|
|
|
| |
| | | |
Een en ander over en naar aanleiding van het subst. sim, snoer.
Bovenstaand nomen geldt voor een aan het Friesch ontleenden vorm. En te recht. Min juist evenwel dunkt mij de, naar ik meen, voor deze opvatting algemeen aangenomen grondslag, nam. het beroep op de in den anlaut des woords gesproken s: want ook bij een echt nederfrankischen vorm zou ons een zoodanige scherpe consonant geen verwondering mogen baren met het oog op een klankwet, volgens welke de anders in den anlaut vóór een vocaal verzachte oorspronkelijke s en f ongewijzigd bleven vóór een (korte) vocaal + kk, pp of mm. Men lette op: sikkel, maaiwerktuig, mnl. sickel(e), met kk als gevolg der bekende oudwestgerm. geminatie vóór een liquida1), sukkelen met een gelijksoortige kk (uit *sükklon, door verkorting der uit iu voortgekomen lange ü voor *siuklōn = ags. sȳclian aegrotari), sokken plur. (vgl. ags. socc, uit een lat. soccus), fakkel1), sop, mnl. soppe (mnd. meng. soppe), soppen verb., mnl. soppen, sim, aap, mnl. simme, met een mm als gevolg der oudwestgerm. geminatie vóór j (oudwestnfrk. *simmia uit het lat. simia), sommige, mnl. sommich, -ighe enz., met een langs analogischen weg ontwikkelde mm (vgl. Mnl. Sprk. § 117)2). Vandaar dat we voor de s van sap, met een in den auslaut niet gegemineerd gesproken consonant, herkomst moeten aannemen uit een
| | | | mnl. verbogen sappe, welks pp òf, gelijk de mm van sommich enz., door analogie was ontwikkeld òf aan een oude pp beantwoordde (men lette op de ohd. vormen saph, saphe met ph ter voorstelling van een uit pp voortgekomen pf); vgl. de s van sok (naar den ouden plur. sokke) en som in somtijds en soms (naar sommige etc.) en omgekeerd de z in zakken verb. (naar zakt, zakte, gezakt met een regelmatig ontwikkelde zachte spirans vóór de enkele k), zakken subst. in plur. (naar een regelmatig ontwikkelden sing. zak) en de westvlaamsche vormen (z. De Bo i. vocc.) zokke, -en (naar een regelmatig ontwikkelden sing. zok), zoppe (naar een regelmatig gevormd zop; vgl. mnl. een naast het fem. soppe aangetroffen neutr. sop; met die regelmatige z van zop stemt overeen de westvl. z van zap).
Wat daarentegen wel als een stellig getuigenis voor friesche herkomst van sim moet aangemerkt worden, is de uit de verkorting der wortelvocaal des woords blijkende geminatie der m (vgl. voor de oudgerm. vormen des nomens os. sīmo, ags. sīma, on. sīmi, oudoostfri. sīma). Weliswaar kent het Nederfrankisch zoowel als het Westfriesch de verdubbeling van m (en hierdoor veroorzaakte verkorting der voorafgaande lange vocaal), maar de voorwaarde voor het ontstaan dier mm is in de beide dialekten niet dezelfde. Een westfriesche phonetisch ontwikkelde mm (en nn) is vóór een doffe vocaal (u of o) des uitgangs ontstaan onafhankelijk van de qualiteit des voorafgaanden wortelklinkers (vgl. den dat. pl. hemmen, himmen uit *hēmon, dorpen, allinna, allenna uit *allēno, evengoed als honna, namma enz. uit *hono, *nomo enz., z. Indogerm. Forsch. 7, 356 vlgg.). Voor de ontwikkeling der nederfrank. mm was doffe qualiteit zoowel van de vocaal des uitgangs als van die der wortelsyllabe een vereischte: mnl. commen enz. (naast comen enz.; zie voor deze en de volgende bewijsvormen Mnl. Sprk. § 114) met mm uit *cumo of -u 1. sg. praes. ind. en *cumon 1 pl. praes. ind.1),
| | | | (ver)dommen enz. (naast (ver)doemen enz.) met mm uit -*dōmo of -u 1. sg. en -*dōmon 1. pl. praes. ind. (door verlies der j des uitgangs voor -*dōmio of -iu, -ion; vgl. os. dōmian)1), (be)rommen enz. (naast (be)roemen enz.)2) en nommen enz. (naast noemen) met een op gelijke wijze ontstane mm (vgl. os. hrōmian, mnd. nōmen uit os. *nōmian = middeld. nüemen)3), blomme (naast bloeme) met mm uit de verbogen casus van 't zwakke femininum (vgl. ohd. bluoma, -ūn) als *blōmun of -ūn enz., brudegomme met mm uit den nom. *brūdigumo en den acc. sg. op -un. (In pelgrimme naast pelgrīme berust de mm op analogieformatie naar pelgrim, welks -im uit een oorspronkelijk -īm was ontstaan door verkorting der vocaal in een zwak beklemtoonde lettergreep4); vgl. ook het naast -doeme voorkomend -domme met mm naar -dom, dat in de zwak beklemtoonde syllabe uit *-dōm was voortgekomen4)).
w. van helten.
|
1)Deze verdubbeling wijst alzoo op een vulgairlat. naast secula (waaruit ags. sicol, ohd. sihhila met hh uit k, mnl. sekel( e), zekel( e), z. Mnl. Sprk. § 113) staand * secla; vgl. het vulgairlat. naast facula (waaruit ags. faecele) staande facla (waaruit os. facla, ohd. facchala, mnl. fackel( e) ; z. Grundr. d. germ. phil.2 1, 338).
1)Deze verdubbeling wijst alzoo op een vulgairlat. naast secula (waaruit ags. sicol, ohd. sihhila met hh uit k, mnl. sekel( e), zekel( e), z. Mnl. Sprk. § 113) staand * secla; vgl. het vulgairlat. naast facula (waaruit ags.
faecele) staande facla (waaruit os. facla, ohd. facchala, mnl. fackel( e); z. Grundr. d. germ. phil.2 1, 338).
2)Woorden, wier geschiedenis in 't duister ligt, als sikkepitje, sipperlippen, fikfakken, fokken, feppen, foppen, fommelen, zijn als bewijzen uitgesloten; mogelijk toch, dat hier de qualiteit der spirant met ontleening uit den vreemde of met onomatopee in verband staat. Ook som, mnl. somme, dat op een lat. summa berust, heb ik buiten rekening gelaten, dewijl men hier desnoods aan invloed van het fransche somme zou kunnen denken.
1)De reconstructie van dit uit een oorgerm. -* omen of -* omez voortgekomen suffix berust op hetgeen we omtrent de westgerm. ontwikkeling van het uit -* omiz voortgekomen suffix van den dat. pl. der masc. en neutr. o-substantieven waarnemen (os. - on en - un, d.i. - uon, oudoostnfrk. - on). De uitgang van den in Ps. 64, 5 der Oudoostnfrk. psalmen aangetroffen l. pl. praes. ind. uuerthun (het eenige getuigenis voor de
flexie van gemelden persoon) is een aan het praeteritum ontleend suffix.
1)Daarnaast door navolging verdommenisse.
2)Daarnaast door navolging rom voor roem.
3)Te verwerpen is de op bl. 179 der Mnl. Sprk. omtrent de wording dezer vormen vermoede mogelijkheid: geminatie der m door een volgende j. Van een geminata + j achter een lange vocaal toch vinden we in het Mnl. geen enkel spoor; over het indertijd door mij (in Mnl. Sprk. § 195) verkeerd verklaarde ( ver) loessen vgl. thans Beitr. v. Paul und Braune 20, 512 vlg.
4)Daarnaast pele-, peelgrijm (z. Mnl. Sprk. § 3) en - doem met een vocaal, die aan de verbogen vormen was ontleend, wier - grī-,
-dō- (later - doe-) als in een met bijtoon gesproken syllabe staande geen wijziging door verkorting onderging. Vgl. nog voor een parallellen ontwikkelingsgang het in Tschr. 13, 216 over - lijc, -lic enz. opgemerkte. - Het in § 114 der Mnl. Sprk. genoemde vrom is als bewijs voor geminatie der m te schrappen; van het woord dat met het ags. from (verb. frome, -um enz.) correspondeert, wordt, voorzoover mij bekend is, geen verbogen vorm met mm aangetroffen. Dat we in het naast vrom als norm voorkomend vrome een oorspronkelijk substantief te zien hebben, leert Schade in zijn Deutsches Wtb. i.v. fromm.
4)Daarnaast pele-, peelgrijm (z. Mnl. Sprk. § 3) en - doem met een vocaal, die aan de verbogen vormen was ontleend, wier - grī-, -dō- (later - doe-) als in een met bijtoon gesproken syllabe staande geen wijziging door verkorting onderging. Vgl. nog voor een parallellen ontwikkelingsgang het in Tschr. 13, 216 over - lijc, -lic enz. opgemerkte. - Het in § 114 der Mnl. Sprk. genoemde vrom is als bewijs voor geminatie der m te schrappen; van het woord dat met het ags. from (verb. frome, -um enz.) correspondeert, wordt, voorzoover mij bekend is, geen verbogen vorm met mm aangetroffen. Dat we in het naast vrom als norm voorkomend vrome een oorspronkelijk substantief te zien hebben, leert Schade in zijn Deutsches Wtb. i.v. fromm.
|
|