Onze Taaltuin. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Onze Taaltuin


bron: Onze Taaltuin. Jaargang 7. Van Aelst, Maastricht 1938-1939


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Boekbespreking

Dr. P. Polman O.F.M. Stalpart en zijn ‘Roomsche reijs’ (Bergmans - Tilburg - 1938).

Dit vijfde nummer van de ‘Serie Studies’ van het Historisch Tijdschrift is ongeveer 150 bladzijden groot.

De historicus Polman heeft 'n bizonder studieobject gemaakt van de polemiek tusschen katholieken en protestanten in het algemeen en in speciali tusschen Nederlandsche Roomschen en anti-Roomschen. Dit boek over de ‘Roomsche Reijs’ van Stalpart vormt slechts een van de detailstudies voor een later synthetisch werk over de geheele Nederlandsche polemische literatuur.

Afgezien van een inleiding en 'n register, valt de studie uiteen in twee hoofddeelen: het eerste deel draagt tot titel ‘De Schrijver en zijn Roomsche Reijs’, het tweede ‘De Roomsche Reijs en haar bronnen’.

‘De Schrijver’, het eerste hoofdstuk van het eerste deel, geeft een levensschets van Stalpart, ook volgens gegevens van het interessante ‘Levensverhaal’ van klopje Reek; vervolgens een karakterschets, waarbij hij heel origineel wordt vergeleken met Franciscus van Sales; en tenslotte een opsomming van zijn werken.

Het tweede hoofdstuk ‘De Roomsche Reijs’ bespreekt 't typographisch

[p. 247]

uiterlijk, de samenstelling, den inhoud en behandelt vooral in den breede den volkschen toon van het strijdschrift.

Aan het tweede hoofddeel ‘De Roomsche Reijs en haar bronnen’ heeft de schrijver de meeste zorg en den meesten tijd besteed. Nadat hij heeft opgemerkt, dat Stalpart's werk den indruk maakt van oorspronkelijk te zijn, maar in werkelijkheid voor het allergrootste deel plagiaat is, gaat hij ‘handelingh’ na ‘handelingh’ de afhankelijkheid na t.o.v. Bellarminus vooral, ook t.o.v. Becanus en Lessius, de verhouding tenslotte van ‘De Roomsche Reijs’ tot ‘Den Verdoolden Buyrman’. Het laatste hoofdstuk pleit ondanks alles voor waardeering van Stalpart's oeuvre. Tenslotte volgen nog eenige bijlagen, die de afhankelijheid t.o.v. de bronnen illustreeren.

Kunnen we nu zeggen, dat op deze wijze aan de thematologische opgave van het boek is voldaan?

Als we een boek den titel geven: ‘Stalpart en zijn Roomsche Reijs’, dan verwachten we, dat na lezing ons duidelijk is: wat die ‘Roomsche Reijs’ voor iets is en welke de verhouding van den maker, Stalpart van der Wielen, is tegenover zijn geestesproduct.

Practisch komt hetgeen Dr. Polman hierover ons meedeelt neer op twee punten: op de eerste en allereerste plaats rekent hij ons zeer nauwkeurig voor de afhankelijkheid t.o.v. de bronnen, zoodat we na lezing van het tweede deel en met Bijlage I in de hand weten, dat er van de ± 450 bladzijden met de klein-octavo drukspiegel van 67×132 mM. een groote 300 niet oorspronkelijk zijn; op de tweede plaats bewijst hij ons uit een rijke fichesverzameling, dat Pieter de Reijser en zijn protestantsche vriend Abacuk op een heel volkschen toon met elkaar redetwisten over het geloof.

Is met die twee punten aan de opgave voldaan?

Ik durf daarop - behoudens 'n nog te maken opmerking - bevestigend te antwoorden. Inderdaad - en de waarheid van de door den schrijver zelf aangehaalde publicatie van Gielen over de belangrijkheid van de Crenologie in De Nieuwe Taalgids (1935 - XXIX - 151/172) wordt hier treffend aangetoond - als Dr. Polman ons de bronnencompilatie van de Roomsche Reijs heeft duidelijk gemaakt, weten we eigenlijk, wát de Roomsche Reijs is; die bronnenverzameling dan nog omhangen met het volksche kleed van den pastoor en deken van Delft en wat opgesierd met eenige Hieronymus- en Augustinusteksten van den schrijver zelf, vergaard misschien in de Romeinsche studieperiode. Van harte dan ook wenschen we den schrijver geluk met het keurige resultaat van zijn wetenschappelijke arbeid.

Toch mis ik iets in deze studie. Bij teksten als: ‘Een twintigtal blad-

[p. 248]

zijden uit Bellarminus' Controversiae, enkele hoofdstukjes uit Becanus' Manuale en enige passages uit Lessius' De Antichristo waren hem voldoende om er zijn Roomsche Reijs uit “samen te flansen”. Er is letterlijk geen enkel hoofdstukje in dit werk, dat, wat de zaak betreft, in hoe elementaire zin dan ook oorspronkelijk kan worden genoemd.’ (68), ‘Pieter, die niet gebaart Lessius te kennen, zegt dat hij deze stelling zal waar maken door eenige ‘hooge Spreuken’, welke hij ‘uit de Patriarch van de Reformatie Ioannes Calvinus heeft gheobserveert’ (95), en zijn nauwelijks verholen afkeer, wanneer Pieter met een breed gebaar zegt, dat, als Abacuk geen gelegenheid heeft om de ‘tomi conciliorum’ na te snuffelen, hij wel even eenige besluiten zal meedeelen, ‘terwijl voor Stalpart zelf Bellarminus hier de rol van die “tomi conciliorum” had te vervullen!’ (80), kan ik me moeilijk losmaken van het beeld van dien twintigsten eeuwschen historicus achter zijn bureau met al de bewijsstukken van fraude en plagiaat om zich heen gestapeld, die den armen schuldigen Stalpart uit de zestiende bij het oor schudt: ‘Mannetje, mannetje, jij doet wel erg grootsch, gooit links en rechts met machtige vaderteksten, schriftuurplaatsen en bewijzen, maar heb ik jou eens even betrapt!’

Ik mis 'n warm begrijpen van dien priesterploeteraar, Stalpart van der Wielen, die temidden van deze ellendige tijden, met de zware bediening van het Delftsche dekenaat, in een kleinzielige omgeving, belemmerd door de ruzie met Makeblijde, in staat om alle idealen te fnuiken, toch nog zit te zwoegen in de recente werken en werkjes van Lessius, Bellarminus, Becanus om die voor zijn volk volksch toegankelijk te maken. Stalpart verzwijgt zijn bronnen, omdat het vermelden ervan in dit volksche boek zonder eenig nut is; hij wil niet zelf de eer van al die geleerdheid opstrijken, in zijn primitiviteit vergeet hij zelfs den naam van den schrijver mede te deelen. Er hangt toch iets onbegrepens rondom die priesterdichters en -schrijvers der Contra-Reformatie. ‘Onder de menschen een man uit het volk’, zingt Van Duinkerken in zijn bekende priestergedicht, maar verwondert zich over de typische mengeling van doodgewone volkschheid en fijnzinnige lyriek bij Poirters. Ofschoon ze zelf met de wetenschap van hun tijd op de hoogte waren, en aristocraten van geboorte of geest wisten ze zich liefderijk heen te buigen over de breede massa, die altijd honderd jaar ten achter is, en werden ze weer samen met hun volk kinderlijk primitief middeleeuwsch. Daarom is ook het hoofstuk over den volkschen toon onaf. Zou Dr. Polman, die wist dat Stalpart een aristocraat was naar geest en geboorte, hem zelfs vergelijkt met Franciscus van Sales, daarom niet goed gedaan hebben met wat dieper in te dringen in het psychologisch probleem van dezen populariseerenden edelman? En, zij het misschien tus-

[p. 249]

schen de regels door, ook hebben moeten speuren naar den aristocraat achter de schermen? Ook dát behoort bij een historisch bestudeeren van ‘Stalpart en zijn Roomsche Reijs’.

ANT. DE WITTE.

Dr. E. Kruisinga. Het Nederlands van nu. n.v. Wereldbibliotheek. A'dam 1938.

Moest een franschman een boek geschreven hebben over den contemporainen toestand van zijn moedertaal, het was er een geworden in dien heerlijken luchtigen trant, waarvan hij alleen in Europa het geheim schijnt te bezitten. Nergens volledig of consequent, met meer esprit dan zorg voor de feiten, maar toch zóó helder en zoo doordringend van lijn dat niemand het terzijde kan leggen, zonder er inwendig diep door veranderd te zijn; in een stijl zoo levendig en vol distinctie, dat hij zich permitteeren kan het argument in een tusschenzin te verbergen, maar aan den anderen kant toch zoo krachtig en persoonlijk, dat men soms meenen zou het gebaar van den auteur in werkelijkheid voor zich te zien. De duitscher had zijn werk vanaf het voorwoord in dienst van een bepaald idee gesteld. Hij had er de philosophie bijgehaald, en met den opmarsch naar het bewijs zou de sfeer van het geheel evenzeer in ernst, als de feiten in aantal en diepgang zijn toegenomen.

Maar Dr. Kruisinga is een nederlander, - of moet ik nu hollander zetten? Hij is vóór alles leerstellig, dogmatisch. Hij is een van die menschen die graag en gauw tot een bepaalde meening, een bepaald ‘standpunt’ komen. Nu is dit op zichzelf zoo erg niet, het zou zelfs tot een heldere voorstelling van zaken bij kunnen dragen. Maar het verdrietige is, dat Dr. Kruisinga daarbij den breeden vleugelslag mist om werkelijk tot een synthese te komen. Hij omspint enkel de achtereenvolgende groepen van feiten min of meer met zijn gedachten, en de ware groote lijn, de consequentie in den tijd, blijft ontbreken. De conclusies zijn steeds partieel, en zooals bij geleerden van dit type vaak voorkomt meestal ook negatief. En vooral mist de schrijver van dit boek de bonhomie, die voor dergelijke breede beschouwing nu eenmaal onontbeerlijk is. Iedere systematicus moet over een zekere dosis goed humeur, men kan ook zeggen: goed vertrouwen beschikken, om al is het slechts voorloopig, eens over een aantal punten heen te zien die niet direct willen passen, eens voorbij te gaan aan een verklaring waarmede hij het niet geheel en al eens is. Anders verliest hij den moed, de vaart.

Voor zooiets draagt Dr. Kruisinga de taal, met al haar kleur en glans,

[p. 250]

echter te diep in het hart, bijna zou men zeggen in het geweten. Er ontlaadt zich in dit boek een verschrikkelijke booze bui, die blijkbaar al jarenlang vast heeft gezeten. Geheel de zonzijde van 's schrijvers wezen blijft het gansche werk door naar het vereerde object der beschrijving, de Taal, de heerlijke Taal, gewend, de andere zijde is voor wie daarover geschreven hebben zonder het met Dr. Kruisinga eens te zijn. Nergens is de stijl zoo vlot, nergens valt zoo snel een bon mot of een teekenend woord, als waar een standje, een collectief of een individueel standje, wordt uitgedeeld, een Seitenhieb gedaan, een aanmerking gemaakt. Ieder krijgt zijn veeg uit de pan: de grammaire raisonnée, omdat ze de taal binnen het keurslijf van al te veel regels heeft willen dwingen; de taalleeraren, omdat ze hun leerlingen een bepaald stuk grammatica onthouden hebben, waaraan dezen toch zoo duidelijk hadden kunnen zien, dat er in de taal ‘allerminst willekeur of toeval’ heerscht; de nederlanders in het algemeen omdat ze geen vreemde talen kennen; degenen die er iets van kennen omdat ze er niet genoeg van kennen (zooals die nederlandsche historicus die niet precies wist wat het engelsche ‘capital’ beteekent); de Minister van Onderwijs omdat deze meent het land zoo maar met zijn spellingbesluiten te kunnen ringelooren; diens ‘hooggeleerde adviseurs’ omdat dezen den Minister nu weer eens aan dezen en dan weer aan genen leiband hebben laten loopen; de niet-Vereenvoudigers omdat ze de betoogen der Vereenvoudigers links hebben laten liggen; de Vereenvoudigers omdat ze niet consequent geweest zijn en hun taalbeschouwing overal hebben doorgezet; allerlei ongenoemden die ieder onmiddellijk terug herkent; allerlei wel genoemden tenslotte, aan wie stellingen worden toegeschreven die ze nooit gehouden hebben.

Eén wet, één allersimpelst grondidee blijft er zoo tenslotte slechts over. Men kan het al vermoeden: de oude liefde van de negentiende eeuwsche romantiek: het Leven van de taal, het pure, het autonome, het onuitsprekelijke... Het Leven, dat men - het zij herhaald - echter niet al te nauwkeurig bestudeeren moet om er normen of regels uit af te leiden, maar dat men... ja, wat! Want er moet toch zoo iets van wetenschap komen. En daar is ook nog altijd die lastige overvloed van zeer besliste opinies bij dezen auteur!

En van dit kriegele, ja soms barsche boek maakte de Wereldbibliotheek warempel een deeltje uit haar serie Encyclopaedie in monographiën. Het groene bandje is opvallend frisch. O wonderlijk land van vrijheid en geduld, van veel verzwegenheden, o lieve Vaderland.

Het pleidooi voor een systematische studie van de nederlandsche spreektaal, verdient ongetwijfeld alle aandacht. Op dit punt is ons land

[p. 251]

achter. En dat op deze wijze allerlei stijl- en vormproblemen uit hoogere taalkringen nader tot hun oplossing gebracht kunnen worden, - het is Dr. Kruisinga zelf die dit voor het engelsch met zijn driedeelig Handboog of Present-Day English voortdurend bewezen heeft, evengoed als Wunderlich-Reis voor het duitsch, Bally voor het fransch, Spitzer voor het italiaansch en Hofmann voor het latijn. Alleen meene men ook hier niet, het zonder het stijlbegrip te kunnen stellen. Want stijl, een bepaalde vaste ‘stijl’, is niet in strijd met het vrije leven der taal, zooals Dr. Kruisinga min of meer meent, het is eenvoudigweg de wet, de natuurlijke vorm zelf daarvan. Dit dringt zich bij dit materiaal juist nog sneller op dan in de geschreven taal. Evengoed als er een lento- en een allegrouitspraak bestaat, is er ook een lento- en een allegro-syntaxis. Er is een syntaxis van beleefde menschen en een van hen die minder correct plegen te zijn, een voor vlotte praters, die het woord met gansch hun mimiek en gebaren weten te vervolledigen en te onderstrepen, evengoed als een voor de aarzelaars die leven van het herbeginnen, het hernieuwde overleg; er is er een voor de cholerici en een voor de intellectueele bestudeerde typen. Er is een syntaxis van binnengaan bij een vreemde, en een voor het uitgaan; een voor den mindere tegenover wie hooger geplaatst is, en een voor den meerdere tegenover zijn ondergeschikte.

En wie zou b.v. ook een zaak als het Limburgsche of het Groningsche accent voldoende beschreven achten, als niet tevens op de syntactische uitwerking daarvan gewezen was?

J. WILS.

A.P. Kieft, Homonymie en haar invloed op de taalontwikkeling. 170 blzz. Groningen 1938. f 3.50.

In Onze Taaltuin Jrg. 6 p. 241 schreef prof. van Ginneken eens: ‘Elk menschelijk feit heeft vijf en twintig oorzaken.’ En daar ik mij met de bedoeling van dit gezegde (prof. van Ginneken zal zelf wel van niemand verwachten: met zijn formulering) volkomen eens verklaar en zelf nooit kan geloven dat men met het aanwijzen van één oorzaak de waarheid volkomen bereikt heeft heb ik Kiefts dissertatie hiermede in opzet en uitwerking eigenlijk reeds veroordeeld.

Want in het algemeen genomen bedoelt het boek: zo veel mogelijk homonymie als taalveranderende factor voor te stellen en verkeersomstandigheden als invloedloos te qualificeren ja zelfs van tijd tot tijd, zoals bij verschillende voorbeelden op pag. 11 en 46, tot nul te reduceren.

[p. 252]

En deze beperktheid van blik, gepaard aan de angst om zich de resultaten van hulpwetenschappen ten nutte te maken, ontnemen niet alleen het vitale, het vol-menselijke aan het boek maar stempelen het tot een eenzijdig betoog.

Het is de verdienste van Dr. Kieft dat hij, waar romanisten op hun terrein hem reeds de richtlijnen aangaven, voor Nederland de letale invloed der homonymie aan een hele reeks feiten bewezen heeft maar al geloof ik nog zo gaarne van hem dat bijv. adel (gier) is moeten wijken voor nhd. jauche en nhd. grenze (grens) mark verdreven heeft omdat homonymieën de taal defectief maakten, toch is het onmogelijk de nieuw opgekomen woorden te verklaren zonder daarbij verkeer, sociaal contact te berde te brengen. Dr. Kieft meent nu wel op p. 11 zo sterk te staan doordat er bij bijv. jauche en grens geen cultureel overwicht op Duitsland van slavische zijde te verwachten was, maar hij ziet over het hoofd dat in de M.E. de Slaven tot zelfs ten westen van de Elbe zijn doorgedrongen; cfr. J. van Ginneken, Ras en Taal 1935 § 1, krt. 1. Waar hij nergens het bewijs kan leveren dat alle leenwoorden door homonymie zich konden vestigen, zijn zijn voorbeelden jauche en grens dus zeker ook geen bewijs dat daar alleen met homonymie te rekenen valt want die slavische volkerenmenging kan wel heel goed de eerste oorzaak van het binnendringen (zij het nog niet het overwinnen van jauche en grens) zijn.

Een weinig eigenaardig is ook zijn methode waar hij zich zo tussendoor voor zijn eenzijdige zienswijze de steun van een autoriteit als prof. van Ginneken verzekert. Hij schrijft nl. pag. 17: ‘Van Ginneken (Onze Taaltuin, II, 125) heeft de grote uitbreiding van leunen ‘reclinare’ (met ‘o-umlaut’) verklaard als een gevolg van de homonymie *lenen ‘reclinare’-lenen ‘mutuari’. Wanneer wij echter bedoelde uitlating nazoeken dan blijkt prof. van Ginneken op genoemde pagina de labiale articulatiebasis als de hoofdoorzaak en bedoelde homonymie als één der twee bij-oorzaken genoemd te hebben.

Kiefts fout bestaat gedeeltelijk hierin dat hij tegenover interne oorzaken alleen invloeden als cultuurhegemonie en cultuurstromen plaatst (cfr. p. 45, 46) juist alsof er geen andere wijze van invloed door verkeer of volkspenetratie mogelijk is - waarop trouwens Heeroma Nieuwe Taalg. jrg. 32 p. 297 vlgg. reeds gewezen heeft.

Er zit in dit boek een zonderlinge gedragslijn. Expansiologie vindt het uit den boze. Met even zo veel woorden zegt Kieft dit

[p. 253]

wel niet, maar keer op keer krijgen de expansiologen te horen dat zij zich vergissen en terwijl hij in het hele boek nog tweemaal op invloed van de ‘algemene cultuurtaal’ wijst, nl. eenmaal in 't algemeen op pag. 15 en andermaal als hij op p. 54 en 67 vlgg. bij de verspreiding van het type ‘gier’ er met homonymie niet meer komt, heeft hij nergens in zijn voorbeelden blijkbaar een (sociale) verkeersfactor gezien. Hoewel de Rijnlandse onderzoekingen uit de school van Wrede en ook de Franse met hun trouée de la Meuse met bijna niets anders hun niet geringe successen bereikt hebben. Maar aan de andere kant blijkt toch uit zijn zorg om zich niet met hulpwetenschappen in te laten (p. 17) dat hij haar nut erkent, en uit zijn bewustzijn dat een expansioloog tevens historicus moet zijn (p. 16) dat hij weet dat er dan iets te bereiken valt. Kieft wil dus iets gaan bewijzen op een terrein waar hij thuis is, en dat is zijn goed recht, maar hij laat zich ook verleiden tot (afbrekende) uitlatingen aan het adres der expansiologie, waarvan hij zelf indirect zegt niet voldoende op de hoogte te zijn en dat schenkt weinig vertrouwen.

Als men van dit boek een uitvoerige uiteenzetting over homonymie als zodanig verwacht komt men bedrogen uit en het is eigenlijk weerom Schrijvers verwarde gedachtengang die daar schuld aan heeft. Want als hij de gevallen bespreekt waar door een homonymie de taal defectief raakt en de gelijkheid van syntactische functie, semasiologische verwantschap of tegenstelling enz. als ‘criterium’ behandeld heeft, verwerpt hij deze ten slotte (weer omdat hij bang is dat subjectieve betekeniselementen hem op het dwaalspoor zullen brengen!) en op pag. 9 belooft hij zich dan ‘meer succes’ van die ‘criteria’ die ‘de homonymische reactie in verband brengen met de geographische verbreiding van de homonymie zelve’ (en op p. 166 in zijn duitse Zusammenfassung staat dezelfde gedachtengang). Deze gedachtengang echter is vreemd. Het wil mij voorkomen dat Schr. nu ineens bedoelt dat homonymie duidelijk defectief werkt als het gebied waar een homoniem verdwijnt precies samenvalt met dat waar een bepaalde klankwet de homonymie tot stand bracht, zoals hij op pag. 13 zegt: ‘Het belangrijkste criterium, dat men kan laten gelden, om oorzakelijk verband tussen het ontstaan van een homonymie en het verdwijnen van één der homoniemen aan te tonen, is de coïncidentie.’ Maar wat heeft dat te maken met criteria die een bepaalde homonymie dodend maken en waarover zo juist sprake was? Het woord criterium wordt hier

[p. 254]

ineens in andere betekenis gebruikt en zo is het te verklaren dat wij van de voorafgaande ‘criteria’ niets meer horen.

Het leeuwendeel van het boek valt toe aan de behandeling van de kaart voor ‘gier’ en naar aanleiding van deze kaart wijzen wij nu nog op een ander verkeerd gevolg van Kiefts eenzijdigheid. Het is duidelijk Schrijvers bedoeling heel de kaart uitsluitend uit reacties op homonymie (afgezien van een stukje heel recente invloed van de cultuurtaal) te verklaren. En hèt bewijs is hiervoor bij hem het samenvallen van het gebied met woordverlies met het gebied waar klankontwikkeling de homonymie veroorzaakte. Dat er andere homonymische reacties mogelijk zijn, zoals differentiatie of inconsequentie in de klankontwikkeling of woordsamenstelling - wat den Schr. overigens goed bekend is, - moet hier dus niet te berde gebracht worden, want anders zouden er verkeers- of andere factoren aangenomen dienen te worden die zulke vormen uit het gebied met klankontwikkeling die de mogelijkheid van homonymie bracht weerden of verdreven. Daarom twijfelt hij op pag. 53, 54 of Van Schothorsts opgave aolt ‘stercus’ voor de N.W.- Veluwe juist was, hetgeen ons niet nodig lijkt omdat die t de homonymie toch voldoende uit de wereld hielp.

Vandaar zegt hij ook op p. 55 dat de typen met t of ie als aalt en alie jong moeten zijn omdat zij anders op het ‘nivelleringsgebied’ de homonymie verhinderd zouden hebben en omdat die typen dus daar ook nu nog hadden kunnen voorkomen. Maar wij zien dat niet in omdat we ook aan verkeersfactoren geloven en kunnen ons best verenigen met den hogen ouderdom van de dentaal in aalt als wij aan de volkomen gelijke metathesis in naald denken (welke de Schr. trouwens nog op de zelfde pagina ter sprake brengt) en vinden ook dat probleem van die ie lang niet zo eenvoudig dat we ie ineens jong durven te noemen, immers het is een heel aparte groep woorden: alie, messie (mest), derrie (ook: drek), assie (as), smurrie, die haar vertoont.

Op een andere plaats gaat Schrijvers pleidooi voor het alleenzaligmakende geloof in homonymische reacties al evenmin op. Schr. wijst er p. 70 en 71 op, dat tegenwoordig de uitbreiding van het woord: gier niet in aaneengesloten front maar puntsgewijze over hele gebieden met gewestelijke ‘stercus’-aanduidingen heen vooruitkomt en ziet hierin tegenstelling met de gier-uitbreiding in de M.E. Maar welk bewijs heeft hij voor dit laatste? Zeker, wij geloven inderdaad dat er verschil is maar wachten nog slechts op

[p. 255]

het bewijs dat dit meer dan gradueel is, geloven ook niet dat dit te geven is, want taalverandering zal altijd tijden en gebieden van weifeling en dus bezetting puntsgewijze kennen. En dit verschil zit niet zoals Kieft zegt hierin dat de ene verbreiding een reactie is op homonymie en de andere een gevolg van invloed der cultuurtaal, maar in het feit dat in onze tijd door verkeersmiddelen, radio, courant, cursussen enz. verspreiding van een woord veel sneller kan geschieden.

Dat Schrijver ook volgens zijn methode nog niet altijd tot positieve resultaten komt blijkt wel op p. 51. Hij gaat na hoe de gebieden waar er homonymie ontstaat tussen aal ‘stercus’ en aal ‘anguilla’ alle één aal prijs gaven maar zegt ook (om bijv. verschijnselen in O.N. Br. te verklaren) dat men nu niet mag menen dat ieder gebied waar die homonymie niet ontstaat het oude aal ‘stercus’ ipso facto moet hebben. En de reden? Omdat ‘we niet kunnen weten, waar reeds vroeger adel “stercus” door de homonymie adel “nobilitas”-adel “stercus” was verdwenen en waar dus daardoor reeds aal < adel “stercus” niet meer mogelijk was.’

Men ziet nu wat men in de plaats krijgt voor een cultuurhistorische beschouwing der feiten: een argumentatie die zelf erkent met absolute onbewijsbaarheden te werken!

Uit de overige opmerkingen die wij bij lezing van dit boek maakten en waartoe gunstige behoren zoals omtrent een mooie, er betrouwbaar uitziende kaart, de interessante beschouwing aangaande de dynamische coïncidentie van klank- en woordgrenzen (bijv. p. 18) en de suggesties omtrent verschillende ‘dialectische’ eigenaardigheden in de nl. cultuurtaal (p. 11 vlgg.) - al gaan wij in onderdelen daar nog lang niet mee accoord - doen wij nu nog een keuze om dan op de aandacht der lezers niet langer beslag te leggen.

De opsomming der gebieden waar lid ‘operculum’ voorkomt (p. 100) is niet geheel volledig. Het is mij zelfs nog bekend in het O.N. Br. Zeeland (Onze Volkstaal I 213) en wordt ook bij Hoeufft p. 360 voor Breda vermeld. De gebieden die Dr. Kieft vermeldt liggen alle noordelijker of oostelijker.

Op pag. 44 vermeldt Dr. Kieft den overgang van intervocalische d > r in Nederland alleen voor Groningen. Toch is dit verschijnsel ook meer of minder bekend in Enschede (Bezoen p. 53), Eelde in Drente (Bergsma p. 31), Elten-Bergh (Bruyel § 208), Twente (Gallée p. XVII), Zuid-Oost-Vlaanderen en Brabant ten zuiden

[p. 256]

van Brussel (Teirlinck IV 89), W.N.-Brabant (Weijnen Onderzoek § 161).

Voor nog een representant van germ. brakô (op p. 59, 60) wijs ik op Woensels braak werktuig om vlas te breken (cfr. Weijnen Bijdragen no. 2 Taaltuin 7, 144).

Als publicaties omtrent de geographie der ā- en â- ontwikkeling vermeldt Schr. (op p. 18, 49-51) alleen Kloeke N.T. 27, 241 en 28, 64, Heeroma Ts. 56, 241 en Bergsma Drentsch Wb. 3, 4, 5 doch vergeet voor N. Brabant mijn Onderzoek § 15, 33 en krt. 6, 19, 111 waaraan nu voor Z. Ned. nog J. Tans Isoglossen rond Maastricht 1938 § 25, 48 vlgg. en krt. 3, 67 vlgg. toe te voegen is.

 

Roosendaal,

Parklaan 127.

A. WEIJNEN.