|
|
|
| |
Een als pronomen demonstrativum.
Niet lang geleden heeft Braune1) het bewijs geleverd dat ein in het Mhd. voor kan komen met de kracht van een aanwijzend voornaamwoord, in de meeste gevallen gelijkstaande met nhd. jener, somtijds evenwel met het bepalend lidwoord. Het best kan het door ons die worden vertaald.
Het is mijn doel aan te toonen, dat men dergelijk gebruik van een, zoo niet vaker, dan toch stellig in één geval ook in het Mnl. aantreft. Doch het kan nuttig zijn vooraf de herinnering aan het opstel in de Beiträge kortelijk te verlevendigen.
Dat Luther in zijne bijbelvertaling in eene Grieksche constructie als ὁ ποιμѝν ὁ ϰαλόϛ het bepalend lidwoord meer dan eens met ein heeft vertaald2), zonder dat men hem in het minst van slordigheid of onbedrevenheid mag verdenken, bracht Braune er toe dezelfde demonstratieve kracht toe te kennen
| | | | aan mhd. ein wanneer dit voorkomt in verbinding met een zaak of persoon, die geenszins voor het eerst genoemd wordt noch onbekend, mag worden geacht. Enkele voorbeelden1), die ik aan Braune's artikel ontleen, zullen dit duidelijk maken.
In den Vorauer Alexander2) leest men bijv.
Alexander begunde dô streichen
ein ros daz nie nichein man begunde weichen;
maar daar er te voren uitvoerig over ‘Bucival's’ ontembaarheid is gehandeld, lijdt het geen twijfel of de zin van dit vers is: ‘Toen begon Alexander dat ros te streelen, dat nog niemand onderstaan had te temmen.’
Zoo kan de vertaling van het 3de vers van strophe 1906 van het Nibelungenlied3) ‘mit einem scharpfen swerte daz im gap Rüedegêr’, na hetgeen in str. 1634 aangaande die schenking is verhaald, niet anders luiden dan aldus ‘met dat scherpe zwaard, dat Rüdiger hem gegeven had,’
Het zou voorts ongerijmd mogen heeten, indien men, na Braune's ontdekking, in de eerste verzen van strophen 896 en 2287, waar Siegfrieds wèlbekend zwaard Balmung ‘ein ziere wâfen breit’ en ‘ein wâfen stare genuoc’ genoemd wordt, voor ein nog iets anders dan het aanwijz. vnw. in de plaats wilde zetten4).
Dat Lachmann de kracht van ein in zoodanig verband wel is waar miskend, maar toch gevoeld heeft, blijkt, men zou haast zeggen op naïeve wijze, uit zijne vraag bij str. 1493 vers 15): ‘Warum heisst es ein bouc wenn er (der Ring) 1490 schon
| | | | versprochen war?’ Trouwens hier, gelijk op menige plaats, heeft de variant het bepalend lidwoord (den bouc).
Het is zelfs uit deze weinige voorbeelden wel reeds voldoende gebleken, dat ein, als Braune het noemt, ‘in stark hervorhebender bedeutung’ in het Mhd. gansch niet ongewoon was en zelfs in Luther's dagen nog verstaan werd. Het kost ons1) eenige moeite te begrijpen hoe het ooit verstaanbaar geweest is - ofschoon minder na Braune's verklaring2) - maar desniettegenstaande heeft ein als demonstrativum zijn bestaan tot heden weten te rekken. Te weten in uitdrukkingen als ein hohes Ministeriumn, ein löblicher Magistrat enz., waar deze als formulen dienen om zich tot een bepaald en in het vervolg wèl omschreven college te wenden3).
Het is juist deze laatste verbinding van een met een attributief bijv. nw. die ook in het Mnl. heeft bestaan, en wel eveneens als eerbiedsformule, zij het niet jegens een hoogstachtbaar college, dan toch tegenover een hooggeplaatst persoon. Mijne voorbeelden - enkele, voor de hand uit tallooze gegrepen - mogen voor zich zelven spreken.
Wi Jan - biscop tUtrecht - maken cont alle den ghenen (enz.), dat wi - enen edelen man ende onsen lieven neve, haren Florense, den grave van Hollant - ghegheven hebben ses dusent pont. (24 Jan. 1281)4).
Wi Florens grave van Hollant bekennen - dat wi enen
| | | | eedlen man, enen onsen getrouwen man, haren Jan Persin ghegheven hebben de Liere (enz.) (28 Juli 1282)1).
Enen edelen here ende enen machtighen, minen here, hare Florense, grave van Hollant! Ic Sueder van Abcoude in man ende in ridder ombiede u minen dienst (enz.) (15 April 1287)2).
Wi Floreins grave van Hollant maken cont dat wi - enen edelen man ende enen hoghen, Janne bi der gracien ons Heren hertoghe van Lotharingen - hebben ghelovet (enz.) (5 Juni 1290)3).
Allen den ghenen (enz.) - doen cunt haer Zueder van Zuelen (c.s.), dat wy geloeft hebben eenen eerzamighen heren, ende enen machtighen, haren Florense den grave van Hollant (enz.) (25 Oct. 1294)4).
Wi Florens grave van Hollant - maken cont - dat dit onse zeeghen es van - allen tuisteliken saken die ghewesen hebben - tuschen enen eersammeghen vader haren Janne - biscop van Utrecht (enz.) (25 Oct. 1294)5).
Wi Reyn, greve van Gelren - duen cont - dat wi gesekert ende ghelaeft hebben - in guden trouwen eynen erachtighen vadere in Gode, onsen lieven here den biscope van Utrecht (enz.) (30 Juni 1335)6).
Men zal mij wellicht te gemoet voeren, dat het eene persoonlijke opvatting is, wanneer ik bij het overbrengen dezer plech- | | | | tige taal het woordje een door het aanw. vnw. die wil vervangen. Ofschoon ik het reeds op zich zelf wederlegging genoeg acht, dat een middeleeuwsch Heer, in het volle gevoel zijner eigene waarde, van zijnen gelijke of meerdere toch wel niet als van ‘een zeker edel heer, een zeker eerwaardig bisschop’ zal hebben gesproken, maar ongetwijfeld ‘dien hoogen en edelen man, dien venerabelen vader in Gode’, dien hij vervolgens met name noemt, ja als zijnen heer, zijnen vader betitelt, algemeen bekend en geëerd moet hebben ondersteld, toch zal ik een krachtiger grond moeten aanvoeren. Ik doe dit door het volgende voorbeeld mede te deelen, waar - evenals bij de variae lectiones van het Nibelungenlied - het demonstratieve een door het minder krachtige bep. lidw.1) wordt vervangen:
Wy Johan - hartog van Lothrijk - doen kondt dat wy voor ooghen hebbende den dienst van den edelen man onzen lieven ghetrouwen neve Johan, here van Arkel (enz.) (4 Juli 1287)2).
Hiermede acht ik het stellig bewijs geleverd.
In het Mnl. Wb. van Verdam vindt men uit de door mij genoemde voorbeelden alleen een gedeelte der zinsnede, die ik aan No. 888 van v.d. Bergh's Oorkb. II ontleende3), en wel
| | | | onder het hoofd Een lidwoord, 3a, handelende over mnl. een in gevallen waar wij het thans niet meer gebruiken. Het komt voor in kolom 533, 534, in de onderafdeeling die aldus luidt: ‘Wanneer een znw. twee bnw. bij zich heeft wordt het eene voor, het andere achter het znw. geplaatst en het lidw. een herhaald. Indien dit bij ons geschiedt worden twee zelfstandigheden bedoeld. Het tweede een staat meestal in den onverbogen vorm.’
Wat aangaat het formeele - de herhaling van een en de onverbogen vorm van het tweede een - dit zou in de nieuwe rubriek, die ik mij vlei te hebben noodig gemaakt, geen verandering mogen ondergaan. Maar het hoofd zou anders moeten luiden. Er zou een artikel ‘Een, aanw. vnw.’ moeten komen, of althans een nieuwe onderafdeeling van ‘Een, telwoord’. Ik wil zoodanig artikel thans niet formuleeren, ofschoon dit niet moeilijk kan zijn, maar alleen opgeven, wat er - behalve het reeds genoemde - in zou moeten voorkomen.
Immers de door Verdam aangehaalde plaats uit Oorkb. II, no. 888, is de eenige niet die zou moeten verhuizen, al is een ook in het meerendeel zijner citaten eenvoudig het onbep. lidw. De uit het Lev. v. Christina en de Brab. Yeesten vermelde verzen mogen in dit opzicht twijfelachtig zijn1), over de demonstratieve kracht van een op de volgende plaats van den Spiegel Hist. is geen verschil mogelijk:
Sp. H. IVI, 28, 35. Te Bellijn so sijn begraven,
Eerlike, met grotre haven
Van Geneven die goede Olivier,
Een stout ridder ende een fier, (enz.)
| | | |
Het is toch ongerijmd te onderstellen dat hier van eene figuur als Olivier als van eenen tot nog toe onbekenden wordt gesproken. Dus is een te dezer plaatse evenzoo gebruikt als in het boven aangehaalde Balmunc, ein ziere wâfen breit; een gebruik dat óók ten opzichte van personen met tal van voorbeelden uit het Nibelungenlied is te staven1).
Dezelfde aanwijzende kracht wil ik voorts toeschrijven aan het thans ongebruikelijke een bij de namen van maanden, vooral bij Mei, waarover Verdam in de genoemde afdeeling (Een lidw. 3 a)2) het eerst handelt. De plaatsen daar geciteerd luiden aldus:
Limb. I. 79. In enen meye dat saet ende gras
Scone stont ende groene was,
Was vroech die hertoghe opghestaen.
Rijmb. 11324. In enen meye, dats waer,
Begonste Salomon met eren,
Te werkene den tempel ons Heren.
Troyen 8025. Te Troyen voer die goede stat
Van Amasonia in enen meye.
en mijn eenige bewijsgronden zijn de opmerkingen die Verdam daaraan toevoegt. Te weten: dat April in het Mnl. gewoonlijk met het bep. lidw. voorkomt; dat men Sp. H. I4, 44, 3 in den meye leest; en ten laatste, dat wij nog heden spreken van het was in den Mei. Reeds het bep. lidw. bij April zou voldoende zijn om het vermoeden te wettigen dat een bij Mei evenzeer, maar nog sterker, demonstratief is3).
| | | |
Ook in de mhd. uitdrukkingen ze einem trûte, ze einem herren hân; ze einem man, zeiner vrouwe nemen, waarmede toch niets onbepaalds wordt bedoeld (vgl. slechts nhd. zum manne, zur frau nehmen), wil Braune1) aanwijzende kracht aan ein toekennen. In hoeverre dit nu ook toepasselijk is op het in den Statenbijbel (O.T.) zoo vaak terugkeerende ‘(zich iemand) tot een vrouwe nemen’ kan alleen bij vergelijking met den Hebreeuwschen tekst blijken. Ook zou het slechts dáár kunnen gelden waar - zoo al niet van de eenige - dan toch van de huis-vrouw sprake is; en niet zelden wordt het van bijwijven en dienstmaagden gebruikt2).
In één opzicht vergist zich, naar mijn inzien, de schrijver over Ein als Demonstrativpronomen. Hierin namelijk, dat hij in uitdrukkingen als er ist ein Lessing, ein Goethe, ein Alexander, een overblijfsel van het oudduitsche gebruik van ein wil onderstellen3), en den oorsprong dier wendingen gelegen acht in ein Lessing = ‘jener bekannte, berühmte Lessing.’ Het is immers blijkbaar, dat hier twee gevallen zijn, die te zeer verschillen om één in oorsprong te kunnen zijn. Niemand zal zeker ontkennen dat in zinnen als ‘das kann ein Lessing nicht geschrieben, ein Goethe nicht gedichtet haben’, ein volkomen gelijk staat met lat. ille (‘Cicero ille’) en dus pron. demonstr. is4). Maar toch evenmin dat een onbep. lidw. is in ‘hij is een Cicero, een
| | | |
Alexander’, en geheel denzelfden dienst doet als de in ‘hij is de Cicero onzer eeuw’, waar de vergelijking (of gelijkstelling) den eigennaam tot soortnaam stempelt. Want Cicero wil nu niet anders meer dan groot redenaar, Alexander dan machtig veroveraar zeggen1). Doch al mist Braune door ‘te veel’ te willen bewijzen het doel in een onderdeel, aan hetgeen hij verder betoogt schaadt dit ‘te veel’ niet het minst.
Mocht ik er in geslaagd zijn aan zijne bewijsvoering het rechte te hebben ontleend om hetgeen ik voor de waarheid houd te staven.
Leiden, Augustus 1886.
a. beets.
|
1)Braune, Mhd. Ein als Demonstrativpronomen, in Beiträge von Paul und Braune, XI, 518 - 527.
2)Vgl. Joh. 10, 11: ὁ ποιμϞ̀ν ὁ ϰαλόϛ ‘ein guter hirte’; Joh. 15, 1: Ϟ́ ἂμπελοϛ Ϟ́ ἀλϞδινϞ́ ‘ein rechter weinstock’; Joh, 1, 21: ὁ ϰροϕϞ́τϞϛ εĩ σύ ‘bist du ein prophet?’ Zie Braune, t.a. pl. p. 520.
1)B r. behandelt in zijn opstel 34 plaatsen uit het Mhd.
2)Diemer 192, 2 of Kinzel 315,
3)Naar. Lachmann's telling.
4)Braune, p. 526: An beiden stellen hebt ein den Balmunc als ‘jenes be kannte’ schwert hervor, welches schon früher öfter erwähnt ist.
5)Vgl. Braune, t.a. pl. p. 525. Ziehier de verzen: 1490 3: sô gip ich dir ze miete von golde ein bouc vil rôt, en 1493 1: vil hôch an sînem swerte er im ein bouc dô bôl.
1)Unserem jetzigen sprachgefühle bleibt freilich diese sprachliche feinheit - verschlossen, Braune, t.a. pl. p. 520.
2)Braune t.a. pl. p. 518, wijst er op, dat men hier wel met ein als telwoord zal te doen hebben: in de bet. eenig ( in zijn soort) kan dit zijn gaan dienen tot aanwijzing van een bepaald iemand of iets, in dier voege dat mhd. ein man achtereenvolgens de beteekenissen ‘die ééne, die bepaalde man ( jener mann); die man, de man’ kreeg.
3)Braune, t.a. pl. p. 519; Grimm, Deu. Wb. 3, 133.
4)V.d. Bergh, Oorkb. II, 174 a; n o. 414.
1)Ald. II, 203 a; n o. 461.
2)Ald. II, 266 a; n o. 605.
3)Ald. II, 313 a; n o. 717.
4)Ald. II, 407 a; n o. 888.
5)Ald. II, 407 a; n o. 889.
6)Orig. in het archief van den Dom, Prov. Archief te Utrecht.
1)Immers is de opmerking van Braune, t.a. pl. p. 527, ook hier wel van toepassing, dat, waar men het demonstratieve een door het bep. lidw. vertaalt, ‘(letzterem) aber das mhd. ein noch um einen stärkegrad voraus ist.’
2)V.d B., Oorkb. II, 269 a; n o 613. - Het is hier de plaats om te herinneren aan de overeenkomstige formule der F ransche oorkonden, die wel niet rechtstreeks kracht van bewijs heeft, maar waar het ontbreken van het lidwoord mijne redeneering toch eerder steunt dan afbreckt. Zie hier twee voorbeelden: Nous Florans cuens de Hollande faisons savoir à tous (etc.) que comme content et discors fuist meus entre haut homme et noble, no chier signeur Guyon comte de Flandres (etc.), ( Mei 1290), V.d.B. Oorkb. II, 312 a; n o. 714. - Nous Walerans, sires de Mongnoye (etc.) faisons savoir à tous ke comme treshaus sires et puissans, li roy de France (etc), Heelu, ed. Willems, p. 511, 512. De Latijnsche vorm - bijv. Noveritis quod nos venerabili viro domino episcopo Traiectensi dilecto consanguineo nostro promisimus (etc.) ( Oorkb. II, 244 a) - doet niet ter zake.
3)Vgl. p. 17 noot 4. Bij Verdam, Mnl. Wb. 2, 534.
1)Het valt nml. moeilijk te beslissen of men dezelfde eerbiedsformule óók aantreft Christ. 33-35: Omdat, Mi al te ernstelike bat, Een eersam ionfrou ende een vroede Een geesteleke ende een goede Van Hoye, so heet si, ionfrou Femine. Ik acht het hier onwaarschijnlijk, en nog meer Brab. Y. 6, 8184 en '85: Heere her Jan van den Velde, Een vroem ridder ende een coen; gelijk ook Heelu 6938: Een riddere, her Helmich van den Damme. Immers, al die personen worden voor het eerst genoemd en niet als bekend ondersteld.
1)Vgl. noot 4 p. 15 en Braune t.a. pl., p. 526: Uote, ein edel wíp; Kriemhilde, ein küneginne hér. Dus ook hier luidt de vertaling: Olivier, die ridder stout en fier. Braune acht dit ein ‘in appositionellen anfügungen an namen bekannter und schon in gedichte vielfach genannter persönlichkeiten’ van dezelfde ‘hervorhebende kraft.’
3)Vgl. noot 1 p. 18. - Sp. H. I 4, 44, vs. 3 leest men in Julius, vs. 5 in den Oest (Augustus). - Ook in het Mhd. (bijv. Gudrun 1571 vs. 3) sprak men van in einem meie voor: in den Mei; maar of mhd. ëz, ist ein winter nu ook zooveel beteekent als: het is de winter (= de wintertijd; het is winter), waag ik niet te beslissen. Vgl. Grimm, Deutsch Wb. 3, 130.
2)Zie Trommius op: Vrouw.
3)Braune, t.a. pl., p. 518,: 519 ‘Höchstens könnte in - ein Lessing - noch ein abkömmling des altdeu gebrauchs vorhanden sein.’ - In de noot is Br. echter veel stelliger en acht hij de zaak blijkbaar zoo goed als bewezen.
4)Vgl. voorts: een Plato verkondigde reeds die leer (d.i. die Plato, dien ieder kent); mannen als een Paulus, een Petrus; les saints docteurs, un saint Justin, un saint Clément (‘als daar zijn, de bekende’). Vgl. Littré, Dict. 2388 3, 13 o: Un - dans un sens simplement emphatique pour relever le nom du personnage.
1)Vgl. Brill, Nedl. Spraakleer, 4e dr. I, 255, 256; Littré, Dict. 2388 3, sub 13: ‘ Un - devant un nom propre pour exprimer une assimilation avec le personnage qu'on nomme.’ Zijn: ‘ Un - devant un nom propre, pour ôter à ce nom propre son sens particulier et en faire une sorte de nom général’ verschilt eigenlijk van de vorige rubriek niet. Paul, Principien, 2e dr. p. 80, vult de groep: ‘hij is een Cicero’ te recht aan met vergelijkingen als ( hij is een) Wandaal, Kannibaal, en voorts met eigennamen als ( een) Stoffel, Piet, Bram, Lammert, Jan Hen, Trijntje: anecdotische personen, aan wie ieder zekere eigenschap, ondeugd of hebbelijkheid toekent. Ik voeg er nog de - eenigszins verschillende - uitdrukkingen bij: een stijve Klaas, een heele Piet, een kwade Pier; van een brave Hendrik kan de oorsprong zelfs nog worden nagegaan.
|
|