Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 7. E.J. Brill, Leiden 1887  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Bladvulling.

In De Taalgids van 1859 wordt door Prof. De Vries medegedeeld, dat het woord slabbakken niet altijd met den klemtoon op de tweede lettergreep wordt uitgesproken: er bestaat ook eene uitspraak sláppakken, welke terstond doet denken aan eene samenstellende afleiding van slap met hak: sláphakken is met slappe hakken loopen, strompelen, sukkelen.

Doch al is de afleiding van sláppakken hiermede in het licht gesteld, het blijft mogelijk, dat juist deze uitspraak in de volksetymologie haren oorsprong heeft, of anders gezegd: het blijft mogelijk, dat slabbákken of slappákken overging tot sláppakken, doordat men slap en hak in het woord meende terug te vinden.

In Zuid-Nederland was slabbakken reeds vroeg bekend: Kiliaan en Plantijn vermelden het. Het woord hak in den zin van hiel behoorde echter niet tot de taal van Kiliaan, zooals

[p. 320]

uit de bijvoeging Sax. Fris. Sicamb. in zijn Etymologicum kan blijken. En er zijn nog andere gegevens, die aan eene samenstelling met hak doen twijfelen. Indien slabbakken eigenlijk beteekende strompelend, sukkelend loopen, dan zou men mogen verwachten, dat het in de oudere taal bij voorkeur in dien zin werd gebezigd, maar dit is niet het geval. Kiliaan vertaalt het met labascere, languescere, deficere, laxari; Plantijn zegt: commencer à fleschir et faillir, en geeft als voorbeeld de neringe slabackt. In de vertaling van Guicciardini's werk over de Nederlanden wordt (bl. 13a) gesproken van rivieren, die geen sterken stroom hebben en dientengevolge, zoodra zij in zee vloeien, ‘haestelijc haren loop laten slabacken’: zij stroomen niet krachtig door, maar vermengen zich aldra met het zeewater. Nog heden is slabbakken in Vlaanderen slap worden, aan kracht verliezen, en wordt b.v. gezegd van wind en vorst. Op personen toegepast, is het nagenoeg hetzelfde als zwak zijn of verzwakken; zoo bij Marnix, Ps. 38, 8:

 
Ick gevoel dat ick slabacke,
 
End verswacke.

Het Noordnederlandsch taalgebruik van dezen tijd verschilt inderdaad niet veel van het oudere. Slabbakken is gewoonlijk: treuzelen, slap en traag zijn werk doen. Het is niet te verwonderen, dat die zonderlinge vorm de aandacht trok, en dat het volk zelf hem trachtte te verklaren. Slabbakken of slappakken herinnerde aan niets zóózeer als aan slap en hak, en daarmede kwam men onwillekeurig van slappákken tot sláppakken. Is dit de loop der geschiedenis, dan moet de afleiding van bet oudere slabbákken nog worden vastgesteld. De Bo handelt er over in zijn Idioticon (1026), doch ik acht mij nu niet in staat zijne meening met juistheid te waardeeren.

a.k.