Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 155]

Ondermet, ondermetten.

Deze, in het Woordenboek der Nederlandsche Taal niet opgenomen, hoogst merkwaardige woorden leest men op drie plaatsen in de Colloquia Familiaria, dat is Gemeensame Tsamensprekingen van Erasmus van Rotterdam, uyt het Latijn vertaelt, Utrecht, 1654. Ten eerste, op bl. 98 in het Convivium Sobrium, d.i. Sober Gastmaal, of Hoven sonder Brood: ‘Maar weet dat hier niet med allen is, daar van ik u het ondermetten kan voor setten, dan een dronxken sonder wijn’. Ten tweede, op bl. 103, in hetzelfde Colloquium: ‘Ist dat u dit onder-metten behaeght.’ Eindelijk, op bl. 460, in: Opulentia Sordida, De vrekkige en slordige Rijkdom, of De Rijke-mager-Keuken: ‘Maar de Duytse hebben naulikx genoeg aan een ure tot een ontbijten, ook een ure tot onder-met, en anderhalf ure tot het middagmaal, en twe uren tot het avontmaal: en indien sij niet overvloedig met heerlike wijn en goet vlees en vis vervult werden, so verlaten sij haren meester en lopen inden krijg’1).

Op alle drie plaatsen is ondermet of ondermetten de vertaling van ‘merenda.’ Of in ‘het ondermetten’ een verkleinwoord of een infinitief zit, weet ik niet uit te maken. Opmerkelijk is dat de vertaler van deze Utrechtsche uitgave van 1654, hoewel hij blijkbaar de vertaling der ‘Uytgelesene Colloquia’ van Ds. van Oosterbeeck (zie hiervoor bl. 35) naast zich had liggen, ‘merenda’ teruggeeft met ondermet, terwijl deze het vertaalt met des namiddachs eten2). Wij lezen toch bij hem, fol. 55a: Maer de Duytschen en hebben nauwelijcx ghenoech aen een uyre tot een ontbijten, oock een uyre tot des namid-

[p. 156]

dachs eten, anderhalf uyre tot het middachmael, ende twee uyren tot het avontmael: ende indien sy niet overvloedich met excellenten wijn ende goet vleesch ende visch vervult en werden, soo verlaten sy haren Meester, ende loopen inden Crijch.’ Waarschijnlijk gebruikt onze Utrechtsche vertaler in afwijking van den Montfoortschen het woord ondermet in plaats van ‘des namiddachs eten’ om het woord middachmael, dat onmiddellijk volgt. Doch hoe komt hij aan ondermet? Denkelijk was in de helft der 17e eeuw dat overoude woord nog in de spreektaal in gebruik. Kiliaen vermeldt het: ondermet, ondermoes, merenda; ondermetten, merendam sumere. ‘Moes’ beteekent hier hetzelfde als spijs, met, cibus. Kil. zet nog achter ‘moes’ Ang. meate. Ook Plantin: ondermeet, vesperbroodt. Le reciner. Merenda. ‘Reciner’ is recoenare, voor den tweeden keer middagmalen. Volgens Diefenbach (II, bl. 56) is het ook bij Hoeufft te vinden. Undaurnimats (Luc. XIV, 12) besprekende, zegt hij: ‘ondermet, Vesperbrot (nach Hoeufft’), doch dit zal wel eene vergissing zijn; althans noch in de Proeve van Bred. Taaleigen, noch in de Taalk. Aanm. op eenige oude friesche Spreekw. heb ik ondermet kunnen vinden. Dit doet evenwel niet veel ter zake; van vrij wat meer gewicht is dat we in ondermet weer een van de merkwaardige woorden terugvinden die - zooals wijlen Prof. De Vries het met innig genoegen uitdrukte (Taalk. Bijdr. II, 58) - in onze taal verscholen liggen.

Van dit samengestelde woord is het tweede lid duidelijk genoeg; aangaande het eerste lid loopen de meeningen nog al uiteen; aannemelijkst lijkt me de opvatting van Leo Meyer, Die gothische Sprache. Hij gist (120, 225, 273, 439) dat undaurni- in undaurni-mati- behoort tot Oudind. antár, binnen, tusschendoor = inter, tusschen, met beteekenis ongeveer van tempus internum, den tusschentijd.

De Westgermaansche vorm van undaurni met de beteekenis van hora tertia, d.i. 9 u. vinden we in Mnl. ondern o.a. in Vanden Levene ons Heren, vs. 3027 sqq.:

[p. 157]
 
Het was ondere, die Joden quamen,
 
[Var. Ondren wast, de Juden quamen,]
 
Onsen Here dat si namen
 
Met meneger geselscap (enz.),

en in een fragment van een gedicht gevonden in een oud gebedenboek:

 
Tonderen riepen si, die man:
 
‘Men crucene zonder verste!’

zie Taalk. Bijdr. II, 56 vlgg., waar het evenwel ten onrechte door middag wordt verklaard, hetgeen duidelijk blijkt uit het eerste citaat in het Mnl. Wdb. i.v. halfonderen en uit Marc. XV, 25: ἦν δὲ ὥρα τρίτη, waar men in het Ags. leest: Da waes undern-tíd. Bij de boven aangehaalde Mnl. plaatsen kan ik nog voegen uit de Eneide (ed. Behaghel), vs. 11344-5:

 
der hêre an sinen bedde lach
 
end sliep went an den ondern.

Dat dit woord gebruikt werd voor de aanduiding van 9 u. valt nog op te maken uit Hêliand (ed. Heyne), vs. 3419-22:

 
Sum quam thâr ôk an undorn tuo,
 
sum quam thâr an middian dag man te them werke,
 
sum quam thâr te nônu, thuo was thiu niguda tîd
 
sumar-langes dages,

waar voor an undorn in het N.T. (Matth. XX, 3) staat περὶ τὴν τρίτην ὥραν en voor an middian dag en te nônu περὶ ἕϰτην ϰαὶ ἐννάτην ὥραν (Matth. XX, 5). Voor undaurnimats wordt Luc. XIV, 12 gelezen ἄριστον.

Nog in Chaucer's tijd duidde in Engeland undern den tijd van 9 u. aan. In The Clerkes Tale (ed. Skeat) vs. 981 vindt men:

 
Abouten undern gan this erl alighten
 
That with him broghte thise noble children tweye,

waar in het oorspronkelijke staat ‘proximae lucis hora tertia’, dus om 9 u. En in vs. 260 van dezelfde vertelling:

 
The tyme of undern of the same day
 
Approcheth, that this wedding sholde be,

waar het oorspronkelijke heeft ‘hora prandii,’ dat volgens

[p. 158]

Skeat in Chaucer's dagen dikwijls om 9 u. gebruikt werd.

Doch in overeenstemming met de eigenlijke beteekenis ‘tusschentijd’ (vg. ons ‘onder’ in het Wdb. der Ned. Taal X, kol. 1223) werd ondern, undern ook genomen in den zin van ‘tijd tusschen 9 en 12’, dus ‘den geheelen morgen’, vervolgens voor ‘middageten’, en eindelijk, gelijk ook blijkt uit Plantin en Kiliaen, voor ‘merenda, vesperbroodt’ of licht avondeten. Bij Van der Schueren vind ik ondern niet, doch in het Latnederd. gedeelte leest men i.v. merenda ook ‘spijse die men tusschen den myddages eten ind avendeten ytt - merendare, so eten.’

In ouder Ags. is undern en underntíd altijd de hora tertia, dus 9 u. van ons. Eerst in later Ags. twaalf uur of namiddag. Oudnoorsch undorn is ook hora tertia, maar later wisselt het ook. In Oudfriesch is unden ongetwijfeld ook hora tertia; eer unden moet het thing beginnen. Vgl. Hettema, Idioticon Frisicum: unden = mane.

Bij Graff I, 385 lezen we ‘Noch im südlichen Deutschland bedeutet Untern Frühstück, Vesperbrot, Abendbrot’, en in Schmeller, Bayer. Wtb. staan onderscheiden bewijsplaatsen in de dialecten van het gebruik van Untern voor ‘ein Essen welches zwischen den gewöhnlichen Mahlzeiten, z.B. um 9 Uhr früh, oder um 3 Uhr Nachmittags eingenommen wird’.

Een woord gelijkend op undaurnimats of op ons ‘ondermet’ komt behalve bij Bosworth - die onder de samenstellingen met undern ook undernmete opgeeft - nog voor in Wright, Vocab. 1, 290, 65 en bij Orosius, ed. Sweet, 86, 1.

Welken maaltijd onze Utrechtsche vertaler eigenlijk bedoelt met ‘ondermet’ is mij niet recht duidelijk. Ik vermoed dat we het best doen met ons te houden aan den tijd van 9 u., hora prandii (zie boven de tweede plaats uit Chaucer), vermits ‘ondermet’ tusschen ‘een ontbijten’ en ‘het middagmaal’ in staat; het zou dan zijn een tweede ontbijt of luncheon, zooals Skeat het ter aangehaalde plaats noemt.

 

Utrecht.

p.h. van moerkerken.