Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 33]

Netteboef.

In de laatste aflevering van het Mnl. Wdb. het woord ‘netteboef’ besprekende, zegt Prof. Verdam: ‘De verklaring van het eerste deel staat niet vast.’ Uit de verschillende aanhalingen, die wij hier ter plaatse zoowel als elders in zulk een verblijdenden overvloed vinden, schijnt wel te blijken dat, behalve in de opgegeven beteekenissen, het woord ‘net’ kan opgevat worden in den zin van een uit touw geknoopt lichaamsbedeksel. Van een geknoopt hemd, als kleeding van een rabaut of netteboef, wordt gesproken in den bundel ‘Veelerhande Geneuchlicke Dichten’, aangehaald door Prof. Kalff in zijne Gesch. der Ned. Letterk. in de 16e eeuw, I, bl. 169: De ‘heylighe vader Sinte Magher-sot van Gecx-huyse was degeen, die de orde instelde en ‘Broeder Aernout’ was de eerste broeder, die daarom later tot ‘Heere ende Abt’ in die orde verheven is. Wil iemand zich in deze ‘Orde van Aernouts broederen’ - ook wel de ‘Orde der Rabauwen’ genoemd - laten opnemen, dan moet hij eerst al zijne kleederen verdrinken: mantel, wambuis, hoed, kousen, schoenen en daarna het ‘ordenshabijt’ aantrekken, ‘twelck is een geknoopt Hembde met een net.’ - Kan het woord ‘net’ hier reeds de beteekenis hebben, welke aan ‘netken (reticulum)’ werd toegekend in de 17e eeuw? Te Utrecht verscheen in het jaar 1613 eene vertaling van 27 colloquia van Erasmus en van 13 dialogen van Lucianus1). De vertaler heeft

[p. 34]

zijne taak uitstekend verricht; hij heet Andreas van Oosterbeeck en was blijkens de onderteekening zijner ‘Voorreden’ Dienaar des H. Euangely binnen Montfoort. Te vergeefs is te Montfoort onderzoek gedaan naar eenige bijzonderheden aangaande hem; noch in het Stedelijk Archief - bij een' brand is daar veel verloren gegaan -, noch in de kerkelijke boeken - het oudste begint met het jaar 1698 - is iets aangaande Ds. Andreas van Oosterbeeck te vinden. Welnu in de XXVIe tsamensprekinge, Ptochoplousij Franciscani1), komen twee Franciscaners, na bij den pastoor de deur gewezen te zijn, den herbergier (Pandocheus) om nachtverblijf vragen. Na lang aanhouden vinden zij een plaatsje aan den disch: de herbergier vraagt: Van waer comt ghy? Con. Van Basel. Pan. Ey, van soo verre? Con. T' is soo. Pan. Wat soorte van menschen zijt ghy doch, die alsoo sonder Peerden, sonder borse, sonder knechten, sonder wapenen, ende sonder victaellie om her swerft? Con. Ghy siet eenichsins een litteecken des Euangelischen levens. Pan. My dunckt dat het een leven der Landloopers is, die herwaerts ende derwaerts met het netken om her swermen2). Big het woord reticulo (netken) teekent P. Rabus het volgende aan: Reticulum significat sacculum in modum retis contextum, quo viatores panem et nummos gestant. Derhalve: de ook nu nog niet geheel in onbruik geraakte reticule. Naar aanleiding hiervan vraag ik: ‘Kan net soms reeds vroeger de beteekenis van bedelzak gehad hebben naast die van voddig kleed, gemaakt van geknoopt touw en zou soms het “ordenshabijt” der rabauwen

[p. 35]

of netteboeven geweest zijn een geknoopt hemd met een bedelzak?’ Nemen we hemd in de beteekenis van zak (zie Mnl. Wdb.), dan wordt het geknoopte hemd het net, en het net het kleed; derhalve de zak of reticule blijft. Waarschijnlijk heeft Marnix ook netteboeven bedoeld met het woord sackbedelaers in het vijfde capittel van den Byencorf: ‘Daerenboven souden sy [de canones ende decreten der Pausen] alle de Bisschoppen ende Prelaten, alle Apten, Monicken ende Canonicken van hare rijckdommen, wellusten, ende goede dagen berooven, ende soudender arme sackbedelaers van maken, om datter met uytghedruckte woorden in de decreten verboden staet, dat de gheestelijcke lieden geene rijckdommen mogen besitten.’

Hoe het hiermee ook gelegen zij - de beslissing verblijve aan meer bevoegden - het bovengenoemde werk van Ds. A. van Oosterbeeck is voor de lexicographie niet zonder belang. Terwijl reeds in 1529 van de Colloquia eene Spaansche vertaling verscheen, in 1545 eene Duitsche, in hetzelfde jaar eene Italiaansche, in 1559 eene Fransche en Vlaamsche (Colloques familières en françois flameng), zag de eerste Hollandsche (Colloquia familiaria, ofte gemeenzame 't samenspraken, Amst.) pas in 1610 het licht. Daarop volgt dan drie jaren later onze Utrechtsche. Sedert werd er nog eene uitgegeven te Amst. 1622, Haarlem 1634, Campen 1644, Utrecht 1654, Amst. 1660, weer te Utrecht 1664, Rotterdam 1684, Amsterdam 1697, Groningen 1840. De vertaling van A. van Oosterbeeck is niet volledig; zij is eene bloemlezing en had dus evenals Sommighe schoone colloquien .... overghezet door M. Cornelis Crul. Delf, Adr. Gerritsz. 1611, in de Bibliotheca Erasmiana, aan welke ik bovenvermelde opgaven dank, eene plaats moeten vinden bij de Colloquia Selecta.

Het zij mij vergund hier enkele bewijzen te geven van hetgeen ik beweerde aangaande de belangrijkheid van het werk van Ds. van Oosterbeeck voor de lexicographie. Het levert ons tal van bewijsplaatsen voor woorden bij Plantin en Kiliaen te vinden, of uit deze door Oudemans wel vermeld, doch niet door gebruik gestaafd.

[p. 36]

Arpenninck. Fol. 46 b: Ten laetsten quamen sy vanden prijs over een, daer wierde eenen ghenoechsamen grooten arpenninck ghegheven, namelijck eenen Conincx-gulden, op datter gheen vermoeden van eenen gheveynsden coop soude vallen. Hippoplanus, p. 2511), datur arrha satis magna.

Beplecken (pleisteren, witten). Fol. 23 b: gelijck in huysen .... de wanden bepleckt ofte met berderen werden beschoten. Puerpera, p. 277: quemadmodum in aedibus .... incrustantur aut convestiuntur tabulatu parietes.

Betoonen (betoogen). Voorreden, bl. 25: Maer mijn ooghemerck is alleenlijck om te betoonen, dat de regheringhe des oorlochs niet sonder groote sorghe, moeyte, arbeidt ende swaricheydt en can ghebruyckt werden.

Bolleken (bolletje, kereltje). Fol. 33: Weest ghy alle te gelijc met eene begroetinge gegroet, mijn alderliefste bollekens. Senile colloquium, p. 204: mihi carissima capita. Kil. capitulum, capitellum. In het Spel v.d.H. Sacr. v. Nyeuwervaert, vs. 1220, Soe sal mijn bolleken spelen int gramme, zal bolleken ook wel beteekenen hoofdje of pars pro toto ik.

Brille. Fol. 33: Wat wilt ghy met uwe glasene oogen? Senile colloquium, p. 204: cum tuis vitreis oculis. Van Oosterbeeck teekent hierbij aan ‘Hy meynt hier eene glasene brille mede.’

Ceruys (loodwit, blanketsel). Fol. 62 b: vernis, ceruys, antimonio, ende andere schoone verwen behoorde men den edelen Vrouwen te laten. Senatulus, p. 423: cerussam .... oportebat claris foeminis relinquere.

Fusteyn (bombazijn). Fol. 49 b: Uwe cleedinge en sy niet wollen, maer ofte van zijde, ofte indien ghijt niet en hebt om te coopen, van fusteyn. Ementita nobilitas, p. 403: Ne vestis sit lanea, sed aut serica, aut, si deest quî emas, fustanea.

Hellevege. Fol. 12: Hy soude gevoelt gehadt hebben, dat hy met een hellevege te doen hadde. Conjugium, p. 144: Sensisset sibi cum viragine rem esse. Verdam i.v. helleteve.

[p. 37]

Herick (onkruid). Fol. 21 b: Die scherp gezicht van doen hebben, waerom wachten sy haer voor herick ende ajuin? Puerpera, p. 273: Cur quibus est opus oculorum acie, vitant lolium et caepas? Verdam, i.v. haderic.

Hooft-sweer (hoofdpijn). Fol. 104 b: Het en was misschien gheen onsinnighe sieckte, maer hooft-sweer van wijndrincken gheweest. Peregrinatio, p. 300: Non fuerat phrenesis, sed paroenia fortassis. Plant., hooftsweere, hooftwee, douleur de teste, capitis dolor.

Horselen tergen. Fol. 84: Op dat de Horselen niet getercht en werden. Aant. v.d. Vertaler: Men seyt met een ghemeyn spreekwoordt, wanneer men de ghene vertoornt die ons beschadighen cunnen, dat men alsdan de horselen tercht. Funus, p. 364: Ne quid irritentur crabrones. Harrebomée, bl. 335: Men moet de horzelen niet tergen.

Hoy saeyen. Fol. 48 b: Dat sal gheschieden wanneer men t' Hoy saeyt. Πτωχολογία, p. 256: Id fiet ad Calendas Graecas.

Huyler (rouwklager). Fol. 82 b: ende daer souden eerent halven twaelf huylers mede gaen. Funus, p. 361: et honoris gratia ploratores duodecim comitarentur.

Irricken (herkauwen). Fol. 112 b: ende t' gene ghy doemaels gegeten hebt met de vertellinge als irrickt ofte hercauwet. Luc. Gall. 8: ϰαὶ ἀναμηρυϰώμενον .... τὰ βεβρώμενα. Verdam, i.v. edericken.

Cassepaep (geestelijke belast met de zorg voor het reliquieënkastje). Fol. 100: Ende over al zijn daer Cassepapen tegenwoordigh. Peregrinatio, p. 289: Et nusquam non praesto sunt mystagogi. Verdam, i.v. casse.

Kicken (den mond openen). Fol. 51 b: Sy en sullen in u afwesen van u niet en dorven kicken, die hebben dat sy niet en begheren te verliesen. Ementita Nobilitas, p. 409: Non audebunt in absentem hiscere quibus est quod nolint amittere. Plant. Kicken oft morren, grommeler, parler entre les dents, mussare.

Climtafel (scheepstrap). Fol. 124: dat sy haer vele corcx

[p. 38]

toe geworpen hebben .... ten laetsten oock clim-tafelen, die voorwaer gheensins cleyn en waren. Luc. Tox. 20: ϰαὶ τὴν ἀποβάϑραν αὐτὴν οὐ μιϰρὰν οὖσαν.

Cloeckaert (een flink man). Fol. 14: Wel aen, of ghy door de consten van Circe .... uyt eenen luyaert eenen cloeckaert condet maecken, en soudt ghy t' niet doen? Conjugium, p. 151: Age, quid si Circes artibus posses .... reddere .... ex cessatore diligentem, nonne faceres?

Clootken (kogeltje). Fol. 84: De huysvrouwe vertelde dat hy eertijts met een clootken uyt een busse gheschoten was. Funus, p. 364: Uxor narrabat illum quondam ictum sphaerula bombardica.

Kockelen (kraaien), Fol. 114: Maer, o Haen, waerom en bracht ghy 't niet uyt .... Ick kockelde. Luc. Gall. 14: ἐϰόϰϰυζον. Halma, kokkelen, chanter comme le coq. De Jager, Frequent.

Costvry (vrijgevig). Fol. 54b: Ten laetsten door mijn roepen overwonnen zijnde begonde hij costvryer te worden. Opulentia sordida, p. 462: Tandem victus meis clamoribus coepit esse splendidior.

Crakelingh (kraakbeen). Fol. 22: daer en zijn de drie crakelinghen oock niet, die van de drie musculen beweecht werden. Puerpera, p. 274: nec tres adsunt cartilagines a tribus motae musculis.

Crygel (volhardend). Fol. 26: Het (kind van Venus) is wreeckachtigh ende crygel. Proci et puellae, p. 127: Sed habet puerum vindicem ac pervicacem.

Crijchsbaer (krijgshaftig). Fol. 83 b: Dat was crijchsbaer ghenoech ghesproken. Funus, p. 363: satis militariter.

Leeder (ladder). Fol. 78: T' is geschiet, ende de leeders opgetogen zijnde, hebben sy alle te gelijc aerde daer op geworpen. Exequiae Seraphicae, p. 476: Factum est, subductisque scalis, omnes simul injecere terram.

Lief-cruydt (minnekruid, minnedrank). Fol. 13 b: (sy) vertellen dat Venus ... een Liefden-gordel heeft ..., in hetselve is allerhande Lief-cruydt ingewrocht. Conjugium, p. 151: narrant

[p. 39]

Venerem .... habere cestum .... in eo intextum esse quidquid est amatorii medicamenti.

Loven (een' prijs bepalen). Fol. 46: (Hy en liet my niet gaen, eer dat ick hem het Peerdt op gelt settede). Ick loofde het veel dierder dan ick het ghecocht hadde. (Non dimittit me, nisi pronunciatâ equi indicaturâ). Indicavi non paulo pluris quam emeram. Verdam IV, kol. 851.

Lupyne (wolfsboon). Fol. 1 b: Wat eeten sy dan? - Maluwe, loock ende lupynen. Proci et puellae, p. 124: Quibus igitur vescuntur? - Malvis, porris et lupinis.

Middelrift (middelrif). Fol. 84: Daer hingh een stuck loots in het middelrift. Funus, p. 364: Fragmentum plumbi inhaerebat diaphragmati.

Murmulen (mompelen, fluisteren). Fol. 64 b: daer murmulen ick en weet niet wat volcken, segghende onbillijck te zijn, dat de saecken der menschen om de bysondere toornicheyt ende eergiericheyt van twee ofte drie persoonen wille t' onderste boven gekeert werden. Charon, p. 382: conferunt susurros populi nescio qui.

Nachtsch (nachtelijk). Fol. 91: of eenen barbarischen Hopman te ghehoorsamen, die u dickwijls tot groote ende nachtsche reysen roept? Militis et Carthusiani, p. 157: an obedire barbaro cuipiam centurioni, qui saepe magnis ac nocturnis itineribus vocet? - Evenzoo oorloochsch. Fol. 95: Wat? of een borger de cleedinge eenes crijchsmans, vederen, ende andere leveryen der oorloochscher Sodtheydt aennaem? Franciscani, p. 221: Quid si civis sumeret cultum militis, plumas, ceteraque stultitiae Thrasonicae insignia? - en wijfsch, Fol. 13 b: Met dese soodanigen wijfsche spreucke is het herte des mans bedwongen ende overwonnen. Conjugium, p. 150: Hoc dicto tam uxorio fractus ac victus hominis animus.

Opmaecken (aanzetten, opstoken, omkoopen). Fol. 55 b: .... maect hy eenen Medicijn op, die my een familiaer vriendt was, op dat hy tot matinge van spijse raden sou .... Ende terstont merckte ick dat hy op gemaeckt was. Opulentia sordida,

[p. 40]

p. 464: subornat medicum mihi amicum et familiarem, ut persuadeat victus moderationem .... Moxque sensi subornatum. (Noch bij Plant., noch bij Kil. in die beteekenis). - Evenzoo toemaecken. Fol. 46: Vanden mensch wech gegaen zijnde, maeckte ick terstondt eenen toe, die my dit spel soude helpen spelen. Hippoplanus, p. 251: Digressus ab homine, mox suborno, qui mihi partem agat hujus fabulae. Ook zoo: uytmaeken. Fol. 89: De Misse gheeyndicht zijnde wierd eener uytgemaeckt, die hem van de sake vermanen soude, als of den brief by geval gevonden waer. Exorcismus, p. 242: Eâ peractâ subornatus est, qui eum submoneret de re, quasi casu deprehensa.1)

Ordinaris (gebruikelijk, plechtig). Fol. 106: Ick bekenne dat in de heylighe cleederen ende in de vaten des Tempels den ordinarisen Godes dienst syne weerdicheyt toecomt. Peregrinatio, p. 304: Fateor in sacris vestibus, in vasis templi, deberi cultui solemni suam dignitatem. Kil. ordinaris, ordinarius: statarius: solennis: usitatus.

Pant, onder-aerdtsche p. Fol. 105: Van hier vertrocken zijnde, gingen wy in het onder-aerdtsche pant, dat heeft syne Casse-papen. Peregrinatio, p. 302: Hinc digressi subimus cryptoporticum; ea habet suos mystagogos.

Peerde-ruyter (cavalerist). Fol. 127 b: Hierentusschen waren de Sauromaten in onsen lant gecomen met tien duysent peerde-ruyters. Luc. Tox. 39: ἧϰον δὲ ἡμῖν ἐπὶ τὴν χώραν Σαυρομάται μυρίοις μέν ἱππεῦσιν.

Pomperye (praal). Fol. 75: ick achte dat een yegelijck

[p. 41]

Christen hem selven inden Doope Gode toeeygent, wanneer hy alle pomperye ende wille des Duyvels versaeckt. Exequiae Seraphicae, p. 469: ego arbitror unumquemque Christianum se totum addicere Deo in baptismo, cum renunciat omnibus pompis et voluptatibus Satanae. Plant. pomperije, wtwendigen staet, pompe et appareil solemnel, pompa. Kil. pomperije, pompa, apparatus. Nog in den Voetval der Gentenaars van Tollens.

Privaets-huyske (bestekamer). Fol. 54 b: Daer zijn schippers, die een cleyne soorte der Mosselen scheppen, inzonderheydt uyt de privaets-huyskens. Opulentia sordida, p. 462: Sunt illic naviculatores, qui concharum minutum genus hauriunt potissimum e latrinis.

Rocchen (knorren). Fol, 22: Sy soude rocchen nae der verckens maniere. Puerpera, p. 274: Grunniret suillo more.

Rosbaer (draagstoel). Fol. 62: Ist dat de slechte vrouwen met staetwagens ende Rosbaren ghevoert werden, die van ivooren ende met syde gedeckt zijn .... Senatulus, p. 422: Si palentis et lecticis eboratis ac bysso tectis vehuntur plebejae.

Ruysschen (vol geraas, ruzie zijn). Fol. 94: Morghen sal dit gheheele Dorp met suypen, dansen, spelen, kijven ende vechten dapperlijck ruysschen. Franciscani, p. 219. Totus hic vicus cras perstrepet compotationibus, saltationibus, lusibus rixis et pugnis.

Schaerwacht (wachtpost). Fol. 60 b: De Bisschoppen hebben hare Concilien, de cudden der Monicken hebben hare tsamenrottingen, de Crijchslieden hebben hare schaerwachten, de dieven hebben hare heymelicke bijeencomsten. Senatulus, p. 418: Habent episcopi suas synodos, habent monachorum greges sua conciliabula, habent milites suas stationes, habent fures sua conventicula.

Scherven (stuk snijden). Fol. 21 b: Waerom claecht ghy dan, wanneer ghy moes scherft, dat u mes plomp is, ende gebiedt dat het gewet werde? Puerpera, p. 273: Cur tu igitur quoties concidis holus, quereris aciem cultri retusam esse, et jubes exacui?

[p. 42]

Snarrig (krassend, bits). Fol. 24 .... datse (de luyte) ... door toornicheydt niet snarrigh .... en zy. Puerpera, p. 280: ne (testudo) sit stridula iracundia. Noch bij Kil., noch bij Plant. Zie Oud. Wdb. op Bredero en de Wdl. van Het Ned. Kl. in de 17e eeuw.

Sorchvuldich (bekommerd). Fol. 11 b: Wanneer hy ledich van ghemoet, ende niet verstoordt, noch sorchvuldich, noch droncken is. Conjugium, p. 146: Cum erit animo vacuo, nec commotus, nec solicitus, nec potus.

Staecketten (afpalen). Fol. 86 b: Soo kent ghy dan den wech, die aen beyden syden met boomen ghelijcke verre van malcanderen staende ghestaeckettet is. Exorcismus, p. 236: Agnoscis igitur viam utrinque arboribus pari digestis intervallo septam. Noch bij Plant., noch bij Kil.

Starren (staren). Fol. 28 b: als sy sach dat de mensche op vyghen starrede, seyde sy: Wilt ghy vygen? Convivium fabulosum, p. 260: cum videret hominem intentum ficis: vis, ait, ficos? Kil. sterren, starren j. ster-ooghen, intentis et fixis oculis intueri.

Straffen van leughen (logenstraffen). Fol. 98: Alsoo mach men sulcke gheruchten altijdt van leughen straffen. Peregrinatio, p. 284: Ita semper vanitatis coarguas ejusmodi rumores. Kil. loghen-stroopen, loghen-straffen, arguere sive insimulare mendacii.

Suyverlijck (mooi). Fol. 14: Ghy vermaent suyverlijck, maer t'is te laet. Conjugium, p. 152: Pulcre mones, sed sero. Vg. Meyer, Oude Ned. Spr. bl. 37: Men sal een oldt wijff lange proncken, eer sie suyverlick wort.

Sulleken. Fol. 15 b: Och, och, en sijn wy niet alleene, mijn sulleken? Adolescentis et Scorti, p. 175: Au, au, non solae sumus, mea mentula? Kil. sulle, sille, syle, incile, aquagium. Vg. Franck, i.v. zijl.

Toecomst (aankomst). Voorreden: ghelijck die van Arabien den toecomst der vyanden .... ghewoonlijck waren te kennen te gheven.

[p. 43]

Toelaten (toegeven). Fol. 1 b: Eerstelijck sult ghy my dit toelaten, meyne ick, dat de doot anders niet en is, dan een afleydinghe der ziele van het lichaem. Proci et Puellae, p. 124: Primum illud mihi donabis, opinor, mortem nihil aliud esse, quam abductionem animae a corpore.

Toepat (korter weg). Fol. 87: Polus was door een ander toepat voor hem t' huys ghecomen. Exorcismus, p. 238: Polus alia via compendiaria jam anteverterat.

Tsaert (geliefd). Fol. 62: De edele Vrouwen hadden eertijds alleene knechten aen hare syden ende voor haer henen gaen, ende onder deze eenen tsaerten, die der opstaender vrouwe de handt reyckte, die welcke de slincker syde der voortgaender vrouwe met sijn rechter schouder onderstuttede. Senatulus, p. 422: Solae nobiles olim habebant laterones et anteambulones: et ex his unum delicatum.

Uytschieten, gebedekens u. (gebeden uitstorten). Fol. 85: op sommige etlijcke [dingen] corte ghebedekens uytschietende. Funus, p. 366: ad nonnulla preculas breves ejaculans.

Veesken (halm, spier). Fol. 52 b: hierentusschen en gheeft niemandt den armen een veesken. Absurda, p. 402: Interim pauperibus nemo dat festucam.

Verdedinghen (verdedigen). Fol. 24 b: maer ick verwachte in wat maniere dat ghy Aristotelem sult verdedinghen. Puerpera, p. 280: sed exspecto quo pacto tuearis Aristotelem.

Verhooghen (auctie). Fol. 58: Siet wat ghy belooft, want al vercocht ghy alle uwe goederen op een verhooghen, ghy en soudt niet cunnen betalen. Naufragium, p. 165: Vide quid pollicearis: etiamsi rerum omnium tuarum auctionem facias, non fueris solvendo.

Verkeerde susterke (bekeerde z., leekezuster). Fol. 9: middeler tijt waren daer altijt eenige Vrouwen dies Cloosters tegenwoordich, die sy de verkeerde susterkens noemen. Virgo poenitens, p. 141: interim semper aderant mulieres aliquot ejus collegii, quas illi Conversas vocant.

Verstellen (veranderen). Fol. 114: naedemael het [goudt]

[p. 44]

de ghene die seer leelijck zijn, versteldt. Luc. Gall. 14: εἴ γε ϰαὶ μεταποιε̃ι [ὁ χρυσός] τοὺς ἀμόρόους.

Verwetten (bevochtigen). Fol. 117: Want dit perijckel heb ik alleene: ist dat het snymes een weynich faelgeert, ende van de rechte snydinge afwijckt, dat het int snyden het uyterste des vinghers met een weynich bloet verwet. Luc. Gall. 26: ... ὀλίγον τι αἱμαξαι τοὺς δαϰτύλους ἐντεμόντα. Vg. Eng. wet en Franck., i.v. water.

Vijftich (rozenkrans). Fol. 74: uwe aengezicht is suer, de oogen slaet ghy neder naer der aerde toe, t' hooft is een weynich op der slincker schouder gebogen, ende ghy hebt een vijftich in de hant. Exequiae seraphicae, p. 466: ... sphaerulae praecatoriae in manibus. In de Peregrinatio leest men ‘brachium habet ova serpentum’, waarbij onze Vertaler aanteekent: ‘Hy (Erasmus) verstaet hier door de vijftichs ofte roose-crantskens, diewelcke sommighe gebruycken, om hare gebeden Gode aen te tellen. Want gelijck der slangen eyeren aen malcanderen hanghende voortkomen, alsoo hangen de steenkens aen de vijftichs ofte roosen-crantskens oock aen malcanderen’.

Vlieghen (vogeljacht). Fol. 12: ghelijck edellieden ghemeynlijck gheerne te landwaerts woonen om des jaghens ende vlieghens wille. Conjugium, p. 147: ut nobiles fere gaudent habitare ruri, ob venatum et aucupium. Kil. vlieghen ende iaeghen, aucupari et venari, venari aves et feras, aucupio voluptatem quaerere, aves et feras consectari. Cf. Verdam. i.v. ketsen ende jaghen.

Voorhanden hebben (voornemens zijn, voorhebben). Fol. 7: Godt soude haer [der Ouders] herten ooc aengeblasen gehadt hebben, indien het godsalich waer, dat ghy voorhanden hebt. Virgo μισόγαμος, p. 137: Afflasset et illorum [parentum] animos Deus, si pium esset quod moliris. - Fol. 15: Christus wil het ghene wel voorspoedighen dat wy voorhanden hebben. Conjugium, p. 153: Christus bene fortunet quod agimus. Plant., vlijtich acht hebben opt gene datmen voorhanden heeft, avoir un soigneux esgard à ce qu'on a entre mains, mentem coeptis

[p. 45]

insumere. Vg. Verdam III, Kol. 97: vore hant (hande) hebben.

Voormerckingh (voorteeken). Fol. 74: In soodanighe sieckten plachten de Mediciens uyt seeckere voormerckinghen den dach des doots te voorsegghen. Exequiae Seraphicae, p. 466: In hujusmodi morbis medici certis praesagiis solent mortis diem praedicere.

Waeckinge (nachtwake). Fol. 16: Wat ghetier, wat waeckinghen lijdt ghy hier? Adolescentis et Scorti, p. 176: Heic quos tumultus, quae pervigilia sustines?

Werckelijck (werk vereischend, moeilijk). Fol. 85b: Ick en hebbe noyt van eenighe doodt ghehoort die minder werckelijck was. Funus, p. 368: Nunquam audivi mortem minus operosam.

Wiewater (wijwater). Fol. 87: Men bracht daer een groot vat vol wiewaters. Exorcismus, p. 238: Adhibitum est vas ingens, plenum aquae consecratae.

Wiel (nonnensluier). Fol. 7: Oock en sijnt al t' samen geen maechden, gelooft my, die het wiel dragen. (In eene aanteekening zegt de Vertaler: ‘Het is eenen fijnen swarten doeck, die de Nonnen op 't hooft draghen). Virgo μισόγαμος, p. 137: Nec omnes virgines sunt, mihi crede, quae velum habent.

Wijsmaecken, wijsmaeckinge (overtuigen, overtuiging, overreden, overreding). Fol. 96: Maer de ghewoonte heeft haer wijs ghemaeckt, dat dit de swaerste [straffe] van allen is. - Wanneer ick neerstelijck insie, wat de wijsmaeckinge vermach, soo stae ick u sulcks bycans toe. Franciscani, p. 223: Atqui consuetudo persuasit illis, hoc esse quovis supplicio gravius. - Ubi contemplor quid possit persuasio, propemodum assentior tibi.

Wickinge, voorgaende w. (voorzegging). Fol. 35b: Ghy en zijt niet sonder voorgaende wickinghe Polygamus ghenaemt. Colloquium Senile, p. 209: Non sine augurio dictus es Polygamus. Kil. wicker.

 

Utrecht.

p.h. van moerkerken.