|
|
|
| |
Taalkaart rug
De hier afgebeelde taalkaart is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens van de eerste vragenlijst, in 1931 uitgezonden door de Dialecten-commissie der Kon. Nederl. Akademie van Wetenschappen, die door ongeveer 2300 medewerkers voor ongeveer 1900 plaatsen werd ingevuld. Bovendien beschikt het bureau der commissie voor dit woord over gegevens uit ongeveer 870 plaatsen in Zuid-Nederland.
De oorspronkelijke beteekenis van rug, mnl. rugghe, onfr. rucgi, ruggi, ohd. (h)rucki (nhd. rücken), os. hruggi, ofri. hreg (gg), ags. hrycg (eng. ridge), on. hryggr, is waarschijnlijk ‘het gekromde’ (Franck-Van Wijk).
Naar den klinker beschouwd kan men op deze kaart drie gebieden onderscheiden:
| 1. | een uitgestrekt gebied met umlaut, al of niet met behoud van de slot-e; |
| 2. | een klein gebied in Groningen en het noorden van Drente zonder umlaut.
(De vorm rogge komt bovendien ook in Overijsel en het westen van Drente voor naast rugge. Bovendien treedt hij
|
| | | |
| in het Stellingwerfsche gedeelte van Friesland en op Urk als eenige vorm op); |
| 3. | verschillende gebieden met delabialiseering van de umlautsvocaal, waar e- en i-vormen elkaar afwisselen. |
Zooals de kaart aangeeft, beperken de variaties van de slotconsonant zich tot explosief en spirant.
De grenzen tusschen de verschillende vormen zijn over 't algemeen zeer scherp, afgezien van de gedeelten waar twee vormen naast elkaar voorkomen, zooals het rugge/rogge-gebied, het rik/rug-gebied op de Zuidhollandsche eilanden en het rik/rugge-gebied in Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen.
Rug-vormen vindt men, behalve in de op de kaart aangegeven gebieden, in de Friesche steden, op Ameland, in Midsland op Terschelling, en naast reg in verschillende plaatsen van Noordholland. In L 99, 141, 144, 145, 146, 149 zweemt de klank meer naar de eu dan naar de u. Ruk-vormen vindt men behalve in het op de kaart aangeduide gedeelte nog in L 119, 181, 191 en 210.
Ontronde vormen (reg of rig) vindt men ook in K 66, 94a, 96 en 150, op Tessel, Vlieland, Oost- en Westerschelling, Schiermonnikoog en Wieringen; bovendien regge in E 117, rigge in I 154, 185 en 208 en rig in I 215 en K 287. In Westvlaanderen komen rek en rik naast elkaar voor.
Rug behoort met enkele andere (brug, knuppel, hul (= heuvel), kruk, put, mug en stuk) tot die woorden, waarin de gedelabialiseerde umlaut van gm. u optreedt. Deze ontronding is een ingvaeoonsch verschijnsel, dat eenmaal in een breede strook langs de geheele kust van Holland, Zeeland en Vlaanderen1) optrad en er gedeeltelijk nog optreedt, zij het dan ook in een smallere strook dan voorheen. In Noord- en Zuidholland is ŭ > ĕ (reg, breg, enz.), in Zeeland en Vlaanderen is ŭ > ĭ (rik, brig, enz.).
Heeroma, die dit verschijnsel zoowel voor het (laat) mnl. als voor het nnl. onderzocht en in kaart heeft gebracht (Hollandse dialektstudies, Groningen 1935), neemt aan dat de u-vormen van het oosten (Utrecht) uit de gedelabialiseerde umlautvormen in het westen gaandeweg verdrongen hebben. Vanwege deze verdringing uit het oosten acht hij het mogelijk, dat ook het Gooi oorspronkelijk een ĕ-gebied is geweest (t.a.p., blz. 12). Sinds Van Ginneken echter in Zuidnederland ook voor het oosten delabiali- | | | |

satiegebieden heeft aangewezen, heeft deze stelling bijna al haar aannemelijkheid verloren.
Wanneer men de kaart van rug vergelijkt met die van put, door Jac. van Ginneken gepubliceerd in jg. I (1932-1933), blz. 149 van dit tijdschrift, blijkt dat de ontrondingsgebieden in Zeeland en de Zuidelijke Nederlanden voor beide woorden groote overeenkomst vertoonen. Zeeland en Westvlaanderen komen zelfs geheel overeen, met uitzondering van Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen, dat eenerzijds put heeft, maar anderzijds rik naast rugge.
| | | |
Het ontrondingsgebied in de buurt van Aalst is voor rug kleiner dan voor put. Verbindt men de kleine ontrondingsgebieden rond I 215 en K 287 met dit grootere gebied, dan wordt de overeenkomst tusschen het rig- en het pit-gebied grooter, maar bij de weinige gegevens, die we voor dit gebied bezitten, lijkt dit vooralsnog niet voldoende verantwoord.
Het oostelijk ontrondingsgebied daarentegen is voor put kleiner dan voor rug. Het ontrondingsgebied van put ligt verder verwijderd van de Maas dan dat van rug, en ook strekt het zich niet zoo ver naar het zuiden uit.
Voor Noord-Nederland zijn de verschillen tusschen de beide kaarten aanmerkelijk grooter. Het kenmerkendste verschil is wel, dat put in Friesland geen, in Noordholland alleen in het westen ontronding vertoont.
Voor de ontrondingsgebieden in Zuid-Nederland vergelijke men ook taalkaart groen (Onze Taaltuin, I, 113) en Jac. van Ginneken, Ras en Taal, 18.2)
P.J. MEERTENS. |
1)Dat dit ook voor Vlaanderen geldt blijkt duidelijk uit de in het Mnl. Wdb. opgegeven plaatsen van ric, rik, o.a. uit Maerlant, Reinaert II, Jan de Weert en het Livre des Mestiers.
2)Bij de taalkaart van aardbei (jg. IX, blz. 25 vlg.) merkt de heer L.C. Michels op, n.a.v. het aan het eind medegedeelde over het voorkomen van aardbei bij Vondel, dat hij uit dezen schrijver twee plaatsen heeft opgeteekend met aardbes: Herscheppingen 13: 1137-1138:
Aertbessen plukken in de schaduw, langs den kant
als vertaling van lat. fraga
en t.z.pl., 15: 168:
geen oogst noch aertbes waardigh
als vertaling van lat. frugum In tweede lezing heeft Vondel aertbes vervangen door koren. Deze plaats is, zooals Michels terecht opmerkt, interessant voor de weifeling van de beteekenis, die Vondel van de aertbes via aertvrucht (vgl. fruges, ‘veldvruchten’) naar het koren deed wankelen, indien we tenminste niet aan homonymie met het onmiddellijk voorafgaande arrebeit moeten denken, een element dat bij Vondels zelfcorrecties steeds een groote rol speelde. Misschien is ook aan een combinatie van beide te denken. Aldus nog altijd Michels.
Bij de taalkaart van moe ( moede) (jg. IX, blz. 59 vlg.), (waarvan door een misverstand de proef niet werd toegezonden, tengevolge waarvan het kaartje vrijwel onleesbaar is) vestigt de heer W. Dols n.a.v. het op blz. 60 meegedeelde onze aandacht op Th. Frings, Studien zur Dialektgeographie des Niederrheins zwischen Düsseldorf und Aachen (Marburg, 1913), waarin o.a. de vorm van moe in het Duitsche gebied ten Oosten van de Maas tusschen Venlo en Roermond wordt behandeld. Volgens § 43 van het bovengenoemde werk is deze vorm m∅˙y (in onze transcriptie mui). Wat den klinker betreft sluit dit gebied dus nauwer aan bij het Limburgsche meug dan bij het Brabantsch-Limburgsche muug. Wanneer men hier rekent met een secundaire verkorting en openmaking van het eerste tweeklank-element, wordt meui > mui (vgl. mee > mei, heusch > huisch in Hollandsche uitspraak). Aldus de heer Dols.
|
|