Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13. E.J. Brill, Leiden 1894  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 161]

Dietsche verscheidenheden.

CVII. Solen.

Een werkwoord van dezen vorm treffen wij aan in de 30ste strophe van den Rinclus, waarvan voor eenige maanden eene afzonderlijke uitgave verschenen is van de hand van den Heer P. Leendertz. Wij behoeven ons nu niet meer te behelpen met den gebrekkigen afdruk van het gedicht, naar het thans op de Gentsche Universiteits-Bibliotheek berustende handschrift bezorgd door C.P. Serrure, in het derde deel van zijn Vaderlandsch Museum. Allerlei zinstorende fouten en verkeerd geplaatste leesteekens, waardoor de toch reeds niet overal heldere tekst hier en daar nog duisterder werd gemaakt, zijn daaruit weggenomen, en op verschillende plaatsen zijn verbeteringen aangebracht, aan andere goede verklaringen toegevoegd. Doch het spreekt vanzelf, dat niet alles goed is verklaard en verbeterd: ook thans is er nog het een en ander te doen overgebleven. Bij eene andere gelegenheid geef ik wellicht als aanvulling en, waar het noodig is, verbetering van het bovengenoemde academische proefschrift eene bijdrage tot de kritiek van den Rinclus; thans bepaal ik mij tot de plaats, waarin het bovengenoemde werkwoord voorkomt, dat tot heden in het Mnl. niet of nauwelijks werd opgemerkt. De passage luidt aldus (vs. 340 vlgg., er wordt gesproken van de martelaars der kerk):

340
Meesters warent van goeder scolen:
 
Hare woort, hare daet, hoe sijt bequolen,
 
Verlichten die heilege kerke.
 
Alse wise tonge slaet in dolen,
 
Doet hare woorde met logene solen,
345
Elc volc begertse in den werke,
 
Dat brinct menege siele in swerke.
 
Woorde sonder daet, wt leecken, wt clerke,
[p. 162]
 
Dienen gelijc den scoen sonder solen,
 
Want si staen buten hantgemerke.

In deze woorden, waarvan de hoofdgedachte duidelijk is, zijn door Leendertz vier veranderingen voorgeslagen. Hij wil voor doet en solen lezen dat en scolen, en in vs. 345 alt en begectse voor elc en begertse. Met deze veranderingen kan ik mij, behalve met de derde, niet vereenigen, doch ik zal de laatste wezen om aan Leendertz het hanteeren van het critische mes euvel te duiden: de gedachte aan verschillende onnoodige veranderingen, in hetzelfde gedicht aaugebracht, behalve door mij zelven, ook door De Vries en Verwijs, stemt tot zachtheid jegens anderen, die nog niet de gelegenheid hebben gehad om door eene op rijperen leeftijd gevolgde toetsing van vroegere meeningen en uitspraken, tot een helderder en juister inzicht te komen en zich van het onnoodige der zoogenaamde verbeteringen te overtuigen. Ik houd mij verzekerd, dat ik bij Leendertz ten opzichte van deze plaats daarin zal slagen: zij luidt in de voortreffelijke uitgave van het ofra. gedicht, bewerkt door Prof. A.G. van Hamel, aldus (Strophe 28):

 
Maistre furent de bone escole:
 
De lor fait et de lor parole
 
Sainte eglise fu escolée,
 
Car sage langue o vie fole
 
Soi desment et autrui afole:
 
Par chou est mainte ame afolée.
 
Dist sans fait ch'est flours desfolée,
 
Dist sans fait ch'est faus demolée.

De toelichting der voorgestelde veranderingen is bij Leendertz (bl. 65) vervat in de volgende woorden: ‘Versta vs. 343-345 als volgt: Wanneer hij, die wijze zedelessen ten beste geeft, op verkeerde wegen wandelt, zoodat het door hem gesprokene gepaard gaat met logen (d.i. onder zijne woorden ook zoodanige voorkomen die hij niet kan gemeend hebben), dan fopt hij (de zedeprediker) alle lieden in zooverre 't zijne

[p. 163]

daden betreft (d.i. maakt dat ze niet meer weten, waaraan zich te houden)’. Het komt mij voor, dat deze paraphrase der woorden de verandering van solen in scolen volstrekt niet rechtvaardigt, en waar zijn de bewijzen, dat scolen met de beteekenis heeft gehad van gepaard gaan met, welke dan waarschijnlijk uit die van school gaan met zou zijn voortgevloeid? Het zou den Heer L., naar ik meen, moeilijk gevallen zijn deze beteekenis te bewijzen, en dit zou toch wel noodig geweest zijn om te overtuigen. Volgens mijne opvatting der regels behoeft het woord solen niet veranderd te worden. Ten einde ze recht verstaanbaar te maken, moeten vs. 346 en 345 van plaats verwisselen; alsdan beteekenen zij het volgende: ‘Wanneer eene verstandige tong den verkeerden weg opgaat, d.i. de door haar gesproken woorden laat bezoedelen of vuil worden door leugens, d.i. door slechte daden die niet bij de goede woorden passen, dan wordt menig gemoed daardoor gebracht in een toestand dat het niet meer weet waaraan zich te houden; neen, iedereen verlangt die goede woorden zich te zien paren aan soortgelijke werken.’ Het eenige wat ik bij deze opvatting behoef te bewijzen, is de beteekenis van solen, en dit bewijs te leveren zal mij niet moeilijk vallen.

In verschillende germ. dialecten vinden wij een ww. van dezen of een zeer dicht daarbij staanden vorm met de transitieve opvatting bezoedelen of vuil maken en de intransitieve vuil worden, bezoedeld worden. Vgl. ags. sŷlian, polluere (Grein 2, 517); besylian, inquinare (1, 95); solian, inquinari, pollui (2, 465). Ohd. bisulian, polluere (Graff 6, 186); solôn inquinare (t.a.p.). Mhd. süln, suln, soln (Lexer 2, 1293), soligen, solgen (t.a.p. 1053; vgl. ohd. solagôn). Onr. söla (Graff t.a.p.). Mnd. solen, in schmutz und koth umwälzen, schmutzig machen, besudeln (Lübben 4, 287). Zwe. söla; de. söle, inquinare (Diefenb. Vgl. Wtb. 2, 195). Got. bisauljan, bevlekken; bisaulnan, bevlekt worden (t.a.p.). Hd. dial. sich sühlen, sich im kothe wälzen, sich besudeln (Weigand 2, 857). Ndd. sölen, im koth wühlen od. rühren, schmutzich machen,

[p. 164]

beschmutzen, sudeln, schmieren, unreinlich und unordentlich arbeiten; de swinen of kinders sölen in den drek herum; he söld 't al ful, wär he man bi kamen kan’; he hed suk besöld’ (Koolman 3, 256). Kil. soluwen, seulewen, Fland. maculare; oeng. solien naast solwin, solowin (Strattmann 453)1), daarnaast het ndd. bnw. sölig, smerig, vuil: ‘sölige handen, kleêr; 't sügt dâr in hûs all' so sölig ût’ (Koolman t.a.p.). Ook in het Noord-Hollandsch dialect bestaat dit bnw. zeulig, in de bet. van smeu, van spijzen gezegd, en dus een synon. van het in ndl. tongvallen in denzelfden zin voorkomende smerig (gezegd b.v. van rijstenbrij).

En dat ook in mnl. tongvallen het woord niet onbekend is geweest, blijkt uit Teuth. 247: soelen (d.i. blijkens de alphabetische plaats solen), bevlecken, luncken, en 161 op luncken, smetten, subben, vlecken, soelen, besmodden, becladden, ontreynen, maculare, deturpare, sordidare, inquinare, polluere e.a. Zeer gewoon zal het woord in het Mnl. wel niet geweest zijn, doch dit is ook niet noodig; de dichter van den Rinclus kan zich zeer goed in en om het rijm van een minder gewoon woord hebben bediend: het zou niet moeilijk vallen een lijstje van merkwaardige woorden bijeen te brengen, die ons alleen uit het rijm bekend en dus ten gevolge daarvan voor ons bewaard zijn. Voor ditmaal noem ik alleen vigen, d.i. zich wegpakken, aan den haal gaan, dat ons insgelijks alleen uit ééne plaats (Rein. II, 3150) en uit den Teuth. (290: vyghen, vycken, hynlopen2) bekend is. En dat het woord werkelijk ook in Nederland, al is het dan in eene geheel andere beteekenis, is in gebruik geweest, blijkt uit eene plaats uit de Rek. d. Gr. 2, 69, waar wij lezen: ‘om die Delf scoon te maken, die Cas-

[p. 165]

tanghe, die Ga-lichtvoetsvaert, die niewe sluyse in Mazeland te zolen’. Het woord kan in dezen samenhang wel niet anders beteekenen dan het voorafgaande schoon maken. Hoe vreemd het ook klinke, wanneer men het woord opvat in de bet. der privatieve ww., kan het zeer goed in het holl. dialect de bet. hebben gehad van schoon maken, terwijl een andere tongval het kende in den zin van bevlekken, bezoedelen. Een overtuigend bewijs geeft ons het ww. kruiden, dat in verschillende dialecten de bet. heeft van van kruiden voorzien, met kruiden bereiden, terwijl het in sommige daarvan (mhd. krûten; hd. krauten) ook dezelfde bet. had als het hedendaagsche wvla. kruiden, kruien, nl. wieden (De Bo 582). Vgl. ook in het Mnl. Wdb. de verschillende opvattingen van herten, hoveden en coppen, waarvan eveneens de eene privatief is.

Doch, zal deze opvatting juist zijn, dan moet het ww. solen kunnen worden verklaard als een denominatief. En dat dit werkelijk mogelijk is, leert ons de vergelijking der verwante talen. In verscheidene daarvan komt een znw. voor, waarvan solen in den zin van schoon maken, bepaaldelijk van slijk, drek en modder reinigen, uitbaggeren, rechtstreeks kan zijn afgeleid. Het luidt in het Ags. sol, volutabrum (modderplas, mesthoop o a. die waarin de zwijnen zich rondwentelen); in het Mhd. sol, söl, o. en m., en waarschijnlijk ook sole, vr., ‘kotlache, worin sich das wild zu wälzen pflegt’; in het Mnd. sol (zol) ‘ein stehendes wasser in vertiefungen auf kornfeldern; stehendes schlammiges wasser, pfütze, sumpf’ (zie de plaatsen bij Lübben 4, 286); in het Ohd. sol, gasol (volutabrum); in het Hd. sol, sole (Graff 6, 186; vgl. ook suhllache, poel of plas waar zich het wild ophoudt; ‘sumpf in welchem sich rothund schwarzwild abkühlt’ (Weigand 2, 729 op sohle (sole)). Vgl. ook Weigand 2, 857 op suhle (sule); waar ook hd. dial. (beiersch) ‘sich solen, sich zur abkühlung in einer lache wälzen’ vermeld wordt. In het Ndd. komt eveneens sol voor in soortgelijke beteekenissen (Lübben 5, 255). Ook in het Mnl. is op twee plaatsen dit merkwaardige woord bewaard; de eerste

[p. 166]

vindt men Sacr. 1036, waar in een gesprek tusschen twee duivels de een den ander vraagt: ‘Ligdy noch in uwen sol’, d.i. drek, mesthoop, vuil nest, of, gelijk Verwijs in het Gloss. verklaart, poel. De andere uit den Reinaert noem ik straks, omdat de beteekenis daar beter past, evenals het bij Kil. genoemde seule. Genoeg om te doen zien, dat wij alle recht hebben om in het bovengenoemde solen in de bet. uitbaggeren een denominatief te zien, afgeleid van sol of liever van sole, dat dus in ndl. tongvallen de beteekenis drek, slijk, modder moet hebben gehad: deze opvatting is in den grond dezelfde als die van ohd. en ags. sol, doch alleen iets ruimer.

Er rest mij nog aan te toonen, of liever er op te wijzen, dat het ndl. zeulen naar alle waarschijnlijkheid niets anders is dan het mnl. solen, doch gebruikt in eene gewijzigde, ook buiten onze taal te vinden, opvatting. Vooral van belang is voor dit betoog hetgeen wij leeren uit het Mnd., waarop door Franck in zijn Etym. Wdb. op zeulen ook reeds de aandacht is gevestigd. Bij Lübben wordt als tweede beteekenis van solen genoemd ‘schmutzige arbeit verrichten, sichs sauer werden lassen; ‘se hacken, se raden, se solen unde worgen; dat wi mit kummer... unse dachlike brodt darvan hebben, sweten, sölen, slepen, uns gremen unde plagen bet an de grove; unde ock alse andere starke frouwen nu nicht mehr so schwar unde so vele arbeiden..., noch so rönnen unde slopen, sölen unde schlepen können alse vorhen in erer jöget’. In het Oostfri. bestaat sölen, ook seueln, in den zin van ‘mühsam und schwer arbeiten, schleppen, ziehen; sich schleppen, oder hinschleppen, hinziehen; “man kan sük hâst dôd sölen un kumd doch to niks; se sölen dat net an de strand langs; mit 't net sölen; enz.” Eene soortgelijke beteekenis heeft zeulen nog heden; vgl. Van Dale 1707: zeulen (trans.), met kracht medesleepen, voorttrekken; (intr.) visschen met een door een paard getrokken net; (fig.) sukkelen’; Weiland 6, 358 op zeulen, met kracht voortslepen (trans.); met een net dat door een paard voortgetrokken wordt, visschen’. In de zuidnederl. tongvallen

[p. 167]

wordt zolen gebruikt niet van een net, maar van den ploeg. Zie De Bo 1439 op zolen: ‘met de zole het land omploegen, eeren; eenen akker zolen: het gezoolde land bezaaien of beplanten’, en ald. zole, zeule, zware wielploeg of kegge om het land te eeren, ook eerploeg genaamd, eng. dial. sule; de zole wordt met twee peerden voortgetrokken.’ Ook wordt aldaar vermeld de allitereerende uitdr. zeule en zaad, de onkosten van het mesten, ploegen, zaaien of planten van eenen akker, waarnaast ook veure en zaad bekend is. Voor het Mnl. wordt het bestaan van dit woord bewezen door de samenstelling soolhovet (zoolhoift), welke men leest Rek. v. Zeel. 1, 243: ‘Omme een zoolhoift an die ploech, omme zoolhoiftplaten, eene cramme, een langwaghen, 2 ponderbome, ronghen, zwinghen, corten ende omme eenen ploechvoet,’ en 244: ‘omme waghenplaten, zoolhoiftplaten ende riesterplaten, 6 d. gr.’; omme riesters, ploechbalken ende een zoolhoift, 12 d.’ Indien deze ‘zolen’ van hout waren, hetgeen zeer waarschijnlijk is, ook om de samenvoeging met ‘ploechbalken’, dan kan het, Publ. Limb. 22, 302, naast corfhout voorkomende soolhout worden verklaard als ‘hout om ploegzolen van te maken’.

Indien zolen (zeulen) in dezen zin één in oorsprong is met het boven behandelde, hetgeen o.a. door Lübben en Koolman aangenomen wordt, dan moet de beteekenis vuilen arbeid verrichten zich hebben gewijzigd tot die van moeilijk werk verrichten. Dit is op zichzelf niet onwaarschijnlijk, en wordt dit nog minder, wanneer men nagaat, dat zeulen gezegd wordt vooral van een net, dat men sleept door het water of van eene soort van ploeg, die gesleept wordt door of over kleigrond en dgl. En zou ook niet het bij Kil. (en Schuermans 609) genoemde ‘seule j. suyle, Fland. Occident. j. eemer, situla,’ wijzen op eene soortgelijke oorspronkelijke opvatting, nl. een voorwerp, waarmede vervoerd wordt eene vloeistof, waarmede men licht morst of stort’? Wat de zaak moeilijk maakt te beoordeelen, is het feit, dat zeulen in verschillende tongvallen als seulen wordt uitgesproken, en dat daarnaast ook suilen bestaat.

[p. 168]

Vgl. het Wdb. van Halma, waar van seulen verwezen wordt naar suilen, en dit laatste verklaard wordt als ‘met een net, dat door een paard voortgetrokken wordt, tusschen de banken visschen’. Dezelfde verklaring vindt men bij Marin 811 op seulen of suilen. En voor ons intr. heenslepen, heensleuren vindt men bij Halma 618: ‘dat moet zoo wat heen suilen’; bij Marin ‘heen seulen, heen sloeren’. Schuermans 894 vermeldt zuilen in den zin van sluimeren, indommelen, indutten en in dien van trillen of dommelen, van eene klok na het slaan of luiden, dus naklinken of suizen (vgl. ndl. dommelen, slaperig zijn, en soezen, met dezelfde bet.). Vercoullie verwijst van zeulen naar seulen en van dit laatste naar suilen, dat hij verklaart voor een denom. van het boven behandelde ohd. ags. sol. Vgl. Van Dale op suilen ‘lanterfanten, beuzelen, leuteren; met een sleepnet visschen’. Franck daarentegen geeft op zeulen de voorkeur aan verwantschap ‘met vla. zole, zeule, zware wielploeg, dat met ags. sulh, dial. eng. sule, sull, sullow overeenkomt, en met lat. sulcus, vore, wel op een idg. selk, trekken, wijst en wellicht door gri. ἕλκειν, trekken, sleepen, bevestigd wordt.’ Deze etymologie heeft veel voor zich. Doch indien er dus twee verschillende woorden solen hebben bestaan, het eene in de bet. bezoedelen, bevuilen, het andere in die van sleepen, sleuren, dan hebben zij toch ongetwijfeld invloed op elkander gehad: de hierdoor ontstane verwarring werd nog vermeerderd doordat zich met deze ww. vermengde een derde, nl. seulen of suilen (vgl. ndl. sullen, glijden, en ndl. dial. seulen = sullen), waarvan de beginletter op een anderen oorsprong wijst. Vgl. ndl. sul = sukkelaar, sukkel, en de bet. van zeulen = sukkelen. Ook sollen met iemand kan met deze woorden één in oorsprong zijn; vgl. eng. sowle en sole in denzelfden zin (Stormonth 964). Men ziet hoe moeilijk het is, in dezen doolhof van vormen het rechte spoor te vinden en hoeveel vrees er is voor verdwalen. Ik wil mij dan ook niet dieper er in wagen, maar vat mijne meening over den oorsprong van zeulen aldus samen: het is òf verwant met dial. eng. sull (voor sulh) en

[p. 169]

lat. sulcus, en heeft in dit geval niets te maken met germ. solen, d.i. bezoedelen; òf het is identisch met solen, zich vuil maken, vuil werk doen, en heeft zijne beteekenis tot die van ‘moeilijk werk doen’ gewijzigd onder den invloed van een bijna gelijkluidend seulen of suilen, dat hoogstwaarschijnlijk een anderen oorsprong heeft.

Dat solen in de bet. moeilijk werk verrichten ook in het Mnl. moet zijn bekend geweest, blijkt uit eene plaats van Rein. II, 7660. De plaats, waar het woord, dat dit bewijst, in voorkomt, luidt aldus:

 
Ist gheestelic of weerlijc staet,
 
Aen Reinaert sluut nu al den raet:
 
Si crupen al in Reinaerts hol:
 
In sijn baen is al die rol.

In plaats van het laatste woord uit den tekst heeft het hs. sol; zie de var. aan den voet der bl. en Willems, Rein. bl. 282. De verandering door Willems, en op zijn voorgang, door Martin gemaakt, is willekeurig en wordt niet gerechtvaardigd door de aanhaling van Martin uit Kil. ‘rol, rota’, als ware de spreekwijze eigenlijk ‘op zijn weg komen allen rijden’, noch door Willems' verklaring: ‘in zyn rolbaen wil elk spelen’. Als wij ook hier eens weder tot de lezing van het hs. terugkeerden en begonnen met te trachten sol te verklaren? Mij dunkt, eene goede verklaring te vinden zal niet moeilijk zijn; na de boven voorgedragen uiteenzetting der beteekenissen van solen mogen wij gerust hier sol opvatten in de bet. moeilijk werk, zwaar werk, hetzij dat wij het opvatten als sol (zol) van solen (d.i. zolen, zeulen), hetzij wij het uitspreken als sol en in verband brengen met solen (d.i. seulen) of, wat wellicht nog beter is, met sollen in den zin van sleepen, sleuren De verklaring van den regel uit Rein. is dan deze ‘aan zijn baan of heerweg wordt alle mogelijke moeite en inspanning besteed, ieder beijvert zich om zijn pad te banen en te effenen’; mij dunkt, zij behoeft voor de door Willems en Martin gegevene in dui-

[p. 170]

delijkheid en waarschijnlijkheid niet onder te doen. Vergelijking met de proza-bewerking baat hier niet: de overeenkomstige plaats luidt daar: ‘si crupen alle nae sinen wech ende nae sinen hole’.

Ten slotte de beantwoording eener vraag, die wellicht bij dezen of genen is opgekomen, nl. die aangaande de verhouding der genoemde germaansche vormen, b.v. fr. souiller; eng. to soil, prov. soalhar. Diefenb. houdt de identiteit der beide woordgroepen voor waarschijnlijk, Weigand ontkent haar. Het raadzaamst zal zijn bij het gevoelen van Diez te blijven, die de mogelijkheid der ontleening erkent, doch haar als onnoodig verwerpt, dewijl de rom. woorden voldoende als inheemsch zijn te verklaren. Op souil (souille), Rom. Wtb. 2, 430, zegt hij: ‘Prov. sulha ist nebst sulhon offenbar von sucula, schwein; fr. souil kann logisch nicht von suculus, wohl aber vom adj. suillus herrühren, so dass es ursprünglich “etwas dem schweine angehöriges” bedeutete; hieraus denn auch das vb. souiller eigentlich “schweinisch machen”, welches also der herleitung aus einem fremden elemente (got. bisauljan oder hd. sudeln) nicht nothwendig bedarf’. Zie ook E. Müller 2, 425 vlg. en de daar aangehaalde taalgeleerden. Dit alleen moet in mindering der waarschijnlijkheid van Diez' voorstelling worden gebracht, dat het door hem genoemde sucula niet bewezen is. Duc. geeft slechts suculus in de bet. kalf (vitulus). Of voor het Indg. misschien de romaansche en germaansche woordgroepen verwant zijn, durf ik niet beslissen: dit is zeker, dat zoowel bij de eene als bij de andere de voorstelling van het zwijn en zijne smerigheid op den voorgrond staat. Vgl. nog onl. ‘solag tuht, seine schmutzige zucht, d.i. alles was er an schweinen gezogen hat’ (Heine, Kl. Altndd. Denkm. bl. 177).

CVIII. Iveren.

Ieder nieuw bewijs voor het bestaan van deze woordfamilie, waarover het volle licht nog niet is opgegaan in de verschil-

[p. 171]

lende germ. talen, moet ons welkom zijn, en dit te eer daar de overblijfselen of sporen er van slechts in enkele daarvan zijn gevonden. Vgl. Kluge op eifer: ‘aus spät mhd. îfer (îfern, n.), “eifer, eifersucht”: ein auffällig spät auftretendes wort, (15 Jahrh.), dessen vorgeschichte ganz dunkel ist; es drang aus dem Oberd. - im anschlusz an Luthers Bibelübersetzung - ins Ndd., Ndl. Dän.’ In hoofdzaak vinden wij deze voorstelling terug bij Franck 394 op ijver. En als men het Mnl. Wdb. raadpleegt en men vindt daar noch iver noch iveren vermeld, dan zal men de meening van Kluge zeker niet gaan wantrouwen. Doch als men bij Kil. vindt ‘ijver, eyver, zelus, aemulatio; ijveren, zelari, aemulari; ijverer, zelotes, zelator, zelotypus, aemulus; ijverigh, zelotypus et fervens animo, ijveringhe, zelotypia, zelus’1), begint men te wankelen in zijn geloof aan Kluge's bepaling van den ouderdom van het woord voor het Ndl. Ik kan thans een voorbeeld van iveren uit het Mnl. bijbrengen, en daardoor de quaestie beslissen: het woord moge door de Staten-bijbelvertaling2) meer in gebruik gekomen zijn, het was reeds eeuwen in onze taal aanwezig. En uit het ww. kan zeer goed op ons taalgebied zich onafhankelijk van het Hd. het znw. ijver hebben ontwikkeld. Het bedoelde voorbeeld is te vinden in het Mnl. Wdb., maar dewijl ik er niet op verdacht was, het ww. iveren voor mij te hebben, waarnaast geen enkel ander lid der familie, ook niet het znw. ijver, voorkomt, verstond ik het niet en staat het dientengevolge met eene verkeerde verklaring en met een * geboekt. Het artikel moet dus worden herzien; het luidt aldus (3, 972): ‘iverne: Omme dewelke dingen hi es nidech, verradere, vol van worden ende ooc begherende elke te iverne, ende en es niet goet met hem te wone’, Belg. Mus. 10, 280 (uit een tractaat over handwaarzegkunde). Men zal misschien moeten lezen werne voor

[p. 172]

iverne en verklaren: iedere vrouw te weren, te hinderen’. Indien ik het woord maar eens met een anderen klemtoon had gelezen, dan dien op de middelste lettergreep, dan zouden mij waarschijnlijk de juiste beteekenis en verklaring van het woord niet zijn ontgaan. Doch deze verkeerde uitspraak, waarvan ik mij zeker niet heb kunnen losmaken, en het feit, dat het woord geheel alleen staat en geen enkel lid zijner familie mij aan het woord ijver herinnerde, hebben mij gebracht tot onnoodige verdachtmaking van een hoogst belangrijk woord en tot eene dwaling, die ik thans, door de ware verklaring te geven, trachten wil te doen vergeten. Men leze iverne, datief van iveren, dat in het Mnl. blijkens deze plaats eene soortgelijke beteekenis heeft gehad als in het Mnd. Het ww. iveren, waarnaast evenmin als in het Mnl. een znw. iver schijnt voor te komen, heeft daar de beteekenis ‘mit eifer verfolgen, bestrafen’ o.a. op de volgende plaats: ‘Ob yck wol beweget, solcke mynes sones grote lichtvardicheyt und unbosunnenheyt nha gebor und vordeynst tho yveren und scharp tho gedenken’. Het ww. wordt in het Mnd. weliswaar, althans te oordeelen naar de drie medegedeelde voorbeelden, alleen verbonden met den 4den nv. der zaak, doch er zal wel geen bezwaar zijn, daarnaast ook de mogelijkheid van enen iveren aan te nemen, in de bet. iemand vervolgen, het hem lastig maken. Deze beteekenis past uitstekend in de tot heden verkeerd begrepen plaats, die aldus moet verklaard worden. ‘Hij is kwaadaardig, verraderlijk, woordenrijk en lastig van humeur (eig. er naar verlangende om het iedereen1) lastig te maken, iedereen te verbitteren), zoodat het niet geraden is met hem samen te wonen’. - Wat den oorsprong van iveren betreft, die wordt door het hier medegedeelde niet duidelijker, doch het komt mij voor, dat het door Kluge uit het Ohd. en Ags. bijgebrachte bnw. eivar, eibar en âfor, (in verouderd hd. nog eifer), met de bet. scherp, bitter, zeer

[p. 173]

goed tot de verwanten van het woord uit een vroeger tijdperk behooren kan: ook de beteekenis van het woord in het Mnl., dat men zeer goed door verbitteren kan weergeven, kan strekken tot steun voor deze etymologie. De onderstelling van Franck, dat ijver door het niet geheel ongewone wegvallen van eene n zou staan voor nijver, voor welk woord in dezen vorm hij zelf slechts eene hoogst onzekere verklaring kan geven, is zeer onwaarschijnlijk. De meening dat nijver ontstaan is uit n-ijver, d.i. en of in ijver (vgl. naarstig, mnl. nerenstich van erenst (ernst); neven en nevens (neffens), hd. neben voor eneven, ags. on efn; nuchteren, mnl. ook enuchterne; 17de- eeuwsch nechtig, uit acht, opmerkzaamheid, De Vries op War. 114), is minstens zoo zeker als de door Franck aangenomen tegenovergestelde vormontwikkeling. En als men, gelijk hij doet, de verklaring van noest uit in oest, bij den oogst, de vermelding waardig acht, dan kan men tegen de verklaring van nijver uit en ijver geen redelijk bezwaar hebben.

CIX. Licken. Ongelikt.

Met het boven deze regels staande ww. bedoel ik een ander dan het gewone likken of lekken, lat. lambere, nl. licken, in den zin van glanzen, polijsten. Het woord is in dezen vorm en in dial. ook in dien van lijken nog heden bekend. Bij Weiland (2, 751) leest men ‘likken, met een glad lichaam over iets sterk wrijven dat het glanzig worde. Vanhier likhout, schoenmakersgereedschap; liksteen, welken de vrouwen gebruiken, die het lijnwaad likken, glanzig maken’. Bij Van Dale (811): ‘likken, glanzen, polijsten, gladmaken met een likhout, daarnaast likhout, liksteen, likstok, benevens likkamer, vertrek in eene papierfabriek, waar het papier geglansd wordt’. Bij Halma (315): ‘likhout, bouis, instrument de cordonnier, qui sert à polir; liksteen, gladde steen of glas om de passementen of het linnen glad te strijken, lissoire’ (zoo ook bij Marin 530). Bij Binnaert: licken s. gelicken, nitere vel polire (overgeschreven uit Kil.); licksteen, pumex.’ Bij Kil. licken, j. ghelicken,

[p. 174]

nitere, etc. en op ghelicken, glicken, nitere, fulgere, splendere, rutilare et polire, complanare (daarnaast ook ghelincken j. ghelicken, nitere, splendere); ghelicksteen, pumex.’ Bij Plant. ‘glicken, licken oft gelicken, reluire d'estre bien poli, nitere; glicksteen, pierre à polir, pumex. ‘Bij De Bo: ‘lijken, bij schoenmakers, hetz. als holl. likken, glad wrijven, glanzen, polijsten, lisser, polir; lijker, hetz. als holl. likker, naam van been, hout of ijzer om te lijken (likken); lijkstok lang stuk bukshout om de zolen effen te wrijven en te glanzen, bij Kramers likhout en gladhout geheeten’. Bij Schuermans: ‘likijzer, ijzeren tuig dienende, evenals likhout en liksteen, om schoenen mee te likken’. Verder herinner ik aan de holl. dial. uitdrukking een likje geven, gezegd van een gladhouten stuk huisraad, het wrijven, poetsen, oppoetsen, en verwijs ik naar het Ndl. Wdb. op glikken, dat in de 16de eeuw eene enkele maal voorkomt, o.a. bij Marnix, in de intr. beteekenis blinken, glimmen, glanzen, en op gelikt, d.i. gladgemaakt, gepolijst, glanzig (‘gelikt of gladgemaakt bordpapier’ Berkhey) en geliktheid (bij Kneppelhout). Voor het gebruik van likken in de 17de eeuw, in de bet. glad maken, polijsten en opsieren, mooi maken, vindt men enkele voorbeelden bij Oudem. 4, 146.

Dat het woord in dezen zin ook in het Mnl. bestaan heeft, blijkt niet uit schrijvers, maar wel uit den Teuthonista. Dl. 1, bl. 155 leest men: ‘lycken, glijssen, pollieren’ ald. 108: op glijssen: ‘tot glijssen off licken hoorende, politorius’; ‘glijsser, licker, politor, oblimator, limpidator’; en dl. 2, 92b op limare, ‘vijlen, reynighen, vermynren, licken’; 130b op polire, ‘licken, glijssen; blanck, glat maken’. In het Ohd. komt met dezelfde beteekenis voor lîchon, in het Mhd. lîchen, en er is dus alle reden om met Franck een nominale stam liko aan te nemen met de bet. glad, effen, gepolijst. Of in dit woord de oorsprong is te zoeken van sommige of wellicht van alle beteekenissen van het ndl. bnw. gelijk, dat dan niet of slechts in de bet. overeenkomstig, gelijk aan identisch zou zijn met got. galeiks, laat ik in het midden.

[p. 175]

Doch dit is zeker dat een bnw. lik heeft bestaan in de bet. glad, effen, zooals blijkt uit Kil. ‘lick, vetus, aequus, planus’, van welk artikel eene welkome bevestiging - want Kil. maakt wel eens een woord om een ander te verklaren - te vinden is in Teuth. II, waar impolitus vertaald wordt door ‘ongeve, ongelick’. Daaruit blijkt dus het bestaan van een bnw. lic, gelic, waarvan zeer goed de ww. licken en gelicken rechtstreeks kunnen zijn afgeleid. Doch dit is niet zeker, daar de stam ook in het Indg. aanwezig is. Vgl. lat. limare (voor *ligmare), vijlen, en littausch lygus, gelijk, effen, glad (Franck op lijken). Ditzelfde bnw. gelic kan zeer goed bedoeld zijn Teuth. op even: ‘even maken, slecht maken, gelick maken, equare, complanare, levigare, detuberare, extuberare’. Men mag hiertoe niet besluiten uit de spelling gelick, terwijl voor de andere beteekenissen similis, adinstar, conformis, compar eene andere spelling (gelyck) wordt gevolgd, immers op gelyc, wordt naar even verwezen, doch daar wordt ditzelfde woord niet gespeld gelick maar gelyc. Toch moet opgemerkt worden dat gelyc in deze beteekenis niet, zooals het woord in de bet. par, similis met ck wordt gespeld. Doch daartegenover staat weer in Teuth. II ‘equare, slecht, gelick maken; exequare, uyt der gelickheit stellen; equor, dat mere als dat stille, slechte ind gelijck is; equus, recht, gelick, slecht; equitas, gerechticheit, slechticheit, gelickheit; equivocus, gelickstemmich, als dat eyn woirt vele beteykenyngen hevet’, bij welk laatste woord althans stellig het ndl. gelijk is bedoeld.

De reden waarom ik dit alles heb te berde gebracht, is de twijfel, bij mij gerezen, of in het Ndl. Wdb. het bnw. ongelikt wel naar den eisch is behandeld. Aldaar wordt ongelikt uitsluitend verklaard als on- en gelikt van likken, lekken, en het uitgangspunt der beteekenis gevonden in de uitdr. een ongelikte beer, ‘eene uitdrukking die steunt op het volksgeloof dat de jonge beren hun fatsoen krijgen doordat de moeder ze gestadig likt, hd. ein ungeleckter bär. Overdrachtelijk voor iemand zonder vormen, een onbeschoft mensch.’ Dat dit volks-

[p. 176]

geloof inderdaad bestond en vrij oud is, zal niemand tegenspreken. Ter bevestiging haal ik aan eene plaats uit Maerlant's Naturen Bloeme (II, 3789):

 
Als een sticke vleesch ooc mede
 
Sijn si (de beren) ghescepen, sonder lede;
 
Sonder die clauwen so nes er an
 
Let datmen bekennen can,
 
Maer die moeder scept die jonghe
 
Lickende met hare tonghe.

en Tuinman, Spreekw. Nal. 34: ‘'t is een ongelekte beer. Dat zegt men van een onbehouwen en onbeschaaft mensch; men geloofde dat de beerinne haare jongen wierp als lompe vormlooze vleesklompen, maar dat de moeder door belekken daaraan gedaante toebragt. Hiervan is dat spreekwoord ontleent.’ Zie ook Grimm, D. Wtb. 6, 479 en verg. nog Vondel 2,570. De vraag is nu maar, of men voor de verschillende opvattingen van ongelikt alleen hierin naar den oorsprong moet zoeken, dan wel, of men evengoed als twee ww. likken, zoo ook twee bnw. ongelikt moet aannemen, het eene in de zoo even genoemde beteekenis, het andere in den zin van het bovengenoemde bnw. ongelic (= impolitus), nl. in dien ongepolijst, ruw, ongeslepen, onbeschaafd, eerst gezegd van zaken en bij uitbreiding ook van personen. Van de noodzakelijkheid van de laatste onderstelling ben ik even vast overtuigd als de bewerker van het artikel gelikt in het Ndl. Wdb., die als afleiding van gelikt, in den zin van gepolijst, gladgemaakt verwijst naar ongelikt. Doch daar wordt van deze verklaring in het geheel geen melding gemaakt. En toch is zij noodig, niet zoozeer om te verklaren de uitdr. ‘een ongelikte geldwolf’ (Van Lennep), waarin men zeer goed eene uitbreiding kan zien van het gebruik der uitdr. een ongelikte beer, als wel voor een ongelikte held (Huet) en ‘het ongelikte van den dichter uit het volk’ (Kneppelhout, uit wiens werken in het Ndl. Wdb. ook geliktheid wordt aangehaald, en wel verbonden met fijnheid, glad-

[p. 177]

heid, netheid en popperigheid). Doch vooral is zij noodig, wanneer ongelikt gezegd wordt van de taal, zooals b.v. het geval is in eene niet in het Ndl. Wdb. opgenomen plaats bij Piet Paaltjen's Snikken en Grimlachjes, bl. 39:

 
In 't Hollandsch zingt de jongling niet;
 
Die taal is ongeschikt;
 
Zij klinkt in de ooren van de min
 
Zoo ruw en ongelikt.

Hier is de in het Ndl. Wdb. aangenomen overdracht in de hoogste mate onwaarschijnlijk en dit te meer, als men zich herinnert, dat ‘het likken en vijlen der verzen’, o.a. aan Feitema en de zijnen verweten, eene zeer gewone uitdrukking is geweest in onze vroegere taal. Vgl. b.v. de aanhaling bij Jonckbl., Ndl. Lett. 5, 183 (uit Le Franck van Berkhey): ‘om dat ik mijne gedichten niet wil laaten likken’; en bl. 181 (uit E. Wolff): ‘Onze Van Merken zou veel grooter zyn zo zy minder likkers gebruikte’; bl. 152 (uit Corver): ‘(gedichten) in een cabinet geëxamineerd en gelikt’. In denzelfden zin werd ook schaven, beschaven, verschaven, glad berijmen gebruikt en werd er gesproken van dichters, die hun werk ‘op de schaafbank van meetzieke schrynwerkers (t.a.p. bl. 182) brachten’.

En al ware deze overdracht niet onaannemelijk, waarom zal men zijne toevlucht tot haar nemen, als men het woord ongedwongen en eenvoudig als ongepolijst, onbeschaafd, ruw verklaren kan?

Nog ééne bedenking die men zou kunnen maken, wil ik even ter sprake brengen. Zij is deze, dat in het Hd. geleckt ook bekend is in den zin van ‘ausgearbeitet, überzierlich’, dus ndl. poppig, fattig (zie Grimm 6, 479, 5). Deze overdracht wordt door Heine verklaard ‘nicht sowol nach jenem formgebenden lecken des bären, als vielmehr nach dem lecken der katze, die damit ihr fell schön glättet’; zoo b.v. ‘ein gelecktes junges herrchen; die Nürnberger geleckten kindergärtchen; sie ist wie geleckt’. Hierop antwoord ik, dat dit niet

[p. 178]

onmogelijk is, al komt mij de verklaring ook eenigszins gekunsteld voor: ook is zij onbewezen. Liever zou men het bewijs hebben, dat licken in den zin van polijsten, glanzen ook in hd. dialecten is bekend geweest, doch dit ontbreekt. Maar in geen geval behoeven wij het ndl. gelikt op dezelfde wijze te verklaren als het hd. geleckt. Zou er ook sprake kunnen zijn van overneming der ndl. uitdrukking in het Hd.? Men kan des te eer hieraan denken, omdat ook de term gelikt, van schilderwerk gebruikt, in het Hd. bekend is. Zie een voorbeeld uit Winkelmann bij Grimm t.a.p. Doch de gegevens om dit te beslissen ontbreken mij; misschien ook zou men voor gelikt speciaal als zoodanig omgekeerd ontleening uit het Hd. kunnen aannemen. Maar wat ik ten slotte nog wilde opmerken, is dit, dat de ongunstige beteekenis van gelikt als schildersterm niet noodwendig in zich sluit, dat dus ongelikt bij ons eene niet ongunstige beteekenis zou moeten hebben; immers de twee termen zijn onafhankelijk van elkaar ontstaan en ook in verschillende tijdperken van onze taal in gebruik gekomen: men kan aannemen dat gelikt in den zin van glad, poppig, van schilderijen gezegd, niet ouder is dan eene eeuw, terwijl ongelikt vermoedelijk veel ouder is.

 

j. verdam.