Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16. E.J. Brill, Leiden 1897  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Dietsche verscheidenheden.

CXVII. Nieuwe of minder bekende woorden uit een Haagschen Bijbel van 1360.

De Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage bezit een prachtigen foliobijbel in handschrift, in twee lijvige deelen op perkament, en versierd met een zeer groot aantal penteekeningen en miniaturen. Weliswaar zijn zij niet van eene bijzonder groote kunstwaarde of artistieke bewerking, maar zij zijn in kwistigen overvloed aangebracht en de kleuren der miniaturen zijn uitmuntend bewaard. Doch vooral is de inhoud van belang. Vooreerst is hij zeer rijk: de bijbel bevat nl. 1o. al de bijbelboeken, met inbegrip der apocryphen en eene geschiedenis van Alexander den Groote, welke zich in meer middeleeuwsche bijbels aan de Maccabeeën aansluit; 2o. de vertaling van een uittreksel uit de Historia Scholastica, als verklarende aanteekening of commentaar aan den bijbeltekst toegevoegd; 3o. opmerkingen en toelichtende aanteekeningen van den vertaler of afschrijver zelf. Zijn naam is ons onbekend, doch hij is vermoedelijk een Oostvlaming geweest van Aalst of de omstreken dier stad: althans op fo. 57a, waar hij eene bij de Joden gebruikelijke maat wil verklaren, maakt hij die op de volgende wijze duidelijk: ‘Vier ephi’ zegt hij aldaar, ‘maken omtrent een rasier, ende omtrent iii viertelen der maten van Aelst.’ Met deze plaatsbepaling is, zoover ik zien kan, het dialect, waa in de tekst geschreven is, niet in strijd.

In de tweede plaats is de tekst van groot belang, omdat hij meer dan eene eeuw ouder is dan die van den bekenden Delft-

[p. 2]

schen Bijbel van 1477. Aan het einde van het eerste deel, doch vóór den later bijgevoegden psalter, staat de volgende aanteekening: ‘Hier gaet wt die eerste partie van der bibelen, die na onser ordinantiën (d.i. bewerking) gemaect was aldus in duytsche int jair ons heeren dusent drie hondert ende tsestich opten twaelfsten dach in brachmaent (Juni). Got sij gelooft.’ Eene doorloopende vergelijking van dezen tekst en dien van een anderen bijbel in twee deelen, eveneens van 1360, doch waarvan slechts het tweede deel op de Koninklijke Bibliotheek berust, met dien van den Delftschen Bijbel zou een werk zijn, even belangrijk en nuttig voor de critiek van den bijbeltekst zelf als voor de mnl. taalwetenschap. Aan den eenen kant zou de vraag naar den ouderdom van den hedendaagschen woordvoorraad en naar het verouderen en in onbruik geraken van den middeleeuwschen door die vergelijking op allerlei wijzen worden opgehelderd en toegelicht; aan den anderen kant zou men naar mijne overtuiging vele onbegrijpelijke lezingen van den jongeren tekst kunnen verbeteren en allerlei verrassende uitkomsten verkrijgen met betrekking tot het ontstaan er van. De tijd heeft mij ontbroken, en zal mij, naar ik vrees, ook verder ontbreken om deze doorloopende vergelijking zelf in te stellen. Laat mij hopen dat een ander, op dit even nuttige als aangename werk opmerkzaam gemaakt, zich opgewekt zal voelen om het te verrichten, en de waarheid van het door mij gezegde althans met een paar voorbeelden aantoonen. I Sam. 17, 6, waar de wapenrusting van Goliath wordt beschreven, leest men in den Delftschen Bijbel, dat hij aan had koperen ‘schuen.’ En ik moet bekennen, dat ik vroeger bij mijne lezing van den tekst daaraan geen aanstoot heb genomen. Doch bij nader inzien is de dracht niet zeer verkieslijk voor een kampvechter. In den Haagschen Bijbel lezen wij dan ook, fo. 168b, iets anders, nl. ‘(Goliath) had aen die knyen schiven van copere’, d.i. koperen scheenplaten, of, gelijk het in onze vertaling luidt, een koperen scheenharnas. Vgl. mhd. schîbe bij Lexer 2, 716: ‘Achille wolt er hân daz bein geschroten und

[p. 3]

geswungen hin; dô traf er ûf die schîben in des kniewelinges herte.’ - Op eene andere plaats, nl. I Sam. 25, 31: ‘non erit tibi hoc in singultum et in scrupulum cordis domino meo, quod effuderis sanguinem innoxium,’ heeft de D.B. de vertaling: ‘so en sal dy niet wesen in een versuchten ende in rumoer van herten, dattu onsculdich bloet sals hebben gestort.’ Ook hier ligt de fout evenmin voor de hand, doch is even zeker aanwezig: immers hoe kan hier rumoer in den samenhang worden begrepen? Men leze met den Haagschen Bijbel remoers, d.i. remoors, van fra. remord, lat. remorsus, zelfverwijt, en men brengt eene even eenvoudige als noodzakelijke verbetering aan. - Op eene derde plaats, nl. I Sam. 14, 14, waar de D.B. de onjuiste lezing dachvaert heeft als benaming van eene bepaalde landmaat, heeft de Haagsche op nieuw de ware, nl. ‘enen dachwant lants, also veel als een pair ossen plagen te ackeren in enen dage.’ Vgl. lat. ‘in media parte jugeri,’ de ndl. vertaling: ‘de helft eens bunders, zijnde een jok ossen lands,’ en Mnl. Wdb. op dachwant. - Eindelijk Spreuken 13, 15: aldaar leest men in den D.B. ‘in der versmadenre wech is dolinghe,’ waarin men oppervlakkig niets vreemds of onwaarschijnlijks zal vinden. Doch het Latijn heeft t.a.p. ‘in itinere contemptorum vorago.’ Het laatste woord kan onmogelijk met dolinge zijn vertaald en moet bij nader inzien op de eene of andere wijze bedorven zijn. De Haagsche Bijbel wijst ons weder den weg ter verbetering. Aldaar lezen wij dl. 2, fo. 33b: ‘in der versmaeder wech is doellage’, d.i. niet dolage met den basterduitgang age (gelijk het waarschijnlijk is opgevat door den afschrijver, die het door het meer gewone dolinge verving), maar eene assimilatie uit dootlage, dat ook elders in de bet. van lat. vorago, gurges voorkomt. Zie Mnl. Wdb. 2, 301, alwaar men twee voorbeelden vindt uit den D.B., waar het woord juist is bewaard, en ook de geassimileerde vorm doollage vermeld wordt (uit het tgw. Vlaamsch in de bet. onvaste grond, Belg. Mus. 8, 173). Ik maak tevens van deze gelegenheid gebruik, om de in het Mnl. Wdb. gegeven verklaring van dootlage, op welker

[p. 4]

onjuistheid Cosijn mij opmerkzaam maakt, te verbeteren. Het woord heeft met liggen niets te maken: lage is hetzelfde woord als ags. lagu, hetgeen bewezen wordt door den bijvorm doodlaeck, waarin laeck gelijk is aan ags. lacu, hd. lache. De afleiding van liggen wordt bij lake (4, 70) weliswaar prijsgegeven, doch het artikel is niet te verbeteren door ‘van lat. lacus’ te schrappen, gelijk het aldaar wordt voorgesteld. Er moet ook worden aangetoond, dat lage eene zelfde bet. heeft als lake, en dat -lage ontwijfelbaar germ. is, en -lake hoogstwaarschijnlijk ook; overneming uit lat. lacus schijnt onnoodig aan te nemen. Wat het eerste deel der samenstelling betreft, is het woord te vergelijken met ndl. doodstroom, waarover men zie V. Lennep, Zeemanswdb. 57; Van Dale 335; De Vries op War. bl. 136.

Dat men evenwel ook dezen, gelijk alle nieuwe teksten, met voorzichtigheid moet gebruiken, zal ik eveneens door een paar duidelijke voorbeelden aantoonen. Op fo. 66a leest men: ‘du salste te sijnre vijf saziën maken ketele om die asche te ontfaen.’ Men tobt zich tevergeefs af om te begrijpen, wat toch wel die saziën zouden kunnen beteekenen, doch als men Exod. 27, 3 opslaat, waarvan de aangehaalde woorden de vertaling zijn, dan vindt men daar: ‘facies in usus ejus lebetes ad suscipiendos cineres,’ en komt tot het inzicht, dat men het woord vijf moet veranderen in eene v (of u), gelijk er oorspronkelijk moet gestaan hebben1), en dat men de aldus verkregen u met saziën moet verbinden, zoodat er eigenlijk staat usaziën, hetwelk juist met lat. usus overeenkomt. - En I Sam. 4, 20 vinden wij in den Haagschen Bijbel de vreemde lezing: ‘in dien wivekene van haren doot so seiden haar die vrouwen,’ waar de Delftsche B. voor wivekene heeft oghenblic, en het Latijn: ‘in ipso momento mortis ejus.’ Een ww. wiveken heeft niet bestaan, doch als men voor wiueken, waarin de v voor n

[p. 5]

en de e voor c verschreven is, leest wincken, dan krijgt men het hier vereischte woord voor oogwenk, dat juist met mnl. ogenblic en lat. momentum overeenstemt. Vgl. b.v. Huygens 1, 446:

 
de strael die 't uyterlicke blincken
 
Der dingen van hun ruckt, en met een schielick wincken
 
Den Sinnen thuys bestelt,

d.i. in een oogwenk. Vgl. Teuth. ogenwenken, ogenwenkinge. Kil. wincken, wencken, oculorum nutu signum dare1).

Ik bepaal mij thans verder tot het mededeelen der uitkomsten van hetgeen mijn doel was met het lezen van dezen bijbel, nl. het opsporen en opteekenen der hier en daar verspreide overblijfselen van onzen middeleeuwschen taalschat. Dat die uitkomsten niet gering of onbeduidend zijn, zal blijken uit de volgende bladzijden, waarin ik mededeeling zal doen alleen van het belangrijkste deel van den oogst, dien ik er voor het Mnl. woordenboek uit heb binnengehaald. Achtereenvolgens zal ik, gelijk ik dit vroeger gedaan heb met het Hs. der Chirurgie van Jehan Yperman2) de aandacht vestigen op de merkwaardigste woorden, dien wij uit dezen Bijbel leeren kennen, en waar ik kan en dit noodig is, ze nauwkeurig beschrijven en toelichten.

Ackeren, zie *hackeeren.

Bedwesemen. Een hier voor het eerst gevonden woord, in beteekenis met bedwellen en bedwelmen gelijkstaande. De bet. verbijsteren, in eene zekere verdooving brengen, begoochelen, fascineeren, biologeeren, blijkt duidelijk uit fo. 23b: Sy en namen hem haer zien niet, mer sy bedweesemdze, dats een maniere van raesicheiden, dat een mensche niet en bevroet al wat hy ziet.’ - Vandaar het znw. bedwesemicheit, hetzelfde als *bedwesemtheit, een staat van verbijstering, be-

[p. 6]

dwelming, zinsbegoocheling, hetwelk wij lezen op dezelfde bladzijde: ‘Mit dusdaniger bedweesemicheit waren die ghene geslagen, die Heliseum sochten, die nochtan onder hem was.’ Het Latijn (Hist. Schol. c. 52, op Gen. 19, 11) heeft hier: ‘Acrisia (zie Diefenb. op aorasia, waar ook de glosse “tovery in de ougen” voorkomt) est quando quis habet apertos oculos et non videt, quod magi faciunt incantationibus’ (zoo ook Vocab. Copiosus op acrisia). Vgl. hiermede het gebruik van bedwelmen, bedwelmt (bedwelemt) en bedwelmer in denzelfden bijbel. ‘Sy bedwelmden der lude oogen, so dat hem dochte dat haer roeden draken worden’, 50c; ‘Sy en worden niet blynt, mer sy sagen ende waren al bedwelemt, so dat sij negeen verstandenisse en hadden’, 216d; ‘Incantatores dat sijn bedwelmers die tsien bedwelmen ende hoonen also die lude’, 122c; ‘Nyemant en sal wesen tooveraar noch bedwelmere’, ald. - Het woord is van den stam van dwas afgeleid. Vgl. ndl. dwaas, mnl. ‘enen te dwase bringen’, hetzelfde als ‘enen in dole1) bringen’, iemand in de war brengen, maken dat iemand niet weet hoe hij het heeft: het znw. gedwas met de samenstelling alfsgedwas; gedwasnesse met den bijvorm gedwesnisse, zinsbegoocheling, zinsbedrog, en Teuth. gedwesnisse, fantasma; nachtsgedwesnisse, fasma; maer, eyn gedwesniss nachts dye luyde in den slayp qwellende, effialtes, succubus, incubum.

Bodelen, in de samenstelling dorebodelen. Het ww. bodelen is ons uit Ferguut en Velthem bekend in de bet. beulen, mishandelen (vgl. Mnl. Wdb. op bodel en bodelen); ook dorebodelen uit vier plaatsen, medegedeeld in het Mnl. Wdb., waaronder twee uit den Delftschen Bijbel. Doch op ééne plaats heeft deze een ander woord voor dorebodelen van den Haagschen, m.a.w. daar komt het voor in eene bijzondere beteekenis, nl. fo. 181b: ‘Hij doorbodelde alle die peerde’,

[p. 7]

vertaling van II Sam. 8, 4: ‘subnervavit omnes jugales curruum,’ in den D.B. en in onze vertaling ontzenuwde, d.i. hij sneed de pezen of zenuwen door. Gewoonlijk heet dit in het Mnl. onthaessenen (onthesenen) of ook haessenen (hesenen), eene afleiding van haessene, heessene, hesene, hasen, een ogerm. woord voor kniepees. Zie Kluge op hechse, Mnl. Wdb. op haessene, Ndl. Wdb. op haassen, en voorbeelden van onthaessenen D.B. I Kron. 18, 4: ‘hi onthaessende alle die paerden der waghenen’; Hs. Acq. 20b: ‘hoor paerden selstu onthaesenen ende die wagenen mitten vuer verbarnen.’

Drenten. Het woord is bekend in het Mnl. in de bet. opzwellen, zwellen. Zie voorbeelden van drinten, drintende, drintinge, drintich en gedronten in het Mnl. Wdb. Doch het was tot heden niet gevonden in de bet. zich boos maken, kwaad of toornig zijn, eene beteekenis die zich hier op dezelfde wijze ontwikkelt als bij belgen. In dezen zin staat het f. 211c: ‘Hierom quam Achab in syn huys, verontweerde (l. veronweerdende) ende drentende om dat woort dat Naboth tot hem gesprooken hadde.’ Vgl. D.B. I Kon. 21, 4 gremmende; lat. indignans et frendens super verbo). Het is niet zeker, dat met dit woord één in oorsprong is ndl. drenzen, dial. hd. en jonger mhd. trensen, wfaalsch dränzen, waarnaast ndd. drunsen, brommen (van koeien), door den neus praten. Zie Franck op drenzen. Dat het wwd. drensen al in het Mnl. heeft bestaan, blijkt uit Teuth. drensen, kneesten (vgl. ndl. knijzen, kniezen), stoenen, suchten, gemere, ingemere; drensinge, stoenyng, suchtingh, kneestyng, gutturisacio, singultus.

Doom (doem), een znw. dat ik niet thuisbrengen kan en daarom mededeel. Het moet de bet. hebben òf van ijzeren band om een wiel òf van naaf van een wiel, en komt twee malen voor, nl. f. 97a: ‘het waren sulke wiele als men in enen wagene pleget te makene, ende haer assen ende haer speeken ende haer dome (D.B. nave) ende haer velgen waren al gegoten’ (I Kon. 7, 33 ‘et axes et radii et canthi (d.z. ijzeren wielbanden, het wielbeslag) et modioli (fr. moyeu) omnia fusilia’ in onze

[p. 8]

vert. randen), en ald. 200c: ‘sy hadden alle dat in enen rade plach te sijn: doeme, assen, speken ende velgen.’ Het is mij nog niet gelukt het woord ergens te vinden noch ook den oorsprong er van op te sporen of de verwanten te ontdekken: misschien kan een mijner lezers mij de oplossing geven van deze vraag of althans mij met eene waarschijnlijke gissing helpen.

Dobben. Eene niet onwelkome bevestiging van dobben (dubben) in de bet. graven, een kuil maken (vgl. Mnl. Wdb. op dubben, 2) en ndl. fri. dial. dobbe, kuil) geeft het f. 61a voorkomende ww. doredubben, d.i. doorgraven: ‘Wort een dief gevonden een huus brekende of doirdubbende ende slaet men hem een wonde.’ Vgl. Exod. 22, 2: ‘si effringens fur domum sive suffodiens fuerit inventus.’

Esteric. Bekend is een mnl. ndl. esteric, estric in den zin van gebakken vloersteen, ook vloer, ingelegde vloer, estrik. Vgl. Mnl. Wdb. op estric, en vgl. ald. estricken en estricsteen; Teuth. eyn eystric van gebacken steynen, ostracus; eyn vijrkant estricks steyn van marmeren, petalum; estric, paviment; estricken, estricmaker, estricsteen en estricsteenmaker, alsmede overijs. estrik, dat de bet. van marmeren knikker heeft aangenomen. Doch een geheel ander, echt germaansch, thans voor het eerst opgemerkt, onz. woord esteric is ons bewaard op twee plaatsen van den Haagschen Bijbel met de bet. stoppels, en wel f. 131d: ‘sy (Rachab) dede (de) manne gaen optien zolre van haren huze ende sy ooverdectese mit esterick, dat dair was’; vgl. Jozua 2, 6: ‘operuitque eos stipula lini, quae ibi erat’; in onze vertaling vlasstoppelen. En ald.: ‘sy hadde dat esteric geleit om te droogene opten muer van der stat, want haer huus stonter aen.’ Vgl. hiermede b.v. 49d: ‘hier om moest dat volc snachts vergaderen stoppelen ende stroo ende sdages quarelen maken’, en 152a: ‘die vruchte die te gader gedragen waren ende die noch in die stoppelen stonden (Richt. 15, 5: ‘fruges adhuc stantes in stipula). En ditzelfde woord staat ook in den Delftschen Bijbel, Jes. Syr. 21, 10, waar het be-

[p. 9]

antwoordt aan lat. stupa, en blijkens de in het Mnl. Wdb. op estric voorgestelde verandering, niet was begrepen. Gelukkig behoeven wij met dit woord niet zoo verlegen te zitten als met doem: geholpen door Kil. kunnen wij den oorsprong op het spoor komen. Bij hem vinden wij een artikel dat ons uitnemend te pas komt, nl. estere j. leme (d.i. stoppels van vlas, doppen van graan, stroo van koren, Mnl. Wdb. 4, 360), festuca cannabina, scapus (= scapula, bij Diefenb. = stuppa, scheve; Teuth. scheve, vese, festuca, napta). Dit is ongetwijfeld hetzelfde woord als het onze, behalve den uitgang, die eene collectieve beteekenis moet hebben, doch dien ik eigenlijk niet verklaren of met voorbeelden toelichten kan. Wel is er een uitgang -ik in plaatsnamen (zie Ndl. Wdb. op bolderik) en een uitgang -(er)ic voor mannelijke wezens bekend, b.v. in duveric, wiveric (Teuth.), alsmede in zaaknamen (Teuth.: peseric, banderic); doch die kunnen hier geen dienst doen. Misschien heeft -ik hier de in het Germaansch gewone beteekenis van het verkleinwoord. Vgl. ndl. havik en deuvik: mnl. luttic; zaansch poddek (kleine padde), eng. bullock en Kluge, Nom. Stammb. § 61. Verder is het woord naar alle waarschijnlijkheid verwant met este d.i. knoest, knoop (Teuth. roide sonder knope of este, virga; roide myt knopen und esten, scorpio) en met ohd. mhd. hd. ast, got. asts, tak, twijg. Vgl. Kluge op ast.

Faddel. Dit bnw., in beteekenis overeenkomende met het zeldzame mnl. vadde en vaddich, vla. vaddig, ndl. vadsig, eng. faddy, was tot heden onbekend. Het daarvan afgeleide znw. faddelheit komt tweemalen voor, en wel f. 139c: ‘hoe lange vertraechdy mit faddelheiden ende gaet niet in om tlant te besittene, dat u gegeven heeft die heer,’ en 138d: ‘hoe lange suldy wesen trage mit faddelheiden.’ Vgl. Josua 18, 3: ‘usquequo marcetis ignavia,’ en Franck op vadsig.

*Hackeeren, een woord dat bij nader inzien blijken zal bedorven te zijn, vinden wij in de bekende bijbelplaats uit de geschiedenis van Simson, f. 151d: ‘en haddy niet ghehackeert myne veerze, so en haddy mijn geraetsel niet gevonden;

[p. 10]

vertaling van Richt. 14, 18: ‘si non arassetis in vitula mea,’ wat in de onze, gelijk bekend is, luidt: ‘indien gij niet met mijn kalf hadt geploegd.’ Het is dus duidelijk, dat hackeeren de bet. ploegen moet gehad hebben, doch het is in deze noch in eene andere beteekenis bekend: het woord heeft niet bestaan. Nu vinden wij in denzelfden Bijbel meer dan eens den uitgang -eren onjuist weergegeven door eeren. Wanneer wij deze fout ook hier aannemen en hackĕren lezen, dan hebben wij het woord gevonden dat hier juist past, nl. hackeren of, met weggelaten onorganische h, ackeren, d.i. ploegen. Zie Spanoghe, Synon. Lat.-Teut. 1, 69 op arare; Teuth.ackeren, buwen, pluegen, eeren, agrare, arare,’ en Mnl. Wdb. op ackeren, waaraan ik nog slechts één voorbeeld toevoeg, insgelijks aan den Haagschen Bijbel ontleend, nl. dl. 2, f. 18d (uit de geschiedenis van Job): ‘die ossen ackerden ende die ezelinnen dair neven;’ lat. (Job 1, 14): ‘boves arabant et asinae pascebantur juxta eos’1). Eene soortgelijke opmerking moet gemaakt worden aangaande een paar andere, eveneens in den Haagschen Bijbel voorkomende woorden, nl. weyeren (z. beneden) en botteren, freq. van botten in den zin van stooten, duwen. Op f. 28c wordt medegedeeld hetgeen Gen. 25, 22 in het Latijn aldus staat uitgedrukt: collidebantur in utero ejus parvuli’ en in onze vertaling door: ‘de kinderen stieten zich zamen in haar lichaam’, in deze woorden: ‘die cleyne kijndere botteerden in haren (Rebecca's) buuck’ (zoo aldaar tweemaal). Ongetwijfeld hebben wij hier het frequentatief van botten in de bet. botsen, stooten (zie Ndl. Wdb. op botten, 1e Art.), dat dus ook in het Mnl. in dezen zin moet zijn bekend geweest, al staat er ook geen voorbeeld van het woord in het Mnl. Wdb. opgeteekend. Van eene andere beteekenis van botten, nl. die van valschspelen (zie Ndl. en Mnl. Wdb.) is het

[p. 11]

frequentatief botteren in het Mnl. op ééne plaats gevonden, nl. Vad. Mus. (niet Belg. Mus., zooals in het Mnl. Wdb. staat) 3, 57: ‘(die) hanteringe hebben van quaden terlingen ende botteren.’

Keisterlinc, benaming van een gebak; een woord, waarvan een voorbeeld uit den Delftschen Bijbel is medegedeeld in het Mnl. Wdb. Doch het is, na het weinige dat er daar van is gezegd en naar aanleiding van hetgeen ik in den Haagschen Bijbel aangaande het woord heb gevonden, noodig er nog even op terug te komen. De plaats, waar het woord voorkomt (f. 69a), luidt aldus: ‘enen keysterlinc die beslagen was mit olyven ende een pannekoeke wten paendere van den derven brooden’. De woorden zijn de vertaling van Exod. 29, 23: ‘crustulam conspersam oleo, laganum de canistro azymorum’, in onze overzetting ‘eenen koek geolied brood.’ Ook op f. 68d wordt het woord gevonden, doch uitgeschrapt; ald. staat: ‘derve broode ende een keysterlinc (dit woord doorgeschrapt en op den kant bijgeschreven korst) die sonder heefsel sij, die besleghen si mit olye ende derve pankoeken’ (Exod. 29, 2: ‘crustulam absque fermento). Waarom korst hier beter is dan keysterlinc blijkt niet, doch in elk geval is ons dit eene niet te versmaden aanwijzing aangaande den oorsprong van het woord. Keysterlinc is de vertaling van lat. crustula, d.i. eig. korstje, hetwelk ook heden bekend is als benaming van eene zekere soort van bruin gebakken koek, met name te Amsterdam. In deze richting moet de oorsprong van het woord worden gezocht. Ook hier is het weder Kil. die ons op weg helpt en ons keysterlinc opgeeft als zinverwant van krantselinck, Zeland. Fland. spira, collyra, artolaganus, artolaganon, scriblīta, panis dulciarius in modum corollae s. spirae in orbem circumductus. Vgl. Spanoghe, Syn. Lat.-Teut. 1, 80, waar op artolaganus de vertalingen karsteling, keisterling en krantseling voorkomen: crustula (-um) wordt bij Kil. door andere woorden weergegeven, nl. door koek, pannenkoek, toerte, boonken, knapkoek, oblije, ouwel, oblaet, morstelle, waefele en noele (nole). Keisterlinc nu moet eene afleiding zijn van

[p. 12]

een ww. keisteren, hard bakken, dat tot heden in het Mnl. niet gevonden is, doch dat wel één zal zijn met het door Schuermans opgegeven kesteren in den zin van hard uitbakken, b.v. van spek, in welken zin hij ook keusteren vermeldt. Ik geloof met Schuermans (bl. 239 op keusteren) en De Jager (Freq. 2, 217), dat de oorsprong dezer woorden te zoeken is in korst, met een bijvorm kerst, vanwaar kersteren of kerstelen, (wvla. uitspraak kesteren of kestelen), en daarvan weder (of rechtstreeks van het znw.) kersteling (karsteling) of kesterling (keisterling, door een tusschenvorm *keesterling, of uit *keersterling?), d.i. een voorwerp of een gebak met eene korst, een korstje. Bij Diefenb. op crustula komt onder de glossen ook crustigen en krustelin voor.

Lavel, kruik. Eene zeer welkome aanvulling van hetgeen in het Mnl. Wdb. op level is gezegd, ben ik in staat te geven door eene plaats in den Haagschen Bijbel, voorkomende op f. 135c, waar werkelijk gevonden wordt de vorm lavel, waarvan ik vermoedde dat die naast level in het Mnl. zou hebben bestaan. Toen had ik evenwel geen bewijs, doch thans kan ik een voorbeeld mededeelen. De vertaling nl. van Josua 9, 4: ‘saccos veteres asinis imponentes et utres vinarios scissos atque consūtos’ luidt in den H.B.: ‘(si) leyde oude zacken op ezele ende gescoorde wijnlavele ende verbonden.’ Vgl. verder Mnl. Wdb. op level (ook over den oorsprong uit lat. labellum, verklw. van labrum), waar ook onl. lavil en ohd. labal worden vermeld. Schijnbaar komt lat. uter in bet. niet met lavel overeen, doch bij Diefenb. op uter komen o.a. ook de glossen flesch, butseel, leghel en krug voor. Op dezelfde bladzijde (135d) vindt men ook lagel in dezelfde beteekenis: ‘wy vulden dese lagele nyew mit wijn; nu sijn sy gescoort ende ontbonden’ (Josua 9, 13: utres vini), doch dit is een heel ander woord, al heeft wellicht de schrijver het ook met lavel vereenzelvigd. Zie Mnl. Wdb. op lagele (van lat. lagena).

Plumere. In den Haagschen Bijbel vond ik tweemalen een woord pluviere in eene beteekenis die ik met den vorm er van volstrekt niet kon overeenbrengen, en wel op fo. 189d,

[p. 13]

waar uit de Hist. Scholastica, in den tekst des bijbels ingelascht, wordt medegedeeld: ‘Hy (David) heet een pluviere, dats een wapensnydere’, en ‘een pluviere van Bethlehem versloech Golyam van Geth.’ De vertaling ‘wapensnidere’ is niet gelukkig, want in de Hist. Schol. staat ‘polimitarius Bethlehemites, quod ex genere Beseleel polimitarii fuit mater ejus’ (vgl. Exod. 36, 1 en 2; 37, 1) en een ‘polymitarius’ is bij Duc. en Diefenb. een zijdewever of borduurwerker. Zie o.a. bij Duc. 2 6, 399 de aanhaling uit Papias: ‘artifex vestimentorum i. olosericorum’, en uit Brito: ‘qui cum acu vel manu pingit.’ Voor dit begrip kan pluviere niet dienen: dit woord heeft in het Germ. (overgenomen uit fra. pluvier, d.i. eig. regenvogel) geene andere beteekenis gehad dan deze, en er moet dus door den afschrijver eene fout in het woord zijn gemaakt. Het opsporen daarvan wordt ons gemakkelijk gemaakt door Ducange, die bij de bovengenoemde aanhalingen voegt: ‘Hos (polymitarios) a plumariis diversos censet Philander ad Vitruvium, lib. 6, cap. 7, etsi non desint qui pro iisdem accipiant.’ Slaan wij nu het artikel plumarius bij Duc. op, dan zien wij dat er aangaande de eigenlijke beteekenis van het woord twee gevoelens bestaan. Sommigen meenen dat de plumarius is een ‘federteppich-verfertiger,’ een man ervaren in de kunst om ‘federteppiche aus an einander gereiheten federn zu verfertigen.’ Als voorstanders van dit gevoelen worden o.a. genoemd Cujacius, Bulengerus, alii, qui ‘censent ita vocari artifices, qui vestimenta ex plumis avium conficiunt’1). Anderen beweren, dat een plumarius niet naar echte maar naar geschilderde veeren genoemd is, althans at de naam op eene andere kunst is overgegaan, ‘plumariam artem circa haec primitus versatam, nomenque inde mansisse polymitariae et acupictoriae. Constat enim plumariam artem eam postmodum fuisse quam ποιϰιλτιϰήν vocabant, ad dictos plumarios, qui plumas atque adeo alias, verbi gratia florum, animalium vel hominum figuras aut acu pingebant aut

[p. 14]

arte textoria exprimebant in serico’. Voor eene geheele kolom met bewijsplaatsen moet ik verwijzen naar Ducange zelf.

Het is dus voldoende gebleken, dat plumarius en polymitarius voor woorden van dezelfde beteekenis konden worden gehouden, en dat dus in het Mnl. het laatstgenoemde woord met alle recht kon worden weergegeven, niet door pluuiere, maar, zooals er gelezen moet worden, door plumere. En dat dit werkelijk de juiste lezing is, blijkt uit eene andere plaats uit denzelfden bijbel, waar het woord goed overgeleverd voorkomt, nl. f. 74c: ‘Ooliab, die oic een voirbarich wercman was van houte ende een plumere ende mitter naelden werckende.’ De woorden zijn de vertaling van Exod. 38, 23: ‘Oliab..., qui et ipse artifex lignorum egregius fuit et polymitarius atque plumarius ex hyacintho, purpura, vermiculo (scharlaken) et bysso;’ in onze vertaling: ‘een werkmeester, een vernuftig kunstenaar en een borduurder in hemelsblaauw en in purper en in scharlaken en in fijn linnen;’ in den Bijbel van 1477: ‘Ooliab ... een voorbarich wercman van houte ende van plument (l. plumen) ende mitter naelden werckende van menichrande werc.’ Vgl. nog Teuth.plumarius, a, um, des tot plumen off vederen hoirt, off die handelt off verkoopt, off eyn gestickt buntwerck.’

Nog op één punt moet ik opmerkzaam maken, nl. hierop, dat er tusschen polymitarius en plumarius, ook wanneer beide termen zijn der borduurkunst, een verschil wordt gemaakt, dat o.a. wordt geformuleerd door den Hoornschen Doctor Hadr. Junius in zijn Nomenclator. In den Antwerpschen druk van 1577, bl. 353 wordt plumarius weergegeven door ‘catullo, qui culcitas acu pingit, ein deck oder kusssticker; een borduerer van kulcten ende bedtcleeden, fr. broddeur de constils (mnl. culctsticker)’, en polymitarius door ‘qui variis coloris filis opus variegat, ποιϰιλεύς; hd. tepichwercker, ndl. legwercker oft tapissier (mnl. lechwerker). Waarschijnlijk bestaat dit onderscheid ook tusschen de beide woorden, boven in den Latijnschen tekst van Exod. 38, 23 vermeld, waar zij door et verbonden voorkomen. Of deze bet.

[p. 15]

oorspronkelijk aan plumarius eigen is geweest, is niet bewezen, doch daar Duc. plumarium opgeeft in de bet. ‘pulvinus plumis fartus’, kan plumarius zeer goed de opvatting kussenmaker, bij uitbreiding kussenstikker, dekenstikker, mnl. culctsticker hebben gehad. Vgl. Diefenb. Gloss., waar wij vinden niet alleen ‘en sydensticker, pluymkoefer, eyner der pflum kauffet, en plumenstricher,’ maar ook ein betmacher. Doch hetzij dat deze bet. historisch of volksetymologisch is, zeker is dat in den Bijbel van 1360 plumere dient en dienen kan ter vertaling van ‘polymitarius’. Het woord plumere, nl. pluimer (slechts als geslachtsnaam bekend), schijnt rechtstreeks aan het Latijn te zijn ontleend, althans een ofra. fra. plumier heb ik niet kunnen vinden: nog juister is wellicht de onderstelling dat het woord naar het voorbeeld van het Latijnsche woord afgeleid is van plume, dat ons in het hier vereischte verband boven voorkwam in den Delftschen Bijbel; vgl. voor eene dergelijke vorming pluimage, naar fra. plumage; pelgrimage naar pélérinage, e.a.

Scerven, een in het Mnl. zeldzaam woord met de bet. klein snijden. Vgl. mnd. scharven, scherven; mhd. scharben; ohd. scarbôn; ags. sceorfan en Franck op scherf. In den H.B. komt het woord voor op f. 215c: ‘(hij) schervetse (de bladeren) in den pot van den potetene’, vertaling van lat. (II Kon. 4, 39): ‘collegit colocynthidas agri et concidit in ollam pulmenti.’ Vgl. Hs. Serr. 14, bl. 118 (Mnl. Recept.): ‘men moetse (de geneeskrachtige planten) beede te gader minghen ende scerven in de nap’; en Hs. Yp. 7a: ‘Nemt agrimonie ..., venkel, rute, scellewortte ende rosen ende scervetse al te gadere ende stampt.’ Kil. scherven, concidere minutatim, conscindere, consecare minutim. In den Delftschen Bijbel staat op de plaats uit II Kon. 4: scoordese voor schervetse; waarschijnlijk geraakte het woord in Noord-Nederland eerder in onbruik dan in de zuidelijke gewesten, en werd het dus niet meer door den bewerker van den D.B. begrepen.

Schrinkelen, een eigenaardig woord voor iemand het beentje lichten, hem een loer draaien. Het komt voor f. 30b in

[p. 16]

de geschiedenis van Jacob, van wien ald. gezegd wordt: ‘gherechtelic so is sinen name geheten Jacop, want ziet, hy heeft my nu anderwerf ghescrinkelt.’ Vgl. Gen. 27, 36: ‘juste vocatum est nomen eius Jacob: supplantavit enim me en altera vice’, in onze vert. ‘dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen.’ Ook komt het, van het boven genoemde ww., afgeleide scrinkelaer voor f. 28d: ‘Jacob beduet scrinkelaer omdat hij sijns broeders plante hielt’, vgl. Gen. 25, 26: ‘plantam fratris tenebat manu.’ Het woord is ook elders in het Mnl. gevonden, en wel in den Bijbel v. 1423; zoo b.v. f. 165c: ‘die slaept (slaap) wert van hem ghenomen, tenzij dat zij ghescrinkelt hebben’ (Spreuken 4, 16: rapitur somnus ab iis nisi supplantaverint); f. 171c: der verkeerder scrynkelen sal di woesten (ook Hs. v. 1360, 43d; Spreuken 11, 5: ‘in impietate sua corruet impius’; de bedoeling is dus blijkbaar ‘de goddelooze zal door zijne eigene snoodheid ten val gebracht worden); 238d (Jezus Syrach 13, 7): ‘Bistu hem noottroftich, soo sal hy dy scrinkelen (lat. decipiet te)’; Hs. Acq. 98b (ook Hs. v. 1360, 2d): ‘scrinkelt god dat vonnesse ende verkeert die almachtighe dat gherecht is?’ (Job 8, 3: ‘numquid Deus supplantat (d.i. verkeert) judicium?’); ald. 102b: ‘hy scrinkelt die voirbarighe ende verwandelt der ghewarigher lippen’; Hs. v. 1360, 46a: ‘eens menschen sotheit scrinckelt sine screden’ (Spreuken 19, 3: ‘stultitia hominis supplantat gressus ejus).’ Het woord, waarvan het samengestelde nederschrinkelen in dezelfde bet. voorkomt, D.B. Jesaia 29, 21 (zie de plaats bij De Jager, Freq. 1, 602), behoort tot de talrijk vertegenwoordigde familie van schrank. Zie Franck op schrank, en Kluge op schränken, waar verschillende ww. van dezen stam worden genoemd met de bet. bedriegen. Vgl. verder ndl. schranken, (Van Dale3 1372); mnd. schrankelen, hinken, stotteren; De Jager 1, 602 op schrinkelen en 591 vlgg. op schrankelen; eng. shrink, krimpen, zich terugtrekken (E. Müller 2, 383; Skeat 434); Kil. ‘schrinken, vetus Fland. contrahere, retrahere; ang. schrincke’. Het mnl. scrinken bet. òf ten val brengen (Velth. I, 49, 45; II, 17, 58;

[p. 17]

Lanc. III, 22561; Boëth. 280c), òf benadeelen (Doct. II, 3060 var.; Boëth. 78d), òf belemmeren, beletten(Limb. VI, 2532; XII, 374).

Singelen (sengelen), een in het Mnl. zelden voorkomend ww. met de bet. schroeien, en blijkbaar freq. van sengen. Het was vroeger alleen gevonden bij Kil., die opgeeft: ‘singhelen, j. senghelen, ustulare’. Onlangs werd het voor het eerst bij een schrijver gevonden, nl. Hs. Pelgrimage 110d: ‘daer om sal ic noch sijn gebernt, gebroeyt ende gesingelt’; thans kan ik aan deze éene plaats twee nieuwe toevoegen uit den Haagschen Bijbel, nl. f. 76d: ‘dierste van dinen vruchten van aeren die noch groyen so saltuse singelen by den vuere ende brekent ontwee en die gelike van meel’ (Levit. 2, 14: torrebis igni), en 109c: ‘so singelden sy aent vuer versch coornare.’ In het Vla. kent men in denzelfden zin zangelen, in het Eng. to singe, en in enkele duitsche dialecten sengeln, sänglen, singeln. Zie De Jager, Freq. 1, 940, en vgl. zengeren, ald. 2, 733.

Wasschel, een tot heden onbekend woord met de bet. koek, offerkoek, voorkomende f. 235b: ‘opten berch dair mense (de mane) aenbede ende oeffende, dair offerden sy wasschelen ende versche offerhande.’ Het woord is waarschijnlijk hetzelfde als wastel of wasteel, waarvoor het wellicht verschreven is (*wascel gelezen voor wastel). Men weet dat het fra. gâteau, mfra. gastel, prov. gastals afkomt van het germ wastel, waarvan de oorsprong niet bekend is, en dat het rom. woord op nieuw werd overgenomen in mhd. gastel, zie Diez en Littré op gâteau; Körting op wastel; Harl. Gloss. wastel, libum; Diefenb. op libum; Diut. 2, 221 (Gloss. Bern): wastel, liba, en een voorbeeld van wasteel, Rose 7426: ‘een wasteel in vieren te deelne’ (fra. uns rostis gaustiaus).

Wate, de snede van een wapen, de scherpe kant, het scherp van een wapen, vooral van een mes. Een nieuw voorbeeld van dit woord, waarover ik handelde Tijdschr. 11, 287, vond ik f. 49b: ‘sy hieten dat scherp wate een sceers’ (lat. acutissimam aciem). Hier blijkt het onz. geslacht. Het woord is hier waarschijnlijk het onz. van het als znw. gebruikte bnw.

[p. 18]

wat, d.i. scherp; vgl. mhd. wetze, ags. hwät (daarnaast hwäs, mhd. was, got. hwass(aba), ohd. hwas). Vgl. ndl. wetten, hd. mhd. wetzen, d.i. eig. *wat of scherp maken. Zie Franck en Kluge. Daarnaast kan een vr. znw. wate bestaan hebben in de bet. scherpheid, scherpte, en vervolgens concreet scherpte, het scherp, overeenkomende met mhd. wetze, vr.: op de andere, Tijdschr. 11, 287 genoemde, plaatsen waar het woord voorkomt, blijkt het geslacht niet.

Weffele (weffel), een vooral vlaamsch woord, waarvan het wenschelijk zal zijn eenige plaatsen bijeen te brengen, daar het uit gedrukte teksten tot heden alleen uit Sp. III1, 36, 106 is opgeteekend. Het beteekent striem en is behalve op deze plaats nog gevonden Haagsche Bijbel 1, 60 d: ‘sterfter twijf af, soo sal hy geven ziel om ziel, ooge om ooge, tant om tant, hant om hant, voet om voet, wonde om wonde, weffele om weffele’ (vgl. Exod. 21, 25: livorem pro livore; in onze vert. buil voor buil); Hs. Acq. 141 d: ‘die weffele eenre woude (l. wonde) waghet (l. vaghet) tquade off ende die slaghen hoeden van den buuck’ (vgl. Spreuken 20, 30: livor vulneris absterget mala; in onze vert. gezwel); Hs. IIde Part. 234 d: ‘hi wert vertorden om onse sonden ... ende met sijnre weffelen sijn wi gesont worden’ (Jesaia 53, 5: ‘livore ejus sanati sumus’; in onze vert. striemen); ald. 243 b: ‘van sinenweffelen sijn wi genesen’; zoo ook eindelijk in onzen tekst 11 d: ‘dus hadde hi Caym ghedoot inden woude (l. inde wonde, lat. in vulnus meum (Gen. 4, 23) ende den jongelinc in der weffelen der woude (l. wonde, lat. in livorem meum, in onze vert. om mijne buile). Kil. kent het woord in twee opvattingen, die beide in de genoemde plaatsen kunnen vertegenwoordigd zijn, nl. striem (‘weffel, wevel, Fland. streme, vibex); en in die van puistje, bepaaldelijk als gevolg van de beet eens insekts (‘weffel, pustula s. tumor exilis ex aculeo muscae, apis, vespae vel morsu pulicis’; Plant. ‘weffel, petite enflure, piquée d'une mouche à miel ou d'une pulce, pustula’). De bet. streep zal wel de oudste zijn, daar zij den overgang vormt tot de gewone

[p. 19]

opvatting striem (vgl. Franck op striem; hd. strieme, striem, streep; ndl. striem, streep; Kil. streme, linea, lineamentum, filum, tractus et stria et radius). Immers weffel, wisselvorm van wevel (als bessem naast bezem; neffens, teffens naast nevens, tevens; Steffen naast Steven; zie Franck, Mnl. Gramm. § 95 en vgl. Hs. Acq. 206 b: ‘der gheesselen wonde maect die wevele (= weffele vr.); Hs. v. 1348, 115 d: ‘in siere wevele sijn wi ghezont werden’; ook 136c e.e.), komt van weven, en bet. eig. inslag. Vgl. mhd. wëfel, wëvel; Kil. wevel, subtegmen, subtemen, tela; mnd. wevel (vgl. Lübben 5, 702: ‘weffel vel werpe, stamen, tela, Voc. Engelh.’), Haagsche Bijbel 1, 83a: ‘een wollen of een lynnen cleet, dattie lazerie heeft in werp of int wevel’ (Levit. 13, 47: in stamine atque subtegmine, in onze vert. aan den scheerdraad of aan den inslag); ook D.B. Levit. 13, 47: ‘in werp of in wevel’); Harl. Gloss. wevel, subtegmen. Teuth. wefsel of werpsel, web, trama, ind dat schersel heyt stamen. Uit deze beteekenis, de inslag, de draden die in eene rechte en onderling evenwijdige lijn overdwars het goed doorloopen heeft zich die van streep, striem en daaruit de andere opvattingen ontwikkeld.

Weieren f. 46d: (‘de stier Apis) wart boven hem luden ghevoert, alsof hy gheweyeert ende gespoelt had’. Er staat geweyeert, doch dit zal wel op te vatten zijn als geweyert; vgl. boven *hackeren en ald. ook botteren. De eigenlijke beteekenis van weyeren blijkt niet duidelijk: het Latijn der Hist. Schol. heeft alleen ‘tanquam psallens ferebatur’, en op psallere bij Diefenb. is geene glosse te vinden, welke het woord opheldert. Waarschijnlijk is het hetzelfde woord als mhd. wiheren, huppelen, springen, dat met de bet. van psallere vrij goed overeenkomt, of als (mhd. weien,) hd. wiehern, hinniken.

Withere. Ten slotte vermeld ik een tot heden onbekenden of althans onopgemerkten mnl. term voor grootvader van moeders zijde, nl. withere, dat wij lezen f. 228 d: ‘Ysayam sinen withere ofte oudevader van sijnre moeder wegen dede hij (Manasse) oovermits ontwee saghen’. Ook hier weder is Kil., wiens voor-

[p. 20]

treffelijk woordenboek ons bij het onderzoek, in de vorige bladzijden beschreven, reeds zoo vele diensten heeft bewezen, de eenige die ons het woord, thans ook in een tekst gevonden, heeft bewaard. Hij geeft op: ‘witheer, avus’, waarbij hij verwijst naar wite, waar Kil. aan het etymologiseeren is. Wij lezen daar: ‘wite, witigh, witte, wittigh, vetus sciens, prudens, peritus; witevrouwe, witike wijf, witte vrouwe, witvrouwe, Fris. Sicamb. lamia, larva, saga, maga, mulier sciola, incantatrix, sic dicta quod multa scire velit. Hierbij wil hij dus witheer voegen: doch dat hij zelf niet zoo heel zeker van zijne zaak was, blijkt uit hetgeen wij bij hem op dezelfde bl. 814a lezen: ‘witheer, avus, forte a scientia, forte ab alba canitie sic dictus’. Op zich zelf is het niet onmogelijk, dat er een bnw. wit met de bet. wetende, wijs, kundig heeft bestaan. Grimm meent het ook te herkennen in het bnw. ags. bilewit, bilwit; zie Grimm, Myth. 4392 en vgl. Mnl. Wdb. op belewitte. Doch het is tot heden in het Mnl. niet gevonden, noch als afzonderlijk bestaand woord noch als duidelijk deel eener samenstelling, en daarom blijft het twijfelachtig, in welke beteekenis wit in withere, hetwelk in de andere germ. talen niet voorkomt, moet worden opgevat. Natuurlijk is de bet. van ndl. wit niet uitgesloten: in het Ndl. noemt men een oud man ookwitbol of witkop, doch het is niet waarschijnlijk, dat men withere aldus heeft uit te leggen, en dit des te minder, daar Kil. ook witman als verouderd oostmnl. (vetus Sicamb.) opgeeft in de bet. weduwnaar, en witvrouwe, zonder toevoeging van dialect in de bet. weduwe. Ook blijft het vreemd, dat het woord alleen beteekent ‘grootvader van moederszijde’, eene beperking trouwens, welke Kil. niet kent. Voor het gebruik van here in namen voor grootvader, vgl. groothere en grootevrouwe; schoonhere, Fland. j. grootvader (Kil.), en *aenhere, *aenvrouwe, welke althans in het Oostmnl. zullen bestaan hebben naast de in den Teuth. opgegeven vormen anichhere en anichvrouwe.

j. verdam.