Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 305]

Holland - Olland.

De naam van het Nederlandsche graafschap Holland is in den laatsten tijd meer dan eens besproken. De o.a. door Kluit en door Van den Bergh1) aanvaarde verklaring als holtland, ‘houtland’ is bestreden door niemand minder dan Fruin2), doch tegen diens bezwaren gehandhaafd door Dr. W.F. Gombault3). Beider betooggronden wensch ik hier in 't kort samen te vatten, ten einde daaraan enkele opmerkingen vast te knoopen, grootendeels gemaakt, toen eene vraag van Dr. Murray ten behoeve van zijn ‘New English Dictionary’ mij aanleiding gaf het vraagstuk na te gaan.

In de eerste plaats vraagt Fruin - al wil hij, ‘op het punt der woordverandering te weinig ervaren om daarover mee te spreken’, zooals hij zegt, dit eigenlijk ter zijde laten - ‘of het waarschijnlijk, of het zelfs te gelooven is, dat holt- vóór land in hol-, in plaats van in hout-, zou zijn overgegaan’, terwijl toch b.v. Holtreka (in oude stukken) wel dezelfde naam zal zijn als de later voorkomende plaatsnamen Houtrak, Houtrick of Houtrijk. Hiertegen is door Gombault aangevoerd (wanneer ik zijne bedoeling althans goed begrijp), dat in Holtreka, den naam van enkele kleine plaatsen, de beteekenis van het eerste lid nog lang, als de plaatselijke gesteltenis aanwijzende, voor een ieder duidelijk geweest zal zijn, zoodat holt- hierin ook hout- moest worden, terwijl er bovendien geen de minste aanleiding was om tusschen l en r eene t te laten wegvallen4). In Holt-land daarentegen, dat gaandeweg werd toegepast op een veel grooter gebied dan er oorspronkelijk mede genoemd

[p. 306]

was, op het geheele graafschap in zijn lateren omvang (geenszins alles ‘houtland’ in den straks te omschrijven zin), werd holt- niet meer gevoeld als de duidelijke aanwijzer eener kenmerkende gesteldheid, en het bewustzijn der beteekenis was dus geen beletsel tegen een zuiver phonetisch proces: het wegvallen der t vóór l, dat, blijkens door Gombault bijgebrachte voorbeelden uit het Onfr., Ofri. en Mnl., reeds vóór de 11de eeuw plaats had, en tusschen twee l's natuurlijk nog veel gemakkelijker kon geschieden1). Natuurlijk moet dit dan hebben plaats gehad vóórdat -olt in die streken -out werd: éénmaal houtland geworden, zou het woord zoo gebleven zijn.

Fruin's tweede, gewichtigste bezwaar geldt de chronologie der vormen. Niet Holtland maar Holland heeft, volgens hem, de oudste brieven. Als zoodanig haalt hij aan: 1o een grafelijk zegel van 1083, 2o een dergelijk van 1168, 3o een grafschrift van 1054, 4o een giftbrief van Koning Hendrik IV van 10642), 5o eene overoude lijst der dekanieën van het bisdom Utrecht3): deze oudste getuigen schrijven allen Holland en steunen dus de naamsverklaring Holt-land geenszins. Fruin gist dan ook dat de spelling Holtland, in kroniekenhandschriften uit de 14de en 15de eeuw nu en dan voorkomende, niets is dan een uitvloeisel van den waan der geleerden van dien tijd, die, evenals hunne volgelingen van de 16de en latere eeuwen, aan de beteekenis ‘houtland’ geloofden en dus, om juist te schrijven, eigendunkelijk die t inlaschten: eene etymologische spelling dus, als uiting en ter rechtvaardiging van eene volks- (of liever geleerden-) etymologie4). Fruin erkent echter ook de mogelijkheid, dat

[p. 307]

de naam reeds lang voor hij in schrift werd gesteld zijn overouden vorm had verloren, en dat die spelling Holtland dus niet het gevolg is van een door de geleerden der 14de of 15de eeuw uit de lucht gegrepen verzinsel, maar inderdaad de restauratie van den oorspronkelijken waren vorm.

Hiertegenover heeft Gombault gewezen op eenige stukken van vóór 1250, waar reeds, evenals in de latere kronieken, Holtland staat: 1o eene plaats uit diezelfde, herhaaldelijk uitgegeven, oorkonde van 1083 (het is de veelbesproken giftbrief van Dirk V), welker zegel door Fruin ten voordeele zijner meening was aangehaald; 2o eene goederenlijst uit de 1ste helft der 9de eeuw1); 3o verschillende plaatsen uit de Annales Egmundani (in de volkomen betrouwbare uitgave der Monum. Germ. hist.), uit de 13de eeuw (of uit vroegeren tijd). De vorm met t (of d) is dus geenszins door afschrijvers uit de 14de of 15de eeuw bedacht, maar is reeds vóór 1200 aan te wijzen. Bedenken wij nu verder dat, zooals Fruin trouwens zelf reeds heeft opgemerkt, het grafschrift van 1054 ons alleen uit een afschrift van Matthaeus bekend is, terwijl de echtheid der oorkonde van 1083 niet boven allen twijfel is verheven, dan ziet men dat de tot dusverre bijgebrachte bewijsstukken, voorzoover zij betrouwbaar zijn, den hoogeren ouderdom der spelling Holland nog niet onomstootelijk vaststellen.

Trouwens eene spelling Holtland in jongere stukken dan die waarin Holland voorkomt of in gelijktijdige stukken behoeft nog niet noodwendig overal eene willekeurige, quasi-etymologische spelling of ook eene restauratie der oude, historisch juiste spelling te zijn. Zij kan, althans in oudere oorkonden, evengoed de (wellicht naast Holland) onafgebroken voortlevende oude vorm zijn, door de, vooral op 't stuk van namen, conservatieve schrijftraditie der kanselarijklerken nog gehandhaafd in een tijd toen men reeds lang alleen Holland uitsprak.

[p. 308]

Van zulke oude en tijdens het schrijven zeker reeds verouderde, d.i. niet meer met de uitspraak overeenstemmende, dus historische naamspellingen (te gelijk met en naast de jongere, phonetische) zijn, naar ik meen, tal van voorbeelden uit vroeger eeuwen te vinden (b.v. in de Nomina geographica Neerlandica). En wij behoeven trouwens slechts te denken aan de hedendaagsche historische spelling van plaatsnamen als Bodegraven (door de in- en omwoners uitgesproken Borĕf), Roelof-Arendsveen (uitspr. Roeltjesveen), Berkenwoude (uitspr. Berkou), Ransdorp (uitspr. Rarĕp), Middelharnis(se) (uitspr. M'nheërse) Mijdrecht (uitspr. Mijert), Utrecht (oud-Amst. uitspr. Uitert), Nijmegen (uitspr. Nimwegen), Ridderkerk (uitspr. Rekârk), Odijk (uitspr. Ojĕk), om in te zien hoe zoo iets ook vroeger mogelijk is geweest, toen er nog wel geene officiëele spelling bestond1), maar de klerken taai aan zekere schrijfgewoonten, aan vanouds op 't perkament aanschouwde spellingen vasthielden en b.v. wellicht nog zeer lang Abekenwalde schreven, toen men reeds lang Abkou(de) uitsprak.

Bovendien is het ontstaan eener dergelijke geleerde etymologie, zonder eenige aanleiding, in dien tijd toch ook daarom niet waarschijnlijk, omdat Holland toen evenals nu eene (zij 't al niet volkomen duidelijke) verbinding van twee Nederlandsche woorden moest schijnen, terwijl de toenmalige Hollandsche ‘geleerden’ ook wellicht nauwelijks meer geweten hebben, dat een door hen ondersteld Holt-land ‘hout-land’ zou beteekenen, welke benaming ten slotte op het in dien tijd aldus geheeten graafschap ook kwalijk meer toepasselijk mocht heeten. Dat deze etymologie toen verzonnen zou zijn is dus moeilijk te gelooven.

Het derde bezwaar van Fruin had betrekking op de gepastheid van den naam ‘houtland’ voor de streek om Dordrecht, die het eerst den naam Holland of Holtland gedragen heeft; deze was toen, meent bij, weliswaar met laag hout bewassen,

[p. 309]

maar was toch zeker in de eerste plaats een laag, drassig moerasland. Daartegen heeft Gombault opgemerkt, dat ‘houtland’ niet hetzelfde is als ‘woud-’ of ‘boschland’, zoodat men, de verklaring ‘houtland’ aannemende, waarschijnlijk aan de in die buurt veel voorkomende grienden (wilgenhakbosschen) mag denken. En niet de lage ligging (welke zeker ook aan den omtrek wel eigen geweest is), maar de rijkdom aan dat hout zal het kenmerk dezer streek geweest zijn en er dus den naam aan gegeven hebben. Ik voeg hierbij, dat die naam ook natuurlijk niet aan de streek gegeven is door Hoogduitsche woud- en bergbewoners (voor wie heel Holland, vooral toen, een broekland was), maar door de er om heen, dus eveneens in moerassig land, wonenden, die getroffen werden door deze kenmerkende bijzonderheid. De oude beschrijving der streek als een ‘locus... silvis ac paludibus inhabitabilis’ kan met evenveel recht ten voordeele van de eene als van de andere verklaring aangehaald worden. Doch de tweede door Fruin aangehaalde beschrijving als ‘silva’ doet toch meer denken aan de opvatting ‘houtland’, dan aan ‘broekland’. In allen gevalle schijnt mij ook hier voor Gombault's beschouwing veel te zeggen.

Ik meen hier even te mogen wijzen op de analogie van den naam Meriwido (Mereweda) derzelfde streek, die toch wel met silva paludosa vertaald zal mogen worden; zie V.d. Bergh, Mnl. Geogr.2 73 en 218 en verg. hetgeen boven, blz. 77-78, is opgemerkt over de waarschijnlijke toenmalige beteekenis van meri hier te lande.

Eén punt bleef echter tot dusverre raadselachtig. Fruin had gewezen op een woord olland, in den Teuthonista gelijkgesteld met broekland. Inderdaad schijnt dit woord met deze beteekenis al heel goed te passen in een betoog, dat Holland niet: ‘houtland’, maar: ‘broekland’ beteekent. Toch hadden taalkundigen bezwaren tegen eene (door Fruin trouwens ook niet rechtstreeks bepleite) vereenzelviging van Holland met dit olland. In den Teuthonista komen, luidens mededeeling van den laatsten uitgever, Prof. Verdam, geene vormen voor, waarin eene begin-h is weggevallen

[p. 310]

(en een sporadisch geval daarvan is kwalijk aan te nemen); die aphaerese, in 't Vlaamsch en elders zoo gewoon, behoort ook, zoover mij bekend is, in Van der Schueren's streektaal, het Nederrijnsch, geenszins thuis. Nog minder kan men omgekeerd de nooit ontbrekende h van Holland voor anorganisch voorgevoegd houden.

Bovendien, gesteld al dat olland ware te herleiden tot holland, waar zou dit woord holland, met de bet.: broekland, van daan komen? Zou men daarvoor denzelfden oorsprong mogen aannemen als voor dat andere Holland, den naam van het zuidelijk deel van het Engelsche graafschap Lincolnshire (reeds in 't Domesdaybook, ao 1087, voorkomende en dus zeker niet ontleend aan ons graafschap)? Volgens Dr. Murray is het eerste lid van dezen laatsten naam waarschijnlijk holl (schotsch howe, nnl. hol), en beteekent het geheel dus: hol, in eene holte of diepte liggend land; verg. the Howe of the Merse, eene streek in Berwickshire, en hichts and howes, schotsch voor: hoogten en laagten. duin en del; de oudste vorm hoiland (in 't Domesdaybook) is hierbij echter een bezwaar1). Doch deze beteekenis: laag, diep liggend moge voor 't Engelsche holl gestaafd zijn, voor 't Nederlandsche hol moet zij toch nog nader aangewezen worden, eer men daarop eene etymologie kan bouwen. In het Mnl. Wdb. III, 535, waar Fruin's verklaring van Holland is overgenomen, wordt die bet.: diep, laag, dras van hol alleen gestaafd door de vergelijking van een hol bord en een holle weg met een diep bord en een diepe weg (de Diepesteeg te Rhedersteeg is zulk een holle weg), mnd. hol ebbe = nhd. tiefe ebbe, en de verwijzing naar de bekende bet. van mnl. diep: moerassig, drassig (waar men diep inzakt). Doch wanneer hol in zeer enkele, jongere gevallen gelijk is aan diep, in de gewone beteekenis

[p. 311]

van dit woord, mag men toch eene andere, oudere bet. van dit laatste woord daarom nog niet op het eerstgenoemde overdragen. Meer steun zou die ook door Boekenoogen onderstelde beteekenis (trouwens eigenlijk niet geheel dezelfde als die van eng. holl) echter krijgen, indien de bij dezen opgegeven Zaansche plaatsnamen Holle akker en Hollerd inderdaad oud waren en die beteekenis vanouds bleken gehad te hebben (hetgeen meestal zeer moeilijk is uit te maken). Ook is 't niet te ontkennen dat de analogie van het bnw. bol, waar evenzoo de begrippen: slap, dras en: rond, plat naast elkaar staan, en dat vanouds vaak met hol verbonden is, wel eenigszins pleit voor het aannemen althans der mogelijkheid van deze beteekenis1).

Doch al is deze beteekenis: broekland der onderstelde koppeling2) holland voor 't minst twijfelachtig, zoolang olland uit den Teuthonista niet anders verklaard is, blijft dit woord met zijne door Van der Schueren - meer dan eens2), dus niet bij vergissing - opgegeven beteekenis een steun voor deze onderstelling, waardoor de twijfel aan de oude etymologie van Holland uit Holt-land voedsel krijgt. Daarom moge hier eene poging tot zulk eene andere verklaring plaats vinden. Toen ik nl. onlangs bij de bewerking van 't art. Broek (II) voor 't Ned. Wdb. de volgende opgaven vlak onder elkaar zag staan:

‘Broick. venue. ollant. goir. Palus’ enz. (Teuthonista) en:

‘Broeck, broecklandt, merasch, meersch, oft onlandt. Vn marez’ enz. (Plantijn),

toen moest zich wel de gedachte bij mij opdringen dat dit raadselachtige ollant niets anders was dan eene assimilatie van onlant, slecht land, dat inderdaad vanouds inzonderheid schijnt toegepast op drassig moeras- of broekland (zie Ned. Wdb. en weldra Verdam). Wel komen er onder de aanhalingen van het Mnl. Wdb. geene andere voorbeelden van dezen vorm voor;

[p. 312]

doch andere soortgelijke gevallen van regressieve assimilatie van -nl- tot -ll- in 't Mnl. zijn te vinden bij Franck, Mnl. Gramm. § 111, 3; Van Helten, Mnl. Spraakk. § 126 k (blz. 190); Te Winkel, Gramm. Fig. 147: ballinc, spallinc, mallike, elleven, spille, Grolle, en vooral ollede, weliswaar (evenals trouwens ollant) slechts éénmaal gevonden, doch ook voorkomende in verolledigen (Pelgrimage, Haarl. hs., f. 17b; Haagsch (tekst)hs.: veronledigen); daarnevens pilijc, lilaken, scolaken. Eene assimilatie der n van het in beteekenis zoo duidelijke en sterk beklemtoonde voorvoegsel on-, in den zin van wan-, is wel vreemd; doch de mogelijkheid er van wordt toch gestaafd door het op geene andere wijze te verklaren ollede. Ook komt zij slechts sporadisch, eene enkele maal, voor (hetgeen hier natuurlijk, heel anders dan bij het wegvallen der h- in één woord uit een bepaald dialect, zeer goed mogelijk is), zoodat de vorm onland dan ook vermoedelijk slechts hier en daar gevaar heeft geloopen, in allen gevalle spoedig overal hersteld (of gebleven) is; verg. ook het jongere, ‘herstelde’ banneling naast balling.

Is deze verklaring van ollant juist - en waar beteekenis en vorm zoo bijna geheel gelijk zijn valt er m.i. aan de identiteit eigenlijk niet te twijfelen - dan is hiermede een grond tot twijfel aan de oude etymologie van Holland vervallen. Ofschoon ik de verdere behandeling van dit vraagstuk, vooral op 't punt der oudste oorkonden, gaarne aan anderen overlaat, meen ik toch te mogen verklaren dat er, zoover wij thans kunnen oordeelen, alles wel beschouwd, meer vóór dan tegen de oude verklaring van Holland als holtland pleit1).

 

Leiden, Dec. 1899.

j.w. muller.