Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 244]

Vechten.

Van dit woord, dat onze taal gemeen heeft met het Hoogduitsch, Angelsaksisch, Friesch en Saksisch, bestaat, voor zoover mij bekend is, nog geen bevredigende verklaring. Om het met Lat. pugna in verband te kunnen brengen, is men op de gedachte gekomen te veronderstellen dat er in 't Gotisch een fiuhtan bestaan kan hebben, waaruit in alle bovengenoemde talen bij vergissing een werkwoord van een andere klasse zou ontstaan zijn.

Vormelijk beantwoordt vechten aan Lat. pecto, pexi, pexum, kammen, hekelen, afrossen. Het Grieksch heeft πεϰτῶ en meer gewoon πέϰω, kammen, kaarden, scheren, uittrekken, plukken. Bij πέϰω behoort natuurlijk πόϰος, vacht, terwijl ons vacht bij pecto behoort; πέϰω staat tot pecto in dezelfde verhouding als πλέϰω, (Skr. praç in praçna) tot plecto, Germ. flehtan.

Met πέϰω identisch is Litausch peszú, infin. pèszti, plukken, uitrukken; 't reflexief peszú-s is ‘sich raufen’, d.i. plukharen, vechten; het samengestelde susipèszti is, volgens Kurschat: in Rauferei gerathen. Afleidingen van peszù zijn: pesztúkas, Raufbold, d.i. vechtersbaas; en pesztùwė, gewoonlijk in 't mv. gebruikt, ‘eine Rauferei’, d.i. vechtpartij.

De slotsom is dat fechten en raufen eertijds synoniemen waren en dat het eerste zijne oudere beteekenis verloren heeft, terwijl het tweede die nog behouden heeft. Ons ‘plukharen’ is, om zoo te zeggen, eene voortzetting van de oudere beteekenis van ‘vechten.’

Bij πόϰω behoort ook Ohd. fahs, enz., alsook Skr. pakṣa, vleugel, veder, keçapakṣa hoofdhaar. De begrippen haar, wol en veder, worden in meerdere talen door één woord uitgedrukt; zoo beteekent het Javaansche wulu, 't haar, de wol, de veeren. Hetzelfde woord met de zelfde beteekenissen komt mut. mut. in andere Maleisch-Polynesische talen voor. In 't Litausch is pláukas, haar, onmiskenbaar verwant met plùnksna, veder. Naar

[p. 245]

analogie van fahs, pakṣa mag men het waarschijnlijk achten dat pláukas en plúnksna terug te brengen zijn tot een verloren stam pluk, dat de beteekenis had van ons ‘plukken.’ Dit heeft den schijn van ontleend te wezen, maar uit welke taal? Men heeft plukken vereenzelvigd met Italiaansch piluccare, hetgeen zeer aannemelijk is, doch uit die gelijkheid volgt niet dat plukken uit piluccare ontstaan is; eer het tegendeel, want het Italiaansche woord is niet van Latijnschen bodem, moet dus van elders ingevoerd zijn. Maar al moge piluccare onmiddellijk aan een Germaansche taal ontleend zijn, dan behoeft het woord nog niet een oorspronkelijk Germaansch woord te wezen.

 

h. kern.