Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 20]

Men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan.

Dit spreekwoord heeft al menigmaal en terecht verontwaardiging opgewekt. Men heeft getracht het voor een verbastering te doen doorgaan van: Men hiet wel een koe blare, die nochtans niets wits en heft, maar een bewijs daarvoor vond ik nimmer en ook dr. Stoett kan zich blijkbaar met die meening niet vereenigen. Toch is het dunkt me volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat hier inderdaad verbastering heeft plaats gehad en dat de bedoeling van het spreekwoord oorspronkelijk lang niet zoo venijnig was, als ze ons thans wel voorkomt. Wij voelen thans de vlek als de fout, maar voelde men ze oorspronkelijk niet enkel als het bewijs voor het misdrijf, bedoeld in de eerste helft van het spreekwoord? De oudste vorm (Proverbia communia 500 en 499) is: Men heet gheen koe colle si en heeft wat wits voer haren bolle en Men en heet gheen koe blare si en heeft een wit hooft. Dit kon oorspronkelijk niet beteekenen, wat ons tegenwoordig spreekwoord zegt, nl. als men iemand van 't een of ander beschuldigt, is er licht iets van waar, al is het dan ook in veel geringere mate, dan met de beschuldiging in overeenstemming zou zijn; immers wat wits voer haren bolle hebben is volkomen gelijk aan het colle zijn; een wit hooft hebben is zelfs meer dan blare zijn een vlekje hebben daarentegen is bij lange na nog niet bont zijn; daarom moet de oorspronkelijke uitdrukking ongeveer beteekend hebben: Men beschuldigt niemand van eenig misdrijf zonder deugdelijke bewijzen tot zijn beschikking te hebben, men klaagt b.v. iemand niet aan van diefstal zonder bewijzen in handen te hebben, wat op zich zelf volstrekt niet een onaannemelijke opinie behoeft genoemd te worden.

De Latijnsche tekst van de beide spreekwoorden uit de Prov. comm.1) luidt met verbeteringen van Suringar:

500: Dicitur haec colla cui splendet vaccula bolla,
en 499: Vacce quando datur caput album, blara vocatur.

[p. 21]

In deze vertalingen is niets, dat de juistheid van het bovenstaande in twijfel moet doen trekken, in tegendeel ze sluiten zich er vrij wel bij aan; een bepaald bewijs voor mijn bewering meen ik te vinden in de volgende aanhaling uit de Albergensia.1) 't Gaat over Henrick Wetter, den eersten bestuurder van wat na hem het klooster Albergen werd. ‘Tempore quodam dum cum patribus esset familiari suo alloquio dixit De subtilibus et obscuris quodlibetis respondere non valeo. sed de passionibus autem pro posse cuilibet respondebo domino opponenti. Cui quidam ex patribus ait Arguo domino respondenti et hoc sic Ego me ipsum iustifico quia nil mihi conscius mali. attamen ab aliis sepe arguor et iudicor aut minus sapiens aut discretus aut vanam gloriam querens. sed accusatus aut correptus excuso meipsum quum me reum non estimo sed innocentem. sed et omnia imposita mihi ut mihi videor faciliter excusarem: attamen non creditur mihi. Quid ad hoc est Respondit pater Henricus. Vere pater carissime agnoscere debetis vulgare illud prouerbium hujus argumenti solucioni omnimodis adaptandum Men en hetet gheen koe blader,2) si en heeft wat wittes. notans neminem sine omni culpa in aliquo facile arguendo notari.

We kunnen ons best voorstellen, hoe ons spreekwoord, vooral toen de woorden kol en blaar uit het algemeen taalbewustzijn verdwenen waren en vervangen moesten worden door bont, geleidelijk zijn onaangename beteekenis gekregen heeft; ook de bijgedachte aan vlekje = smet, fout, zal ongetwijfeld die verandering van beteekenis in de hand gewerkt hebben.

 

j. prinsen j. lz.