosiva voort; zoo b.v. ohd. stroum, on. straumr, nl. stroom, ob. struja, ‘stroom’, ostrovŭ, ‘eiland’, d.i. omstroomd land, po. strumień ‘beek’, thrak. Στϱυμών, riviernaam, Στϱύμη, stedennaam. Wat het Slavisch betreft diene opgemerkt, dat naderhand in verschillende jongere Slavische talen, ten gevolge van metathesis van ar en er, weer opnieuw een groep sr- gevormd werd, waartegen men geen bezwaar (meer) scheen te hebben, en eveneens, dat door het wegvallen van ĭ en ŭ de groep sr- opnieuw tot stand kwam, zooals in het po. srebro ‘zilver’, vgl. ob. sĭrebro. Daarentegen heeft het Baltisch de groep sr- onveranderd gelaten; slechts
dialektisch vinden we str-, zoo b.v. heeft het Litausch naast srovė ook strovė ‘rivier’, terwijl men in het Lettisch str- vindt, b.v. straume ‘rivier’. Ook het Keltisch heeft de groep sr- bewaard, b.v. oier. sruth ‘rivier’, maar in het Bretonsch heeft zich merkwaardiger wijze, evenals in het Latijn, de groep sr- tot fr- ontwikkeld, b.v. obret. frut ‘stroom’.
De ideur. anl. sr- werd dus in het Germaansch vermeden en vervormd tot str-, zooals dit in nog enkele andere ideur. talen het geval was. Maar terwijl, zooals gezegd, het Slavisch naderhand niet van een op sekondaire vorming berustend sr- afkeerig bleek, is het Germaansch zich steeds konsekwent gebleven, hetgeen b.v. moge blijken uit de behandeling van het leenwoord stroop. Dit ons Nederlandsch woord
| | | | berust nl. op het mlat. sirōpus, sirūpus, dat op een arab. šarāb teruggaat. Na syncope van den toonloozen klinker werd het leenwoord siroop in de jongere omgangstaal klankwettig tot sroop, evenals kraal, krant, knier e.d.; maar omdat de Oergermaansche tendenz aldoor levenskrachtig gebleven was, werd dit sroop tot stroop. Hetzelfde geldt voor struis (loodwit) uit het fr. céruse < lat. cērusa, en inlautend voor kastrol uit het fr. casserolle. Slechts de dialekten, die een gepalataliseerden s- klank hadden, dus over š- beschikten, konden het zonder de interkonsonantische t stellen; en zoo hebben wij dan in het Maastrichtsche dialekt den vorm šroep, omdat Maastricht ten oosten van de Panninger zijlinie ligt; zie hierover mijn opstel in het Tijdschr. v. Nederl. Taal- en Letterk. XXVI, bl. 81 vv.
Nu komt, in weerwil van dien pertinenten afkeer van de anl. groep sr-, deze tóch in een aanzienlijk gedeelte van ons land - echter volstrekt niet in Zuid-Nederland - in de gewone, beschaafde omgangstaal voor; dus in woorden als: sraal, sraapzuchtig, srabben, sragen, sram, srap, srapen, srappen, srede, sreeuwen, sreien, sriel, srift, sril, srik, srobben, sroef, sroeien, srokken, sromelijk, sroot, srot, srijden, srijlings, srijn, srijnen enz. Reeds in 1913 heb ik in de German.-Roman. Monatschrift V, bl. 171 de aandacht op dit verschijnsel gevestigd: dat in zekeren omvang de skr- in het Hollandsch over schr- tot sr- werd; merkwaardiger wijze zijn de sprekers zich van den overgang van schr- tot sr- doorgaans zelf niet bewust. Slechts in zoover wijk ik nu, na nauwkeuriger onderzoek, van mijn destijds t.a.p. uiteengezette meening af, dat het sr- gebied mij thans minder omvangrijk voorkomt dan toen. Wij hebben te doen met een expansie-verschijnsel, dat wederom uitgegaan is van de jongere omgangstaal, laat ik nu er bij zeggen: van de burgerij van de Hollandsche, Geldersche, Overijsselsche, Groninger enz. steden, en waarbij wij dus met een vrij wel gelijktijdige kultuuruitstraling van uit die verschillende centra te doen hebben. Zoo verklaart men: 1. dat de sr-uitspraak hier en daar nog een tikje onbeschaafd lijkt; 2. dat herhaaldelijk aan de periferie de oudere schr-vorm zich gehandhaafd heeft; en 3. dat, ofschoon de beweging zich uitbreidt en voortgang maakt, nog zoo vaak tusschen de verschillende steden onzeker gebied, plaatsen met weifelende uitspraak, worden aangetroffen, en ook wel wakken liggen: waarbij natuurlijk ook met het onderscheid tusschen
de taal van de oudere en de jongere generatie moet gerekend worden. Zoo komt het, dat de uitspraak tusschen Arnhem en Nijmegen, in welke beide steden overal en zeer beslist sr- gesproken wordt, b.v. te Elst, Gent en Bemmel, eenigszins wankel is. Maar Millingen, Panningen, Lobith
| | | | en heel het Montferland liggen stellig beoosten de sr-isoglosse, die nabij Gent de Waal oversteekt en in noordoostelijke richting naar de Duitsche grens loopt; met dien verstande echter, dat een aanzienlijk deel van de Graafschap en geheel Twente ten oosten blijven, dus de schr-uitspraak behouden. Nijmegen is eigenlijk een enclave van de sr-linie bezuiden de Waal. Van Gent uit beschrijft zij om Nijmegen een bocht, laat Malden, Heumen en Mook ten zuiden, en gaat bewesten Nijmegen weer de Waal over, zoodat alle plaatsen op den zuidelijken Waaloever: Beuningen, Ewijk, Afferden, Druten, Wamel, Dreumel enz. tot de schr-groep behooren. Maar nog aan de overzijde van de Waal, dus in de Betuwe, blijkt de uitspraak herhaaldelijk onvast. In westelijke richting bereikt onze isoglosse nabij Goeree de zee. Ben ik goed ingelicht, dan blijven Goeree en Overflakkee bij het oude; in alle geval blijven buiten de linie geheel Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en een groot deel van Gelderland en Overijssel.
Ook nog een stuk van Noord-Holland. In 1896 schreef Dr. Boekenoogen in zijn Zaansche Volkstaal, bl. XLIV, dat in de Zaanstreek de Hollandsche sr-uitspraak aldoor meer veld won, maar dat ieder Zaankanter nog wel eens weifelde. Eenzelfde weifeling bestaat op dit oogenblik b.v. te Alkmaar. Daarentegen zegt men te Purmerend, Edam, Volendam, Monnikendam, wanneer men geen dialekt (sk-), maar ‘goed Hollandsch’ wil praten, zeer beslist de oude schr-.
Hieruit moge wederom blijken dat, wil men voor de schrijftaal het Algemeen Beschaafd als norm nemen, men zich niet met hetgeen in enkele gewesten gesproken wordt mag tevreden stellen. En men lette er ook op, wie de oudste papieren bezit, en wie innovatie pleegt.
Nijmegen.
JOS. SCHRIJNEN
Naschrift. Bij het ter perse gaan van dit artikel ontvang ik nog verschillende mededeelingen uit Noord-Holland: Castricum, St. Maarten, Schermerhorn, Hobrede, Noordscharwoude e.a. Hieruit blijkt te meer, dat wij in Noord-Holland met skr- naast schr- en sr- te doen hebben. Dit moet aldus worden verklaard, dat het dialektische skr- zich plaatselijk en streeksgewijze nog herhaaldelijk, soms zelfs normaal, in de kultuurtaal reflekteert. Terwijl daar, waar schr- gezegd wordt, het Hollandsche sr- nog niet, althans niet in aanzienlijke mate, is doorgedrongen. In het algemeen is het vooruitdringen van sr- in Noord-Holland gedurende de laatste decennia echter vrij aanzienlijk.
J.S. |
|
|