Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 65]

Een paar woordafleidingen.

1. Nederlandsche en andere verwanten van lat. nūtrix.

Dat het lat. nutrix ontstaan is uit een ouder *nutritrix, ongeveer op dezelfde wijze als stipendium uit *stipipendium, honestas uit *honestitas, voluntarius uit *voluntatarius, wordt vrij wel algemeen erkend (zie o.a. Bréal at Bailly s.v.). Die niet gelooven mocht dat nutrire het prius is, zou het bewijs moeten leveren dat nutrix ‘voedster’ gevormd is van een verbum nuĕre = ‘voeden’.

Welke is echter de herkomst van nutrire? Oogenschijnlijk is het een denominativum. Het nomen, waarvan het gemaakt is, behoeft niet een i- of een consonantstam geweest te zijn. Naast verba van het type finire, mollire, ferocire, custodire heeft men bv. punire (van poena), servire (van servus) blandiri (van blandus). Op zich zelf is *nūtrŏ, evenzeer als *nūtrĭ denkbaar als thema van het uit het ons bekende Latijn verdwenen substantief, dat aan het werkwoord nūtrire ten grondslag ligt. Overwegende dat -trŏ, niet -trĭ, een gemeen idg. suffix is (voorbeelden bij Brugmann, Grundriss II § 62), behoort men hier uit te gaan van *nūtrŏ, welks nominatief waarschijnlijk *nūtrum is geweest. Dit hypothetische *nūtrum, dat zoodoende valt binnen eene welbekende kategorie van primaire derivata, wijst op een wortel nu, die een andere is dan dien wij aantreffen in lat. nŭĕre = gr. νεύειν. De beteekenis verbiedt die homonyme wortels samen te doen vallen.

Kent men nu soms van elders een wortel nu of snu - in het Latijn valt de s vóór n regelmatig af, vgl. bv. nare ‘zwemmen’ met skrt. snā, en nix, g. nĭvis met ons sneeuw -, die wat zijne beteekenis betreft, past bij het onderstelde *nūtrum en dus bij nūtrire?

Het Sanskrit bezit een verbum snu, praesens snauti, in de bet. ‘afdruipen, vocht laten uitvloeien’, namelijk waar er sprake is van uitdruiping en uitvloeiing van dierlijke afscheidings-

[p. 66]

organen. Reeds de Vedische teksten bevatten enkele afleidingen van dien wortel. Het compositum pra-snu wordt als geijkte term gebezigd om te zeggen dat de tepel of het dier ‘de moedermelk laat vloeien’; wanneer dit van zelf geschiedt, moet men, leert Pāṇini (3, 1, 89), het medium gebruiken: gauḥ prasnute svayam eva. De conventioneele rhetorica der Indiërs neemt aan dat, als eene moeder na lange afwezigheid haar kind weerziet, hare borsten vochtig worden en melk laten uitdruipen. In dien zin spreekt men in het Sanskrit van een prasnava der tepels, zooals bijv. in het vijfde bedrijf van het tooneelstuk Vikramorvaçi:

vatsa iyaṃ te jananī prāptā tvadālokanatatparā
snehaprasnavanirbhinnam udvahantī stanāṃçukam
‘kind (zegt de vader) hier staat uwe moeder, geheel opgaande in uwen aanblik; haar boezemband is vochtig door het verlangen naar u’. In de plaats van dit prasnava vindt men in handschriften en tekstuitgaven dikwijls verkeerdelijk prasrava, dat van stroomend water en dergelijken, maar niet van uitdruipende vloeistof gezegd wordt1). Op eene plaats in den Kathāsaritsāgara (13, 216) wordt prasnauti gezegd van een druipenden neus. Eene teef, die men sterk gepeperd vleesch heeft laten oppeuzelen, gaan de oogen tranen en wordt de neus vochtig: asraṃ pravavṛte tasyāḥ prasnauti sma ca nāsikā.

In deze beperking van beteekenis tot de slijmafscheiding van den neus vinden wij onzen wortel terug in eenige Germaansche woorden, vooreerst snot, zoowel op Nederlandsch als Angelsaksisch en Skandinavisch taalgebied aanwezig, mhd. snuz, dan in het bijbehoorende sterke werkwoord met trans. causat. beteekenis, in onze taal snuiten ohd. snûzan. Deze vormen gaan

[p. 67]

natuurlijk niet rechtstreeks terug op snu, maar op een uitgebreideren wortel snud sterk sneṷd, die ook in het Zend wordt aangetroffen in de bet. ‘laten vlieten’ (van tranen) en misschien ook in het Iersche snuadh aanwezig is; zie Whitley Stokes-Bezzenberger, Urkeltischer Sprachschatz (= Fick's Vergl. Wörterb. der idg. Sprachen4, II) bldz. 3161).

Uit het medegedeelde blijkt dat er voldoende grond bestaat om aan te nemen een proethnischen wortel snu waarnaast snud, in de bet. ‘uitdruipen, laten vloeien’ van vocht door dierlijke afscheidingsorganen voortgebracht. In Erān vindt men het gebruikt met betrekking tot tranen, bij Germanen en ook in Indië ten opzichte van het neusslijm2), en bij de Indiërs zagen wij dat men van uiers en tepels zegt: prasnuvanti, prasnuvate, als zij melk doen vloeien. Met het volste recht mogen wij onderstellen dat gelijk in het Sanskrit het derivatum prasnava in overeenstemming met den aard van het suffix, waarmede het gevormd is, de ‘uitvloeiende melk’ beteekent, eveneens in het Latijn het boven opgestelde hypothetische subst. *nūtrum, het onafwijsbare substraat van nūtrire, in overeenstemming met het bekende karakter van het suffix-trum, beteekend heeft ‘tepel’. Nutrire was dus oorspronkelijk een intrans. werkwoord in den zin van ‘de borst geven’. Dat het transitief gebruikt wordt in de bet. ‘zoogen’, van daar ‘voeden’ in eig. en overdr. beteekenis, kan niemand verwonderen die eenigszins bekend is met de beteekenisontwikkeling bij afgeleide verba. Zoo heeft in het Latijn arbitrari reeds vroeg zijne grondbeteekenis ‘arbitrum esse’ verloren, judicare wordt veel meer transitief gebruikt = ‘oordeelen’, dan in de bet. judicem esse, moderari dat in het oudere Latijn met den datief geconstrueerd werd heeft in de klassieke taal den accusatief.

[p. 68]

2. slap - skrt. srabh.

Zelfs de meest doctrinairen onder de Indogermanisten erkennen dat er gevallen zijn, waarin men wortelparen moet aannemen met geaspireerde en niet-geaspireerde media, die overigens in vorm en beteekenis als een moeten worden aangemerkt. Reeds in den eersten druk van zijn Grundriss erkende Brugmann die wisselvormen in beginsel (zie dl. I, § 469, 8o.), in den tweeden druk (§ 704) behandelt hij het verschijnsel uitvoeriger en geeft meer voorbeelden, o.a. skrt. ambhas naast ambu ‘water’, vgl. gr. ἀφρός naast ὄμβρος; gr. πλίνϑος naast ags. [ook Groningsch] flint; skrt. hanu naast gr. γένυς, got. kinnus (ons ‘kin’).

Als een nieuw voorbeeld van die doubletten wijs ik op ons nederl. adjectief slap, ohd. slaf, deensch slap, waarmede men oudslav. slabŭ, lat. lăbare en lābi, skrt. lamb in verband pleegt te brengen. Waaruit volgt dat men als proethnischen wortel, waartoe genoemde vormen en woorden behooren, moet opstellen slab. Toch komen er in het Sanskrit eenige woorden voor, die om hunne beteekenis van oudslav. slabŭ en ons slap niet gescheiden kunnen worden, maar die in de plaats van b de geaspireerde media bh vertoonen. Men vindt ze vooral in Buddhistische teksten. Zoo o.a. in het Divyāvadāna (ed. Cowell and Neil) 48, 10 tato Bhagavatā ṛddhiḥ prasrabdhā ‘daarop deed de Heer de betoovering verdwijnen’, hier is prasrabdhā, nom. sing. fem. van het partic. op ta van pra + srabh, nagenoeg letterlijk het Nederlandsche ‘verslapt’, ‘de Heere verslapte’, staat er ‘zijne toovermacht’, deed die wegkwijnen. Op eene andere plaats wordt pra + srabh gebezigd van een koning die, om zich aan godsdienstige overpeinzing over te geven, zijne gewone bezigheden ‘laat loopen’. Elders heet het dat, wanneer de Buddha stralen uit zijn lichaam in alle richtingen en naar alle werelden uitzendt, die stralen die de hellen en hunne bewoners treffen, het verblijdende gevolg veroorzaken dat de folteringen van de in die hellen opgesloten wezens ophouden: tena teṣāṃ

[p. 69]

sattvānāṃ kāraṇāviçsāḥ pratiprasrabhyante. In een nog onuitgegeven tekst komt het subst. prasrabdhi ‘verslapping, loslating, prijsgeving’ voor. Derhalve moet naast proethn. (s)lab, o.a. in skrt. lambati ‘neerhangen’ (vgl. de overdr. bet. van vilambati ‘talmen’) ook de wisselvorm slabh erkend worden. De vraag of ook slagv (lat. languēre enz., eng. slack, ons slak enz.) met slab te vereenigen is, laat ik hier rusten.

De woordenboeken geven den door mij als srabh gedetermineerden Sanskritwortel gemeenlijk op in den vorm çrabh. In de handschriften vindt men in de tot dezen wortel behoorende vormen nu eens s, dan weder ç. Dat het Petersburgsche Woordenboek ze met ç schrijft, en bv. de zeer gewone woorden voor ‘vertrouwend, onbezorgd’, ‘vertrouwen, onbezorgdheid’ daar gespeld worden viçrabdha, viçrambha, berust niet op overwegende gronden, maar daar er toch eene beslissing genomen moest worden, schijnen redenen van uiterlijken aard de keus van spelling te hebben bepaald. Het etymologisch verband in het bovenstaande gelegd tusschen germ. slap en indisch srabh noopt er toe de spelling visrabdha en visrambha voor te trekken. Voor den beteekenisovergang vergelijke men het fr. relâcher, relâchement, het lat. solutus, dissolutus, waar men eveneens van het begrip ‘los, slap’ gekomen is tot de uitdrukking van het onbezorgde en ongehinderde, van behagelijkheid en rust. Het Sanskrit is in dit opzicht alleen wat verder gegaan.

 

Groningen, 26 Jan. 1899.

j.s. speyer.