Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20. E.J. Brill, Leiden 1901  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 320]

Vechten (zie Tijdschr. 20, 244).

Op bovenstaande bladzijde bespreekt Kern beteekenis en etymologie van vechten. Het verband met pugna, dat reeds door Franck is afgewezen in zijn Etym. Wdbk. p. 1058, wordt schijnbaar gesteund door een vorm fiuhta (dat sg.) acie, in de Oudsaksische glossen in den Oxford-Vergilius Georgica 2, 365 voorkomende. De nom. sg. is zeker fiuht geweest, een neutr. a-stam. Ik geloof echter dat we hier te doen hebben met een frieschen indringer, nl. hetzelfde woord als ofri. fiuht, ags. feoht. De friesche i is voor cht in iu overgegaan, vgl. v. Helten Altostfri. grammatik § 39. fiuht moet dus op fiicht teruggaan, dat even als ags. feoht uit feht ontstaan is. In Nederduitsch komen naast vormen van vechte f. ook vormen voor, die op een neutr. nomin. vecht terug kunnen gaan, waarvan de nominatief niet voorkomt, alleen Hans. Urk. II, 202 acc. sg.: ieghen valsch unde unrecht scholen gi hebben gerne vecht. Hiernaast staat ook nog een vorm vacht Mnd. Wdb. 5, 188. In het Middelnederlandsch is gevecht de gewone vorm; vecht is mij niet bekend. Kiliaen i.v. vermeldt ‘vocht, vetus. s. ghevecht pugna;’ ook deze vorm, indien het woord inderdaad bestaan heeft, kan tot de familie vechten, lt. pecto behoord hebben.

De vorm viuhta in Wadstein's Kleinere Altsächsische Denkmäler p. 240 is dus ongetwijfeld een frisonisme en dat sg. van een nom. sg. fiuht, os. feht.

 

j.h. gallée.